Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken | Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken |
---|---|
FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE | FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE |
25 APRIL 2007. - Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de | 25 APRIL 2007. - Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de |
overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke | overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke |
Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de | Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de |
referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken | referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken |
ALBERT II, Koning der Belgen, | ALBERT II, Koning der Belgen, |
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. | Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. |
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : | De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen, hetgeen volgt : |
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling | HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling |
Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel |
Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel |
77 van de Grondwet. | 77 van de Grondwet. |
HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied | HOOFDSTUK II. - Toepassingsgebied |
Art. 2.Deze wet is van toepassing op : |
Art. 2.Deze wet is van toepassing op : |
1. de griffiers van de Rechterlijke Orde | 1. de griffiers van de Rechterlijke Orde |
2. de referendarissen bij het Hof van Cassatie | 2. de referendarissen bij het Hof van Cassatie |
3. de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven en | 3. de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven en |
rechtbanken. | rechtbanken. |
HOOFDSTUK III. - Onderhandelingen | HOOFDSTUK III. - Onderhandelingen |
Art. 3.Behoudens in de door de Koning bepaalde spoedgevallen kunnen |
Art. 3.Behoudens in de door de Koning bepaalde spoedgevallen kunnen |
de bevoegde overheden enkel na onderhandeling met de representatieve | de bevoegde overheden enkel na onderhandeling met de representatieve |
vakorganisaties in het daartoe opgerichte comité, vaststellen : | vakorganisaties in het daartoe opgerichte comité, vaststellen : |
1° de voorontwerpen van wet of grondregelingen terzake van : | 1° de voorontwerpen van wet of grondregelingen terzake van : |
a) het administratief statuut, met inbegrip van de vakantie- en | a) het administratief statuut, met inbegrip van de vakantie- en |
verlofregeling; | verlofregeling; |
b) de bezoldigingsregeling; | b) de bezoldigingsregeling; |
c) de pensioenregeling; | c) de pensioenregeling; |
d) de betrekkingen met de vakorganisaties; | d) de betrekkingen met de vakorganisaties; |
2° verordeningsbepalingen, algemene maatregelen van inwendige orde en | 2° verordeningsbepalingen, algemene maatregelen van inwendige orde en |
algemene richtlijnen met het oog op de latere vaststelling van de | algemene richtlijnen met het oog op de latere vaststelling van de |
personeelsformatie of inzake arbeidsduur en organisatie van het werk. | personeelsformatie of inzake arbeidsduur en organisatie van het werk. |
De Koning wijst de in het eerste lid, 1°, bedoelde grondregelingen | De Koning wijst de in het eerste lid, 1°, bedoelde grondregelingen |
aan, met opgave van, hetzij de daarin behandelde aangelegenheden, | aan, met opgave van, hetzij de daarin behandelde aangelegenheden, |
hetzij de daarin opgenomen bepalingen en bepaalt wat onder de | hetzij de daarin opgenomen bepalingen en bepaalt wat onder de |
organisatie van het werk dient te worden verstaan in de zin van het | organisatie van het werk dient te worden verstaan in de zin van het |
eerste lid, 2°. | eerste lid, 2°. |
Aan de daartoe vast te stellen besluiten gaan de in dit artikel | Aan de daartoe vast te stellen besluiten gaan de in dit artikel |
voorgeschreven onderhandelingen vooraf. | voorgeschreven onderhandelingen vooraf. |
Art. 4.De Koning richt het onderhandelingscomité voor de griffiers, |
Art. 4.De Koning richt het onderhandelingscomité voor de griffiers, |
