Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 35/2023 van 2 maart 2023 Rolnummer 7817 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 63 van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut », gesteld door de Vrederechter va Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 35/2023 van 2 maart 2023 Rolnummer 7817 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 63 van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut », gesteld door de Vrederechter va Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters(...) Uittreksel uit arrest nr. 35/2023 van 2 maart 2023 Rolnummer 7817 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 63 van het Vlaamse decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut », gesteld door de Vrederechter va Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de rechters(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 35/2023 van 2 maart 2023 Uittreksel uit arrest nr. 35/2023 van 2 maart 2023
Rolnummer 7817 Rolnummer 7817
In zake : de prejudiciële vraag over artikel 63 van het Vlaamse In zake : de prejudiciële vraag over artikel 63 van het Vlaamse
decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het decreet van 24 februari 2017 « betreffende onteigening voor het
algemeen nut », gesteld door de Vrederechter van het kanton Deinze. algemeen nut », gesteld door de Vrederechter van het kanton Deinze.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en P. Nihoul, en de
rechters Y. Kherbache, T. Detienne, E. Bribosia, W. Verrijdt en K. rechters Y. Kherbache, T. Detienne, E. Bribosia, W. Verrijdt en K.
Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder Jadin, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder
voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 14 juni 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het Bij vonnis van 14 juni 2022, waarvan de expeditie ter griffie van het
Hof is ingekomen op 20 juni 2022, heeft de Vrederechter van het kanton Hof is ingekomen op 20 juni 2022, heeft de Vrederechter van het kanton
Deinze de volgende prejudiciële vraag gesteld : Deinze de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 63 van het Vlaams Onteigeningsdecreet (voorheen : « Schendt artikel 63 van het Vlaams Onteigeningsdecreet (voorheen :
art. 2.4.6. § 1 van de VCRO) de artikelen 10, 11 en 16 van de art. 2.4.6. § 1 van de VCRO) de artikelen 10, 11 en 16 van de
Grondwet, gelezen in samenhang met art. 1 van het Eerste Aanvullende Grondwet, gelezen in samenhang met art. 1 van het Eerste Aanvullende
Protocol bij het EVRM Protocol bij het EVRM
Doordat Doordat
De voormelde decretale bepaling voor de berekening van de De voormelde decretale bepaling voor de berekening van de
verschuldigde onteigeningsvergoeding voorziet in de onverkorte verschuldigde onteigeningsvergoeding voorziet in de onverkorte
toepassing van de planologische neutraliteit van zodra de bevoegde toepassing van de planologische neutraliteit van zodra de bevoegde
overheidsinstantie eigenhandig heeft beslist om over te gaan tot de overheidsinstantie eigenhandig heeft beslist om over te gaan tot de
onteigening ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, onteigening ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan,
plan van aanleg, voorkeurs- of projectbesluit plan van aanleg, voorkeurs- of projectbesluit
Terwijl Terwijl
De meer- of minwaarde van een onroerend goed niet (noodzakelijk pas) De meer- of minwaarde van een onroerend goed niet (noodzakelijk pas)
wordt gerealiseerd door de onteigening maar zich reeds voordoet/kan wordt gerealiseerd door de onteigening maar zich reeds voordoet/kan
voordoen ten gevolge van de inwerkingtreding van het betrokken plan voordoen ten gevolge van de inwerkingtreding van het betrokken plan
En terwijl En terwijl
De verschuldigde onteigeningsvergoeding daardoor aanzienlijk kan De verschuldigde onteigeningsvergoeding daardoor aanzienlijk kan
verschillen van de meerwaarde die kan worden gegenereerd door een verschillen van de meerwaarde die kan worden gegenereerd door een
eigenaar die zich in een wezenlijk vergelijkbare situatie bevindt eigenaar die zich in een wezenlijk vergelijkbare situatie bevindt
(nl., eigenaar zijn van een onroerend goed met bestemmingswijziging (nl., eigenaar zijn van een onroerend goed met bestemmingswijziging
ingevolge een ruimtelijk uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeurs- ingevolge een ruimtelijk uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeurs-
of projectbesluit en onteigeningsmachtiging) maar die uiteindelijk of projectbesluit en onteigeningsmachtiging) maar die uiteindelijk
niet wordt onteigend door de betrokken overheid doordat deze eigenaar niet wordt onteigend door de betrokken overheid doordat deze eigenaar
ofwel overgaat tot minnelijke verkoop ofwel de mogelijkheid krijgt ofwel overgaat tot minnelijke verkoop ofwel de mogelijkheid krijgt
over te gaan tot zelfrealisatie van de bestemming van zijn gronden, over te gaan tot zelfrealisatie van de bestemming van zijn gronden,
waardoor hij deze gronden kan verkopen tegen de waarde na waardoor hij deze gronden kan verkopen tegen de waarde na
bestemmingswijziging ? ». bestemmingswijziging ? ».
