Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 93/2023 van 15 juni 2023 Rolnummer 7803 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel I.1, 1°, van het Wetboek van economisch recht, gelezen in samenhang met artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld d Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 93/2023 van 15 juni 2023 Rolnummer 7803 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel I.1, 1°, van het Wetboek van economisch recht, gelezen in samenhang met artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld d Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters(...) Uittreksel uit arrest nr. 93/2023 van 15 juni 2023 Rolnummer 7803 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel I.1, 1°, van het Wetboek van economisch recht, gelezen in samenhang met artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld d Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 93/2023 van 15 juni 2023 Uittreksel uit arrest nr. 93/2023 van 15 juni 2023
Rolnummer 7803 Rolnummer 7803
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel I.1, 1°, van het In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel I.1, 1°, van het
Wetboek van economisch recht, gelezen in samenhang met artikel 573 van Wetboek van economisch recht, gelezen in samenhang met artikel 573 van
het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank
van eerste aanleg te Brussel. van eerste aanleg te Brussel.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de
rechters T. Giet, M. Pâques, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, rechters T. Giet, M. Pâques, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune,
bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van
voorzitter L. Lavrysen, voorzitter L. Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 6 mei 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Bij vonnis van 6 mei 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het
Hof is ingekomen op 17 mei 2022, heeft de Nederlandstalige Rechtbank Hof is ingekomen op 17 mei 2022, heeft de Nederlandstalige Rechtbank
van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel I.1, 1° van het Wetboek van economisch recht, « Schendt artikel I.1, 1° van het Wetboek van economisch recht,
gelezen in samenhang met artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek, de gelezen in samenhang met artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek, de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij de verenigingen van artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij de verenigingen van
mede-eigenaars op dezelfde wijze behandelt als de andere mede-eigenaars op dezelfde wijze behandelt als de andere
rechtspersonen, waardoor er een verschil van behandeling ontstaat rechtspersonen, waardoor er een verschil van behandeling ontstaat
tussen de rechtssubjecten die instaan voor het beheer en het behoud tussen de rechtssubjecten die instaan voor het beheer en het behoud
van een gebouw naargelang zij een natuurlijke persoon (die deze taken van een gebouw naargelang zij een natuurlijke persoon (die deze taken
niet beroepsmatig uitoefent) dan wel een vereniging van mede-eigenaars niet beroepsmatig uitoefent) dan wel een vereniging van mede-eigenaars
zijn ? ». zijn ? ».
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
B.1. De prejudiciële vraag betreft artikel I.1, 1°, van het Wetboek B.1. De prejudiciële vraag betreft artikel I.1, 1°, van het Wetboek
van economisch recht, in samenhang gelezen met artikel 573 van het van economisch recht, in samenhang gelezen met artikel 573 van het
Gerechtelijk Wetboek. Gerechtelijk Wetboek.
B.2.1. Artikel I.1, 1°, van het Wetboek van economisch recht bepaalt : B.2.1. Artikel I.1, 1°, van het Wetboek van economisch recht bepaalt :
« Behoudens andersluidende bepaling wordt voor de toepassing van dit « Behoudens andersluidende bepaling wordt voor de toepassing van dit
Wetboek verstaan onder : Wetboek verstaan onder :
1° onderneming : elk van volgende organisaties : 1° onderneming : elk van volgende organisaties :
(a) iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit (a) iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit
uitoefent; uitoefent;
(b) iedere rechtspersoon; (b) iedere rechtspersoon;
(c) iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. (c) iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid.
Niettegenstaande het voorgaande zijn geen ondernemingen, behoudens Niettegenstaande het voorgaande zijn geen ondernemingen, behoudens
voor zover anders bepaald in de hierna volgende boeken of andere voor zover anders bepaald in de hierna volgende boeken of andere
wettelijke bepalingen die in dergelijke toepassing voorzien : wettelijke bepalingen die in dergelijke toepassing voorzien :
(a) iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die geen (a) iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid die geen
uitkeringsoogmerk heeft en die ook in feite geen uitkeringen verricht uitkeringsoogmerk heeft en die ook in feite geen uitkeringen verricht
aan haar leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen aan haar leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen
op het beleid van de organisatie; op het beleid van de organisatie;
(b) iedere publiekrechtelijke rechtspersoon die geen goederen of (b) iedere publiekrechtelijke rechtspersoon die geen goederen of
diensten aanbiedt op een markt; diensten aanbiedt op een markt;
(c) de Federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, (c) de Federale Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies,
de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse Agglomeratie, de de hulpverleningszones, de prezones, de Brusselse Agglomeratie, de
gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale
organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse
Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en Gemeenschapscommissie, de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en
de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ». de openbare centra voor maatschappelijk welzijn ».
