Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Koninklijk Besluit van 10/07/2013
← Terug naar "Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen "
Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen
FEDERALE OVERHEIDSDIENST MOBILITEIT EN VERVOER FEDERALE OVERHEIDSDIENST MOBILITEIT EN VERVOER
10 JULI 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk 10 JULI 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk
besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische
eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun
veiligheidstoebehoren moeten voldoen veiligheidstoebehoren moeten voldoen
VERSLAG AAN DE KONING VERSLAG AAN DE KONING
Sire, Sire,
1. Het ontwerp van koninklijk besluit dat ik de eer heb u voor te 1. Het ontwerp van koninklijk besluit dat ik de eer heb u voor te
leggen beoogt hoofdzakelijk de wijziging van het koninklijk besluit leggen beoogt hoofdzakelijk de wijziging van het koninklijk besluit
van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen
waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun
veiligheidstoebehoren moeten voldoen (hierna het "Technisch reglement" veiligheidstoebehoren moeten voldoen (hierna het "Technisch reglement"
genoemd). genoemd).
Met dit ontwerp streeft men er in het bijzonder naar om een Met dit ontwerp streeft men er in het bijzonder naar om een
problematische situatie waarmee de landbouwsector wordt problematische situatie waarmee de landbouwsector wordt
geconfronteerd, te verduidelijken. Dit probleem stelt zich vooral geconfronteerd, te verduidelijken. Dit probleem stelt zich vooral
wanneer het gaat over de naleving van de bepalingen van het wanneer het gaat over de naleving van de bepalingen van het
Verkeersreglement met betrekking tot de lading. Problematisch is Verkeersreglement met betrekking tot de lading. Problematisch is
vooral de bepaling over de afmetingen (artikel 46 van het koninklijk vooral de bepaling over de afmetingen (artikel 46 van het koninklijk
besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie
van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg) wanneer de van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg) wanneer de
land- of bosbouwtrekker een in de landbouw of bosbouw gebruikte land- of bosbouwtrekker een in de landbouw of bosbouw gebruikte
inrichting vervoert die deze land- of bosbouwtrekker een andere of inrichting vervoert die deze land- of bosbouwtrekker een andere of
extra functie geeft (een ploeg bijvoorbeeld). extra functie geeft (een ploeg bijvoorbeeld).
Het is duidelijk dat de gedragen machines voor land- of Het is duidelijk dat de gedragen machines voor land- of
bosbouwdoeleinden - zoals gedefinieerd in het nieuwe artikel 1, bosbouwdoeleinden - zoals gedefinieerd in het nieuwe artikel 1,
paragraaf 2, punt 61bis van het Technisch reglement (zie punt 2.2 paragraaf 2, punt 61bis van het Technisch reglement (zie punt 2.2
hierna) - niet moeten worden beschouwd als lading, zodat de maximale hierna) - niet moeten worden beschouwd als lading, zodat de maximale
afmetingen die door elke lading moeten worden nageleefd, niet van afmetingen die door elke lading moeten worden nageleefd, niet van
toepassing zijn op deze gedragen machines. toepassing zijn op deze gedragen machines.
Om de verkeersveiligheid echter te waarborgen, zal, indien nodig, Om de verkeersveiligheid echter te waarborgen, zal, indien nodig,
bijkomende signalisatieuitrusting worden aangebracht (zie punt 4.1. bijkomende signalisatieuitrusting worden aangebracht (zie punt 4.1.
hieronder). Vanuit hetzelfde oogpunt zal de maximale lengte (de hieronder). Vanuit hetzelfde oogpunt zal de maximale lengte (de
zogenoemde "totaallengte") van de voertuigsleep "de land- of zogenoemde "totaallengte") van de voertuigsleep "de land- of
bosbouwtrekker en de gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden" bosbouwtrekker en de gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden"
en van de gedragen machine zelf een bepaalde lengte niet mogen en van de gedragen machine zelf een bepaalde lengte niet mogen
overschrijden (zie punt 5.3. hieronder). overschrijden (zie punt 5.3. hieronder).
Bespreking van de artikelen Bespreking van de artikelen
2. Artikel 1 wijzigt het eerste artikel van het Technisch reglement. 2. Artikel 1 wijzigt het eerste artikel van het Technisch reglement.
2.1. Punt 1° beoogt de integratie van de in de vorige versie nog niet 2.1. Punt 1° beoogt de integratie van de in de vorige versie nog niet
opgenomen voertuigen voor specifiek gebruik behorend tot categorie T4 opgenomen voertuigen voor specifiek gebruik behorend tot categorie T4
in de classificatie van de voertuigen zoals bepaald in paragraaf 1. in de classificatie van de voertuigen zoals bepaald in paragraaf 1.
2.2. Punt 2° introduceert een nieuwe definitie in paragraaf 2, meer 2.2. Punt 2° introduceert een nieuwe definitie in paragraaf 2, meer
bepaald die van de "gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden". bepaald die van de "gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden".
Het gaat om machines die niet vallen onder de definitie van de Het gaat om machines die niet vallen onder de definitie van de
categorieën R of S, dit zijn de categorieën die ressorteren onder het categorieën R of S, dit zijn de categorieën die ressorteren onder het
toepassingsgebied van Richtlijn 2003/37/EG van 26 mei 2003 betreffende toepassingsgebied van Richtlijn 2003/37/EG van 26 mei 2003 betreffende
de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens,
verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische
eenheden daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG. De eenheden daarvan en tot intrekking van Richtlijn 74/150/EEG. De
bedoelde machines moeten in hun geheel worden gedragen door een land- bedoelde machines moeten in hun geheel worden gedragen door een land-
of bosbouwtrekker en moeten deze land- of bosbouwtrekker een andere of of bosbouwtrekker en moeten deze land- of bosbouwtrekker een andere of
extra functie geven. Inrichtingen die op een aanhangwagen worden extra functie geven. Inrichtingen die op een aanhangwagen worden
vervoerd, mogen bijgevolg niet als "gedragen machines voor land- of vervoerd, mogen bijgevolg niet als "gedragen machines voor land- of
bosbouwdoeleinden worden beschouwd. De nieuwe definitie bepaalt bosbouwdoeleinden worden beschouwd. De nieuwe definitie bepaalt
eveneens hoe "in zijn geheel gedragen" dient te worden begrepen, eveneens hoe "in zijn geheel gedragen" dient te worden begrepen,
namelijk niet beschikken over een verticale scharnieras ten opzichte namelijk niet beschikken over een verticale scharnieras ten opzichte
van het trekkende voertuig. van het trekkende voertuig.
3. Artikel 2 beoogt de wijziging van artikel 17, paragraaf 4 van het 3. Artikel 2 beoogt de wijziging van artikel 17, paragraaf 4 van het
Technisch reglement om te bevestigen dat de voertuigen van de Technisch reglement om te bevestigen dat de voertuigen van de
categorieën T en C - onder bepaalde voorwaarden - een bijrijder mogen categorieën T en C - onder bepaalde voorwaarden - een bijrijder mogen
vervoeren, conform de definitie zelf van de landbouwtrekker (artikel vervoeren, conform de definitie zelf van de landbouwtrekker (artikel
1, paragraaf 2, punt 59 in fine van het Technisch reglement). 1, paragraaf 2, punt 59 in fine van het Technisch reglement).
4. Artikel 3 wijzigt artikel 28 van het Technisch reglement met 4. Artikel 3 wijzigt artikel 28 van het Technisch reglement met
betrekking tot de lichten en de reflectoren. betrekking tot de lichten en de reflectoren.
4.1. Een nieuwe paragraaf 6 verplicht bijkomende bepalingen inzake 4.1. Een nieuwe paragraaf 6 verplicht bijkomende bepalingen inzake
signalisatie. signalisatie.
Zo wordt voor het signaleren van gedragen machines de plaatsing Zo wordt voor het signaleren van gedragen machines de plaatsing
voorzien, op de zijkanten en achteraan gedragen machines, van panelen voorzien, op de zijkanten en achteraan gedragen machines, van panelen
met verschillende afmetingen die beschikbaar zijn op de markt met verschillende afmetingen die beschikbaar zijn op de markt
(vierkantig met zijden van minimum 280 millimeter of rechthoekig met (vierkantig met zijden van minimum 280 millimeter of rechthoekig met
zijden van minimum 280 x 560 millimeter of minimum 140 x 800 zijden van minimum 280 x 560 millimeter of minimum 140 x 800
