Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Ministerieel Besluit van 19/07/2013
← Terug naar "Ministerieel besluit tot wijziging van bijlage I van het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne "
Ministerieel besluit tot wijziging van bijlage I van het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne Ministerieel besluit tot wijziging van bijlage I van het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
VLAAMSE OVERHEID VLAAMSE OVERHEID
Leefmilieu, Natuur en Energie Leefmilieu, Natuur en Energie
19 JULI 2013. - Ministerieel besluit tot wijziging van bijlage I van 19 JULI 2013. - Ministerieel besluit tot wijziging van bijlage I van
het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van
de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van
artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse
Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen
inzake milieuhygiëne inzake milieuhygiëne
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur,
Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning,
artikel 20, eerste lid, vervangen bij het decreet van 25 mei 2012; artikel 20, eerste lid, vervangen bij het decreet van 25 mei 2012;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende
algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, artikel 1.1.2, algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, artikel 1.1.2,
het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1
maart 2013, en artikel 5.9.2.1bis, ingevoegd bij het besluit van de maart 2013, en artikel 5.9.2.1bis, ingevoegd bij het besluit van de
Vlaamse Regering van 19 september 2003; Vlaamse Regering van 19 september 2003;
Gelet op het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende Gelet op het ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende
vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in vaststelling van de lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in
uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van uitvoering van artikel 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van
de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale
bepalingen inzake milieuhygiëne; bepalingen inzake milieuhygiëne;
Gelet op advies 53.639/3 van de Raad van State, gegeven op 16 juli Gelet op advies 53.639/3 van de Raad van State, gegeven op 16 juli
2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de
wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973,
Besluit : Besluit :

Artikel 1.Aan hoofdstuk 4, afdeling 6, van bijlage I bij het

Artikel 1.Aan hoofdstuk 4, afdeling 6, van bijlage I bij het

ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de ministerieel besluit van 19 maart 2004 houdende vaststelling van de
lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel lijst van ammoniakemissiearme stalsystemen in uitvoering van artikel
1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering 1.1.2 en artikel 5.9.2.1bis van het besluit van de Vlaamse Regering
van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake
milieuhygiëne, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 31 mei 2011, milieuhygiëne, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 31 mei 2011,
wordt een punt 4.6.8 toegevoegd, dat luidt als volgt : wordt een punt 4.6.8 toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 4.6.8 Systeem P-6.8 Stal met warmteheaters met luchtmengsysteem voor « 4.6.8 Systeem P-6.8 Stal met warmteheaters met luchtmengsysteem voor
droging strooisellaag. droging strooisellaag.
4.6.8.1 De ammoniakemissie wordt beperkt door de meststrooisellaag te 4.6.8.1 De ammoniakemissie wordt beperkt door de meststrooisellaag te
drogen en te verwarmen met warmteheaters en continu draaiende drogen en te verwarmen met warmteheaters en continu draaiende
circulatieventilatoren. De opgewarmde verse ventilatielucht wordt circulatieventilatoren. De opgewarmde verse ventilatielucht wordt
midden boven in de stal in één richting (bij lengteventilatie) of in midden boven in de stal in één richting (bij lengteventilatie) of in
twee richtingen (bij nokventilatie) uitgeblazen. Vervolgens wordt de twee richtingen (bij nokventilatie) uitgeblazen. Vervolgens wordt de
lucht door circulatieventilatoren vermengd met warme lucht boven in de lucht door circulatieventilatoren vermengd met warme lucht boven in de
stal en naar één staluiteinde of beide staluiteinden gestuwd. Via de stal en naar één staluiteinde of beide staluiteinden gestuwd. Via de
topgevelwand(en) wordt de lucht weer over de strooisellaag geleid. topgevelwand(en) wordt de lucht weer over de strooisellaag geleid.
Door de stallucht te mengen wordt een gelijkmatige temperatuur in de Door de stallucht te mengen wordt een gelijkmatige temperatuur in de
hele stal bereikt. De meststrooisellaag wordt gedroogd en de CO2 wordt hele stal bereikt. De meststrooisellaag wordt gedroogd en de CO2 wordt
bij de dieren verdreven. bij de dieren verdreven.