B.2.2. Het begrip « onderneming », zoals gedefinieerd in artikel I.1, B.2.2. Het begrip « onderneming », zoals gedefinieerd in artikel I.1,
1°, van het Wetboek van economisch recht, werd hervormd bij de wet van 1°, van het Wetboek van economisch recht, werd hervormd bij de wet van
15 april 2018 « houdende hervorming van het ondernemingsrecht » 15 april 2018 « houdende hervorming van het ondernemingsrecht »
(hierna : de wet van 15 april 2018). (hierna : de wet van 15 april 2018).
Bij die nieuwe hervorming beoogde de wetgever aan het Bij die nieuwe hervorming beoogde de wetgever aan het
ondernemingsbegrip een ruimere invulling te geven (Parl. St., Kamer, ondernemingsbegrip een ruimere invulling te geven (Parl. St., Kamer,
2017-2018, DOC 54-2828/001, p. 6) door het « op een coherentere wijze 2017-2018, DOC 54-2828/001, p. 6) door het « op een coherentere wijze
te omschrijven en een einde te maken aan problemen die verband houden te omschrijven en een einde te maken aan problemen die verband houden
met het bestaande ondernemingsbegrip. Daartoe zal de nieuwe algemene met het bestaande ondernemingsbegrip. Daartoe zal de nieuwe algemene
definitie gebruik maken van formele criteria in de plaats van het definitie gebruik maken van formele criteria in de plaats van het
huidige materiële criterium (nl. de uitoefening van een economische huidige materiële criterium (nl. de uitoefening van een economische
activiteit) » (ibid., p. 3) met als gevolg dat er zowel economische activiteit) » (ibid., p. 3) met als gevolg dat er zowel economische
als niet-economische ondernemingen zijn (ibid., p. 6). als niet-economische ondernemingen zijn (ibid., p. 6).
De nadere invulling van het ondernemingsbegrip wordt in de De nadere invulling van het ondernemingsbegrip wordt in de
parlementaire voorbereiding toegelicht als volgt : parlementaire voorbereiding toegelicht als volgt :
« De nieuwe algemene ondernemingsdefinitie omvat vooreerst iedere « De nieuwe algemene ondernemingsdefinitie omvat vooreerst iedere
natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent. natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent.
De keuze voor de begrippen ` zelfstandig ' en ` beroepsactiviteit ' De keuze voor de begrippen ` zelfstandig ' en ` beroepsactiviteit '
hebben tot gevolg dat vroegere discussies met betrekking tot ` een hebben tot gevolg dat vroegere discussies met betrekking tot ` een
duurzame economische activiteit ' worden geëlimineerd. Immers, het duurzame economische activiteit ' worden geëlimineerd. Immers, het
begrip ` zelfstandig ' is de tegenpool van ` in dienstverband ' (het begrip ` zelfstandig ' is de tegenpool van ` in dienstverband ' (het
onderscheid tussen een zelfstandige en een werknemer), terwijl ` onderscheid tussen een zelfstandige en een werknemer), terwijl `
duurzaamheid ' inherent is aan een ` beroepsactiviteit '. Bij wijze duurzaamheid ' inherent is aan een ` beroepsactiviteit '. Bij wijze
van voorbeeld kan hier worden gedacht aan natuurlijke personen die van voorbeeld kan hier worden gedacht aan natuurlijke personen die
handelaars, ambachtsmannen, vrij beroepers of bestuurders van handelaars, ambachtsmannen, vrij beroepers of bestuurders van
vennootschappen zijn. Ook duurzame activiteiten in het kader van de vennootschappen zijn. Ook duurzame activiteiten in het kader van de
deeleconomie worden door de definitie gevat in de mate dat ze een deeleconomie worden door de definitie gevat in de mate dat ze een
beroepsactiviteit uitmaken. In de mate een activiteit in de beroepsactiviteit uitmaken. In de mate een activiteit in de
deeleconomie bestaat uit een netwerk dat vraag en aanbod bij elkaar deeleconomie bestaat uit een netwerk dat vraag en aanbod bij elkaar
brengt om onderbenutte goederen en diensten te ontsluiten en dat brengt om onderbenutte goederen en diensten te ontsluiten en dat
hieruit geen inkomen uit wordt nagestreefd, zal er geen sprake zijn hieruit geen inkomen uit wordt nagestreefd, zal er geen sprake zijn
van een beroepsactiviteit, en dus ook niet van een onderneming. van een beroepsactiviteit, en dus ook niet van een onderneming.
