Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 161/2023 van 23 november 2023 Rolnummers 7950 en 7951 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de Politierechtbank O Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 161/2023 van 23 november 2023 Rolnummers 7950 en 7951 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de Politierechtbank O Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters(...) Uittreksel uit arrest nr. 161/2023 van 23 november 2023 Rolnummers 7950 en 7951 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld door de Politierechtbank O Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 161/2023 van 23 november 2023 Uittreksel uit arrest nr. 161/2023 van 23 november 2023
Rolnummers 7950 en 7951 Rolnummers 7950 en 7951
In zake : de prejudiciële vragen over artikel 65/1 van de wet van 16 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 65/1 van de wet van 16
maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld maart 1968 « betreffende de politie over het wegverkeer », gesteld
door de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst. door de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de
rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S. rechters T. Giet, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, D. Pieters, S.
de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie, de Bethune, E. Bribosia, W. Verrijdt, K. Jadin en M. Plovie,
bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier N. Dupont, onder voorzitterschap van
voorzitter L. Lavrysen, voorzitter L. Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
Bij twee vonnissen van 27 februari 2023, waarvan de expedities ter Bij twee vonnissen van 27 februari 2023, waarvan de expedities ter
griffie van het Hof zijn ingekomen op 14 maart 2023, heeft de griffie van het Hof zijn ingekomen op 14 maart 2023, heeft de
Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst, de volgende Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Aalst, de volgende
prejudiciële vraag gesteld : prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 65/1 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de « Schendt artikel 65/1 van de Wet van 16 maart 1968 betreffende de
politie over het wegverkeer, zoals ingevoegd door art. 29 van Wet van politie over het wegverkeer, zoals ingevoegd door art. 29 van Wet van
28.11.2021 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken, 28.11.2021 om justitie menselijker, sneller en straffer te maken,
samen gelezen met art. 65 Wegverkeerswet en art. 216bis Wetboek van samen gelezen met art. 65 Wegverkeerswet en art. 216bis Wetboek van
Strafvordering, de bepalingen over de fundamentele rechten en Strafvordering, de bepalingen over de fundamentele rechten en
vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet, (met name de vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet, (met name de
artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet) én artikel 6.1 E.V.R.M., art. artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet) én artikel 6.1 E.V.R.M., art.
4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, art. 14.7 IVBPR, en het algemeen 4.1 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, art. 14.7 IVBPR, en het algemeen
rechtsbeginsel non bis in idem in de interpretatie dat deze bepaling, rechtsbeginsel non bis in idem in de interpretatie dat deze bepaling,
het openbaar ministerie toelaat na het uitvaardigen van een bevel tot het openbaar ministerie toelaat na het uitvaardigen van een bevel tot
betaling alsnog over te gaan tot het instellen van een vordering door betaling alsnog over te gaan tot het instellen van een vordering door
dagvaarding voor de bevoegde Politierechtbank ? ». dagvaarding voor de bevoegde Politierechtbank ? ».
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7950 en 7951 van de rol van Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7950 en 7951 van de rol van
het Hof, werden samengevoegd. het Hof, werden samengevoegd.
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling
B.1. Artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de B.1. Artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de
politie over het wegverkeer » (hierna : de Wegverkeerswet) heeft politie over het wegverkeer » (hierna : de Wegverkeerswet) heeft
betrekking op het bevel tot betalen dat de procureur des Konings onder betrekking op het bevel tot betalen dat de procureur des Konings onder
bepaalde voorwaarden kan geven aan personen wegens het plegen van een bepaalde voorwaarden kan geven aan personen wegens het plegen van een
verkeersmisdrijf. verkeersmisdrijf.
Dat artikel, zoals laatst gewijzigd bij artikel 29 van de wet van 28 Dat artikel, zoals laatst gewijzigd bij artikel 29 van de wet van 28
november 2021 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken november 2021 « om justitie menselijker, sneller en straffer te maken
» (hierna : de wet van 28 november 2021), bepaalt : » (hierna : de wet van 28 november 2021), bepaalt :
« § 1. Wanneer de in artikel 216bis, § 1, van het Wetboek van « § 1. Wanneer de in artikel 216bis, § 1, van het Wetboek van
Strafvordering bedoelde geldsom niet binnen de bepaalde termijn wordt Strafvordering bedoelde geldsom niet binnen de bepaalde termijn wordt
betaald, kan de procureur des Konings aan de overtreder een bevel betaald, kan de procureur des Konings aan de overtreder een bevel
geven tot betalen van de op deze overtreding toepasselijke geldsom, geven tot betalen van de op deze overtreding toepasselijke geldsom,
verhoogd met 35 % en desgevallend met de bijdrage voor het bijzonder verhoogd met 35 % en desgevallend met de bijdrage voor het bijzonder
Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan
de occasionele redders. Daarnaast wordt er ook een administratieve de occasionele redders. Daarnaast wordt er ook een administratieve
toeslag van 25,32 euro, zoals bedoeld in titel 4 van de programmawet toeslag van 25,32 euro, zoals bedoeld in titel 4 van de programmawet
van 21 juni 2021, geheven. Het bedrag van deze administratieve toeslag van 21 juni 2021, geheven. Het bedrag van deze administratieve toeslag
wordt elk jaar op 1 januari automatisch aangepast in functie van de wordt elk jaar op 1 januari automatisch aangepast in functie van de
evolutie van de consumptieprijsindex van de maand november van het evolutie van de consumptieprijsindex van de maand november van het
voorgaande jaar. De door de overtreder verrichte betalingen worden voorgaande jaar. De door de overtreder verrichte betalingen worden
eerst op de bijdrage voor het bijzonder Fonds tot hulp aan de eerst op de bijdrage voor het bijzonder Fonds tot hulp aan de
slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele
redders toegerekend en daarna op deze administratieve toeslag. De redders toegerekend en daarna op deze administratieve toeslag. De
procureur des Konings bepaalt op welke wijze de betaling geschiedt. procureur des Konings bepaalt op welke wijze de betaling geschiedt.
De betaling moet gebeuren binnen een termijn van dertig dagen volgend De betaling moet gebeuren binnen een termijn van dertig dagen volgend
op de dag van ontvangst van het bevel. op de dag van ontvangst van het bevel.
Dit bevel wordt per aangetekende zending, per gerechtsbrief of Dit bevel wordt per aangetekende zending, per gerechtsbrief of
overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek verstuurd overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek verstuurd
aan de overtreder en bevat ten minste : aan de overtreder en bevat ten minste :
1° de dagtekening; 1° de dagtekening;
2° de ten laste gelegde feiten en de geschonden wetsbepalingen; 2° de ten laste gelegde feiten en de geschonden wetsbepalingen;
3° de datum, het tijdstip en de plaats van de overtreding; 3° de datum, het tijdstip en de plaats van de overtreding;
4° de identiteit van de overtreder; 4° de identiteit van de overtreder;
5° het nummer van het proces-verbaal; 5° het nummer van het proces-verbaal;
6° het bedrag van de te betalen geldsom; 6° het bedrag van de te betalen geldsom;
7° de dag waarop de som uiterlijk moet worden betaald; 7° de dag waarop de som uiterlijk moet worden betaald;
8° de wijze waarop en de termijn waarbinnen het beroep kan worden 8° de wijze waarop en de termijn waarbinnen het beroep kan worden
ingesteld, alsook de bevoegde politierechtbank. ingesteld, alsook de bevoegde politierechtbank.