millimeter) die voorzien zijn van retro-reflecterende rode en witte millimeter) die voorzien zijn van retro-reflecterende rode en witte
strepen die voldoen aan de fotometrische en colorimetrische strepen die voldoen aan de fotometrische en colorimetrische
voorschriften van de internationale normen, zijnde retro-reflecterende voorschriften van de internationale normen, zijnde retro-reflecterende
strepen van type 2 (producten van de klasse RA2 van de norm NBN EN strepen van type 2 (producten van de klasse RA2 van de norm NBN EN
12899-1) voor de « grote » panelen en van type 3 (producten voor 12899-1) voor de « grote » panelen en van type 3 (producten voor
retro-reflecterende markeringen van klasse C van Reglement nr.104) retro-reflecterende markeringen van klasse C van Reglement nr.104)
voor de kleine vierkantige panelen van meer dan 280 millimeter en voor de kleine vierkantige panelen van meer dan 280 millimeter en
minder dan 420 millimeter aan de zijkanten. minder dan 420 millimeter aan de zijkanten.
4.2. Teneinde de landbouwsector de kans te geven om het reeds in 4.2. Teneinde de landbouwsector de kans te geven om het reeds in
gebruik genomen materieel uit te rusten, zal deze bepaling pas een gebruik genomen materieel uit te rusten, zal deze bepaling pas een
jaar na de bekendmaking van het besluit in werking treden (artikel 5). jaar na de bekendmaking van het besluit in werking treden (artikel 5).
5. Artikel 4 wijzigt artikel 32bis van het Technisch reglement met 5. Artikel 4 wijzigt artikel 32bis van het Technisch reglement met
betrekking tot de massa's en afmetingen. betrekking tot de massa's en afmetingen.
5.1. Punt 1.4.1.3. van artikel 32bis bepaalt dat de massa gemeten op 5.1. Punt 1.4.1.3. van artikel 32bis bepaalt dat de massa gemeten op
de voorste as van het voertuig op zijn minst altijd gelijk moet zijn de voorste as van het voertuig op zijn minst altijd gelijk moet zijn
aan 20 % van de massa van ditzelfde voertuig in alle aan 20 % van de massa van ditzelfde voertuig in alle
beladings-omstandigheden. Bij voertuigen van speciale constructie voor beladings-omstandigheden. Bij voertuigen van speciale constructie voor
land- of bosbouwdoeleinden is de voorste as echter niet altijd de land- of bosbouwdoeleinden is de voorste as echter niet altijd de
gestuurde as; het kan gaan om een gewone dragende as. Het is dus gestuurde as; het kan gaan om een gewone dragende as. Het is dus
aangewezen om toe te staan dat de 20 % voorwaarde niet van toepassing aangewezen om toe te staan dat de 20 % voorwaarde niet van toepassing
is op de voorste as, maar op de gestuurde as. Deze uitzondering is is op de voorste as, maar op de gestuurde as. Deze uitzondering is
echter uitsluitend toegestaan voor voertuigen van speciale constructie echter uitsluitend toegestaan voor voertuigen van speciale constructie
voor land- of bosbouwdoeleinden waarvan de nominale snelheid niet voor land- of bosbouwdoeleinden waarvan de nominale snelheid niet
hoger ligt dan 30 km/u. hoger ligt dan 30 km/u.
5.2. Door de aanpassing van punt 1.4.1.4. beoogt het ontwerp om, onder 5.2. Door de aanpassing van punt 1.4.1.4. beoogt het ontwerp om, onder
bepaalde voorwaarden, toe te staan dat voertuigen van speciale bepaalde voorwaarden, toe te staan dat voertuigen van speciale
constructie voor land- of bosbouwdoeleinden, die niet tot categorie R constructie voor land- of bosbouwdoeleinden, die niet tot categorie R
behoren, en die een nominale snelheid hebben die de 30 km/u. niet behoren, en die een nominale snelheid hebben die de 30 km/u. niet
overschrijdt, met een hefbare as worden uitgerust. overschrijdt, met een hefbare as worden uitgerust.
5.3. Met het oog op de verkeersveiligheid wordt met punt 3° het punt 5.3. Met het oog op de verkeersveiligheid wordt met punt 3° het punt
5.1. van artikel 32bis gewijzigd, teneinde de maximale lengte van de 5.1. van artikel 32bis gewijzigd, teneinde de maximale lengte van de
voertuigsleep "land- of bosbouwtrekker en de gedragen machine voor voertuigsleep "land- of bosbouwtrekker en de gedragen machine voor
land- of bosbouwdoeleinden", met inbegrip van de lading en de land- of bosbouwdoeleinden", met inbegrip van de lading en de
permanente uitrusting, te beperken tot maximum 12 meter, waarbij de permanente uitrusting, te beperken tot maximum 12 meter, waarbij de
maximale lengte van de gedragen machine vooraan op het trekkende maximale lengte van de gedragen machine vooraan op het trekkende
voertuig maximaal 3 meter bedraagt, en achteraan op het trekkende voertuig maximaal 3 meter bedraagt, en achteraan op het trekkende
voertuig maximaal 7 meter. voertuig maximaal 7 meter.
5.4. Het punt 4° strekt ertoe in punt 5.2 van artikel 32bis de 5.4. Het punt 4° strekt ertoe in punt 5.2 van artikel 32bis de
maximale toegelaten massa's voor voertuigen van speciale constructie maximale toegelaten massa's voor voertuigen van speciale constructie
voor land- of bosbouwdoeleinden die met rupsbanden zijn uitgerust, voor land- of bosbouwdoeleinden die met rupsbanden zijn uitgerust,
vast te leggen. vast te leggen.
Ik heb de eer te zijn, Ik heb de eer te zijn,
Sire, Sire,
Van Uwe Majesteit, Van Uwe Majesteit,
de zeer eerbiedige de zeer eerbiedige
en zeer getrouwe dienaar. en zeer getrouwe dienaar.
De Minister van Binnenlandse Zaken, De Minister van Binnenlandse Zaken,
Mevr. J. MILQUET Mevr. J. MILQUET
De Staatssecretaris voor Mobiliteit, De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
M. WATHELET M. WATHELET
10 JULI 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk 10 JULI 2013. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk
besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische
eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun
veiligheidstoebehoren moeten voldoen veiligheidstoebehoren moeten voldoen
ALBERT II, Koning der Belgen, ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
Gelet op de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen Gelet op de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen
waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan,
evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, artikel 1, gewijzigd evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen, artikel 1, gewijzigd
bij de wetten van 18 juli 1990, 5 april 1995, 4 augustus 1996, 27 bij de wetten van 18 juli 1990, 5 april 1995, 4 augustus 1996, 27
november 1996 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000; november 1996 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000;
Gelet op het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen Gelet op het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen
reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens,
hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen; hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;
Gelet op de adviezen van de raadgevende commissie « administratie - Gelet op de adviezen van de raadgevende commissie « administratie -
nijverheid » gegeven op 15 december 2011 en op 12 september 2012; nijverheid » gegeven op 15 december 2011 en op 12 september 2012;
Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerp van Gelet op de omstandigheid dat de gewestregeringen bij het ontwerp van
dit besluit betrokken zijn; dit besluit betrokken zijn;
Gelet op de adviezen nr. 51.127/4 en 52.628/4 van de Raad van State, Gelet op de adviezen nr. 51.127/4 en 52.628/4 van de Raad van State,
gegeven op 16 april 2012 en 16 januari 2013, met toepassing van gegeven op 16 april 2012 en 16 januari 2013, met toepassing van
artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State,
gecoördineerd op 12 januari 1973; gecoördineerd op 12 januari 1973;
Overwegende dat er is voldaan aan de bepalingen van artikel 8 van Overwegende dat er is voldaan aan de bepalingen van artikel 8 van
Richtlijn 98/34/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni Richtlijn 98/34/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni
1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en
technische voorschriften, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EEG; technische voorschriften, zoals gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EEG;
Op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en de Op de voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en de
Staatssecretaris voor Mobiliteit, Staatssecretaris voor Mobiliteit,
Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968