referendarissen en parketjuristen van de Rechterlijke Orde op. | referendarissen en parketjuristen van de Rechterlijke Orde op. |
Dit comité is bevoegd voor de in artikel 3 opgesomde aangelegenheden | Dit comité is bevoegd voor de in artikel 3 opgesomde aangelegenheden |
die het personeel bedoeld in artikel 2 aangaan. | die het personeel bedoeld in artikel 2 aangaan. |
Art. 5.Het onderhandelingscomité voor de griffiers, referendarissen |
Art. 5.Het onderhandelingscomité voor de griffiers, referendarissen |
en parketjuristen van de Rechterlijke Orde omvat enerzijds een | en parketjuristen van de Rechterlijke Orde omvat enerzijds een |
afvaardiging van de overheid en anderzijds een afvaardiging per | afvaardiging van de overheid en anderzijds een afvaardiging per |
representatieve vakorganisatie. | representatieve vakorganisatie. |
In het onderhandelingscomité maken deel uit van de afvaardiging van de | In het onderhandelingscomité maken deel uit van de afvaardiging van de |
overheid, de Minister van Justitie en de Ministers die bevoegd zijn | overheid, de Minister van Justitie en de Ministers die bevoegd zijn |
voor Ambtenarenzaken en Begroting, of hun behoorlijk gemachtigde | voor Ambtenarenzaken en Begroting, of hun behoorlijk gemachtigde |
afgevaardigden. | afgevaardigden. |
De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van het | De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van het |
onderhandelingscomité. Hij bepaalt ook de regels voor de | onderhandelingscomité. Hij bepaalt ook de regels voor de |
onderhandelingsprocedure. | onderhandelingsprocedure. |
Art. 6.De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een |
Art. 6.De conclusies van iedere onderhandeling worden vermeld in een |
protocol waarin worden opgetekend : | protocol waarin worden opgetekend : |
1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen; | 1° ofwel het eenparig akkoord van al de afvaardigingen; |
2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de overheid en de | 2° ofwel het akkoord tussen de afvaardiging van de overheid en de |
afvaardiging van één of meer vakorganisaties alsook het standpunt van | afvaardiging van één of meer vakorganisaties alsook het standpunt van |
de delegatie van één of meer vakorganisaties; | de delegatie van één of meer vakorganisaties; |
3° ofwel het respectieve standpunt van elke afvaardiging. | 3° ofwel het respectieve standpunt van elke afvaardiging. |
HOOFDSTUK IV. - Overleg | HOOFDSTUK IV. - Overleg |
Art. 7.§ 1. Behoudens in de door de Koning bepaalde spoedgevallen, |
Art. 7.§ 1. Behoudens in de door de Koning bepaalde spoedgevallen, |
kan de overheid niet dan na overleg met de representatieve | kan de overheid niet dan na overleg met de representatieve |
vakorganisaties in de overeenkomstig artikel 8 opgerichte | vakorganisaties in de overeenkomstig artikel 8 opgerichte |
overlegcomités : | overlegcomités : |
1° beslissingen nemen tot vaststelling van de personeelsformatie van | 1° beslissingen nemen tot vaststelling van de personeelsformatie van |
de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof | de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof |
van Cassatie en de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven | van Cassatie en de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven |
en rechtbanken, die onder het betrokken overlegcomité ressorteren; | en rechtbanken, die onder het betrokken overlegcomité ressorteren; |
2° de regelingen vaststellen met betrekking onderwerpen bedoeld in | 2° de regelingen vaststellen met betrekking onderwerpen bedoeld in |
artikel 3 die de Koning niet als grondregelingen heeft beschouwd, | artikel 3 die de Koning niet als grondregelingen heeft beschouwd, |
alsook die welke betrekking hebben op de arbeidsduur en op de | alsook die welke betrekking hebben op de arbeidsduur en op de |
organisatie van het werk, die eigen zijn aan de personeelscategorieën | organisatie van het werk, die eigen zijn aan de personeelscategorieën |
die onder het betreffende overlegcomité vallen. | die onder het betreffende overlegcomité vallen. |
Evenzo moet vooraf overleg worden gepleegd over maatregelen van orde | Evenzo moet vooraf overleg worden gepleegd over maatregelen van orde |