4.6.8.2 Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 4.6.8.2 Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen :
1° de stal wordt uitgevoerd als een volledige strooiselvloer; 1° de stal wordt uitgevoerd als een volledige strooiselvloer;
2° de vloer is een betonvloer op zand van 12 cm dikte of de totale 2° de vloer is een betonvloer op zand van 12 cm dikte of de totale
stalvloerconstructie, inclusief een eventueel onderliggende zandlaag, stalvloerconstructie, inclusief een eventueel onderliggende zandlaag,
heeft een warmteweerstand (Rc-waarde) van minimaal 0,5 m2 K/W; heeft een warmteweerstand (Rc-waarde) van minimaal 0,5 m2 K/W;
3° de stal wordt uitgevoerd met een antimorsdrinkwatervoorziening; 3° de stal wordt uitgevoerd met een antimorsdrinkwatervoorziening;
4° verwarmingssysteem : 4° verwarmingssysteem :
a) de warmteheaters bestaan uit een warmtebron met ventilatoren en a) de warmteheaters bestaan uit een warmtebron met ventilatoren en
zijn goed onderhouden en brandveilig; zijn goed onderhouden en brandveilig;
b) de warmteheaters worden verdeeld over de stallengte en worden op b) de warmteheaters worden verdeeld over de stallengte en worden op
maximaal 1,5 meter onder de nok opgehangen; maximaal 1,5 meter onder de nok opgehangen;
c) de minimaal geïnstalleerde capaciteit van de warmteheaters is bij c) de minimaal geïnstalleerde capaciteit van de warmteheaters is bij
bestaande stallen minimaal 125 watt per m2 bij 35 °C bestaande stallen minimaal 125 watt per m2 bij 35 °C
omgevingstemperatuur. Bij nieuwbouwstallen is de minimaal omgevingstemperatuur. Bij nieuwbouwstallen is de minimaal
geïnstalleerde capaciteit van de warmteheaters 100 watt per m2 bij 35 geïnstalleerde capaciteit van de warmteheaters 100 watt per m2 bij 35
°C omgevingstemperatuur. °C omgevingstemperatuur.
d) de minimaal geïnstalleerde ventilatorcapaciteit van de warmteheater d) de minimaal geïnstalleerde ventilatorcapaciteit van de warmteheater
bedraagt 0,35 m2 per dierplaats per uur (of 8 m3 per m2 bedraagt 0,35 m2 per dierplaats per uur (of 8 m3 per m2
staloppervlak). De capaciteit is regelbaar met frequentieregelaars; staloppervlak). De capaciteit is regelbaar met frequentieregelaars;
5° luchtcirculatiesysteem : 5° luchtcirculatiesysteem :
a) de opgewarmde lucht wordt met circulatieventilatoren vermengd met a) de opgewarmde lucht wordt met circulatieventilatoren vermengd met
warme lucht in de nok van de stal; warme lucht in de nok van de stal;
b) de opgewarmde lucht wordt bij een systeem met alleen b) de opgewarmde lucht wordt bij een systeem met alleen
lengteventilatie, verdeeld over de stallengte, vanaf de lengteventilatie, verdeeld over de stallengte, vanaf de
wandventilatoren in de tegenovergestelde richting uitgeblazen. Bij de wandventilatoren in de tegenovergestelde richting uitgeblazen. Bij de
combinatie van nok- en lengteventilatie of alleen nokventilatie wordt combinatie van nok- en lengteventilatie of alleen nokventilatie wordt
de opgewarmde lucht in twee richtingen uitgeblazen vanuit het midden de opgewarmde lucht in twee richtingen uitgeblazen vanuit het midden
van de lengte van de stal. In alle gevallen wordt de lucht in de nok van de lengte van de stal. In alle gevallen wordt de lucht in de nok
van de stal uitgeblazen; van de stal uitgeblazen;
6° circulatieventilatoren : 6° circulatieventilatoren :
a) de circulatieventilatoren worden in de nok van de stal geplaatst op a) de circulatieventilatoren worden in de nok van de stal geplaatst op
een onderlinge afstand van maximaal 20 meter en op maximaal 1,5 meter een onderlinge afstand van maximaal 20 meter en op maximaal 1,5 meter
onder de nok van de stal; onder de nok van de stal;
b) de circulatieventilatoren houden continu de luchtbeweging in de b) de circulatieventilatoren houden continu de luchtbeweging in de
stal op gang. stal op gang.