Artikel 1.In artikel 1 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968

houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's,
hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten
voldoen, worden volgende wijzigingen aangebracht : voldoen, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° In paragraaf 1, punt 5, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 1° In paragraaf 1, punt 5, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14
april 2009, worden in fine de volgende streepjes toegevoegd : april 2009, worden in fine de volgende streepjes toegevoegd :
« - categorie T4.1 : Portaaltrekkers. « - categorie T4.1 : Portaaltrekkers.
Trekkers voor het bewerken van hoge, in rijen geplante gewassen, Trekkers voor het bewerken van hoge, in rijen geplante gewassen,
bijvoorbeeld in de wijnbouw. Zij worden gekenmerkt door een bijvoorbeeld in de wijnbouw. Zij worden gekenmerkt door een
(gedeeltelijk) verhoogd chassis dat zodanig is gebouwd dat zij zich (gedeeltelijk) verhoogd chassis dat zodanig is gebouwd dat zij zich
parallel aan de rijen planten kunnen voortbewegen, waarbij de linker- parallel aan de rijen planten kunnen voortbewegen, waarbij de linker-
en rechterwielen zich aan weerszijden van één of meer rijen planten en rechterwielen zich aan weerszijden van één of meer rijen planten
bevinden. Zij zijn ontworpen om werktuigen te dragen of aan te drijven bevinden. Zij zijn ontworpen om werktuigen te dragen of aan te drijven
die zich aan de voorzijde, tussen de assen, aan de achterzijde of op die zich aan de voorzijde, tussen de assen, aan de achterzijde of op
een platform bevinden. In de werkpositie bedraagt de verticaal gemeten een platform bevinden. In de werkpositie bedraagt de verticaal gemeten
afstand tot de grond op de plaats van de rijen planten meer dan 1000 afstand tot de grond op de plaats van de rijen planten meer dan 1000
mm. Wanneer de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de trekker mm. Wanneer de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de trekker
(ten opzichte van de grond en met de normaal gemonteerde banden (ten opzichte van de grond en met de normaal gemonteerde banden
gemeten), gedeeld door het gemiddelde van de minimum-spoorbreedten van gemeten), gedeeld door het gemiddelde van de minimum-spoorbreedten van
alle assen, meer dan 0,90 bedraagt, mag de door de constructie alle assen, meer dan 0,90 bedraagt, mag de door de constructie
bepaalde maximumsnelheid niet hoger zijn dan 30 km/u. bepaalde maximumsnelheid niet hoger zijn dan 30 km/u.
- categorie T4.2 : Brede trekkers. - categorie T4.2 : Brede trekkers.
Trekkers die door hun grote afmetingen worden gekenmerkt en die in het Trekkers die door hun grote afmetingen worden gekenmerkt en die in het
bijzonder bestemd zijn om grote landbouwarealen te bewerken. bijzonder bestemd zijn om grote landbouwarealen te bewerken.
- categorie T4.3 : Trekkers met geringe hoogte boven het wegdek. - categorie T4.3 : Trekkers met geringe hoogte boven het wegdek.
Landbouw- en bosbouwtrekkers met vier aangedreven wielen, waarvan de Landbouw- en bosbouwtrekkers met vier aangedreven wielen, waarvan de
verwisselbare uitrustingsstukken bestemd zijn voor gebruik in de land- verwisselbare uitrustingsstukken bestemd zijn voor gebruik in de land-
of bosbouw en die worden gekenmerkt door een dragend chassis, en zijn of bosbouw en die worden gekenmerkt door een dragend chassis, en zijn
uitgerust met één of meer aftakassen, en een technisch toelaatbare uitgerust met één of meer aftakassen, en een technisch toelaatbare
massa van ten hoogste 10 ton hebben, waarbij de verhouding tussen deze massa van ten hoogste 10 ton hebben, waarbij de verhouding tussen deze
massa en de maximale lege massa in rijklare toestand minder dan 2,5 massa en de maximale lege massa in rijklare toestand minder dan 2,5
bedraagt. Voorts bevindt het zwaartepunt van deze trekkers (ten bedraagt. Voorts bevindt het zwaartepunt van deze trekkers (ten
opzichte van het wegdek en met de normaal gemonteerde banden gemeten) opzichte van het wegdek en met de normaal gemonteerde banden gemeten)
zich op minder dan 850 mm. ». zich op minder dan 850 mm. ».
2° In paragraaf 2, vervangen door het koninklijk besluit van 14 april 2° In paragraaf 2, vervangen door het koninklijk besluit van 14 april
2009, wordt na het punt 61 een punt 61bis toegevoegd, luidende : 2009, wordt na het punt 61 een punt 61bis toegevoegd, luidende :
« 61bis. "gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden" : iedere « 61bis. "gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden" : iedere
in de landbouw of bosbouw gebruikte inrichting die niet tot de in de landbouw of bosbouw gebruikte inrichting die niet tot de
categorie R of de categorie S behoort, die ontworpen is om volledig categorie R of de categorie S behoort, die ontworpen is om volledig
door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden gedragen, en die deze door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden gedragen, en die deze
landbouw- of bosbouwtrekker een andere of extra functie geeft. De landbouw- of bosbouwtrekker een andere of extra functie geeft. De
gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden kan aan de voorzijde, gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden kan aan de voorzijde,
de achterzijde of op een tussenpunt van de landbouw- of bosbouwtrekker de achterzijde of op een tussenpunt van de landbouw- of bosbouwtrekker
los worden gemonteerd. Onder "inrichting bestemd om in zijn geheel los worden gemonteerd. Onder "inrichting bestemd om in zijn geheel
door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden gedragen" dient te door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden gedragen" dient te
worden begrepen : een inrichting die niet beschikt over een verticale worden begrepen : een inrichting die niet beschikt over een verticale
scharnieras ten opzichte van de landbouw- of bosbouwtrekker, wanneer scharnieras ten opzichte van de landbouw- of bosbouwtrekker, wanneer
deze trekker op de openbare weg wordt gebruikt. ». deze trekker op de openbare weg wordt gebruikt. ».