en over richtlijnen betreffende een van de aangelegenheden bedoeld in | en over richtlijnen betreffende een van de aangelegenheden bedoeld in |
het eerste lid, 2°. | het eerste lid, 2°. |
Volgens dezelfde regels kunnen bij de comités ook voorstellen | Volgens dezelfde regels kunnen bij de comités ook voorstellen |
aanhangig worden gemaakt, strekkende tot verbetering van de menselijke | aanhangig worden gemaakt, strekkende tot verbetering van de menselijke |
betrekkingen of tot verbetering van de dienstverlening. | betrekkingen of tot verbetering van de dienstverlening. |
§ 2. De overlegcomités brengen over de ingediende voorstellen een met | § 2. De overlegcomités brengen over de ingediende voorstellen een met |
redenen omkleed advies uit. | redenen omkleed advies uit. |
§ 3. De overlegcomités oefenen eveneens de bevoegdheden uit die in | § 3. De overlegcomités oefenen eveneens de bevoegdheden uit die in |
particuliere bedrijven opgedragen zijn aan de comités voor preventie | particuliere bedrijven opgedragen zijn aan de comités voor preventie |
en bescherming op het werk. Indien een van deze bevoegdheden meer dan | en bescherming op het werk. Indien een van deze bevoegdheden meer dan |
één basisoverlegcomité aanbelangt, kan op vraag van elke afvaardiging, | één basisoverlegcomité aanbelangt, kan op vraag van elke afvaardiging, |
deze aanhangig worden gemaakt op het overlegcomité. | deze aanhangig worden gemaakt op het overlegcomité. |
Art. 8.§ 1. De Koning richt een overlegcomité voor de griffiers, |
Art. 8.§ 1. De Koning richt een overlegcomité voor de griffiers, |
referendarissen en parketjuristen van de Rechterlijke Orde op. | referendarissen en parketjuristen van de Rechterlijke Orde op. |
Het overlegcomité omvat enerzijds een afvaardiging van de overheid en | Het overlegcomité omvat enerzijds een afvaardiging van de overheid en |
anderzijds een afvaardiging per representatieve vakorganisatie. | anderzijds een afvaardiging per representatieve vakorganisatie. |
In het overlegcomité maken deel uit van de afvaardiging van de | In het overlegcomité maken deel uit van de afvaardiging van de |
overheid, de Minister van Justitie en de Ministers die bevoegd zijn | overheid, de Minister van Justitie en de Ministers die bevoegd zijn |
voor Ambtenarenzaken en Begroting, of hun behoorlijk gemachtigde | voor Ambtenarenzaken en Begroting, of hun behoorlijk gemachtigde |
afgevaardigden. | afgevaardigden. |
§ 2. Onverminderd het bepaalde in § 1 kan de Koning per rechtsgebied | § 2. Onverminderd het bepaalde in § 1 kan de Koning per rechtsgebied |
van het hof van beroep een basisoverlegcomité oprichten dat elk | van het hof van beroep een basisoverlegcomité oprichten dat elk |
uitsluitend bevoegd is voor aangelegenheden die het desbetreffende | uitsluitend bevoegd is voor aangelegenheden die het desbetreffende |
rechtsgebied niet overstijgen. | rechtsgebied niet overstijgen. |
In het basisoverlegcomité maken deel uit van de afvaardiging van de | In het basisoverlegcomité maken deel uit van de afvaardiging van de |
overheid, de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het | overheid, de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het |
arbeidshof, de procureur-generaal bij het hof van beroep van het | arbeidshof, de procureur-generaal bij het hof van beroep van het |
betreffende rechtsgebied of hun afgevaardigden. | betreffende rechtsgebied of hun afgevaardigden. |
§ 3. De in het onderhandelingscomité van de griffiers, referendarissen | § 3. De in het onderhandelingscomité van de griffiers, referendarissen |
en parketjuristen van de Rechterlijke Orde vertegenwoordigde | en parketjuristen van de Rechterlijke Orde vertegenwoordigde |
vakorganisaties zijn gerechtigd afgevaardigden voor te dragen om | vakorganisaties zijn gerechtigd afgevaardigden voor te dragen om |
zitting te hebben in de overlegcomités. | zitting te hebben in de overlegcomités. |
De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de | De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de |
overlegcomités. Hij bepaalt tevens de nadere regels voor de | overlegcomités. Hij bepaalt tevens de nadere regels voor de |