Het bevel tot betalen wordt geacht te zijn ontvangen de tiende werkdag Het bevel tot betalen wordt geacht te zijn ontvangen de tiende werkdag
na de dagtekening van het bevel tot betalen bedoeld in het derde lid, na de dagtekening van het bevel tot betalen bedoeld in het derde lid,
1°. 1°.
De betaling binnen deze termijn doet de strafvordering vervallen. De betaling binnen deze termijn doet de strafvordering vervallen.
§ 2. De persoon die het bevel tot betalen heeft ontvangen of diens § 2. De persoon die het bevel tot betalen heeft ontvangen of diens
advocaat kan binnen dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van advocaat kan binnen dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van
het bevel tot betalen beroep aantekenen bij de politierechtbank het bevel tot betalen beroep aantekenen bij de politierechtbank
bevoegd volgens de plaats van de overtreding. Het beroep wordt bevoegd volgens de plaats van de overtreding. Het beroep wordt
ingesteld bij een verzoekschrift dat neergelegd wordt op de griffie ingesteld bij een verzoekschrift dat neergelegd wordt op de griffie
van de bevoegde politierechtbank of bij een aangetekende zending of van de bevoegde politierechtbank of bij een aangetekende zending of
via elektronische post die aan de griffie worden verzonden. In die via elektronische post die aan de griffie worden verzonden. In die
laatste gevallen geldt de datum van verzending van de aangetekende laatste gevallen geldt de datum van verzending van de aangetekende
zending of van de elektronische post als datum waarop het zending of van de elektronische post als datum waarop het
verzoekschrift werd ingediend. De aangetekende zending wordt geacht te verzoekschrift werd ingediend. De aangetekende zending wordt geacht te
zijn verzonden de derde werkdag voor de ontvangst ervan op de griffie. zijn verzonden de derde werkdag voor de ontvangst ervan op de griffie.
Op straffe van nietigheid vermeldt het verzoekschrift : Op straffe van nietigheid vermeldt het verzoekschrift :
1° de naam, de voornaam en de woonplaats van de partij die beroep 1° de naam, de voornaam en de woonplaats van de partij die beroep
aantekent; aantekent;
2° het nummer van het proces-verbaal of het systeemnummer dat wordt 2° het nummer van het proces-verbaal of het systeemnummer dat wordt
vermeld op het bevel tot betalen; vermeld op het bevel tot betalen;
3° dat het om een beroep tegen het bevel tot betalen gaat; 3° dat het om een beroep tegen het bevel tot betalen gaat;
4° de redenen van het beroep. 4° de redenen van het beroep.
Het verzoekschrift houdt keuze van woonplaats in België in, indien de Het verzoekschrift houdt keuze van woonplaats in België in, indien de
verzoeker er zijn woonplaats niet heeft. verzoeker er zijn woonplaats niet heeft.
Het verzoekschrift wordt ingeschreven in het daartoe bestemde Het verzoekschrift wordt ingeschreven in het daartoe bestemde
register. register.
De verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de dag dat De verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de dag dat
het verzoekschrift wordt ingediend, tot de dag van het definitieve het verzoekschrift wordt ingediend, tot de dag van het definitieve
vonnis. vonnis.
De verzoeker wordt binnen een termijn van dertig dagen vanaf de De verzoeker wordt binnen een termijn van dertig dagen vanaf de
inschrijving in het daartoe bestemde register door de griffier per inschrijving in het daartoe bestemde register door de griffier per
gerechtsbrief, per aangetekende zending of overeenkomstig artikel gerechtsbrief, per aangetekende zending of overeenkomstig artikel
32ter van het Gerechtelijk Wetboek opgeroepen om te verschijnen op de 32ter van het Gerechtelijk Wetboek opgeroepen om te verschijnen op de
zitting die de rechter bepaalt. De griffier zendt een kopie van het zitting die de rechter bepaalt. De griffier zendt een kopie van het
verzoekschrift over aan de procureur des Konings en deelt hem de datum verzoekschrift over aan de procureur des Konings en deelt hem de datum
van de zitting mee. van de zitting mee.
Het beroep maakt de zaak in zijn geheel aanhangig voor de Het beroep maakt de zaak in zijn geheel aanhangig voor de
strafrechtelijke kamer van de politierechtbank die eerst de strafrechtelijke kamer van de politierechtbank die eerst de
ontvankelijkheid van het beroep beoordeelt. ontvankelijkheid van het beroep beoordeelt.
Indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard, wordt het bevel tot Indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard, wordt het bevel tot
betalen als niet bestaande beschouwd. De rechtbank beoordeelt de betalen als niet bestaande beschouwd. De rechtbank beoordeelt de
overtredingen die aan de grondslag liggen van het bevel tot betalen, overtredingen die aan de grondslag liggen van het bevel tot betalen,
ten gronde en maakt, indien deze bewezen worden verklaard, toepassing ten gronde en maakt, indien deze bewezen worden verklaard, toepassing
van de strafwet. van de strafwet.
De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen
overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 187 van het Wetboek van overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 187 van het Wetboek van
strafvordering. strafvordering.
Tegen de beslissing van de politierechtbank kan hoger beroep worden Tegen de beslissing van de politierechtbank kan hoger beroep worden
ingesteld volgens de bepalingen opgenomen in het Wetboek van ingesteld volgens de bepalingen opgenomen in het Wetboek van
strafvordering. strafvordering.
§ 3. De niet-betaalde bevelen tot betalen, waartegen geen beroep is § 3. De niet-betaalde bevelen tot betalen, waartegen geen beroep is
aangetekend, en die dus invorderbaar zijn, worden door de procureur aangetekend, en die dus invorderbaar zijn, worden door de procureur
des Konings of de door hem aangestelde parketjurist uitvoerbaar des Konings of de door hem aangestelde parketjurist uitvoerbaar
verklaard. verklaard.
§ 4. [...] § 4. [...]
§ 5. Onverminderd de toepassing van artikel 27 van de wet van 5 § 5. Onverminderd de toepassing van artikel 27 van de wet van 5
augustus 2006 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse augustus 2006 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse
erkenning van beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de erkenning van beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de
Europese Unie, geeft de procureur des Konings opdracht aan de Europese Unie, geeft de procureur des Konings opdracht aan de
administratie, die binnen de Federale Overheidsdienst Financiën administratie, die binnen de Federale Overheidsdienst Financiën
bevoegd is voor de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen om bevoegd is voor de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen om
de geldsommen opgenomen in de in paragraaf 3 bedoelde uitvoerbare de geldsommen opgenomen in de in paragraaf 3 bedoelde uitvoerbare
titels in te vorderen, volgens de regels van toepassing op de titels in te vorderen, volgens de regels van toepassing op de
gedwongen tenuitvoerlegging van strafrechtelijke geldboeten, met gedwongen tenuitvoerlegging van strafrechtelijke geldboeten, met
inbegrip van het vereenvoudigd derdenbeslag bedoeld in artikel 101 van inbegrip van het vereenvoudigd derdenbeslag bedoeld in artikel 101 van
het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken. het Algemeen Reglement op de gerechtskosten in strafzaken.