Art. 2.In artikel 17, paragraaf 4, van hetzelfde koninklijk besluit,

Art. 2.In artikel 17, paragraaf 4, van hetzelfde koninklijk besluit,

vervangen door het koninklijk besluit van 17 maart 2003, wordt een vervangen door het koninklijk besluit van 17 maart 2003, wordt een
punt 4° toegevoegd, luidende : punt 4° toegevoegd, luidende :
« 4° de voertuigen van de categorieën T en C en de voertuigen van « 4° de voertuigen van de categorieën T en C en de voertuigen van
speciale constructie voor land- of bosbouwdoeleinden mogen ook een speciale constructie voor land- of bosbouwdoeleinden mogen ook een
bijrijder vervoeren op voorwaarde dat de passagiersruimte met een bijrijder vervoeren op voorwaarde dat de passagiersruimte met een
daartoe bestemde zitplaats is uitgerust. ». daartoe bestemde zitplaats is uitgerust. ».

Art. 3.In artikel 28 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen door

Art. 3.In artikel 28 van hetzelfde koninklijk besluit, vervangen door

het koninklijk besluit van 12 december 1975 en gewijzigd door de het koninklijk besluit van 12 december 1975 en gewijzigd door de
koninklijke besluiten van 11 augustus 1976, 11 maart 1977, 21 december koninklijke besluiten van 11 augustus 1976, 11 maart 1977, 21 december
1979, 16 november 1984, 13 september 1985, 9 mei 1988, 23 september 1979, 16 november 1984, 13 september 1985, 9 mei 1988, 23 september
1991, 10 april 1995, 15 december 1998, 17 maart 2003, 13 september 1991, 10 april 1995, 15 december 1998, 17 maart 2003, 13 september
2004, 25 maart 2010, 7 mei 2010 en 18 augustus 2010, worden de 2004, 25 maart 2010, 7 mei 2010 en 18 augustus 2010, worden de
volgende wijzigingen aangebracht : volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 2, 1°, a), punt 1, wordt het vijfde lid vervangen door 1° in paragraaf 2, 1°, a), punt 1, wordt het vijfde lid vervangen door
een nieuw vijfde lid, luidende als volgt : een nieuw vijfde lid, luidende als volgt :
« Een uitzondering kan worden gemaakt voor lichten en reflectoren « Een uitzondering kan worden gemaakt voor lichten en reflectoren
bestemd voor bijzonder gebruik, zoals bepaald in § 2, 1°, c), van bestemd voor bijzonder gebruik, zoals bepaald in § 2, 1°, c), van
artikel 28 en voor de panelen bedoeld in artikelen 19, 2° en 19/1 van artikel 28 en voor de panelen bedoeld in artikelen 19, 2° en 19/1 van
het koninklijk besluit van 2 juni 2010 betreffende het wegverkeer van het koninklijk besluit van 2 juni 2010 betreffende het wegverkeer van
uitzonderlijke voertuigen. »; uitzonderlijke voertuigen. »;
2° in paragraaf 2, 1°, a), punt 7, wordt het tweede lid vervangen door 2° in paragraaf 2, 1°, a), punt 7, wordt het tweede lid vervangen door
een nieuw tweede lid, luidende als volgt : een nieuw tweede lid, luidende als volgt :
« Deze bepaling geldt niet voor het gebruik van witte of gele « Deze bepaling geldt niet voor het gebruik van witte of gele
achteruitrijlichten, noch voor de kentekenplaatverlichting, noch voor achteruitrijlichten, noch voor de kentekenplaatverlichting, noch voor
de kentekenplaten zelf en ze geldt evenmin voor de panelen bedoeld in de kentekenplaten zelf en ze geldt evenmin voor de panelen bedoeld in
artikelen 19, 2° en 19/1 van het koninklijk besluit van 2 juni 2010 artikelen 19, 2° en 19/1 van het koninklijk besluit van 2 juni 2010
betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen. »; betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen. »;
3° een paragraaf 6 wordt ingevoegd, luidende : 3° een paragraaf 6 wordt ingevoegd, luidende :
« § 6. Bijkomende signaalinrichtingen voor de gedragen machines voor « § 6. Bijkomende signaalinrichtingen voor de gedragen machines voor
land- of bosbouwdoeleinden. land- of bosbouwdoeleinden.
1. Wanneer de gedragen machine voor landbouw of bosbouw vooraan op de 1. Wanneer de gedragen machine voor landbouw of bosbouw vooraan op de
landbouw- of bosbouwtrekker is geplaatst en deze de landbouw- of bosbouwtrekker is geplaatst en deze de
verlichtingsinrichting of de signalisatie van de landbouw- of verlichtingsinrichting of de signalisatie van de landbouw- of
bosbouwtrekker geheel of gedeeltelijk bedekt, dan moeten er bijkomende bosbouwtrekker geheel of gedeeltelijk bedekt, dan moeten er bijkomende
inrichtingen aan de voorkant van de gedragen machine worden geplaatst inrichtingen aan de voorkant van de gedragen machine worden geplaatst
die de lichten en de signalisatie vooraan aan de landbouw- of die de lichten en de signalisatie vooraan aan de landbouw- of
bosbouwtrekker hernemen, met uitzondering van de dimlichten. De bosbouwtrekker hernemen, met uitzondering van de dimlichten. De
werking ervan is dezelfde als deze van de verlichtingsinrichting van werking ervan is dezelfde als deze van de verlichtingsinrichting van
de landbouw -of bosbouwtrekker. de landbouw -of bosbouwtrekker.
Indien de dimlichten geheel of gedeeltelijk worden bedekt door de aan Indien de dimlichten geheel of gedeeltelijk worden bedekt door de aan
de voorzijde van de trekker gedragen machine, moeten twee bijkomende de voorzijde van de trekker gedragen machine, moeten twee bijkomende
voorwaarts gerichte dimlichten op een maximale hoogte van 300 cm op de voorwaarts gerichte dimlichten op een maximale hoogte van 300 cm op de
trekker worden geplaatst; de elektrische installatie moet zodanig zijn trekker worden geplaatst; de elektrische installatie moet zodanig zijn
uitgevoerd, dat twee stellen dimlichten niet tegelijkertijd kunnen uitgevoerd, dat twee stellen dimlichten niet tegelijkertijd kunnen
worden ingeschakeld. worden ingeschakeld.
2. Wanneer de gedragen machine voor landbouw of bosbouw achteraan op 2. Wanneer de gedragen machine voor landbouw of bosbouw achteraan op
de landbouw- of bosbouwtrekker is geplaatst en deze de de landbouw- of bosbouwtrekker is geplaatst en deze de
verlichtingsinrichting of de signalisatie van de landbouw- of verlichtingsinrichting of de signalisatie van de landbouw- of
bosbouwtrekker geheel of gedeeltelijk bedekt, dan moeten er bijkomende bosbouwtrekker geheel of gedeeltelijk bedekt, dan moeten er bijkomende
inrichtingen aan de achterzijde van de gedragen machine worden inrichtingen aan de achterzijde van de gedragen machine worden
geplaatst die de lichten en de signalisatie achteraan de landbouw- of geplaatst die de lichten en de signalisatie achteraan de landbouw- of
bosbouwtrekker hernemen en dezelfde werking hebben als de bosbouwtrekker hernemen en dezelfde werking hebben als de
verlichtingsinrichting van de landbouw -of bosbouwtrekker. verlichtingsinrichting van de landbouw -of bosbouwtrekker.
3. De gedragen machine voor landbouw of bosbouw die meer dan 100 cm 3. De gedragen machine voor landbouw of bosbouw die meer dan 100 cm
buiten het voor- of achtereinde van de landbouw- of bosbouwtrekker buiten het voor- of achtereinde van de landbouw- of bosbouwtrekker
uitsteekt, moet worden aangeduid door : uitsteekt, moet worden aangeduid door :
1° twee vierkante panelen met minimale afmetingen van 420 millimeter 1° twee vierkante panelen met minimale afmetingen van 420 millimeter
per zijde of twee rechthoekige panelen met minimale afmetingen van 280 per zijde of twee rechthoekige panelen met minimale afmetingen van 280
x 560 of 140 x 800 millimeter met diagonale afwisselend rode en witte x 560 of 140 x 800 millimeter met diagonale afwisselend rode en witte
retroreflecterende strepen volgens een hoek van 45° tot 60° en met een retroreflecterende strepen volgens een hoek van 45° tot 60° en met een