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
B.1. Artikel 63 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 24 februari B.1. Artikel 63 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 24 februari
2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut » (hierna : het 2017 « betreffende onteigening voor het algemeen nut » (hierna : het
Onteigeningsdecreet) bepaalt : Onteigeningsdecreet) bepaalt :
« § 1. Als wordt onteigend ter verwezenlijking van een ruimtelijk « § 1. Als wordt onteigend ter verwezenlijking van een ruimtelijk
uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit, uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit,
wordt bij het bepalen van de waarde van het onteigende onroerend goed wordt bij het bepalen van de waarde van het onteigende onroerend goed
of zakelijk recht geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of of zakelijk recht geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of
de waardevermindering die voortvloeit uit de voorschriften van dat de waardevermindering die voortvloeit uit de voorschriften van dat
ruimtelijk uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of ruimtelijk uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of
projectbesluit, ongeacht wie de onteigenende overheid is. projectbesluit, ongeacht wie de onteigenende overheid is.
De onteigeningen die achtereenvolgens plaatsvinden ter verwezenlijking De onteigeningen die achtereenvolgens plaatsvinden ter verwezenlijking
van een ruimtelijk uitvoeringsplan, voorkeursbesluit of van een ruimtelijk uitvoeringsplan, voorkeursbesluit of
projectbesluit, met inbegrip van een herzien ruimtelijk projectbesluit, met inbegrip van een herzien ruimtelijk
uitvoeringsplan, voorkeursbesluit of projectbesluit, of een plan van uitvoeringsplan, voorkeursbesluit of projectbesluit, of een plan van
aanleg, worden voor de waardebepaling van de te onteigenen onroerende aanleg, worden voor de waardebepaling van de te onteigenen onroerende
goederen of zakelijke rechten geacht een geheel te vormen op de datum goederen of zakelijke rechten geacht een geheel te vormen op de datum
van het eerste onteigeningsbesluit. van het eerste onteigeningsbesluit.
§ 2. Paragraaf 1 is alleen van toepassing als het ruimtelijk § 2. Paragraaf 1 is alleen van toepassing als het ruimtelijk
uitvoeringsplan of plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit uitvoeringsplan of plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit
niet meer dan vijf jaar voor het nemen van het definitief niet meer dan vijf jaar voor het nemen van het definitief
onteigeningsbesluit definitief is vastgesteld ». onteigeningsbesluit definitief is vastgesteld ».
B.2. De verwijzende rechter vraagt of die bepaling bestaanbaar is met B.2. De verwijzende rechter vraagt of die bepaling bestaanbaar is met
de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met
artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag
voor de rechten van de mens, in zoverre zij een verschil in voor de rechten van de mens, in zoverre zij een verschil in
behandeling zou instellen tussen de eigenaars van een onroerend goed behandeling zou instellen tussen de eigenaars van een onroerend goed
dat een bestemmingswijziging ondergaat ingevolge een ruimtelijk dat een bestemmingswijziging ondergaat ingevolge een ruimtelijk
uitvoeringsplan en dat het voorwerp uitmaakt van een uitvoeringsplan en dat het voorwerp uitmaakt van een
onteigeningsbeslissing ter verwezenlijking van dat plan, naargelang de onteigeningsbeslissing ter verwezenlijking van dat plan, naargelang de
overheid daadwerkelijk overgaat tot onteigening dan wel alsnog instemt overheid daadwerkelijk overgaat tot onteigening dan wel alsnog instemt
met een minnelijke verkoop of een toelating tot zelfrealisatie met een minnelijke verkoop of een toelating tot zelfrealisatie
verleent. Terwijl de waarde van de gronden van de eerste categorie van verleent. Terwijl de waarde van de gronden van de eerste categorie van
eigenaars ingevolge de toepassing van de in het geding zijnde bepaling eigenaars ingevolge de toepassing van de in het geding zijnde bepaling
wordt bepaald op basis van de bestemming die gold vóór het ruimtelijk wordt bepaald op basis van de bestemming die gold vóór het ruimtelijk
uitvoeringsplan, zou de tweede categorie van eigenaars wel voordeel uitvoeringsplan, zou de tweede categorie van eigenaars wel voordeel
kunnen halen uit de meerwaarde die op het goed wordt gecreëerd door de kunnen halen uit de meerwaarde die op het goed wordt gecreëerd door de
bestemmingswijziging. bestemmingswijziging.