overlegprocedure. | overlegprocedure. |
HOOFDSTUK V. - Erkenning en representativiteit van de vakorganisaties | HOOFDSTUK V. - Erkenning en representativiteit van de vakorganisaties |
Art. 9.De vakorganisaties van de personeelsleden bedoeld in artikel 2 |
Art. 9.De vakorganisaties van de personeelsleden bedoeld in artikel 2 |
worden erkend zodra zij zich bij de Minister van Justitie doen kennen | worden erkend zodra zij zich bij de Minister van Justitie doen kennen |
door het toezenden, bij een ter post aangetekende brief, van een | door het toezenden, bij een ter post aangetekende brief, van een |
afschrift van hun statuten en van de lijst van hun verantwoordelijke | afschrift van hun statuten en van de lijst van hun verantwoordelijke |
leiders. | leiders. |
Zij blijven hun erkenning slechts behouden indien zij aan de Minister | Zij blijven hun erkenning slechts behouden indien zij aan de Minister |
van Justitie de wijzigingen doen kennen welke zij in hun statuten of | van Justitie de wijzigingen doen kennen welke zij in hun statuten of |
in de lijst van hun verantwoordelijke leiders aanbrengen. | in de lijst van hun verantwoordelijke leiders aanbrengen. |
Art. 10.Alleen de representatieve vakorganisaties hebben zitting in |
Art. 10.Alleen de representatieve vakorganisaties hebben zitting in |
het onderhandelingscomité en in de overlegcomités voor de griffiers, | het onderhandelingscomité en in de overlegcomités voor de griffiers, |
referendarissen en parketjuristen van de Rechterlijke Orde. | referendarissen en parketjuristen van de Rechterlijke Orde. |
Worden geacht representatief te zijn om zitting te hebben : | Worden geacht representatief te zijn om zitting te hebben : |
1° de erkende vakorganisaties die zitting hebben in het | 1° de erkende vakorganisaties die zitting hebben in het |
gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten, bedoeld in | gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten, bedoeld in |
artikel 3, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot | artikel 3, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot |
regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van | regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van |
haar personeel. | haar personeel. |
2° onverminderd het 1°, de erkende vakorganisaties die tegelijk : | 2° onverminderd het 1°, de erkende vakorganisaties die tegelijk : |
a) de belangen verdedigen van hetzij al de categorieën van griffiers | a) de belangen verdedigen van hetzij al de categorieën van griffiers |
van de Rechterlijke Orde, hetzij de referendarissen bij het Hof van | van de Rechterlijke Orde, hetzij de referendarissen bij het Hof van |
Cassatie, hetzij al de referendarissen en parketjuristen bij de hoven | Cassatie, hetzij al de referendarissen en parketjuristen bij de hoven |
en rechtbanken, hetzij alle hier opgesomde categorieën van personeel | en rechtbanken, hetzij alle hier opgesomde categorieën van personeel |
samen; | samen; |
b) een aantal bijdrageplichtige leden tellen dat ten minste 25 % | b) een aantal bijdrageplichtige leden tellen dat ten minste 25 % |
vertegenwoordigt van het totaal aantal personen die elke | vertegenwoordigt van het totaal aantal personen die elke |
personeelsgroep die zij vertegenwoordigen, samenstelt. | personeelsgroep die zij vertegenwoordigen, samenstelt. |
Art. 11.§ 1. Vanaf een door de Koning vastgestelde datum en |
Art. 11.§ 1. Vanaf een door de Koning vastgestelde datum en |
vervolgens om de zes jaar, onderzoekt de controlecommissie bedoeld in | vervolgens om de zes jaar, onderzoekt de controlecommissie bedoeld in |
artikel 14, § 1, van de voormelde wet van 19 december 1974, hierna « | artikel 14, § 1, van de voormelde wet van 19 december 1974, hierna « |
de commissie » genoemd, of de vakorganisaties die zitting hebben of | de commissie » genoemd, of de vakorganisaties die zitting hebben of |
vragen om zitting te mogen hebben in het onderhandelingscomité en de | vragen om zitting te mogen hebben in het onderhandelingscomité en de |
overlegcomités voldoen aan het criterium dat is bepaald in artikel 10, | overlegcomités voldoen aan het criterium dat is bepaald in artikel 10, |
tweede lid, 2°, b. | tweede lid, 2°, b. |