[...] [...]
Anderzijds is het belangrijk te onderstrepen dat niet elke activiteit Anderzijds is het belangrijk te onderstrepen dat niet elke activiteit
van een natuurlijke persoon onder het ondernemingsbegrip moet vallen. van een natuurlijke persoon onder het ondernemingsbegrip moet vallen.
Zo kan een activiteit die louter kadert in het normale beheer van het Zo kan een activiteit die louter kadert in het normale beheer van het
persoonlijk vermogen van een natuurlijke persoon niet onder het persoonlijk vermogen van een natuurlijke persoon niet onder het
ondernemingsbegrip vallen. In die zin wordt de loutere inschrijving ondernemingsbegrip vallen. In die zin wordt de loutere inschrijving
op, verwerving van of aanhouden van aandelen, effecten of deelbewijzen op, verwerving van of aanhouden van aandelen, effecten of deelbewijzen
in een vennootschap met rechtspersoonlijkheid door een natuurlijke in een vennootschap met rechtspersoonlijkheid door een natuurlijke
persoon vermoed te kaderen in het normale beheer van zijn persoonlijk persoon vermoed te kaderen in het normale beheer van zijn persoonlijk
vermogen. vermogen.
De nieuwe ondernemingsdefinitie omvat vervolgens iedere rechtspersoon, De nieuwe ondernemingsdefinitie omvat vervolgens iedere rechtspersoon,
met uitzondering van publiekrechtelijke rechtspersonen die geen met uitzondering van publiekrechtelijke rechtspersonen die geen
goederen of diensten aanbieden op een markt. goederen of diensten aanbieden op een markt.
Voor privaatrechtelijke rechtspersonen is aldus de statutaire of Voor privaatrechtelijke rechtspersonen is aldus de statutaire of
feitelijke activiteit niet relevant voor de kwalificatie als feitelijke activiteit niet relevant voor de kwalificatie als
onderneming. onderneming.
Dat vennootschappen met rechtspersoonlijkheid (bv. NV, BVBA, V.O.F) in Dat vennootschappen met rechtspersoonlijkheid (bv. NV, BVBA, V.O.F) in
de regel ondernemingen zijn, behoeft geen verdere uitleg. Dit is geen de regel ondernemingen zijn, behoeft geen verdere uitleg. Dit is geen
wijziging ten opzichte van het bestaande recht. wijziging ten opzichte van het bestaande recht.
Wel nieuw is dat andere privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals Wel nieuw is dat andere privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals
verenigingen en stichtingen, eveneens als onderneming moeten worden verenigingen en stichtingen, eveneens als onderneming moeten worden
gekwalificeerd, ook indien ze geen economisch doel nastreven. Dit is gekwalificeerd, ook indien ze geen economisch doel nastreven. Dit is
verantwoord omdat deze organisaties, ongeacht hun activiteiten, wegens verantwoord omdat deze organisaties, ongeacht hun activiteiten, wegens
hun vorm met rechtspersoonlijkheid een structuur vormen met soms hun vorm met rechtspersoonlijkheid een structuur vormen met soms
verregaande gevolgen voor derden (bv. afgescheiden vermogen, verregaande gevolgen voor derden (bv. afgescheiden vermogen,
niet-aansprakelijkheid van leden of ` capital lock-in '). De vorm en niet-aansprakelijkheid van leden of ` capital lock-in '). De vorm en
de derdenwerkende gevolgen daarvan verantwoorden de toepassing van de derdenwerkende gevolgen daarvan verantwoorden de toepassing van
regels zoals het insolventierecht of publiciteit. Deze regels regels zoals het insolventierecht of publiciteit. Deze regels
veronderstellen en induceren een zekere vorm van professionalisering veronderstellen en induceren een zekere vorm van professionalisering
en zijn erop gericht om derden (zoals schuldeisers, werknemers of het en zijn erop gericht om derden (zoals schuldeisers, werknemers of het
publiek) te informeren en te beschermen. publiek) te informeren en te beschermen.
Voor publiekrechtelijke rechtspersonen is het uitgangspunt dat ze niet Voor publiekrechtelijke rechtspersonen is het uitgangspunt dat ze niet
als een onderneming worden gekwalificeerd. Dit is verantwoord door de als een onderneming worden gekwalificeerd. Dit is verantwoord door de
waarborgen die het publiekrecht biedt met betrekking tot deze waarborgen die het publiekrecht biedt met betrekking tot deze
rechtspersonen. Bovendien zou de toepassing van regels zoals het rechtspersonen. Bovendien zou de toepassing van regels zoals het
insolventierecht de werking van de overheid onevenredig kunnen insolventierecht de werking van de overheid onevenredig kunnen
verstoren. verstoren.