§ 6. De invordering gebeurt op basis van een uittreksel uit de in § 6. De invordering gebeurt op basis van een uittreksel uit de in
paragraaf 3 bedoelde uitvoerbare titels, opgemaakt door de ambtenaren paragraaf 3 bedoelde uitvoerbare titels, opgemaakt door de ambtenaren
van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de invordering. van de Federale Overheidsdienst Financiën belast met de invordering.
[...] [...]
§ 7. [...] § 7. [...]
§ 8. Als de overtreder aantoont dat hij geen kennis heeft kunnen nemen § 8. Als de overtreder aantoont dat hij geen kennis heeft kunnen nemen
van het bevel tot betalen binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn om van het bevel tot betalen binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn om
beroep in te dienen, kan hij dit beroep alsnog indienen binnen een beroep in te dienen, kan hij dit beroep alsnog indienen binnen een
termijn van vijftien dagen volgend op de dag waarop hij van dit bevel termijn van vijftien dagen volgend op de dag waarop hij van dit bevel
kennis heeft gekregen of volgend op de eerste daad van invordering van kennis heeft gekregen of volgend op de eerste daad van invordering van
de geldsom door of op vervolging van de bevoegde administratie van de de geldsom door of op vervolging van de bevoegde administratie van de
Federale Overheidsdienst Financiën. De in paragraaf 2 bedoelde Federale Overheidsdienst Financiën. De in paragraaf 2 bedoelde
bepalingen zijn van toepassing. bepalingen zijn van toepassing.
In dat geval is de verjaring van de strafvordering geschorst vanaf de In dat geval is de verjaring van de strafvordering geschorst vanaf de
dag waarop het bevel tot betalen van rechtswege uitvoerbaar is dag waarop het bevel tot betalen van rechtswege uitvoerbaar is
geworden tot de dag waarop de overtreder het beroep indient. geworden tot de dag waarop de overtreder het beroep indient.
§ 9. De artikelen 49 en 96 van het Strafwetboek en de wet van 1 § 9. De artikelen 49 en 96 van het Strafwetboek en de wet van 1
augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen gewijzigd bij de augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen gewijzigd bij de
programmawet van 27 december 2004, zijn op deze procedure van programmawet van 27 december 2004, zijn op deze procedure van
toepassing. toepassing.
§ 10. Wanneer de administratie die binnen de Federale Overheidsdienst § 10. Wanneer de administratie die binnen de Federale Overheidsdienst
Financiën bevoegd is voor de invordering van de niet-fiscale Financiën bevoegd is voor de invordering van de niet-fiscale
schuldvorderingen, de in paragraaf 1 bedoelde geldsom niet kan schuldvorderingen, de in paragraaf 1 bedoelde geldsom niet kan
invorderen binnen een termijn van drie jaar na de ontvangst van de invorderen binnen een termijn van drie jaar na de ontvangst van de
uitvoerbare titel, deelt zij dit mee aan de procureur des Konings. De uitvoerbare titel, deelt zij dit mee aan de procureur des Konings. De
procureur des Konings beveelt onverwijld de schorsing van het recht procureur des Konings beveelt onverwijld de schorsing van het recht
tot sturen in hoofde van de overtreder van een motorvoertuig en deelt tot sturen in hoofde van de overtreder van een motorvoertuig en deelt
dit mee aan de overtreder. dit mee aan de overtreder.
[...] ». [...] ».
B.2.1. Het bevel tot betalen is initieel ingevoerd bij de wet van 22 B.2.1. Het bevel tot betalen is initieel ingevoerd bij de wet van 22
april 2012 « betreffende de invoering van het bevel tot betalen na april 2012 « betreffende de invoering van het bevel tot betalen na
inbreuken op de wetgeving inzake het wegverkeer » (hierna : de wet van inbreuken op de wetgeving inzake het wegverkeer » (hierna : de wet van
22 april 2012) en had tot doel « te voorkomen dat boetes onbetaald 22 april 2012) en had tot doel « te voorkomen dat boetes onbetaald
zouden blijven en de politieparketten te ontlasten » (Parl. St., zouden blijven en de politieparketten te ontlasten » (Parl. St.,
Kamer, 2011-2012, DOC 53-2074/002, p. 3) : Kamer, 2011-2012, DOC 53-2074/002, p. 3) :
« Het bevel tot betalen wordt na de onmiddellijke inning en eventueel « Het bevel tot betalen wordt na de onmiddellijke inning en eventueel
de minnelijke schikking en vóór de dagvaarding voor de de minnelijke schikking en vóór de dagvaarding voor de
politierechtbank geschoven zonder dat de overtreder enig recht politierechtbank geschoven zonder dat de overtreder enig recht
verliest of de bevoegdheden van de rechtbank worden ingekort » verliest of de bevoegdheden van de rechtbank worden ingekort »
(ibid.). (ibid.).
De parlementaire voorbereiding van de programmawet van 25 december De parlementaire voorbereiding van de programmawet van 25 december
2016, die het bij de wet van 22 april 2012 in de Wegverkeerswet 2016, die het bij de wet van 22 april 2012 in de Wegverkeerswet
ingevoegde artikel 65/1 heeft vervangen, vermeldt : ingevoegde artikel 65/1 heeft vervangen, vermeldt :
« Het [...] is de laatste stap in de procedure van een eventueel « Het [...] is de laatste stap in de procedure van een eventueel
verval van de strafvordering tegen betaling van een som » (Parl. St., verval van de strafvordering tegen betaling van een som » (Parl. St.,
Kamer, 2016-2017, DOC 54-2208/001, p. 28). Kamer, 2016-2017, DOC 54-2208/001, p. 28).
B.2.2. De proceseconomie vormde aldus één van de redenen tot het B.2.2. De proceseconomie vormde aldus één van de redenen tot het
invoeren van het bevel tot betalen in de Wegverkeerswet. De overtreder invoeren van het bevel tot betalen in de Wegverkeerswet. De overtreder
die niet betaalt en niet ingaat op een voorstel tot minnelijke die niet betaalt en niet ingaat op een voorstel tot minnelijke
schikking, ontvangt een van rechtswege uitvoerbaar bevel tot betalen, schikking, ontvangt een van rechtswege uitvoerbaar bevel tot betalen,
waardoor de procureur des Konings geen beroep moet doen op de waardoor de procureur des Konings geen beroep moet doen op de
strafrechter om de overtreder tot effectieve betaling te dwingen. strafrechter om de overtreder tot effectieve betaling te dwingen.
Het bevel tot betalen is in beginsel de vijfde aanmaning tot betalen : Het bevel tot betalen is in beginsel de vijfde aanmaning tot betalen :
« De overtreder krijgt namelijk een onmiddellijke inning, een rappel « De overtreder krijgt namelijk een onmiddellijke inning, een rappel
daarvan, een minnelijke schikking en opnieuw een rappel alvorens er daarvan, een minnelijke schikking en opnieuw een rappel alvorens er
een bevel tot betalen wordt uitgevaardigd » (Parl. St., Kamer, een bevel tot betalen wordt uitgevaardigd » (Parl. St., Kamer,
2016-2017, DOC 54-2208/001, p. 29). De overtreder heeft derhalve reeds 2016-2017, DOC 54-2208/001, p. 29). De overtreder heeft derhalve reeds
op verschillende ogenblikken de kans gehad de strafvordering te doen op verschillende ogenblikken de kans gehad de strafvordering te doen
vervallen door het betalen van de verkeersboete. vervallen door het betalen van de verkeersboete.