breedte van 70 tot 100 millimeter. De retroreflecterende strepen breedte van 70 tot 100 millimeter. De retroreflecterende strepen
beantwoorden aan de colorimetrische specificaties en ten minste aan de beantwoorden aan de colorimetrische specificaties en ten minste aan de
retroreflectiecoëfficiënt van de producten van de klasse RA2 van de retroreflectiecoëfficiënt van de producten van de klasse RA2 van de
norm NBN EN 12899-1; norm NBN EN 12899-1;
of twee vierkante panelen van 280 millimeter per zijde tot minder dan of twee vierkante panelen van 280 millimeter per zijde tot minder dan
420 millimeter per zijde met diagonale afwisselend rode en witte 420 millimeter per zijde met diagonale afwisselend rode en witte
retroreflecterende strepen volgens een hoek van 45° tot 60° en met een retroreflecterende strepen volgens een hoek van 45° tot 60° en met een
breedte van 70 tot 100 millimeter. De retroreflecterende strepen breedte van 70 tot 100 millimeter. De retroreflecterende strepen
beantwoorden aan de colorimetrische specificaties bij nacht en ten beantwoorden aan de colorimetrische specificaties bij nacht en ten
minste aan de fotometrische specificaties van de producten voor minste aan de fotometrische specificaties van de producten voor
retroreflecterende markeringen van klasse C van Reglement nr.104 retroreflecterende markeringen van klasse C van Reglement nr.104
houdende uniforme voorschriften betreffende de goedkeuring van houdende uniforme voorschriften betreffende de goedkeuring van
retroreflecterende markeringen voor voertuigen van de categorieën M, N retroreflecterende markeringen voor voertuigen van de categorieën M, N
en O, dat het addendum 103 vormt bij de Overeenkomst van Genève van 20 en O, dat het addendum 103 vormt bij de Overeenkomst van Genève van 20
maart 1958, herzien op 10 november 1967 en 16 oktober 1995 betreffende maart 1958, herzien op 10 november 1967 en 16 oktober 1995 betreffende
het aannemen van de eenvormige technische voorschriften voor het aannemen van de eenvormige technische voorschriften voor
wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden
aangebracht of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor aangebracht of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor
wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze
eisen. eisen.
Op elk paneel moet ten minste een van de retroreflecterende strepen Op elk paneel moet ten minste een van de retroreflecterende strepen
voorzien zijn van een markering die ten minste bestaat uit : voorzien zijn van een markering die ten minste bestaat uit :
- het merk of elk ander identificatiemiddel van de fabrikant of van - het merk of elk ander identificatiemiddel van de fabrikant of van
zijn vertegenwoordiger als het niet om de fabrikant gaat; zijn vertegenwoordiger als het niet om de fabrikant gaat;
- de door de FOD Mobiliteit en Vervoer erkende identificatiecode van - de door de FOD Mobiliteit en Vervoer erkende identificatiecode van
het product, waardoor de gelijkvormigheid ervan met de colorimetrische het product, waardoor de gelijkvormigheid ervan met de colorimetrische
en fotometrische voorschriften vermeld onder hetzij het eerste lid en fotometrische voorschriften vermeld onder hetzij het eerste lid
hetzij het tweede lid kan worden bepaald en gewaarborgd, met hetzij het tweede lid kan worden bepaald en gewaarborgd, met
verwijzing naar een nationale of internationale norm of naar elke verwijzing naar een nationale of internationale norm of naar elke
andere code die van dien aard is dat ze deze gelijkvormigheid kan andere code die van dien aard is dat ze deze gelijkvormigheid kan
staven; staven;
Elke fabrikant en elke verbouwer van retroreflecterend materiaal Elke fabrikant en elke verbouwer van retroreflecterend materiaal
waarborgt de gelijkvormigheid van het geleverde product met de waarborgt de gelijkvormigheid van het geleverde product met de
vereiste voorschriften op het gebied van retroreflectie en vereiste voorschriften op het gebied van retroreflectie en
colorimetrie met een certificaat van overeenstemming met een nationale colorimetrie met een certificaat van overeenstemming met een nationale
of internationale norm dat voldoet aan de in het eerste of tweede lid of internationale norm dat voldoet aan de in het eerste of tweede lid
vermelde voorschriften : vermelde voorschriften :
Elke fabrikant van retroreflecterend materiaal moet de eenvormigheid Elke fabrikant van retroreflecterend materiaal moet de eenvormigheid
van het geleverde product met gepaste periodieke verificatiemethodes van het geleverde product met gepaste periodieke verificatiemethodes
waarborgen. Hiertoe moet de fabrikant : waarborgen. Hiertoe moet de fabrikant :
- ofwel beschikken over een laboratorium dat voldoende is uitgerust - ofwel beschikken over een laboratorium dat voldoende is uitgerust
voor de uitvoering van de noodzakelijke proeven; voor de uitvoering van de noodzakelijke proeven;
- ofwel de proeven betreffende de gelijkvormigheid van het geleverde - ofwel de proeven betreffende de gelijkvormigheid van het geleverde
product toevertrouwen aan een door de FOD Mobiliteit en Vervoer product toevertrouwen aan een door de FOD Mobiliteit en Vervoer
aangeduid laboratorium of door een bevoegde overheid van een lidstaat aangeduid laboratorium of door een bevoegde overheid van een lidstaat
van de Europese Unie. van de Europese Unie.
De resultaten van de controles op de gelijkvormigheid van het De resultaten van de controles op de gelijkvormigheid van het
geleverde product moeten worden opgetekend en gedurende minstens een geleverde product moeten worden opgetekend en gedurende minstens een
jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde overheden. jaar ter beschikking worden gehouden van de bevoegde overheden.
Elke verbouwer van retroreflecterend materiaal moet de Elke verbouwer van retroreflecterend materiaal moet de
gelijkvormigheid van zijn productie met gepaste periodieke gelijkvormigheid van zijn productie met gepaste periodieke
verificatiemethodes waarborgen. Hiertoe moet de verbouwer de proeven verificatiemethodes waarborgen. Hiertoe moet de verbouwer de proeven
in verband met de gelijkvormigheid van de productie toevertrouwen aan in verband met de gelijkvormigheid van de productie toevertrouwen aan
een door de FOD Mobiliteit en Vervoer aangeduid laboratorium of door een door de FOD Mobiliteit en Vervoer aangeduid laboratorium of door
de bevoegde overheid van een lidstaat van de Europese Unie. de bevoegde overheid van een lidstaat van de Europese Unie.
De resultaten van de controles op de gelijkvormigheid van de productie De resultaten van de controles op de gelijkvormigheid van de productie
moeten worden opgetekend en gedurende minstens een jaar ter moeten worden opgetekend en gedurende minstens een jaar ter
beschikking worden gehouden van de bevoegde overheden. beschikking worden gehouden van de bevoegde overheden.
De panelen, bedoeld in het eerste of in het tweede lid, worden De panelen, bedoeld in het eerste of in het tweede lid, worden
lateraal en symmetrisch geplaatst op elke zijkant van de gedragen lateraal en symmetrisch geplaatst op elke zijkant van de gedragen
machine. Daarbij moet een van de paneelzijden zich op minder dan 100 machine. Daarbij moet een van de paneelzijden zich op minder dan 100
cm van het ten opzichte van de landbouw -of bosbouwtrekker verst cm van het ten opzichte van de landbouw -of bosbouwtrekker verst