Van dit uitgangspunt wordt afgeweken voor publiekrechtelijke Van dit uitgangspunt wordt afgeweken voor publiekrechtelijke
rechtspersonen die goederen of diensten aanbieden op een markt. Omdat rechtspersonen die goederen of diensten aanbieden op een markt. Omdat
ze deelnemen aan het economische leven en in concurrentie treden met ze deelnemen aan het economische leven en in concurrentie treden met
privaatrechtelijke actoren, is het verantwoord dat ze principieel aan privaatrechtelijke actoren, is het verantwoord dat ze principieel aan
dezelfde regels als privaatrechtelijke ondernemingen worden dezelfde regels als privaatrechtelijke ondernemingen worden
onderworpen. onderworpen.
Deze uitzondering voor rechtspersonen van publiek recht die goederen Deze uitzondering voor rechtspersonen van publiek recht die goederen
of diensten aanbieden op de markt moet samen worden gelezen met de of diensten aanbieden op de markt moet samen worden gelezen met de
laatste alinea van het tweede lid van de definitie waarbij de Federale laatste alinea van het tweede lid van de definitie waarbij de Federale
Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de Staat, de gewesten, de gemeenschappen, de provincies, de
hulpverleningszones en de prezones, de Brusselse agglomeratie, de hulpverleningszones en de prezones, de Brusselse agglomeratie, de
gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale gemeenten, de meergemeentezones, de binnengemeentelijke territoriale
organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse organen, de Franse Gemeenschapscommissie, de Vlaamse
Gemeenschapscommissie, de gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en Gemeenschapscommissie, de gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en
de openbare centra voor maatschappelijk welzijn niet als een de openbare centra voor maatschappelijk welzijn niet als een
onderneming worden gekwalificeerd. onderneming worden gekwalificeerd.
Deze regel is ingegeven door de idee dat deze rechtspersonen door de Deze regel is ingegeven door de idee dat deze rechtspersonen door de
regels van het publiek recht worden beheerst waardoor het verantwoord regels van het publiek recht worden beheerst waardoor het verantwoord
is ze conform artikel 5 van het Strafwetboek te behandelen. is ze conform artikel 5 van het Strafwetboek te behandelen.
De nieuwe ondernemingsdefinitie omvat ten slotte ook iedere andere De nieuwe ondernemingsdefinitie omvat ten slotte ook iedere andere
organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. Daarbij wordt in de eerste organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. Daarbij wordt in de eerste
plaats gedacht aan de maatschap of andere vennootschappen zonder plaats gedacht aan de maatschap of andere vennootschappen zonder
rechtspersoonlijkheid [...]. Het ` for profit ' karakter van deze rechtspersoonlijkheid [...]. Het ` for profit ' karakter van deze
vormen verantwoordt dat door de toepassing van regels van het vormen verantwoordt dat door de toepassing van regels van het
ondernemingsrecht een professionalisering wordt opgelegd die derden ondernemingsrecht een professionalisering wordt opgelegd die derden
beschermt. beschermt.
[...] [...]
Net als in het bestaande recht en artikel 5 van het Strafwetboek omvat Net als in het bestaande recht en artikel 5 van het Strafwetboek omvat
de definitie van onderneming niet de verenigingen zonder de definitie van onderneming niet de verenigingen zonder
rechtspersoonlijkheid (zgn. ` feitelijke vereniging '). Deze rechtspersoonlijkheid (zgn. ` feitelijke vereniging '). Deze
organisaties missen zowel de rechtspersoonlijkheid als de aanwezigheid organisaties missen zowel de rechtspersoonlijkheid als de aanwezigheid
van uitkeringen of een uitkeringsoogmerk die determinerend zijn om een van uitkeringen of een uitkeringsoogmerk die determinerend zijn om een
organisatie aan de algemene ondernemingsdefinitie te onderwerpen. organisatie aan de algemene ondernemingsdefinitie te onderwerpen.
[...] [...]
Het belangrijkste kenmerk dat een vereniging zonder Het belangrijkste kenmerk dat een vereniging zonder
rechtspersoonlijkheid onderscheidt van een maatschap bestaat erin dat rechtspersoonlijkheid onderscheidt van een maatschap bestaat erin dat
zij haar eventuele winst niet mag uitkeren. Een vereniging mag dus zij haar eventuele winst niet mag uitkeren. Een vereniging mag dus
winst nastreven om haar voorwerp te verwezenlijken en zonder subsidies winst nastreven om haar voorwerp te verwezenlijken en zonder subsidies
of nieuwe financiële injecties vanwege leden te overleven. of nieuwe financiële injecties vanwege leden te overleven.