Ten gronde Ten gronde
B.3.1. In de interpretatie van het verwijzende rechtscollege laat B.3.1. In de interpretatie van het verwijzende rechtscollege laat
artikel 65/1 van de Wegverkeerswet toe dat het openbaar ministerie, artikel 65/1 van de Wegverkeerswet toe dat het openbaar ministerie,
nadat het een bevel tot betalen heeft gegeven dat niet werd betaald nadat het een bevel tot betalen heeft gegeven dat niet werd betaald
binnen een termijn van dertig dagen volgend op de dag van ontvangst, binnen een termijn van dertig dagen volgend op de dag van ontvangst,
de overtreder dagvaardt voor de strafrechter en dus de strafvordering de overtreder dagvaardt voor de strafrechter en dus de strafvordering
op gang brengt. op gang brengt.
B.3.2. Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de B.3.2. Het staat in de regel aan het verwijzende rechtscollege om de
bepalingen die het van toepassing acht te interpreteren, onder bepalingen die het van toepassing acht te interpreteren, onder
voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding voorbehoud van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding
zijnde bepaling, wat te dezen niet het geval is. zijnde bepaling, wat te dezen niet het geval is.
Artikel 65/1, § 1, vijfde lid, van de Wegverkeerswet, zoals ingevoegd Artikel 65/1, § 1, vijfde lid, van de Wegverkeerswet, zoals ingevoegd
bij artikel 29 van de wet van 28 november 2021 « om justitie bij artikel 29 van de wet van 28 november 2021 « om justitie
menselijker, sneller en straffer te maken », bepaalt immers enkel dat menselijker, sneller en straffer te maken », bepaalt immers enkel dat
de betaling binnen een termijn van dertig dagen volgend op de dag van de betaling binnen een termijn van dertig dagen volgend op de dag van
ontvangst van het bevel « de strafvordering [doet] vervallen ». Uit ontvangst van het bevel « de strafvordering [doet] vervallen ». Uit
artikel 65/1 van de Wegverkeerswet kan daarentegen niet worden artikel 65/1 van de Wegverkeerswet kan daarentegen niet worden
afgeleid dat het geven van een bevel tot betalen op zich tot het afgeleid dat het geven van een bevel tot betalen op zich tot het
verval van de strafvordering zou leiden. Die bepaling verhindert het verval van de strafvordering zou leiden. Die bepaling verhindert het
openbaar ministerie niet om, in overeenstemming met artikel 28quater openbaar ministerie niet om, in overeenstemming met artikel 28quater
van het Wetboek van strafvordering, te oordelen over de opportuniteit van het Wetboek van strafvordering, te oordelen over de opportuniteit
van de vervolging en de strafvordering op gang te brengen zolang die van de vervolging en de strafvordering op gang te brengen zolang die
niet is vervallen. niet is vervallen.
B.4. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat artikel 65/1 van de B.4. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat artikel 65/1 van de
Wegverkeerswet niet erin voorziet dat, in geval van een dagvaarding Wegverkeerswet niet erin voorziet dat, in geval van een dagvaarding
door het openbaar ministerie, het bevel tot betalen voor niet door het openbaar ministerie, het bevel tot betalen voor niet
bestaande wordt gehouden, in tegenstelling tot wat het geval is bestaande wordt gehouden, in tegenstelling tot wat het geval is
wanneer de overtreder tegen het bevel tot betalen een beroep instelt wanneer de overtreder tegen het bevel tot betalen een beroep instelt
bij de politierechtbank (artikel 65/1, § 2, achtste lid, van de bij de politierechtbank (artikel 65/1, § 2, achtste lid, van de
Wegverkeerswet). Het vraagt daarom aan het Hof na te gaan of die Wegverkeerswet). Het vraagt daarom aan het Hof na te gaan of die
bepaling, in de in B.3.1 vermelde interpretatie, bestaanbaar is met de bepaling, in de in B.3.1 vermelde interpretatie, bestaanbaar is met de
artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met
artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de
mens, met artikel 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake mens, met artikel 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten, met artikel 4 van het Protocol nr. burgerrechten en politieke rechten, met artikel 4 van het Protocol nr.
7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het
algemeen rechtsbeginsel non bis in idem. algemeen rechtsbeginsel non bis in idem.
B.5. De prejudiciële vraag vermeldt niet in welk opzicht artikel 65/1 B.5. De prejudiciële vraag vermeldt niet in welk opzicht artikel 65/1
van de Wegverkeerswet afbreuk zou kunnen doen aan artikel 13 van de van de Wegverkeerswet afbreuk zou kunnen doen aan artikel 13 van de
Grondwet of aan artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de Grondwet of aan artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de
rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 rechten van de mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11
van de Grondwet. Wanneer, daarenboven, zoals dat te dezen het geval van de Grondwet. Wanneer, daarenboven, zoals dat te dezen het geval
is, zulks evenmin uit de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid, is, zulks evenmin uit de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid,
beschikt het Hof niet over de noodzakelijke elementen om uitspraak te beschikt het Hof niet over de noodzakelijke elementen om uitspraak te
doen. doen.
In zoverre het Hof wordt gevraagd om artikel 65/1 van de In zoverre het Hof wordt gevraagd om artikel 65/1 van de
Wegverkeerswet te toetsen aan artikel 13 van de Grondwet en aan Wegverkeerswet te toetsen aan artikel 13 van de Grondwet en aan
artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de
mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, mens, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,
is de prejudiciële vraag niet ontvankelijk. is de prejudiciële vraag niet ontvankelijk.
B.6.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene B.6.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene
draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong
ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de
niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en
alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit
internationale verdragen die België binden. internationale verdragen die België binden.
B.6.2. Artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor B.6.2. Artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor
de rechten van de mens bepaalt : de rechten van de mens bepaalt :
« 1. Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke « 1. Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke
procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde Staat voor een strafbaar
feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld
overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat. overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van die Staat.
2. De bepalingen van het voorgaande lid beletten niet de heropening 2. De bepalingen van het voorgaande lid beletten niet de heropening
van de zaak overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van de van de zaak overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van de
betrokken Staat, indien er aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het betrokken Staat, indien er aanwijzingen zijn van nieuwe of pas aan het
licht gekomen feiten, of indien er sprake was van een fundamenteel licht gekomen feiten, of indien er sprake was van een fundamenteel
gebrek in het vorige proces, die de uitkomst van de zaak zouden of zou gebrek in het vorige proces, die de uitkomst van de zaak zouden of zou
kunnen beïnvloeden. kunnen beïnvloeden.
3. Afwijking van dit artikel krachtens artikel 15 van het Verdrag is 3. Afwijking van dit artikel krachtens artikel 15 van het Verdrag is
niet toegestaan ». niet toegestaan ».
B.6.3. Artikel 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake B.6.3. Artikel 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake
burgerrechten en politieke rechten bepaalt : burgerrechten en politieke rechten bepaalt :
« Niemand mag voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een « Niemand mag voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een
strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het
procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan
hij is vrijgesproken ». hij is vrijgesproken ».