De vakorganisaties bedoeld in het eerste lid leggen aan de commissie, | De vakorganisaties bedoeld in het eerste lid leggen aan de commissie, |
op haar aanvraag, de bewijsmiddelen voor die nodig zijn voor de | op haar aanvraag, de bewijsmiddelen voor die nodig zijn voor de |
toepassing van het bedoelde lid. | toepassing van het bedoelde lid. |
Op verzoek van de voorzitter van de commissie moet de Minister van | Op verzoek van de voorzitter van de commissie moet de Minister van |
Justitie hem de bijgewerkte lijst van de griffiers, de referendarissen | Justitie hem de bijgewerkte lijst van de griffiers, de referendarissen |
bij het Hof van Cassatie, en referendarissen en parketjuristen bij de | bij het Hof van Cassatie, en referendarissen en parketjuristen bij de |
hoven en rechtbanken bezorgen. | hoven en rechtbanken bezorgen. |
Voor de leden van de commissie en de personeelsleden die hun eventueel | Voor de leden van de commissie en de personeelsleden die hun eventueel |
terzijde staan, geldt de verplichting van het beroepsgeheim over de | terzijde staan, geldt de verplichting van het beroepsgeheim over de |
inhoud van de inlichtingen door de vakorganisaties verstrekt. | inhoud van de inlichtingen door de vakorganisaties verstrekt. |
Een afgevaardigde van de betrokken vakorganisatie mag bij iedere | Een afgevaardigde van de betrokken vakorganisatie mag bij iedere |
onderzoeksverrichting betreffende die organisatie aanwezig zijn. | onderzoeksverrichting betreffende die organisatie aanwezig zijn. |
§ 2. Een vakorganisatie waarvan door de commissie werd vastgesteld dat | § 2. Een vakorganisatie waarvan door de commissie werd vastgesteld dat |
zij niet voldoet aan de bepalingen bedoeld in § 1, eerste lid, mag | zij niet voldoet aan de bepalingen bedoeld in § 1, eerste lid, mag |
voor het verstrijken van de termijn van zes jaar een nieuw onderzoek | voor het verstrijken van de termijn van zes jaar een nieuw onderzoek |
aanvragen, indien zij meent sinds die vaststelling wel aan het | aanvragen, indien zij meent sinds die vaststelling wel aan het |
gestelde criterium te voldoen. | gestelde criterium te voldoen. |
Indien uit dit nieuw onderzoek blijkt dat de vakorganisatie aan het | Indien uit dit nieuw onderzoek blijkt dat de vakorganisatie aan het |
gestelde criterium voldoet, heeft zij onmiddellijk zitting in het | gestelde criterium voldoet, heeft zij onmiddellijk zitting in het |
onderhandelingscomité en de overlegcomités. | onderhandelingscomité en de overlegcomités. |
HOOFDSTUK VI. - Prerogatieven van de vakorganisaties | HOOFDSTUK VI. - Prerogatieven van de vakorganisaties |
Art. 12.De erkende vakorganisaties mogen, onder de voorwaarden die de |
Art. 12.De erkende vakorganisaties mogen, onder de voorwaarden die de |
Koning bepaalt en overeenkomstig de nadere regels die Hij vastlegt : | Koning bepaalt en overeenkomstig de nadere regels die Hij vastlegt : |
1° stappen doen bij de overheden die ertoe gemachtigd zijn te | 1° stappen doen bij de overheden die ertoe gemachtigd zijn te |
beslissen, in het gemeenschappelijk belang van de personeelsleden die | beslissen, in het gemeenschappelijk belang van de personeelsleden die |
zij vertegenwoordigen of in het bijzonder belang van een | zij vertegenwoordigen of in het bijzonder belang van een |
personeelslid; | personeelslid; |
2° een personeelslid dat zijn daden voor de overheid moet | 2° een personeelslid dat zijn daden voor de overheid moet |
rechtvaardigen, op zijn verzoek ter zijde staan; | rechtvaardigen, op zijn verzoek ter zijde staan; |
3° in de lokalen van de diensten berichten uithangen; | 3° in de lokalen van de diensten berichten uithangen; |
4° de algemene documentatie ontvangen betreffende het beheer van het | 4° de algemene documentatie ontvangen betreffende het beheer van het |
personeel dat zij vertegenwoordigen. | personeel dat zij vertegenwoordigen. |
Art. 13.Onder de voorwaarden bepaald door de Koning en onverminderd |
Art. 13.Onder de voorwaarden bepaald door de Koning en onverminderd |
de andere prerogatieven welke hen door deze wet worden toegekend, | de andere prerogatieven welke hen door deze wet worden toegekend, |