gelegen voor- of achtereinde van de gedragen machine bevinden, gelegen voor- of achtereinde van de gedragen machine bevinden,
naargelang dat de gedragen machine zich vooraan of achteraan op de naargelang dat de gedragen machine zich vooraan of achteraan op de
landbouw -of bosbouwtrekker bevindt. landbouw -of bosbouwtrekker bevindt.
Wanneer de gedragen machine voor landbouw of bosbouw zich aan de Wanneer de gedragen machine voor landbouw of bosbouw zich aan de
achterzijde van de landbouw -of bosbouwtrekker bevindt, en tussen 400 achterzijde van de landbouw -of bosbouwtrekker bevindt, en tussen 400
cm niet inbegrepen en 700 cm inbegrepen buiten deze laatste uitsteekt, cm niet inbegrepen en 700 cm inbegrepen buiten deze laatste uitsteekt,
worden bijkomende panelen ten aanzien van die voorzien in het vorige worden bijkomende panelen ten aanzien van die voorzien in het vorige
lid lateraal en symmetrisch geplaatst op elke zijkant van de gedragen lid lateraal en symmetrisch geplaatst op elke zijkant van de gedragen
machine. Hierbij moet een van de paneelzijden zich tussen minimum 100 machine. Hierbij moet een van de paneelzijden zich tussen minimum 100
cm en maximum 300 cm van de het dichtst bij de landbouw -of cm en maximum 300 cm van de het dichtst bij de landbouw -of
bosbouwtrekker gelegen buitenrand van de gedragen machine bevinden. bosbouwtrekker gelegen buitenrand van de gedragen machine bevinden.
De onderste rand van de panelen is geplaatst op een hoogte tussen De onderste rand van de panelen is geplaatst op een hoogte tussen
minimaal 40 cm en maximaal 200 cm gemeten vanaf de grond. De panelen minimaal 40 cm en maximaal 200 cm gemeten vanaf de grond. De panelen
zijn zodanig bevestigd dat ze zelf geen hindernis vormen. zijn zodanig bevestigd dat ze zelf geen hindernis vormen.
De panelen moeten vast zijn en zich bevinden in vlakken evenwijdig met De panelen moeten vast zijn en zich bevinden in vlakken evenwijdig met
het verticale vlak dat door de lengteas van het voertuig loopt. het verticale vlak dat door de lengteas van het voertuig loopt.
2° een paneel overeenkomstig punt 1°, eerste of tweede lid, 2° een paneel overeenkomstig punt 1°, eerste of tweede lid,
respectievelijk uiterst vooraan geplaatst en uiterst achteraan al respectievelijk uiterst vooraan geplaatst en uiterst achteraan al
naargelang de machine zich vooraan of achteraan de landbouw- of naargelang de machine zich vooraan of achteraan de landbouw- of
bosbouwtrekker bevindt, in een loodrecht vlak op het verticale vlak bosbouwtrekker bevindt, in een loodrecht vlak op het verticale vlak
doorheen de lengteas van de landbouw- of bosbouwtrekker. De toegestane doorheen de lengteas van de landbouw- of bosbouwtrekker. De toegestane
afwijking bedraagt + 3°. De onderste rand van het paneel is geplaatst afwijking bedraagt + 3°. De onderste rand van het paneel is geplaatst
op een hoogte tussen minimaal 40 cm en maximaal 200 cm gemeten vanaf op een hoogte tussen minimaal 40 cm en maximaal 200 cm gemeten vanaf
de grond. Het is zodanig bevestigd dat het op zichzelf geen hindernis de grond. Het is zodanig bevestigd dat het op zichzelf geen hindernis
vormt. vormt.
3° een zijdelings georiënteerde niet-driehoekige oranje reflector op 3° een zijdelings georiënteerde niet-driehoekige oranje reflector op
elke zijkant van de gedragen machine. Het hoogste punt van het elke zijkant van de gedragen machine. Het hoogste punt van het
weerkaatsende gedeelte van de zijreflector mag zich op niet meer dan weerkaatsende gedeelte van de zijreflector mag zich op niet meer dan
200 cm boven de grond bevinden. Het laagste punt ervan mag zich op 200 cm boven de grond bevinden. Het laagste punt ervan mag zich op
niet minder dan 40 cm boven de grond bevinden. niet minder dan 40 cm boven de grond bevinden.
De afstand tussen de buitenrand van de gedragen machine die zich het De afstand tussen de buitenrand van de gedragen machine die zich het
dichtst bij de landbouw -of bosbouwtrekker bevindt, en de uiterste dichtst bij de landbouw -of bosbouwtrekker bevindt, en de uiterste
buitenrand van het weerkaatsende gedeelte van de zijreflector mag niet buitenrand van het weerkaatsende gedeelte van de zijreflector mag niet
meer dan 300 cm bedragen; bovendien mag de afstand tussen de meer dan 300 cm bedragen; bovendien mag de afstand tussen de
buitenrand van de gedragen machine die het verst van de landbouw -of buitenrand van de gedragen machine die het verst van de landbouw -of
bosbouwtrekker verwijderd is, en de uiterste buitenrand achteraan van bosbouwtrekker verwijderd is, en de uiterste buitenrand achteraan van
het weerkaatsende gedeelte van de zijreflector niet meer dan 30 cm het weerkaatsende gedeelte van de zijreflector niet meer dan 30 cm
bedragen. Wanneer deze afstanden bij middel van een enkele bedragen. Wanneer deze afstanden bij middel van een enkele
zijreflector niet kunnen worden nageleefd, moet de gedragen machine zijreflector niet kunnen worden nageleefd, moet de gedragen machine
met supplementaire zijreflectoren worden uitgerust. Deze moeten met supplementaire zijreflectoren worden uitgerust. Deze moeten
zodanig worden aangebracht, dat de twee bovenvermelde afstanden worden zodanig worden aangebracht, dat de twee bovenvermelde afstanden worden
nageleefd en dat de afstand tussen de dichtst bij elkaar gelegen nageleefd en dat de afstand tussen de dichtst bij elkaar gelegen
punten van de weerkaatsende gedeelten van twee opeenvolgende punten van de weerkaatsende gedeelten van twee opeenvolgende
reflectoren niet meer dan 300 cm bedraagt. reflectoren niet meer dan 300 cm bedraagt.
De zijreflectoren moeten vast zijn en zich bevinden in vlakken De zijreflectoren moeten vast zijn en zich bevinden in vlakken
evenwijdig met het verticale vlak dat door de lengteas van het evenwijdig met het verticale vlak dat door de lengteas van het
voertuig loopt. voertuig loopt.
4. De gedragen machines voor landbouw of bosbouw waarvan de breedte 4. De gedragen machines voor landbouw of bosbouw waarvan de breedte
groter is dan 255 cm en kleiner of gelijk aan 300 cm en die de groter is dan 255 cm en kleiner of gelijk aan 300 cm en die de
buitenomtrek van de trekker lateraal zodanig overschrijden dat hun buitenomtrek van de trekker lateraal zodanig overschrijden dat hun
uiterste zijkant zich op meer dan 40 cm van de buitenrand van het uiterste zijkant zich op meer dan 40 cm van de buitenrand van het
lichtdoorlatend gedeelte van de standlichten van de landbouw -of lichtdoorlatend gedeelte van de standlichten van de landbouw -of
bosbouwtrekker bevindt, moeten door omtreklichten en reflectoren bosbouwtrekker bevindt, moeten door omtreklichten en reflectoren
worden gesignaleerd. worden gesignaleerd.
De lichten en reflectoren die aan de voorzijde zichtbaar zijn, moeten De lichten en reflectoren die aan de voorzijde zichtbaar zijn, moeten
wit zijn, deze die aan de achterzijde zichtbaar zijn, moeten rood wit zijn, deze die aan de achterzijde zichtbaar zijn, moeten rood
zijn. zijn.
Het lichtdoorlatende of het lichtweerkaatsende gedeelte van deze Het lichtdoorlatende of het lichtweerkaatsende gedeelte van deze
lichten en reflectoren moet zich op minder dan 40 cm van het verst lichten en reflectoren moet zich op minder dan 40 cm van het verst
uitstekende gedeelte van de gedragen machine bevinden. ». uitstekende gedeelte van de gedragen machine bevinden. ».