De ventilatorcapaciteit van de circulatieventilatoren is minimaal 6 De ventilatorcapaciteit van de circulatieventilatoren is minimaal 6
000 m3 per uur en per stuk, met minimaal 16 m3 per m2 staloppervlak 000 m3 per uur en per stuk, met minimaal 16 m3 per m2 staloppervlak
(of maximaal 450 m2 staloppervlak per circulatieventilator); (of maximaal 450 m2 staloppervlak per circulatieventilator);
7° de volgende registratieapparatuur is aanwezig : 7° de volgende registratieapparatuur is aanwezig :
a) apparatuur om te registreren of de warmteheaters aanstaan a) apparatuur om te registreren of de warmteheaters aanstaan
(urenteller); (urenteller);
b) apparatuur om de gerealiseerde temperatuurcurve, binnen- en b) apparatuur om de gerealiseerde temperatuurcurve, binnen- en
buitentemperatuur, te registreren; buitentemperatuur, te registreren;
c) apparatuur om het gerealiseerde ventilatiedebiet te registreren; c) apparatuur om het gerealiseerde ventilatiedebiet te registreren;
d) apparatuur om de curve van de ventilatorcapaciteit en de d) apparatuur om de curve van de ventilatorcapaciteit en de
circulatieventilatoren te registreren. circulatieventilatoren te registreren.
4.6.8.3 Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 4.6.8.3 Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen :
1° de dierbezetting bedraagt maximaal 42 kg levend gewicht per m2. 1° de dierbezetting bedraagt maximaal 42 kg levend gewicht per m2.
Afhankelijk van de bedrijfssituatie kan een lager levend gewicht van Afhankelijk van de bedrijfssituatie kan een lager levend gewicht van
33 of 39 kg levend gewicht per m2 aangewezen zijn; 33 of 39 kg levend gewicht per m2 aangewezen zijn;
2° instelling temperatuurcurve : 2° instelling temperatuurcurve :
a) de verwarming wordt ingeschakeld naarmate er behoefte is aan extra a) de verwarming wordt ingeschakeld naarmate er behoefte is aan extra
warmte in de stal. Daarvoor wordt de temperatuurcurve gevolgd; warmte in de stal. Daarvoor wordt de temperatuurcurve gevolgd;
b) de verwarming wordt ingeschakeld als de ruimtetemperatuur 0,5 °C b) de verwarming wordt ingeschakeld als de ruimtetemperatuur 0,5 °C
onder de temperatuurcurve komt; onder de temperatuurcurve komt;
c) bij het verwarmen draait de ventilator in de heater; c) bij het verwarmen draait de ventilator in de heater;
3° instelling van de ventilator in de heater : als er geen extra 3° instelling van de ventilator in de heater : als er geen extra
warmtebehoefte is en er dus niet bijverwarmd wordt, staat de warmtebehoefte is en er dus niet bijverwarmd wordt, staat de
ventilator in de heater uit; ventilator in de heater uit;
4° instelling van de circulatieventilatoren : 4° instelling van de circulatieventilatoren :
a) de circulatieventilatoren draaien bij plaatsing van de dieren op a) de circulatieventilatoren draaien bij plaatsing van de dieren op
minimaal 20 % capaciteit. Die capaciteit wordt opgevoerd naar minimaal minimaal 20 % capaciteit. Die capaciteit wordt opgevoerd naar minimaal
30 % zodra de maximumcapaciteit in de warmteheaters is bereikt; 30 % zodra de maximumcapaciteit in de warmteheaters is bereikt;
b) de capaciteit mag worden geregeld op basis van de b) de capaciteit mag worden geregeld op basis van de
ventilatorcapaciteit voor totale luchtverversing; ventilatorcapaciteit voor totale luchtverversing;
c) als er niet meer wordt bijverwarmd, draaien de c) als er niet meer wordt bijverwarmd, draaien de
circulatieventilatoren op minimaal 30 % van de capaciteit; circulatieventilatoren op minimaal 30 % van de capaciteit;
d) bij maximale ventilatiebehoefte is de capaciteit van de d) bij maximale ventilatiebehoefte is de capaciteit van de
circulatieventilatoren ook 100 %; circulatieventilatoren ook 100 %;
e) de circulatieventilator die zich binnen enkele meters van de e) de circulatieventilator die zich binnen enkele meters van de
uitworp van de warmteheater bevindt, mag tijdens het verwarmen worden uitworp van de warmteheater bevindt, mag tijdens het verwarmen worden
uitgeschakeld aangezien de werking van de circulatieventilator tijdens uitgeschakeld aangezien de werking van de circulatieventilator tijdens
het verwarmen overgenomen wordt door de ventilator in de heater; het verwarmen overgenomen wordt door de ventilator in de heater;
5° voor een controle op de werking van het systeem worden de volgende 5° voor een controle op de werking van het systeem worden de volgende
gegevens automatisch geregistreerd : gegevens automatisch geregistreerd :
a) het aanstaan van de heater; a) het aanstaan van de heater;
b) het aanstaan van de circulatieventilatoren en het verloop van de b) het aanstaan van de circulatieventilatoren en het verloop van de
capaciteit over een ronde om vast te stellen dat er continu voldoende capaciteit over een ronde om vast te stellen dat er continu voldoende
drooglucht over het strooiselbed wordt geblazen; drooglucht over het strooiselbed wordt geblazen;
c) de temperatuurcurve. c) de temperatuurcurve.