Een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die haar winst uitkeert Een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die haar winst uitkeert
zal wel als een onderneming [worden] beschouwd » (Parl. St., Kamer, zal wel als een onderneming [worden] beschouwd » (Parl. St., Kamer,
2017-2018, DOC 54-2828/001, pp. 10-13). 2017-2018, DOC 54-2828/001, pp. 10-13).
B.2.3. Artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : B.2.3. Artikel 573 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :
« De ondernemingsrechtbank neemt in eerste aanleg kennis van de « De ondernemingsrechtbank neemt in eerste aanleg kennis van de
geschillen tussen ondernemingen als bedoeld in artikel I.1, 1°, van geschillen tussen ondernemingen als bedoeld in artikel I.1, 1°, van
het Wetboek van economisch recht, die niet vallen onder de bijzondere het Wetboek van economisch recht, die niet vallen onder de bijzondere
bevoegdheid van andere rechtscolleges en die, wat betreft natuurlijke bevoegdheid van andere rechtscolleges en die, wat betreft natuurlijke
personen, betrekking hebben op een handeling die niet kennelijk vreemd personen, betrekking hebben op een handeling die niet kennelijk vreemd
is aan de onderneming. is aan de onderneming.
De vordering gericht tegen een onderneming kan onder de in het eerste De vordering gericht tegen een onderneming kan onder de in het eerste
lid bepaalde voorwaarden eveneens voor de ondernemingsrechtbank worden lid bepaalde voorwaarden eveneens voor de ondernemingsrechtbank worden
gebracht, zelfs indien de eiser geen onderneming is. Elk beding tot gebracht, zelfs indien de eiser geen onderneming is. Elk beding tot
aanwijzing van een bevoegde rechter dat is gemaakt voor het ontstaan aanwijzing van een bevoegde rechter dat is gemaakt voor het ontstaan
van het geschil is, in dat opzicht, nietig ». van het geschil is, in dat opzicht, nietig ».
B.2.4. In het verlengde van de in B.2.2 vermelde hervorming beoogde de B.2.4. In het verlengde van de in B.2.2 vermelde hervorming beoogde de
wetgever de nieuwe systematiek van het Wetboek van economisch recht wetgever de nieuwe systematiek van het Wetboek van economisch recht
naar het Gerechtelijk Wetboek door te trekken teneinde de bevoegdheid naar het Gerechtelijk Wetboek door te trekken teneinde de bevoegdheid
van de ondernemingsrechtbank te bepalen (Parl. St., Kamer, 2017-2018, van de ondernemingsrechtbank te bepalen (Parl. St., Kamer, 2017-2018,
DOC 54-2828/001, p. 47). DOC 54-2828/001, p. 47).
B.3.1. Voor het verwijzende rechtscollege is door een vereniging van B.3.1. Voor het verwijzende rechtscollege is door een vereniging van
mede-eigenaars een vordering ingesteld met betrekking tot een geschil mede-eigenaars een vordering ingesteld met betrekking tot een geschil
over de tienjarige aansprakelijkheid van een aannemer en een over de tienjarige aansprakelijkheid van een aannemer en een
architect, die de rechtsvorm van een vennootschap hebben aangenomen, architect, die de rechtsvorm van een vennootschap hebben aangenomen,
voor de ontstane waterschade in de gemeenschappelijke delen van een voor de ontstane waterschade in de gemeenschappelijke delen van een
appartementsgebouw. appartementsgebouw.
B.3.2. Een vereniging van mede-eigenaars beschikt overeenkomstig B.3.2. Een vereniging van mede-eigenaars beschikt overeenkomstig
artikel 3.86, § 1, van het Burgerlijk Wetboek in beginsel over artikel 3.86, § 1, van het Burgerlijk Wetboek in beginsel over
rechtspersoonlijkheid, die steeds door derden tegen de vereniging kan rechtspersoonlijkheid, die steeds door derden tegen de vereniging kan
worden aangevoerd (artikel 3.86, § 2, van hetzelfde Wetboek). De in worden aangevoerd (artikel 3.86, § 2, van hetzelfde Wetboek). De in
B.3.1 vermelde vordering betreft aldus een geschil tussen B.3.1 vermelde vordering betreft aldus een geschil tussen
rechtspersonen. Overeenkomstig artikel I.1, 1°, van het Wetboek van rechtspersonen. Overeenkomstig artikel I.1, 1°, van het Wetboek van
economisch recht zijn rechtspersonen in beginsel ondernemingen zodat economisch recht zijn rechtspersonen in beginsel ondernemingen zodat
het in B.3.1 vermelde geschil ook een geschil tussen « ondernemingen » het in B.3.1 vermelde geschil ook een geschil tussen « ondernemingen »
betreft. betreft.