Art. 4.In artikel 32bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd

Art. 4.In artikel 32bis van hetzelfde koninklijk besluit, ingevoegd

bij het koninklijk besluit van 16 november 1984 en gewijzigd door de bij het koninklijk besluit van 16 november 1984 en gewijzigd door de
koninklijke besluiten van 13 september 1985, 21 mei 1987, 22 mei 1989, koninklijke besluiten van 13 september 1985, 21 mei 1987, 22 mei 1989,
9 april 1990, 23 september 1991, 10 april 1995, 15 december 1998, 17 9 april 1990, 23 september 1991, 10 april 1995, 15 december 1998, 17
maart 2003, 17 december 2008 en 14 april 2009 worden de volgende maart 2003, 17 december 2008 en 14 april 2009 worden de volgende
wijzigingen aangebracht : wijzigingen aangebracht :
1° Punt 1.4.1.3. wordt aangevuld met een tweede lid, luidende : 1° Punt 1.4.1.3. wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
« In afwijking van het eerste lid, in het geval van een voertuig van « In afwijking van het eerste lid, in het geval van een voertuig van
speciale constructie voor land- of bosbouwdoeleinden, moet de door de speciale constructie voor land- of bosbouwdoeleinden, moet de door de
wielen van de gestuurde as op de weg overgebrachte belasting minstens wielen van de gestuurde as op de weg overgebrachte belasting minstens
gelijk zijn aan 20 % van de lege massa van het voertuig, en dit in gelijk zijn aan 20 % van de lege massa van het voertuig, en dit in
alle beladingstoestanden. »; alle beladingstoestanden. »;
2° Punt 1.4.1.4. wordt aangevuld met een tweede lid, luidende : 2° Punt 1.4.1.4. wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
« De voertuigen van speciale constructie voor land- of « De voertuigen van speciale constructie voor land- of
bosbouwdoeleinden, met uitsluiting van voertuigen van de categorie R, bosbouwdoeleinden, met uitsluiting van voertuigen van de categorie R,
en waarvan de nominale snelheid niet meer dan 30 km/u bedraagt, mogen en waarvan de nominale snelheid niet meer dan 30 km/u bedraagt, mogen
worden uitgerust met een hefbare as om de massa op de gestuurde as van worden uitgerust met een hefbare as om de massa op de gestuurde as van
het motorvoertuig te verhogen, voor zover alle onderstaande het motorvoertuig te verhogen, voor zover alle onderstaande
voorwaarden worden nageleefd : voorwaarden worden nageleefd :
- de massa die met de overblijvende belasting op de gestuurde as - de massa die met de overblijvende belasting op de gestuurde as
overeenstemt, moet minstens gelijk zijn aan 20 % van de lege massa van overeenstemt, moet minstens gelijk zijn aan 20 % van de lege massa van
het voertuig; het voertuig;
- de hefbare as moet altijd op de grond worden neergelaten wanneer het - de hefbare as moet altijd op de grond worden neergelaten wanneer het
voertuig op de openbare weg rijdt. »; voertuig op de openbare weg rijdt. »;
3° Het punt « 5.1. Afmetingen » wordt in twee punten opgesplitst : 3° Het punt « 5.1. Afmetingen » wordt in twee punten opgesplitst :
- een punt 5.1.1. dat de reeds drie bestaande leden bevat; - een punt 5.1.1. dat de reeds drie bestaande leden bevat;
- een nieuw punt 5.1.2., luidende : - een nieuw punt 5.1.2., luidende :
« 5.1.2. De totaallengte van een landbouw- of bosbouwtrekker is de « 5.1.2. De totaallengte van een landbouw- of bosbouwtrekker is de
afstand tussen enerzijds het voorste uiteinde, hetzij van de gedragen afstand tussen enerzijds het voorste uiteinde, hetzij van de gedragen
machine voor land- of bosbouwdoeleinden aan de voorzijde van de machine voor land- of bosbouwdoeleinden aan de voorzijde van de
landbouw -of bosbouwtrekker, hetzij van de landbouw- of bosbouwtrekker landbouw -of bosbouwtrekker, hetzij van de landbouw- of bosbouwtrekker
zelf, en anderzijds het achterste uiteinde, hetzij van de gedragen zelf, en anderzijds het achterste uiteinde, hetzij van de gedragen
machine voor land- of bosbouwdoeleinden aan de achterzijde van de machine voor land- of bosbouwdoeleinden aan de achterzijde van de
landbouw -of bosbouwtrekker, hetzij van de landbouw- of bosbouwtrekker landbouw -of bosbouwtrekker, hetzij van de landbouw- of bosbouwtrekker
zelf. De overschrijding aan de voorzijde of de achterzijde van een zelf. De overschrijding aan de voorzijde of de achterzijde van een
permanente uitrusting is in de totaallengte van het voertuig begrepen. permanente uitrusting is in de totaallengte van het voertuig begrepen.
De maximale totaallengte van een landbouw- of bosbouwtrekker is op 12 De maximale totaallengte van een landbouw- of bosbouwtrekker is op 12
meter vastgelegd. meter vastgelegd.
De lengte van de gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden aan De lengte van de gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden aan
de voorzijde van een landbouw- of bosbouwtrekker, gemeten tussen het de voorzijde van een landbouw- of bosbouwtrekker, gemeten tussen het
meest vooraan gelegen punt van de landbouw- of bosbouwtrekker met de meest vooraan gelegen punt van de landbouw- of bosbouwtrekker met de
gedragen machine en de voorste loodrechte stand van de landbouw- of gedragen machine en de voorste loodrechte stand van de landbouw- of
bosbouwtrekker zonder de gedragen machine, mag niet meer dan 3 meter bosbouwtrekker zonder de gedragen machine, mag niet meer dan 3 meter
bedragen. bedragen.
De lengte van de gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden aan De lengte van de gedragen machine voor land- of bosbouwdoeleinden aan
de achterzijde van een landbouw- of bosbouwtrekker, gemeten tussen het de achterzijde van een landbouw- of bosbouwtrekker, gemeten tussen het
meest achteraan gelegen punt van de landbouw- of bosbouwtrekker met de meest achteraan gelegen punt van de landbouw- of bosbouwtrekker met de
gedragen machine en de achterste loodrechte stand van de landbouw- of gedragen machine en de achterste loodrechte stand van de landbouw- of