B.6.4. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem mag B.6.4. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem mag
niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een niemand voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een
strafbaar feit waarvoor hij reeds « overeenkomstig de wet en het strafbaar feit waarvoor hij reeds « overeenkomstig de wet en het
procesrecht van elk land » bij einduitspraak is veroordeeld of procesrecht van elk land » bij einduitspraak is veroordeeld of
waarvoor hij is vrijgesproken. Dat beginsel wordt eveneens gewaarborgd waarvoor hij is vrijgesproken. Dat beginsel wordt eveneens gewaarborgd
in artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de in artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de
rechten van de mens en artikel 14, lid 7, van het Internationaal rechten van de mens en artikel 14, lid 7, van het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Het beginsel non bis in idem verbiedt « een persoon te vervolgen of te Het beginsel non bis in idem verbiedt « een persoon te vervolgen of te
berechten voor een tweede ` misdrijf ' voor zover identieke feiten of berechten voor een tweede ` misdrijf ' voor zover identieke feiten of
feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn, eraan ten grondslag liggen » feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn, eraan ten grondslag liggen »
(EHRM, grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, (EHRM, grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland,
ECLI:CE:ECHR:2009:0210JUD001493903, § 82). ECLI:CE:ECHR:2009:0210JUD001493903, § 82).
B.7.1. Teneinde te bepalen of het beginsel non bis in idem van B.7.1. Teneinde te bepalen of het beginsel non bis in idem van
toepassing is, dient vast te staan dat de in het geding zijnde toepassing is, dient vast te staan dat de in het geding zijnde
maatregel van strafrechtelijke aard is (zie EHRM, grote kamer, 8 juli maatregel van strafrechtelijke aard is (zie EHRM, grote kamer, 8 juli
2019, Mihalache t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2019:0708JUD005401210, § 50; 2019, Mihalache t. Roemenië, ECLI:CE:ECHR:2019:0708JUD005401210, § 50;
grote kamer, 15 november 2016, A en B t. Noorwegen, grote kamer, 15 november 2016, A en B t. Noorwegen,
ECLI:CE:ECHR:2016:1115JUD002413011, §§ 101-134; 31 mei 2011, Kurdov en ECLI:CE:ECHR:2016:1115JUD002413011, §§ 101-134; 31 mei 2011, Kurdov en
Ivanov t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2011:0531JUD001613704, §§ 35-46; Ivanov t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2011:0531JUD001613704, §§ 35-46;
grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, voormeld, §§ grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, voormeld, §§
52-57, 70-84). 52-57, 70-84).
B.7.2. Een maatregel is een strafsanctie in de zin van artikel 6, lid B.7.2. Een maatregel is een strafsanctie in de zin van artikel 6, lid
1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien hij 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien hij
volgens de internrechtelijke kwalificatie een strafrechtelijk karakter volgens de internrechtelijke kwalificatie een strafrechtelijk karakter
heeft, of indien uit de aard van het strafbaar feit, namelijk de heeft, of indien uit de aard van het strafbaar feit, namelijk de
algemene draagwijdte en het preventieve en repressieve doel van de algemene draagwijdte en het preventieve en repressieve doel van de
bestraffing, blijkt dat het om een strafsanctie gaat, of nog indien bestraffing, blijkt dat het om een strafsanctie gaat, of nog indien
uit de aard en de ernst van de sanctie die de betrokkene ondergaat, uit de aard en de ernst van de sanctie die de betrokkene ondergaat,
blijkt dat hij een bestraffend en daardoor ontradend karakter heeft blijkt dat hij een bestraffend en daardoor ontradend karakter heeft
(EHRM, grote kamer, 8 juli 2019, Mihalache t. Roemenië, voormeld, §§ (EHRM, grote kamer, 8 juli 2019, Mihalache t. Roemenië, voormeld, §§
53-55; grote kamer, 15 november 2016, A en B t. Noorwegen, voormeld, 53-55; grote kamer, 15 november 2016, A en B t. Noorwegen, voormeld,
§§ 105-107; grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, §§ 105-107; grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland,
voormeld, § 53; grote kamer, 23 november 2006, Jussila t. Finland, voormeld, § 53; grote kamer, 23 november 2006, Jussila t. Finland,
ECLI:CE:ECHR:2006:1123JUD007305301, §§ 30-31). Dezelfde criteria ECLI:CE:ECHR:2006:1123JUD007305301, §§ 30-31). Dezelfde criteria
gelden voor de toepassing van artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij gelden voor de toepassing van artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij
hetzelfde Verdrag, dat een soortgelijke draagwijdte heeft als artikel hetzelfde Verdrag, dat een soortgelijke draagwijdte heeft als artikel
14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en 14, lid 7, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en
politieke rechten (EHRM, grote kamer, 8 juli 2019, Mihalache t. politieke rechten (EHRM, grote kamer, 8 juli 2019, Mihalache t.
Roemenië, voormeld, § 55; grote kamer, 15 november 2016, A en B t. Roemenië, voormeld, § 55; grote kamer, 15 november 2016, A en B t.
Noorwegen, voormeld, § 107). Noorwegen, voormeld, § 107).
B.7.3. De regeling van het bevel tot betalen strekt niet tot het B.7.3. De regeling van het bevel tot betalen strekt niet tot het
opleggen van een straf in de zin van artikel 1 van het Strafwetboek, opleggen van een straf in de zin van artikel 1 van het Strafwetboek,
maar uitsluitend tot het creëren van een uitvoerbare titel (Cass., 1 maar uitsluitend tot het creëren van een uitvoerbare titel (Cass., 1
juni 2021, P.21.0325.N, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210601.2N.5, punt 3; juni 2021, P.21.0325.N, ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210601.2N.5, punt 3;
22 juni 2021, P.21.0478.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.17, punt 22 juni 2021, P.21.0478.N, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.17, punt
3). 3).
Evenwel beoogt de regeling van het bevel tot betalen bij te dragen tot Evenwel beoogt de regeling van het bevel tot betalen bij te dragen tot
de handhaving van de verkeerswetgeving. Het bevel tot betalen wordt de handhaving van de verkeerswetgeving. Het bevel tot betalen wordt
gegeven wegens het plegen van een verkeersmisdrijf en laat de gegeven wegens het plegen van een verkeersmisdrijf en laat de
procureur des Konings toe geen beroep te doen op de strafrechter om de procureur des Konings toe geen beroep te doen op de strafrechter om de
overtreder tot effectieve betaling te dwingen. Die regeling heeft dus overtreder tot effectieve betaling te dwingen. Die regeling heeft dus
een algemene draagwijdte en streeft zowel een preventief als een een algemene draagwijdte en streeft zowel een preventief als een
repressief doel na. Het te betalen bedrag wordt bovendien vastgesteld repressief doel na. Het te betalen bedrag wordt bovendien vastgesteld
op basis van de op de overtreding toepasselijke geldsom, die wordt op basis van de op de overtreding toepasselijke geldsom, die wordt
verhoogd met 35 % en in voorkomend geval met de bijdrage voor het verhoogd met 35 % en in voorkomend geval met de bijdrage voor het
bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke bijzonder Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke
gewelddaden en aan de occasionele redders, alsook met een gewelddaden en aan de occasionele redders, alsook met een
administratieve toeslag (artikel 65/1, § 1, van de Wegverkeerswet). administratieve toeslag (artikel 65/1, § 1, van de Wegverkeerswet).