B.3.3. Artikel 568, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wijst B.3.3. Artikel 568, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wijst
aan de rechtbank van eerste aanleg de algemene, residuaire bevoegdheid aan de rechtbank van eerste aanleg de algemene, residuaire bevoegdheid
toe om kennis te nemen van alle vorderingen, behalve die welke toe om kennis te nemen van alle vorderingen, behalve die welke
rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen, of rechtstreeks voor het hof van beroep en het Hof van Cassatie komen, of
die welke aan andere rechtscolleges zijn toegewezen. De die welke aan andere rechtscolleges zijn toegewezen. De
ondernemingsrechtbank is daarentegen op grond van artikel 573, eerste ondernemingsrechtbank is daarentegen op grond van artikel 573, eerste
lid, van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd om kennis te nemen van de lid, van het Gerechtelijk Wetboek bevoegd om kennis te nemen van de
geschillen tussen ondernemingen, bedoeld in artikel I.1, 1°, van het geschillen tussen ondernemingen, bedoeld in artikel I.1, 1°, van het
Wetboek van economisch recht, voor zover die geschillen niet vallen Wetboek van economisch recht, voor zover die geschillen niet vallen
onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges. onder de bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges.
B.3.4. Voor het verwijzende rechtscollege is evenwel discussie gerezen B.3.4. Voor het verwijzende rechtscollege is evenwel discussie gerezen
over de materiële bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg om over de materiële bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg om
krachtens artikel 568, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, krachtens artikel 568, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek,
alsook over de materiële bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank om alsook over de materiële bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank om
krachtens artikel 573, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, kennis te krachtens artikel 573, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, kennis te
nemen van de in B.3.1 vermelde vordering. Die discussie wordt door het nemen van de in B.3.1 vermelde vordering. Die discussie wordt door het
verwijzende rechtscollege toegespitst op de invulling van het begrip « verwijzende rechtscollege toegespitst op de invulling van het begrip «
onderneming », dat het aanknopingspunt vormt voor de toewijzing van onderneming », dat het aanknopingspunt vormt voor de toewijzing van
geschillen aan de ondernemingsrechtbank en dus de onttrekking ervan geschillen aan de ondernemingsrechtbank en dus de onttrekking ervan
aan de rechtbank van eerste aanleg. aan de rechtbank van eerste aanleg.
Het stelt vast dat op basis van de omschrijving van het begrip « Het stelt vast dat op basis van de omschrijving van het begrip «
onderneming » in de zin van artikel I.1, 1°, van het Wetboek van onderneming » in de zin van artikel I.1, 1°, van het Wetboek van
economisch recht de vereniging van mede-eigenaars, evenals andere economisch recht de vereniging van mede-eigenaars, evenals andere
rechtspersonen, als een « onderneming » dient te worden rechtspersonen, als een « onderneming » dient te worden
gekwalificeerd. Het vraagt zich af of artikel I.1, 1°, van het Wetboek gekwalificeerd. Het vraagt zich af of artikel I.1, 1°, van het Wetboek
van economisch recht niet zonder redelijke verantwoording de van economisch recht niet zonder redelijke verantwoording de
vereniging van mede-eigenaars ten aanzien van andere rechtspersonen vereniging van mede-eigenaars ten aanzien van andere rechtspersonen
identiek behandelt door die vereniging als rechtspersoon niet uit te identiek behandelt door die vereniging als rechtspersoon niet uit te
sluiten van het begrip « onderneming ». Dit zou een bijkomend sluiten van het begrip « onderneming ». Dit zou een bijkomend
ongerechtvaardigd verschil in behandeling met zich meebrengen doordat ongerechtvaardigd verschil in behandeling met zich meebrengen doordat
geschillen met ondernemingen tot de bevoegdheid van onderscheiden geschillen met ondernemingen tot de bevoegdheid van onderscheiden
rechtscolleges behoren naar gelang van de aard van de persoon die de rechtscolleges behoren naar gelang van de aard van de persoon die de
vordering instelt tegen een « onderneming ». vordering instelt tegen een « onderneming ».