4.6.8.4 De ammoniakemissie bedraagt 0,045 kg NH3 per dierplaats en per 4.6.8.4 De ammoniakemissie bedraagt 0,045 kg NH3 per dierplaats en per
jaar. ». jaar. ».

Art. 2.Aan hoofdstuk 4, afdeling 7, van bijlage I bij hetzelfde

Art. 2.Aan hoofdstuk 4, afdeling 7, van bijlage I bij hetzelfde

besluit, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 31 mei 2011, wordt besluit, gewijzigd bij het ministerieel besluit van 31 mei 2011, wordt
een punt 4.7.5 toegevoegd, dat luidt als volgt : een punt 4.7.5 toegevoegd, dat luidt als volgt :
« 4.7.5 Systeem P-7.5 Stal met warmteheaters met luchtmengsysteem voor « 4.7.5 Systeem P-7.5 Stal met warmteheaters met luchtmengsysteem voor
droging strooisellaag droging strooisellaag
4.7.5.1 De ammoniakemissie wordt beperkt door de meststrooisellaag te 4.7.5.1 De ammoniakemissie wordt beperkt door de meststrooisellaag te
drogen en te verwarmen met warmteheaters en continu draaiende drogen en te verwarmen met warmteheaters en continu draaiende
circulatieventilatoren. De opgewarmde verse ventilatielucht wordt circulatieventilatoren. De opgewarmde verse ventilatielucht wordt
midden boven in de stal in één richting (bij lengteventilatie) of in midden boven in de stal in één richting (bij lengteventilatie) of in
twee richtingen (bij nokventilatie) uitgeblazen. Vervolgens wordt de twee richtingen (bij nokventilatie) uitgeblazen. Vervolgens wordt de
lucht door circulatieventilatoren vermengd met warme lucht boven in de lucht door circulatieventilatoren vermengd met warme lucht boven in de
stal en naar één staleinde of beide staluiteinden gestuwd. Via de stal en naar één staleinde of beide staluiteinden gestuwd. Via de
topgevelwand(en) wordt de lucht weer over de strooisellaag geleid. topgevelwand(en) wordt de lucht weer over de strooisellaag geleid.
Door de stallucht te mengen wordt een gelijkmatige temperatuur in de Door de stallucht te mengen wordt een gelijkmatige temperatuur in de
hele stal bereikt. De meststrooisellaag wordt gedroogd en de CO2 wordt hele stal bereikt. De meststrooisellaag wordt gedroogd en de CO2 wordt
bij de dieren verdreven. bij de dieren verdreven.