mogen de representatieve vakorganisaties : | mogen de representatieve vakorganisaties : |
1° de prerogatieven van de erkende vakorganisaties uitoefenen; | 1° de prerogatieven van de erkende vakorganisaties uitoefenen; |
2° de vakbondsbijdragen innen in de lokalen tijdens de diensturen; | 2° de vakbondsbijdragen innen in de lokalen tijdens de diensturen; |
3° aanwezig zijn op de vergelijkende examens en op de examens welke | 3° aanwezig zijn op de vergelijkende examens en op de examens welke |
voor de personeelsleden worden georganiseerd onverminderd de | voor de personeelsleden worden georganiseerd onverminderd de |
prerogatieven van de examencommissies. | prerogatieven van de examencommissies. |
4° in de lokalen vergaderingen beleggen. | 4° in de lokalen vergaderingen beleggen. |
HOOFDSTUK VII. - Bepaling betreffende de vakbondsafgevaardigden | HOOFDSTUK VII. - Bepaling betreffende de vakbondsafgevaardigden |
Art. 14.De Koning bepaalt de regels die gelden voor de |
Art. 14.De Koning bepaalt de regels die gelden voor de |
vakbondsafgevaardigden ter zake van hun activiteit bij de griffiers, | vakbondsafgevaardigden ter zake van hun activiteit bij de griffiers, |
referendarissen en parketjuristen van de Rechterlijke Orde. | referendarissen en parketjuristen van de Rechterlijke Orde. |
De personeelsleden die deze hoedanigheid bezitten, genieten, in de | De personeelsleden die deze hoedanigheid bezitten, genieten, in de |
door de Koning bepaalde gevallen, vakbondsverlof voor de periode | door de Koning bepaalde gevallen, vakbondsverlof voor de periode |
waarin dat zij een vakbondsopdracht vervullen. Dit verlof wordt met | waarin dat zij een vakbondsopdracht vervullen. Dit verlof wordt met |
een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. | een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. |
HOOFDSTUK VIII. - Wijzigings- en slotbepalingen | HOOFDSTUK VIII. - Wijzigings- en slotbepalingen |
Art. 15.Artikel 2, § 3, van de wet van 1 september 1980 betreffende |
Art. 15.Artikel 2, § 3, van de wet van 1 september 1980 betreffende |
de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige | de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige |
personeelsleden van de overheidssector, gewijzigd bij de wetten van 22 | personeelsleden van de overheidssector, gewijzigd bij de wetten van 22 |
januari 1985, 24 maart 1999 et 15 januari 2002, wordt aangevuld als | januari 1985, 24 maart 1999 et 15 januari 2002, wordt aangevuld als |
volgt : | volgt : |
« 7° ten opzichte van de personeelsleden bedoeld in artikel 2 van de | « 7° ten opzichte van de personeelsleden bedoeld in artikel 2 van de |
wet van 25 april 2007 tot regeling van de betrekkingen tussen de | wet van 25 april 2007 tot regeling van de betrekkingen tussen de |
overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke | overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke |
Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de | Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de |
referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken, de | referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken, de |
organisaties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 10 van die | organisaties die voldoen aan de voorwaarden van artikel 10 van die |
wet. » | wet. » |
Art. 16.Met het oog op de eerste toepassing van het in artikel 11, § |
Art. 16.Met het oog op de eerste toepassing van het in artikel 11, § |
1, bedoelde representativiteitsonderzoek, dient onder « | 1, bedoelde representativiteitsonderzoek, dient onder « |
bijdrageplichtig lid » te worden verstaan het personeelslid dat voor | bijdrageplichtig lid » te worden verstaan het personeelslid dat voor |
elke maand van de hierna gedefinieerde referteperiode waarin de | elke maand van de hierna gedefinieerde referteperiode waarin de |
refertedatum valt, de vakbondsbijdrage heeft betaald. | refertedatum valt, de vakbondsbijdrage heeft betaald. |
Voor de toepassing van deze bepaling is de refertedatum 30 juni van | Voor de toepassing van deze bepaling is de refertedatum 30 juni van |
het jaar dat voorafgaat aan de datum van inwerkingtreding van deze | het jaar dat voorafgaat aan de datum van inwerkingtreding van deze |