B.4. Het verwijzende rechtscollege wenst met zijn prejudiciële vraag B.4. Het verwijzende rechtscollege wenst met zijn prejudiciële vraag
bijgevolg in wezen te vernemen of artikel 573, eerste lid, van het bijgevolg in wezen te vernemen of artikel 573, eerste lid, van het
Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel I.1, 1°, van Gerechtelijk Wetboek, in samenhang gelezen met artikel I.1, 1°, van
het Wetboek van economisch recht, bestaanbaar is met de artikelen 10 het Wetboek van economisch recht, bestaanbaar is met de artikelen 10
en 11 van de Grondwet in zoverre het de bevoegdheid om kennis te nemen en 11 van de Grondwet in zoverre het de bevoegdheid om kennis te nemen
van geschillen tussen een vereniging van mede-eigenaars en van geschillen tussen een vereniging van mede-eigenaars en
ondernemingen in de zin van voormelde bepaling van het Wetboek van ondernemingen in de zin van voormelde bepaling van het Wetboek van
economisch recht toewijst aan de ondernemingsrechtbank (artikel 573, economisch recht toewijst aan de ondernemingsrechtbank (artikel 573,
eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek), terwijl identieke eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek), terwijl identieke
geschillen tussen een natuurlijke persoon die niet valt onder het geschillen tussen een natuurlijke persoon die niet valt onder het
ondernemingsbegrip en diezelfde ondernemingen vallen onder de ondernemingsbegrip en diezelfde ondernemingen vallen onder de
residuaire bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg (artikel residuaire bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg (artikel
568, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek). 568, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek).
B.5.1. Volgens de Ministerraad is de prejudiciële vraag evenwel niet B.5.1. Volgens de Ministerraad is de prejudiciële vraag evenwel niet
ontvankelijk omdat ze niet nuttig is voor het oplossen van het ontvankelijk omdat ze niet nuttig is voor het oplossen van het
geschil. geschil.
B.5.2. In de regel komt het aan het verwijzende rechtscollege toe te B.5.2. In de regel komt het aan het verwijzende rechtscollege toe te
oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is om het oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is om het
geschil op te lossen. Alleen indien dit klaarblijkelijk niet het geval geschil op te lossen. Alleen indien dit klaarblijkelijk niet het geval
is, kan het Hof beslissen dat zij geen antwoord behoeft. is, kan het Hof beslissen dat zij geen antwoord behoeft.
B.5.3. Volgens het verwijzende rechtscollege rijst, gelet op hetgeen B.5.3. Volgens het verwijzende rechtscollege rijst, gelet op hetgeen
in B.3 is vermeld, in het voorliggende bodemgeschil de vraag of, in in B.3 is vermeld, in het voorliggende bodemgeschil de vraag of, in
zoverre de rechtbank van eerste aanleg niet bevoegd is om op grond van zoverre de rechtbank van eerste aanleg niet bevoegd is om op grond van
artikel 568, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kennis te nemen artikel 568, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek kennis te nemen
van geschillen tussen, enerzijds, een vereniging van mede-eigenaars van geschillen tussen, enerzijds, een vereniging van mede-eigenaars
en, anderzijds, ondernemingen, er sprake is van een discriminatie. en, anderzijds, ondernemingen, er sprake is van een discriminatie.
Aangezien het antwoord op de prejudiciële vraag aldus bepalend is voor Aangezien het antwoord op de prejudiciële vraag aldus bepalend is voor
de bevoegdheid van het verwijzende rechtscollege om kennis te nemen de bevoegdheid van het verwijzende rechtscollege om kennis te nemen
van het voor dat rechtscollege hangende geschil, is dat antwoord van het voor dat rechtscollege hangende geschil, is dat antwoord
nuttig om het geschil op te lossen. nuttig om het geschil op te lossen.
De exceptie wordt verworpen. De exceptie wordt verworpen.
B.6. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van B.6. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van
personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende
procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen
discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het
verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die
procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de
daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.
B.7. Het recht op toegang tot de rechter omvat niet het recht op een B.7. Het recht op toegang tot de rechter omvat niet het recht op een
rechter naar keuze. rechter naar keuze.
Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om te Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever om te
beslissen welke rechter het meest geschikt is om een bepaald soort van beslissen welke rechter het meest geschikt is om een bepaald soort van
geschillen te beslechten. geschillen te beslechten.
B.8. De hervorming van het begrip « onderneming », bij de wet van 15 B.8. De hervorming van het begrip « onderneming », bij de wet van 15
april 2018, houdt in dat de uitoefening van een economische activiteit april 2018, houdt in dat de uitoefening van een economische activiteit
niet langer het criterium is dat het mogelijk maakt de onderneming te niet langer het criterium is dat het mogelijk maakt de onderneming te
definiëren, en dat er voortaan economische ondernemingen en definiëren, en dat er voortaan economische ondernemingen en
niet-economische ondernemingen bestaan. niet-economische ondernemingen bestaan.