Wanneer de bevoegde administratie de verschuldigde geldsom niet kan Wanneer de bevoegde administratie de verschuldigde geldsom niet kan
invorderen binnen een termijn van drie jaar na de ontvangst van de invorderen binnen een termijn van drie jaar na de ontvangst van de
uitvoerbare titel, beveelt de procureur des Konings « onverwijld de uitvoerbare titel, beveelt de procureur des Konings « onverwijld de
schorsing van het recht tot sturen in hoofde van de overtreder van een schorsing van het recht tot sturen in hoofde van de overtreder van een
motorvoertuig en deelt [hij] dit mee aan de overtreder » (artikel motorvoertuig en deelt [hij] dit mee aan de overtreder » (artikel
65/1, § 10, eerste lid, van de Wegverkeerswet). Het bevel tot betalen 65/1, § 10, eerste lid, van de Wegverkeerswet). Het bevel tot betalen
heeft bijgevolg ook, gelet op de aard en de ernst ervan, een heeft bijgevolg ook, gelet op de aard en de ernst ervan, een
bestraffend en daardoor ontradend karakter. bestraffend en daardoor ontradend karakter.
Uit het bovenstaande volgt dat de regeling van het bevel tot betalen Uit het bovenstaande volgt dat de regeling van het bevel tot betalen
van strafrechtelijke aard is en dat het beginsel non bis in idem, van strafrechtelijke aard is en dat het beginsel non bis in idem,
zoals gewaarborgd bij artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij het zoals gewaarborgd bij artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij het
Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14, lid 7, van Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 14, lid 7, van
het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten,
erop van toepassing is. erop van toepassing is.
B.8.1. Om te bepalen of het beginsel non bis in idem is geschonden in B.8.1. Om te bepalen of het beginsel non bis in idem is geschonden in
zoverre het openbaar ministerie een persoon kan dagvaarden aan wie het zoverre het openbaar ministerie een persoon kan dagvaarden aan wie het
reeds een bevel tot betalen heeft gegeven voor dezelfde feiten, dient reeds een bevel tot betalen heeft gegeven voor dezelfde feiten, dient
het Hof vervolgens na te gaan in welke mate een dergelijk bevel kan het Hof vervolgens na te gaan in welke mate een dergelijk bevel kan
worden beschouwd als « een vrijspraak of een veroordeling bij een worden beschouwd als « een vrijspraak of een veroordeling bij een
definitieve uitspraak » (EHRM, grote kamer, 8 juli 2019, Mihalache t. definitieve uitspraak » (EHRM, grote kamer, 8 juli 2019, Mihalache t.
Roemenië, voormeld, §§ 87-92). Het beginsel non bis in idem verzet Roemenië, voormeld, §§ 87-92). Het beginsel non bis in idem verzet
zich immers tegen een herhaling van strafrechtelijke procedures die zich immers tegen een herhaling van strafrechtelijke procedures die
definitief zijn beëindigd (ibid., § 81; EHRM, grote kamer, 10 februari definitief zijn beëindigd (ibid., § 81; EHRM, grote kamer, 10 februari
2009, Zolotoukhine t. Rusland, voormeld, § 107). 2009, Zolotoukhine t. Rusland, voormeld, § 107).
De begrippen « vrijspraak » en « veroordeling » veronderstellen dat er De begrippen « vrijspraak » en « veroordeling » veronderstellen dat er
een beoordeling in feite en in rechte heeft plaatsgevonden van de een beoordeling in feite en in rechte heeft plaatsgevonden van de
strafrechtelijke aansprakelijkheid van de betrokkene, door een strafrechtelijke aansprakelijkheid van de betrokkene, door een
instantie die daartoe bevoegd is en die daarvoor desgevallend een instantie die daartoe bevoegd is en die daarvoor desgevallend een
sanctie kan opleggen (EHRM, grote kamer, 8 juli 2019, Mihalache t. sanctie kan opleggen (EHRM, grote kamer, 8 juli 2019, Mihalache t.
Roemenië, voormeld, § 97). Het is niet noodzakelijk dat de vrijspraak Roemenië, voormeld, § 97). Het is niet noodzakelijk dat de vrijspraak
of de veroordeling wordt uitgesproken door een rechtscollege (ibid., § of de veroordeling wordt uitgesproken door een rechtscollege (ibid., §
95). 95).
Bij de beoordeling van het al dan niet definitieve karakter van de Bij de beoordeling van het al dan niet definitieve karakter van de
vrijspraak of de veroordeling, moet rekening worden gehouden met de « vrijspraak of de veroordeling, moet rekening worden gehouden met de «
gewone rechtsmiddelen » waarover de betrokken partijen overeenkomstig gewone rechtsmiddelen » waarover de betrokken partijen overeenkomstig
het interne recht beschikken en met de termijnen om die rechtsmiddelen het interne recht beschikken en met de termijnen om die rechtsmiddelen
in te stellen. Een beslissing is definitief wanneer zij onherroepelijk in te stellen. Een beslissing is definitief wanneer zij onherroepelijk
is, hetgeen veronderstelt dat zij niet meer vatbaar is voor een gewoon is, hetgeen veronderstelt dat zij niet meer vatbaar is voor een gewoon
rechtsmiddel, dat de partijen de gewone rechtsmiddelen hebben uitgeput rechtsmiddel, dat de partijen de gewone rechtsmiddelen hebben uitgeput
of dat de termijnen om die rechtsmiddelen uit te oefenen zijn of dat de termijnen om die rechtsmiddelen uit te oefenen zijn
verstreken (ibid., § 109; grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine verstreken (ibid., § 109; grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine
t. Rusland, voormeld, § 107). Het interne recht moet bovendien voldoen t. Rusland, voormeld, § 107). Het interne recht moet bovendien voldoen
aan het vereiste van rechtszekerheid. Zulks impliceert dat, enerzijds, aan het vereiste van rechtszekerheid. Zulks impliceert dat, enerzijds,
de mogelijkheid om het rechtsmiddel in te stellen moet zijn afgebakend de mogelijkheid om het rechtsmiddel in te stellen moet zijn afgebakend
in de tijd en, anderzijds, de modaliteiten om dat rechtsmiddel uit te in de tijd en, anderzijds, de modaliteiten om dat rechtsmiddel uit te
oefenen duidelijk zijn voor de partijen (EHRM, grote kamer, 8 juli oefenen duidelijk zijn voor de partijen (EHRM, grote kamer, 8 juli
2019, Mihalache t. Roemenië, voormeld, § 115). 2019, Mihalache t. Roemenië, voormeld, § 115).
B.8.2. De beslissing van het openbaar ministerie om een strafzaak te B.8.2. De beslissing van het openbaar ministerie om een strafzaak te
seponeren, vormt geen definitieve vrijspraak of veroordeling in de zin seponeren, vormt geen definitieve vrijspraak of veroordeling in de zin
van artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de van artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de
rechten van de mens (ibid., § 96; grote kamer, 27 mei 2014, Margus t. rechten van de mens (ibid., § 96; grote kamer, 27 mei 2014, Margus t.
Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000445510, § 120). Er is daarentegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2014:0527JUD000445510, § 120). Er is daarentegen
sprake van een definitieve veroordeling wanneer het openbaar sprake van een definitieve veroordeling wanneer het openbaar
ministerie op basis van het beschikbare bewijsmateriaal de ministerie op basis van het beschikbare bewijsmateriaal de
strafrechtelijke aansprakelijkheid van een verdachte heeft beoordeeld strafrechtelijke aansprakelijkheid van een verdachte heeft beoordeeld
en de strafvervolging buitengerechtelijk heeft afgehandeld door een en de strafvervolging buitengerechtelijk heeft afgehandeld door een
sanctie met een repressief en bestraffend karakter op te leggen, die sanctie met een repressief en bestraffend karakter op te leggen, die
uitvoerbaar is geworden na het verstrijken van een beroepstermijn uitvoerbaar is geworden na het verstrijken van een beroepstermijn
(EHRM, grote kamer, 8 juli 2019, Mihalache t. Roemenië, voormeld, §§ (EHRM, grote kamer, 8 juli 2019, Mihalache t. Roemenië, voormeld, §§
96-101). 96-101).
B.9.1. Zoals is vermeld in B.3.2, doet de betaling binnen de termijn B.9.1. Zoals is vermeld in B.3.2, doet de betaling binnen de termijn
van dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel tot van dertig dagen volgend op de dag van ontvangst van het bevel tot
betalen de strafvordering vervallen (artikel 65/1, § 1, vijfde lid, betalen de strafvordering vervallen (artikel 65/1, § 1, vijfde lid,
van de Wegverkeerswet). Binnen diezelfde termijn kan de persoon die van de Wegverkeerswet). Binnen diezelfde termijn kan de persoon die
het bevel tot betalen heeft ontvangen daartegen beroep aantekenen bij het bevel tot betalen heeft ontvangen daartegen beroep aantekenen bij
de politierechtbank. Indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard, de politierechtbank. Indien het beroep ontvankelijk wordt verklaard,
wordt het bevel tot betalen als niet bestaande beschouwd (artikel wordt het bevel tot betalen als niet bestaande beschouwd (artikel
65/1, § 2, van de Wegverkeerswet). 65/1, § 2, van de Wegverkeerswet).
B.9.2. Met het bevel tot betalen heeft de wetgever beoogd om het B.9.2. Met het bevel tot betalen heeft de wetgever beoogd om het
openbaar ministerie in staat te stellen een uitvoerbare titel op te openbaar ministerie in staat te stellen een uitvoerbare titel op te
maken, zodat geen beroep moet worden gedaan op de strafrechter om een maken, zodat geen beroep moet worden gedaan op de strafrechter om een
overtreder aan wie voorafgaandelijk een minnelijke schikking is overtreder aan wie voorafgaandelijk een minnelijke schikking is
voorgesteld, tot betaling te dwingen. voorgesteld, tot betaling te dwingen.
B.9.3. Artikel 65/1, § 3, van de Wegverkeerswet bepaalt dat « de B.9.3. Artikel 65/1, § 3, van de Wegverkeerswet bepaalt dat « de
niet-betaalde bevelen tot betalen, waartegen geen beroep is niet-betaalde bevelen tot betalen, waartegen geen beroep is
aangetekend, en die dus invorderbaar zijn, [...] door de procureur des aangetekend, en die dus invorderbaar zijn, [...] door de procureur des
Konings of de door hem aangestelde parketjurist uitvoerbaar [worden] Konings of de door hem aangestelde parketjurist uitvoerbaar [worden]
verklaard ». Krachtens artikel 65/1, § 5, van de Wegverkeerswet geeft verklaard ». Krachtens artikel 65/1, § 5, van de Wegverkeerswet geeft
« de procureur des Konings opdracht aan de administratie, die binnen « de procureur des Konings opdracht aan de administratie, die binnen
de Federale Overheidsdienst Financiën bevoegd is voor de invordering de Federale Overheidsdienst Financiën bevoegd is voor de invordering
van niet-fiscale schuldvorderingen om de geldsommen opgenomen in de in van niet-fiscale schuldvorderingen om de geldsommen opgenomen in de in
paragraaf 3 bedoelde uitvoerbare titels in te vorderen, volgens de paragraaf 3 bedoelde uitvoerbare titels in te vorderen, volgens de
regels van toepassing op de gedwongen tenuitvoerlegging van regels van toepassing op de gedwongen tenuitvoerlegging van
strafrechtelijke geldboeten ». strafrechtelijke geldboeten ».
Uit artikel 65/1, § 3, van de Wegverkeerswet volgt dat, opdat het Uit artikel 65/1, § 3, van de Wegverkeerswet volgt dat, opdat het
bevel tot betalen gedwongen ten uitvoer kan worden gelegd, een bevel tot betalen gedwongen ten uitvoer kan worden gelegd, een
uitdrukkelijke beslissing tot uitvoerbaarverklaring vanwege het uitdrukkelijke beslissing tot uitvoerbaarverklaring vanwege het
openbaar ministerie vereist is. Het woord « worden » in die bepaling openbaar ministerie vereist is. Het woord « worden » in die bepaling
kan redelijkerwijze niet zo worden geïnterpreteerd dat het openbaar kan redelijkerwijze niet zo worden geïnterpreteerd dat het openbaar
ministerie, nadat de overtreder het bevel tot betalen niet heeft ministerie, nadat de overtreder het bevel tot betalen niet heeft
betaald binnen de termijn van dertig dagen en bij gebrek aan een betaald binnen de termijn van dertig dagen en bij gebrek aan een
beroep daartegen, ertoe verplicht zou zijn het bevel uitvoerbaar te beroep daartegen, ertoe verplicht zou zijn het bevel uitvoerbaar te
verklaren en dus niet langer over enige beoordelingsbevoegdheid zou verklaren en dus niet langer over enige beoordelingsbevoegdheid zou
beschikken om alsnog de strafvordering op gang te brengen. Een beschikken om alsnog de strafvordering op gang te brengen. Een
dergelijke interpretatie zou niet verzoenbaar zijn met artikel 65/1, § dergelijke interpretatie zou niet verzoenbaar zijn met artikel 65/1, §
1, vijfde lid, van de Wegverkeerswet, waaruit volgt dat enkel de 1, vijfde lid, van de Wegverkeerswet, waaruit volgt dat enkel de
betaling binnen een termijn van dertig dagen de strafvordering doet betaling binnen een termijn van dertig dagen de strafvordering doet
vervallen. De beslissing om het bevel tot betalen uitvoerbaar te vervallen. De beslissing om het bevel tot betalen uitvoerbaar te
verklaren dan wel de overtreder te dagvaarden, komt derhalve toe aan verklaren dan wel de overtreder te dagvaarden, komt derhalve toe aan
het openbaar ministerie, dat binnen het kader van zijn beleid inzake het openbaar ministerie, dat binnen het kader van zijn beleid inzake
de opsporing en de vervolging op discretionaire wijze oordeelt over de de opsporing en de vervolging op discretionaire wijze oordeelt over de
opportuniteit van de vervolging (zie artikel 151, § 1, van de Grondwet opportuniteit van de vervolging (zie artikel 151, § 1, van de Grondwet
en artikel 28quater, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering). en artikel 28quater, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering).