4.7.5.2 Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen : 4.7.5.2 Voor de uitvoering van dit systeem gelden de volgende eisen :
1° de stal wordt uitgevoerd als een volledige strooiselvloer; 1° de stal wordt uitgevoerd als een volledige strooiselvloer;
2° de vloer is een betonvloer op zand van 12 cm dikte of de totale 2° de vloer is een betonvloer op zand van 12 cm dikte of de totale
stalvloerconstructie, inclusief een eventueel onderliggende zandlaag, stalvloerconstructie, inclusief een eventueel onderliggende zandlaag,
heeft een warmteweerstand (Rc-waarde) van minimaal 0,5 m2 K/W; heeft een warmteweerstand (Rc-waarde) van minimaal 0,5 m2 K/W;
3° de stal wordt uitgevoerd met een antimorsdrinkwatervoorziening; 3° de stal wordt uitgevoerd met een antimorsdrinkwatervoorziening;
4° verwarmingssysteem : 4° verwarmingssysteem :
a) de warmteheaters bestaan uit een warmtebron met ventilatoren en a) de warmteheaters bestaan uit een warmtebron met ventilatoren en
zijn goed onderhouden en brandveilig; zijn goed onderhouden en brandveilig;
b) de warmteheaters worden verdeeld over de stallengte en worden op b) de warmteheaters worden verdeeld over de stallengte en worden op
maximaal 1,5 m onder de nok opgehangen; maximaal 1,5 m onder de nok opgehangen;
c) de minimaal geïnstalleerde capaciteit van de warmteheaters is bij c) de minimaal geïnstalleerde capaciteit van de warmteheaters is bij
bestaande stallen minimaal 125 watt per m2 bij 35 °C bestaande stallen minimaal 125 watt per m2 bij 35 °C
omgevingstemperatuur. Bij nieuwbouwstallen is de minimaal omgevingstemperatuur. Bij nieuwbouwstallen is de minimaal
geïnstalleerde capaciteit van de warmteheaters 100 watt per m2 bij 35 geïnstalleerde capaciteit van de warmteheaters 100 watt per m2 bij 35
°C omgevingstemperatuur; °C omgevingstemperatuur;
d) de minimaal geïnstalleerde ventilatorcapaciteit van de warmteheater d) de minimaal geïnstalleerde ventilatorcapaciteit van de warmteheater
bedraagt 0,35 m2 per dierplaats per uur (of 8 m3 per m2 bedraagt 0,35 m2 per dierplaats per uur (of 8 m3 per m2
staloppervlak). De capaciteit is regelbaar met frequentieregelaars; staloppervlak). De capaciteit is regelbaar met frequentieregelaars;
5° luchtcirculatiesysteem : 5° luchtcirculatiesysteem :
a) de opgewarmde lucht wordt met circulatieventilatoren vermengd met a) de opgewarmde lucht wordt met circulatieventilatoren vermengd met
warme lucht in de nok van de stal; warme lucht in de nok van de stal;
b) de opgewarmde lucht wordt bij een systeem met alleen b) de opgewarmde lucht wordt bij een systeem met alleen
lengteventilatie, verdeeld over de stallengte, vanaf de lengteventilatie, verdeeld over de stallengte, vanaf de
wandventilatoren in de tegenovergestelde richting uitgeblazen. Bij de wandventilatoren in de tegenovergestelde richting uitgeblazen. Bij de
combinatie van nok- en lengteventilatie of alleen nokventilatie wordt combinatie van nok- en lengteventilatie of alleen nokventilatie wordt
de opgewarmde lucht in twee richtingen uitgeblazen vanuit het midden de opgewarmde lucht in twee richtingen uitgeblazen vanuit het midden
van de lengte van de stal. In alle gevallen wordt de lucht in de nok van de lengte van de stal. In alle gevallen wordt de lucht in de nok
van de stal uitgeblazen; van de stal uitgeblazen;
6° circulatieventilatoren : 6° circulatieventilatoren :
a) de circulatieventilatoren worden boven in de nok van de stal a) de circulatieventilatoren worden boven in de nok van de stal
geplaatst op een onderlinge afstand van maximaal 20 meter en op geplaatst op een onderlinge afstand van maximaal 20 meter en op
maximaal 1,5 meter onder de nok van de stal. De circulatieventilatoren maximaal 1,5 meter onder de nok van de stal. De circulatieventilatoren
houden de luchtbeweging in de stal op gang; houden de luchtbeweging in de stal op gang;
b) de ventilatorcapaciteit van de circulatieventilatoren is minimaal 6 b) de ventilatorcapaciteit van de circulatieventilatoren is minimaal 6
000 m3 per uur en per stuk, met minimaal 16 m3 per m2 staloppervlak 000 m3 per uur en per stuk, met minimaal 16 m3 per m2 staloppervlak
(of maximaal 450 m2 staloppervlak per circulatieventilator); (of maximaal 450 m2 staloppervlak per circulatieventilator);
7° de volgende registratieapparatuur is aanwezig : 7° de volgende registratieapparatuur is aanwezig :
a) apparatuur om te registreren of de warmteheaters aanstaan a) apparatuur om te registreren of de warmteheaters aanstaan
(urenteller); (urenteller);
b) apparatuur om de gerealiseerde temperatuurcurve, binnen- en b) apparatuur om de gerealiseerde temperatuurcurve, binnen- en
buitentemperatuur, te registreren; buitentemperatuur, te registreren;
c) apparatuur om het gerealiseerde ventilatiedebiet te registreren; c) apparatuur om het gerealiseerde ventilatiedebiet te registreren;
d) apparatuur om de curve van de ventilatorcapaciteit en de d) apparatuur om de curve van de ventilatorcapaciteit en de
circulatieventilatoren te registreren. circulatieventilatoren te registreren.