Gelet op het in B.2.2 vermelde doel is de keuze van de wetgever die Gelet op het in B.2.2 vermelde doel is de keuze van de wetgever die
erin bestaat dat alle rechtspersonen, behoudens uitzondering, met erin bestaat dat alle rechtspersonen, behoudens uitzondering, met
inbegrip dus van de verenigingen van mede-eigenaars, voortaan onder inbegrip dus van de verenigingen van mede-eigenaars, voortaan onder
het begrip « onderneming » vallen, niet zonder redelijke het begrip « onderneming » vallen, niet zonder redelijke
verantwoording. verantwoording.
In die context vermocht de wetgever redelijkerwijs te oordelen dat de In die context vermocht de wetgever redelijkerwijs te oordelen dat de
verenigingen van mede-eigenaars meer gelijkenissen vertonen met de verenigingen van mede-eigenaars meer gelijkenissen vertonen met de
andere rechtspersonen, ongeacht of die al dan niet een economische andere rechtspersonen, ongeacht of die al dan niet een economische
activiteit verrichten, alsook met de natuurlijke personen die activiteit verrichten, alsook met de natuurlijke personen die
zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen, dan met natuurlijke zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefenen, dan met natuurlijke
personen die niet beroepsmatig instaan voor het beheer en het behoud personen die niet beroepsmatig instaan voor het beheer en het behoud
van een gebouw. van een gebouw.
De bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank om kennis te nemen van de De bevoegdheid van de ondernemingsrechtbank om kennis te nemen van de
geschillen tussen een vereniging van mede-eigenaars en een andere geschillen tussen een vereniging van mede-eigenaars en een andere
onderneming vloeit voort uit het feit dat het begrip « onderneming » onderneming vloeit voort uit het feit dat het begrip « onderneming »
het aanknopingspunt vormt voor de bevoegdheid van de het aanknopingspunt vormt voor de bevoegdheid van de
ondernemingsrechtbank. ondernemingsrechtbank.
De toewijzing, door de wetgever, van de bevoegdheid om kennis te nemen De toewijzing, door de wetgever, van de bevoegdheid om kennis te nemen
van de geschillen tegen een onderneming aan verschillende van de geschillen tegen een onderneming aan verschillende
rechtscolleges naar gelang van de aard van de persoon die de vordering rechtscolleges naar gelang van de aard van de persoon die de vordering
instelt, doet op zich niet op onevenredige wijze afbreuk aan de instelt, doet op zich niet op onevenredige wijze afbreuk aan de
rechten van de betrokken personen. Die kunnen hun rechten op rechten van de betrokken personen. Die kunnen hun rechten op
gelijkwaardige wijze doen gelden voor de ondernemingsrechtbank of de gelijkwaardige wijze doen gelden voor de ondernemingsrechtbank of de
rechtbank van eerste aanleg. In het bijzonder blijkt niet dat de rechtbank van eerste aanleg. In het bijzonder blijkt niet dat de
bewijsregeling ingevolge de kwalificatie van een vereniging van bewijsregeling ingevolge de kwalificatie van een vereniging van
mede-eigenaars als een « onderneming » en de procedurele context voor mede-eigenaars als een « onderneming » en de procedurele context voor
de ondernemingsrechtbank de betrokkenen benadelen. de ondernemingsrechtbank de betrokkenen benadelen.
B.9. Uit het voorgaande volgt dat de toewijzing aan de B.9. Uit het voorgaande volgt dat de toewijzing aan de
ondernemingsrechtbank van de geschillen tussen een vereniging van ondernemingsrechtbank van de geschillen tussen een vereniging van
mede-eigenaars en andere ondernemingen in de zin van artikel I.1, 1°, mede-eigenaars en andere ondernemingen in de zin van artikel I.1, 1°,
van het Wetboek van economisch recht, redelijk verantwoord is en geen van het Wetboek van economisch recht, redelijk verantwoord is en geen
afbreuk doet aan het recht van rechtzoekenden op toegang tot een afbreuk doet aan het recht van rechtzoekenden op toegang tot een
bevoegde rechter. bevoegde rechter.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
Artikel 573, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang Artikel 573, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, in samenhang
gelezen met artikel I.1, 1°, van het Wetboek van economisch recht, gelezen met artikel I.1, 1°, van het Wetboek van economisch recht,
schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans overeenkomstig artikel 65 Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans overeenkomstig artikel 65
van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op
15 juni 2023. 15 juni 2023.
De griffier, De voorzitter, De griffier, De voorzitter,
F. Meersschaut L. Lavrysen F. Meersschaut L. Lavrysen
^