B.3.1. Volgens de « Intergemeentelijke vereniging Veneco » en de B.3.1. Volgens de « Intergemeentelijke vereniging Veneco » en de
Vlaamse Regering is de prejudiciële vraag onontvankelijk, omdat het Vlaamse Regering is de prejudiciële vraag onontvankelijk, omdat het
Onteigeningsdecreet er niet in voorziet dat de onteigenende instantie, Onteigeningsdecreet er niet in voorziet dat de onteigenende instantie,
nadat deze een onteigeningsbeslissing heeft genomen, kan instemmen met nadat deze een onteigeningsbeslissing heeft genomen, kan instemmen met
een minnelijke verkoop of met een verzoek tot zelfrealisatie. een minnelijke verkoop of met een verzoek tot zelfrealisatie.
B.3.2. Aangezien de prejudiciële vraag uitsluitend betrekking heeft op B.3.2. Aangezien de prejudiciële vraag uitsluitend betrekking heeft op
de situatie van de instemming door de onteigenende instantie met een de situatie van de instemming door de onteigenende instantie met een
minnelijke verkoop of een verzoek tot zelfrealisatie nadat deze een minnelijke verkoop of een verzoek tot zelfrealisatie nadat deze een
onteigeningsbeslissing heeft genomen, valt het onderzoek van de onteigeningsbeslissing heeft genomen, valt het onderzoek van de
exceptie samen met dat van de grond van de zaak. exceptie samen met dat van de grond van de zaak.
B.4.1. De onteigening biedt de overheid de mogelijkheid om voor B.4.1. De onteigening biedt de overheid de mogelijkheid om voor
doeleinden van algemeen nut de beschikking te krijgen over in het doeleinden van algemeen nut de beschikking te krijgen over in het
bijzonder onroerende goederen die niet middels de gewone wijzen van bijzonder onroerende goederen die niet middels de gewone wijzen van
eigendomsoverdracht kunnen worden verworven. Artikel 16 van de eigendomsoverdracht kunnen worden verworven. Artikel 16 van de
Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan
ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald
en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling. Dit wordt ook en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling. Dit wordt ook
bevestigd in artikel 3 van het Onteigeningsdecreet. bevestigd in artikel 3 van het Onteigeningsdecreet.
B.4.2. De onteigening moet noodzakelijk zijn voor de realisatie van de B.4.2. De onteigening moet noodzakelijk zijn voor de realisatie van de
doelstelling van algemeen belang (artikel 3, § 3, van het doelstelling van algemeen belang (artikel 3, § 3, van het
Onteigeningsdecreet). Onteigeningsdecreet).
Het vereiste van de onteigeningsnoodzaak houdt in dat de onteigenende Het vereiste van de onteigeningsnoodzaak houdt in dat de onteigenende
instantie eerst moet pogen het goed op minnelijke wijze te verwerven. instantie eerst moet pogen het goed op minnelijke wijze te verwerven.
De artikelen 15 en 16 van het Onteigeningsdecreet en hoofdstuk 3 van De artikelen 15 en 16 van het Onteigeningsdecreet en hoofdstuk 3 van
het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 2017 « tot het besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 2017 « tot
uitvoering van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 » uitvoering van het Vlaams Onteigeningsdecreet van 24 februari 2017 »
leggen haar daarom een onderhandelingsplicht op die inhoudt dat zij leggen haar daarom een onderhandelingsplicht op die inhoudt dat zij
een aantoonbare poging onderneemt om het goed minnelijk te verwerven. een aantoonbare poging onderneemt om het goed minnelijk te verwerven.