4.7.5.3 Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen : 4.7.5.3 Voor het gebruik van dit systeem gelden de volgende eisen :
1° het leefoppervlak bedraagt minimaal 900 cm2 en maximaal 1 200 cm2 1° het leefoppervlak bedraagt minimaal 900 cm2 en maximaal 1 200 cm2
per dier bij opzet (8,3 en 11,1 dieren per m2); per dier bij opzet (8,3 en 11,1 dieren per m2);
2° instelling temperatuurcurve : 2° instelling temperatuurcurve :
a) de verwarming wordt ingeschakeld naarmate er behoefte is aan extra a) de verwarming wordt ingeschakeld naarmate er behoefte is aan extra
warmte in de stal. Daarvoor wordt de temperatuurcurve gevolgd; warmte in de stal. Daarvoor wordt de temperatuurcurve gevolgd;
b) de verwarming wordt ingeschakeld als de ruimtetemperatuur 0,5 °C b) de verwarming wordt ingeschakeld als de ruimtetemperatuur 0,5 °C
onder de temperatuurcurve komt; onder de temperatuurcurve komt;
c) bij het verwarmen draait de ventilator in de heater; c) bij het verwarmen draait de ventilator in de heater;
3° instelling van de ventilator in de heater : als er geen extra 3° instelling van de ventilator in de heater : als er geen extra
warmtebehoefte is en er dus niet bijverwarmd wordt, staat de warmtebehoefte is en er dus niet bijverwarmd wordt, staat de
ventilator in de heater uit; ventilator in de heater uit;
4° instelling van de circulatieventilatoren : 4° instelling van de circulatieventilatoren :
a) de circulatieventilatoren draaien bij plaatsing van de dieren op a) de circulatieventilatoren draaien bij plaatsing van de dieren op
minimaal 20 % capaciteit. Die capaciteit wordt opgevoerd naar minimaal minimaal 20 % capaciteit. Die capaciteit wordt opgevoerd naar minimaal
30 % zodra de maximumcapaciteit in de warmteheaters is bereikt; 30 % zodra de maximumcapaciteit in de warmteheaters is bereikt;
b) de capaciteit mag worden geregeld op basis van de b) de capaciteit mag worden geregeld op basis van de
ventilatorcapaciteit voor totale luchtverversing; ventilatorcapaciteit voor totale luchtverversing;
c) als er niet meer wordt bijverwarmd, draaien de c) als er niet meer wordt bijverwarmd, draaien de
circulatieventilatoren op minimaal 30 % van de capaciteit; circulatieventilatoren op minimaal 30 % van de capaciteit;
d) bij maximale ventilatiebehoefte is de capaciteit van de d) bij maximale ventilatiebehoefte is de capaciteit van de
circulatieventilatoren ook 100 %; circulatieventilatoren ook 100 %;
e) de circulatieventilator die zich binnen enkele meters van de e) de circulatieventilator die zich binnen enkele meters van de
uitworp van de warmteheater bevindt, mag tijdens het verwarmen worden uitworp van de warmteheater bevindt, mag tijdens het verwarmen worden
uitgeschakeld aangezien de werking van de circulatieventilator tijdens uitgeschakeld aangezien de werking van de circulatieventilator tijdens
het verwarmen overgenomen wordt door de ventilator in de heater; het verwarmen overgenomen wordt door de ventilator in de heater;
5° voor een controle op de werking van het systeem worden de volgende 5° voor een controle op de werking van het systeem worden de volgende
gegevens automatisch geregistreerd : gegevens automatisch geregistreerd :
a) het aanstaan van de heater; a) het aanstaan van de heater;
b) het aanstaan van de circulatieventilatoren en het verloop van de b) het aanstaan van de circulatieventilatoren en het verloop van de
capaciteit over een ronde om vast te stellen dat er continu voldoende capaciteit over een ronde om vast te stellen dat er continu voldoende
drooglucht over het strooiselbed wordt geblazen; drooglucht over het strooiselbed wordt geblazen;
c) de temperatuurcurve. c) de temperatuurcurve.
4.7.5.4 De ammoniakemissie bedraagt 0,155 kg NH3 per dierplaats en per 4.7.5.4 De ammoniakemissie bedraagt 0,155 kg NH3 per dierplaats en per
jaar. ». jaar. ».
Brussel, 19 juli 2013. Brussel, 19 juli 2013.
De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, De Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur,
J. SCHAUVLIEGE J. SCHAUVLIEGE
^