wet. De referteperiode is voor de toepassing van deze bepaling de | wet. De referteperiode is voor de toepassing van deze bepaling de |
periode van zes maanden vanaf de eerste dag van de zesde maand van het | periode van zes maanden vanaf de eerste dag van de zesde maand van het |
jaar waarin de refertedatum valt. | jaar waarin de refertedatum valt. |
Voor de toepassing van deze bepaling is de vakbondsbijdrage die welke, | Voor de toepassing van deze bepaling is de vakbondsbijdrage die welke, |
voor de maand waarin de refertedatum valt, ten minste gelijk is aan | voor de maand waarin de refertedatum valt, ten minste gelijk is aan |
0,74 % van de geïndexeerde gewaarborgde maandelijkse brutobezoldiging, | 0,74 % van de geïndexeerde gewaarborgde maandelijkse brutobezoldiging, |
zoals zij van toepassing is op 1 juli van het jaar dat aan de | zoals zij van toepassing is op 1 juli van het jaar dat aan de |
refertedatum voorafgaat. | refertedatum voorafgaat. |
Zij wordt berekend op basis van het laagste bedrag dat opgegeven is in | Zij wordt berekend op basis van het laagste bedrag dat opgegeven is in |
artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende | artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 juni 1973 houdende |
toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige | toekenning van een gewaarborgde bezoldiging aan sommige |
personeelsleden van de federale overheidsdiensten. Voor die | personeelsleden van de federale overheidsdiensten. Voor die |
berekeningen, wordt alleen het eindresultaat betreffende de | berekeningen, wordt alleen het eindresultaat betreffende de |
maandelijkse bijdrage afgerond op die wijze dat, wanneer het berekende | maandelijkse bijdrage afgerond op die wijze dat, wanneer het berekende |
bedrag een gedeelte van een cent bevat, het tot de hogere of lagere | bedrag een gedeelte van een cent bevat, het tot de hogere of lagere |
cent wordt afgerond naar gelang het gedeelte van een cent al dan niet | cent wordt afgerond naar gelang het gedeelte van een cent al dan niet |
een half bereikt. | een half bereikt. |
Art. 17.Met uitzondering van dit artikel, treedt deze wet in werking |
Art. 17.Met uitzondering van dit artikel, treedt deze wet in werking |
op een door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk zes maanden na | op een door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk zes maanden na |
haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. | haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. |
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden | Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden |
bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. | bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. |
Gegeven te Brussel, 25 april 2007. | Gegeven te Brussel, 25 april 2007. |
ALBERT | ALBERT |
Van Koningswege : | Van Koningswege : |
De Minister van Justitie | De Minister van Justitie |
Mevr. L ONKELINX | Mevr. L ONKELINX |
Met 's Lands zegel gezegeld : | Met 's Lands zegel gezegeld : |
De Minister van Justitie, | De Minister van Justitie, |
Mevr. L. ONKELINX | Mevr. L. ONKELINX |
_______ | _______ |
Nota | Nota |
Stukken van de Senaat : | Stukken van de Senaat : |
3-2010 - 2006/2007 | 3-2010 - 2006/2007 |
Nr. 1 : Wetsontwerp | Nr. 1 : Wetsontwerp |
Nr. 2 : Amendementen | Nr. 2 : Amendementen |
Nr. 3 : Verslag namens de commissie | Nr. 3 : Verslag namens de commissie |
Nr. 4 : Tekst geamendeerd door de commissie | Nr. 4 : Tekst geamendeerd door de commissie |
Handelingen van de Senaat : 15 februari 2007 | Handelingen van de Senaat : 15 februari 2007 |
Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers : | Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers : |
51-2923 - 2006/2007 | 51-2923 - 2006/2007 |
Nr. 1 Ontwerp overgezonden door de Senaat | Nr. 1 Ontwerp overgezonden door de Senaat |
Nr. 2 Verslag namens de commissie | Nr. 2 Verslag namens de commissie |
Nr. 3 Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter | Nr. 3 Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan de Koning ter |
bekrachtiging voorgelegd | bekrachtiging voorgelegd |
Integraal verslag : 29 maart 2007 | Integraal verslag : 29 maart 2007 |