Van een onteigeningsnoodzaak is evenmin sprake indien de eigenaar zelf Van een onteigeningsnoodzaak is evenmin sprake indien de eigenaar zelf
bereid en in staat is om het onteigeningsdoel te realiseren. De bereid en in staat is om het onteigeningsdoel te realiseren. De
artikelen 24 tot 27 van het Onteigeningsdecreet en hoofdstuk 5 van het artikelen 24 tot 27 van het Onteigeningsdecreet en hoofdstuk 5 van het
voormelde besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 2017 regelen voormelde besluit van de Vlaamse Regering van 27 oktober 2017 regelen
daarom een mogelijkheid om een verzoek tot zelfrealisatie in te daarom een mogelijkheid om een verzoek tot zelfrealisatie in te
dienen. Die zelfrealisatie is evenwel geen subjectief recht voor de dienen. Die zelfrealisatie is evenwel geen subjectief recht voor de
onteigende, aangezien de onteigenende overheid krachtens artikel 24, § onteigende, aangezien de onteigenende overheid krachtens artikel 24, §
3, van het Onteigeningsdecreet op gemotiveerde wijze kan beslissen om 3, van het Onteigeningsdecreet op gemotiveerde wijze kan beslissen om
niet in te gaan op dat verzoek na een toetsing van het verzoek aan de niet in te gaan op dat verzoek na een toetsing van het verzoek aan de
in artikel 24, § 2, van hetzelfde decreet opgesomde voorwaarden. in artikel 24, § 2, van hetzelfde decreet opgesomde voorwaarden.
Die mogelijkheid tot zelfrealisatie past in het kader van de Die mogelijkheid tot zelfrealisatie past in het kader van de
doelstellingen die de decreetgever met het Onteigeningsdecreet doelstellingen die de decreetgever met het Onteigeningsdecreet
nastreefde, in het bijzonder het versnellen van de realisatie van nastreefde, in het bijzonder het versnellen van de realisatie van
onteigeningsprojecten, met respect voor de belangen van de onteigenden onteigeningsprojecten, met respect voor de belangen van de onteigenden
: :
« Indien het onteigeningsdoel door de eigenaars zelf gerealiseerd kan « Indien het onteigeningsdoel door de eigenaars zelf gerealiseerd kan
worden en deze in staat en bereid zijn om dit doel te realiseren op de worden en deze in staat en bereid zijn om dit doel te realiseren op de
wijze die de overheid voor ogen had, dan is er geen sprake van wijze die de overheid voor ogen had, dan is er geen sprake van
onteigeningsnoodzaak. De onteigeningsnoodzaak en de daaruit onteigeningsnoodzaak. De onteigeningsnoodzaak en de daaruit
voortvloeiende mogelijkheid van zelfrealisatie is er immers op gericht voortvloeiende mogelijkheid van zelfrealisatie is er immers op gericht
de rechtspositie van de eigenaar die ongewild met een de rechtspositie van de eigenaar die ongewild met een
onteigeningsnoodzaak wordt geconfronteerd, te beschermen. Dit neemt onteigeningsnoodzaak wordt geconfronteerd, te beschermen. Dit neemt
niet weg dat via de zelfrealisatie eveneens het onteigeningsdoel moet niet weg dat via de zelfrealisatie eveneens het onteigeningsdoel moet
gerealiseerd worden, binnen de termijnen en volgens de voorwaarden gerealiseerd worden, binnen de termijnen en volgens de voorwaarden
zoals door de overheid bepaald. Essentieel is dat een onteigening pas zoals door de overheid bepaald. Essentieel is dat een onteigening pas
noodzakelijk kan zijn wanneer andere oplossingen - in redelijkheid noodzakelijk kan zijn wanneer andere oplossingen - in redelijkheid
bekeken - ontoereikend zijn, hetgeen onder meer inhoudt dat er slechts bekeken - ontoereikend zijn, hetgeen onder meer inhoudt dat er slechts
tot onteigening kan worden overgegaan indien het onteigeningsdoel niet tot onteigening kan worden overgegaan indien het onteigeningsdoel niet
kan worden gerealiseerd op privaat initiatief » (Parl. St., Vlaams kan worden gerealiseerd op privaat initiatief » (Parl. St., Vlaams
Parlement, 2016-2017, nr. 991/1, p. 6). Parlement, 2016-2017, nr. 991/1, p. 6).