bosbouwtrekker zonder de gedragen machine, mag niet meer dan 7 meter bosbouwtrekker zonder de gedragen machine, mag niet meer dan 7 meter
bedragen. ».; bedragen. ».;
4° het « punt 5.2.Massa's » wordt opgesplitst in twee subpunten : 4° het « punt 5.2.Massa's » wordt opgesplitst in twee subpunten :
- een punt 5.2.1. waarin de twee reeds bestaande leden worden - een punt 5.2.1. waarin de twee reeds bestaande leden worden
opgenomen; opgenomen;
- een nieuw punt 5.2.2. dat luidt als volgt : - een nieuw punt 5.2.2. dat luidt als volgt :
« Voor de voertuigen van speciale constructie voor landbouw- of « Voor de voertuigen van speciale constructie voor landbouw- of
bosdoeleinden die met rupsbanden zijn uitgerust, met een nominale bosdoeleinden die met rupsbanden zijn uitgerust, met een nominale
snelheid die niet meer bedraagt dan 30 km/u, snelheid die niet meer bedraagt dan 30 km/u,
- de maximaal toegelaten massa van het voertuig mag niet meer dan 32 - de maximaal toegelaten massa van het voertuig mag niet meer dan 32
000 kg bedragen; 000 kg bedragen;
- de maximaal toegelaten massa is beperkt tot 10 000 kg per rupsband; - de maximaal toegelaten massa is beperkt tot 10 000 kg per rupsband;
- de maximaal toegelaten massa op elke rupsband mag niet meer dan 1,2 - de maximaal toegelaten massa op elke rupsband mag niet meer dan 1,2
kg per vierkante centimeter draagvlak bedragen; het draagvlak is het kg per vierkante centimeter draagvlak bedragen; het draagvlak is het
rechthoekige gedeelte van de rupsband dat in aanraking komt met de rechthoekige gedeelte van de rupsband dat in aanraking komt met de
grond; grond;
- de maximaal toegelaten massa op elke rupsband mag niet meer zijn dan - de maximaal toegelaten massa op elke rupsband mag niet meer zijn dan
75 kg per centimeter in de lengterichting van de rupsband gemeten; 75 kg per centimeter in de lengterichting van de rupsband gemeten;
- de maximale druk onder elk contactpunt van de rupsband met de grond - de maximale druk onder elk contactpunt van de rupsband met de grond
mag niet meer dan 8 kg/cm2 bedragen; mag niet meer dan 8 kg/cm2 bedragen;
- de massa gemeten over een lengte die overeenkomt met de helft van de - de massa gemeten over een lengte die overeenkomt met de helft van de
totale lengte van de rupsband, parallel gemeten ten opzichte van zijn totale lengte van de rupsband, parallel gemeten ten opzichte van zijn
lengteas, mag niet meer bedragen dan 60 % van de totale massa op de lengteas, mag niet meer bedragen dan 60 % van de totale massa op de
rupsband; rupsband;
- de verdeling van de last onder de rupsband moet uniform en - de verdeling van de last onder de rupsband moet uniform en
symmetrisch zijn aan weerszijden van zijn lengteas; symmetrisch zijn aan weerszijden van zijn lengteas;
- de rupsbanden moeten zo zijn geconcipieerd dat de lengteassen van de - de rupsbanden moeten zo zijn geconcipieerd dat de lengteassen van de
rupsbanden ten minste 1,5 m uit elkaar liggen. Deze afstand wordt rupsbanden ten minste 1,5 m uit elkaar liggen. Deze afstand wordt
loodrecht op de lengteas van het voertuig gemeten; loodrecht op de lengteas van het voertuig gemeten;
- De maximaal toegelaten massa van het voertuig mag, indien het ofwel - De maximaal toegelaten massa van het voertuig mag, indien het ofwel
is uitgerust met een combinatie van een rupstrein en een as, ofwel met is uitgerust met een combinatie van een rupstrein en een as, ofwel met
een combinatie van verschillende rupstreinen, niet meer bedragen dan een combinatie van verschillende rupstreinen, niet meer bedragen dan
de massa die door de hierna weergegeven formules wordt bepaald, en de massa die door de hierna weergegeven formules wordt bepaald, en
waarbij "A" uitgedrukt in meters de afstand is tussen enerzijds het waarbij "A" uitgedrukt in meters de afstand is tussen enerzijds het
middelpunt van de voorste rups of groep rupsen of as en anderzijds het middelpunt van de voorste rups of groep rupsen of as en anderzijds het
middelpunt van de achterste rups of groep rupsen of as, evenwijdig middelpunt van de achterste rups of groep rupsen of as, evenwijdig
gemeten met de lengteas van het voertuig. gemeten met de lengteas van het voertuig.
M < of = 12000 + 4330 A M < of = 12000 + 4330 A
voor A < of = 3 m of M < of = 25 000 kg voor A < of = 3 m of M < of = 25 000 kg
M < of = 17000 + 2700 A M < of = 17000 + 2700 A
voor A > 3 m of M > 25 000 kg. ». voor A > 3 m of M > 25 000 kg. ».

Art. 5.Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na

Art. 5.Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na

afloop van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag volgend op afloop van een termijn van tien dagen te rekenen van de dag volgend op
de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, met de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, met
uitzondering van het artikel 3, 3° dat, in zoverre het op de uitzondering van het artikel 3, 3° dat, in zoverre het op de
signalisatie van de gedragen machines van toepassing is, in werking signalisatie van de gedragen machines van toepassing is, in werking
treedt op de eerste dag van de dertiende maand die volgt op de treedt op de eerste dag van de dertiende maand die volgt op de
bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Art. 6.De minister bevoegd voor het Wegverkeer is belast met de

Art. 6.De minister bevoegd voor het Wegverkeer is belast met de

uitvoering van dit besluit. uitvoering van dit besluit.
Gegeven te Brussel, 10 juli 2013. Gegeven te Brussel, 10 juli 2013.
ALBERT ALBERT
Van Koningswege : Van Koningswege :
De Minister van Binnenlandse Zaken, De Minister van Binnenlandse Zaken,
Mevr. J. MILQUET Mevr. J. MILQUET
De Staatssecretaris voor Mobiliteit, De Staatssecretaris voor Mobiliteit,
M. WATHELET M. WATHELET
^