B.9.4. De overtreder die, zonder beroep in te stellen, nalaat binnen B.9.4. De overtreder die, zonder beroep in te stellen, nalaat binnen
de termijn van dertig dagen vanaf de ontvangst gevolg te geven aan het de termijn van dertig dagen vanaf de ontvangst gevolg te geven aan het
bevel tot betalen, legt zijn vijfde opeenvolgende aanmaning tot bevel tot betalen, legt zijn vijfde opeenvolgende aanmaning tot
betaling naast zich neer. Door erin te voorzien dat de betaling binnen betaling naast zich neer. Door erin te voorzien dat de betaling binnen
een termijn van dertig dagen de strafvordering doet vervallen, geeft een termijn van dertig dagen de strafvordering doet vervallen, geeft
artikel 65/1, § 1, vijfde lid, van de Wegverkeerswet duidelijk het artikel 65/1, § 1, vijfde lid, van de Wegverkeerswet duidelijk het
ogenblik aan waarop de strafvordering vervalt. De overtreder weet of ogenblik aan waarop de strafvordering vervalt. De overtreder weet of
behoort aldus te weten dat een gebrek aan betaling als gevolg kan behoort aldus te weten dat een gebrek aan betaling als gevolg kan
hebben dat het openbaar ministerie, zolang de strafvordering niet is hebben dat het openbaar ministerie, zolang de strafvordering niet is
verjaard, overgaat tot dagvaarding. Wanneer het openbaar ministerie, verjaard, overgaat tot dagvaarding. Wanneer het openbaar ministerie,
in plaats van het bevel tot betalen uitvoerbaar te verklaren, de zaak in plaats van het bevel tot betalen uitvoerbaar te verklaren, de zaak
aanhangig maakt bij de strafrechter, kiest het ervoor de aanhangig maakt bij de strafrechter, kiest het ervoor de
strafvordering op gang te brengen, opdat de rechter de overtredingen strafvordering op gang te brengen, opdat de rechter de overtredingen
die ten grondslag liggen aan het bevel tot betalen ten gronde die ten grondslag liggen aan het bevel tot betalen ten gronde
beoordeelt en, indien deze bewezen worden verklaard, toepassing maakt beoordeelt en, indien deze bewezen worden verklaard, toepassing maakt
van de strafwet. Die keuze van het openbaar ministerie impliceert van de strafwet. Die keuze van het openbaar ministerie impliceert
noodzakelijkerwijze ook de stilzwijgende beslissing om de zaak niet noodzakelijkerwijze ook de stilzwijgende beslissing om de zaak niet
langer buitengerechtelijk af te handelen en het bevel tot betalen niet langer buitengerechtelijk af te handelen en het bevel tot betalen niet
uitvoerbaar te verklaren. uitvoerbaar te verklaren.
B.9.5. Zodra het bevel tot betalen uitvoerbaar is verklaard B.9.5. Zodra het bevel tot betalen uitvoerbaar is verklaard
overeenkomstig artikel 65/1, § 3, van de Wegverkeerswet, voorziet die overeenkomstig artikel 65/1, § 3, van de Wegverkeerswet, voorziet die
bepaling evenwel niet in een mogelijkheid voor het openbaar ministerie bepaling evenwel niet in een mogelijkheid voor het openbaar ministerie
om daar nog op terug te komen. Vanaf de uitvoerbaarverklaring is er om daar nog op terug te komen. Vanaf de uitvoerbaarverklaring is er
bijgevolg sprake van een definitieve veroordeling in de zin van het bijgevolg sprake van een definitieve veroordeling in de zin van het
beginsel non bis in idem. Dat beginsel verzet zich ertegen dat in een beginsel non bis in idem. Dat beginsel verzet zich ertegen dat in een
dergelijke situatie voor in wezen dezelfde feiten de strafvordering dergelijke situatie voor in wezen dezelfde feiten de strafvordering
alsnog op gang wordt gebracht door middel van een dagvaarding. alsnog op gang wordt gebracht door middel van een dagvaarding.
B.10.1. Uit het bovenstaande volgt dat artikel 65/1 van de B.10.1. Uit het bovenstaande volgt dat artikel 65/1 van de
Wegverkeerswet niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Wegverkeerswet niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14, lid 7, van het Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 14, lid 7, van het
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met
artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de artikel 4 van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de
rechten van de mens en met het algemeen rechtsbeginsel non bis in rechten van de mens en met het algemeen rechtsbeginsel non bis in
idem, maar uitsluitend in zoverre die bepaling niet erin voorziet dat idem, maar uitsluitend in zoverre die bepaling niet erin voorziet dat
de uitvoerbaarverklaring van het bevel tot betalen door het openbaar de uitvoerbaarverklaring van het bevel tot betalen door het openbaar
ministerie de strafvordering doet vervallen. ministerie de strafvordering doet vervallen.
B.10.2. De aldus door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid is B.10.2. De aldus door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid is
uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen die uitgedrukt in voldoende precieze en volledige bewoordingen die
toelaten artikel 65/1 van de Wegverkeerswet toe te passen met toelaten artikel 65/1 van de Wegverkeerswet toe te passen met
inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn
toetsingsbevoegdheid uitoefent. Bijgevolg komt het, in afwachting van toetsingsbevoegdheid uitoefent. Bijgevolg komt het, in afwachting van
het optreden van de wetgever, het verwijzende rechtscollege toe een het optreden van de wetgever, het verwijzende rechtscollege toe een
einde te maken aan de schending van die normen, door na te gaan of het einde te maken aan de schending van die normen, door na te gaan of het
openbaar ministerie, voordat het de overtreder heeft gedagvaard, het openbaar ministerie, voordat het de overtreder heeft gedagvaard, het
bevel tot betalen reeds uitvoerbaar had verklaard. In dat geval dient bevel tot betalen reeds uitvoerbaar had verklaard. In dat geval dient
het verwijzende rechtscollege de vordering van het openbaar ministerie het verwijzende rechtscollege de vordering van het openbaar ministerie
onontvankelijk te verklaren. onontvankelijk te verklaren.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
Artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie Artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 « betreffende de politie
over het wegverkeer » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, over het wegverkeer » schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,
in samenhang gelezen met artikel 14, lid 7, van het Internationaal in samenhang gelezen met artikel 14, lid 7, van het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 4 van Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 4 van
het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de
mens en met het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, in zoverre mens en met het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem, in zoverre
die bepaling niet erin voorziet dat de uitvoerbaarverklaring van het die bepaling niet erin voorziet dat de uitvoerbaarverklaring van het
bevel tot betalen door het openbaar ministerie de strafvordering doet bevel tot betalen door het openbaar ministerie de strafvordering doet
vervallen. vervallen.
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel
65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof,
op 23 november 2023. op 23 november 2023.
De griffier, De voorzitter, De griffier, De voorzitter,
N. Dupont L. Lavrysen N. Dupont L. Lavrysen
^
Etaamb.be maakt gebruik van cookies
Etaamb.be gebruikt cookies om uw taalvoorkeur te onthouden en om beter te begrijpen hoe etaamb.be gebruikt wordt.
DoorgaanMeer details
x