En : En :
« Het recht om een verzoek tot zelfrealisatie in te dienen impliceert « Het recht om een verzoek tot zelfrealisatie in te dienen impliceert
niet het recht om zelf te realiseren. Dit zal slechts het geval zijn niet het recht om zelf te realiseren. Dit zal slechts het geval zijn
indien de verzoeker tijdens het openbaar onderzoek meldt dat hij tot indien de verzoeker tijdens het openbaar onderzoek meldt dat hij tot
zelfrealisatie wil overgaan en hij op voldoende wijze aantoont dat aan zelfrealisatie wil overgaan en hij op voldoende wijze aantoont dat aan
alle voorwaarden voor zelfrealisatie is voldaan. De overheid dient alle voorwaarden voor zelfrealisatie is voldaan. De overheid dient
immers over voldoende garanties te beschikken dat de eigenaar immers over voldoende garanties te beschikken dat de eigenaar
daadwerkelijk overgaat tot realisatie van het onteigeningsdoel op de daadwerkelijk overgaat tot realisatie van het onteigeningsdoel op de
wijze en binnen de termijn zoals door de overheid vastgesteld. Uit de wijze en binnen de termijn zoals door de overheid vastgesteld. Uit de
rechtspraak van de Raad van State volgt dat een verzoek tot rechtspraak van de Raad van State volgt dat een verzoek tot
zelfrealisatie mag worden afgewezen indien het verzoek geen zelfrealisatie mag worden afgewezen indien het verzoek geen
bewijsstukken bevat die aantonen dat men effectief over de bewijsstukken bevat die aantonen dat men effectief over de
mogelijkheid beschikt om tot zelfrealisatie over te gaan (Custers, 7 mogelijkheid beschikt om tot zelfrealisatie over te gaan (Custers, 7
december 2011, nr. 216.708). december 2011, nr. 216.708).
Met deze bepaling wordt [aangegeven] dat zelfrealisatie in principe Met deze bepaling wordt [aangegeven] dat zelfrealisatie in principe
pas mogelijk is indien aan alle in deze bepaling vermelde voorwaarden pas mogelijk is indien aan alle in deze bepaling vermelde voorwaarden
wordt voldaan » (ibid., p. 51). wordt voldaan » (ibid., p. 51).
Uit de parlementaire voorbereiding blijkt derhalve dat het recht om Uit de parlementaire voorbereiding blijkt derhalve dat het recht om
een verzoek tot zelfrealisatie in te dienen, past in het kader van de een verzoek tot zelfrealisatie in te dienen, past in het kader van de
beoordeling van die onteigeningsnoodzaak, en erop gericht is de beoordeling van die onteigeningsnoodzaak, en erop gericht is de
rechtspositie van de eigenaar die ongewild met een rechtspositie van de eigenaar die ongewild met een
onteigeningsnoodzaak wordt geconfronteerd, te beschermen (ibid., p. onteigeningsnoodzaak wordt geconfronteerd, te beschermen (ibid., p.
51). 51).
B.4.3. Hoewel de in B.4.2 bedoelde onderhandelingsplicht en B.4.3. Hoewel de in B.4.2 bedoelde onderhandelingsplicht en
mogelijkheid om een verzoek tot zelfrealisatie in te dienen, slechts mogelijkheid om een verzoek tot zelfrealisatie in te dienen, slechts
van toepassing zijn in de bestuurlijke fase van de van toepassing zijn in de bestuurlijke fase van de
onteigeningsprocedure, vooraleer het definitief onteigeningsbesluit onteigeningsprocedure, vooraleer het definitief onteigeningsbesluit
wordt genomen, sluit het Onteigeningsdecreet niet uit dat de wordt genomen, sluit het Onteigeningsdecreet niet uit dat de
onteigenende instantie ook tijdens de gerechtelijke procedure tot onteigenende instantie ook tijdens de gerechtelijke procedure tot
minnelijke aankoop overgaat of een verzoek tot zelfrealisatie minnelijke aankoop overgaat of een verzoek tot zelfrealisatie
inwilligt. inwilligt.
B.5. De in het geding zijnde bepaling brengt met zich mee dat de B.5. De in het geding zijnde bepaling brengt met zich mee dat de
eigenaar van een perceel dat wordt onteigend ter verwezenlijking van eigenaar van een perceel dat wordt onteigend ter verwezenlijking van
een ruimtelijk uitvoeringsplan een onteigeningsvergoeding verkrijgt op een ruimtelijk uitvoeringsplan een onteigeningsvergoeding verkrijgt op
grond van de waarde van het goed vóór de vaststelling of de wijziging grond van de waarde van het goed vóór de vaststelling of de wijziging
van de bestemming door dat plan. van de bestemming door dat plan.
B.6.1. De in het geding zijnde bepaling bevat de zogenaamde « B.6.1. De in het geding zijnde bepaling bevat de zogenaamde «
planologische neutraliteit ». Uit de parlementaire voorbereiding planologische neutraliteit ». Uit de parlementaire voorbereiding
blijkt dat de decreetgever beoogde om dat principe, zoals het ook werd blijkt dat de decreetgever beoogde om dat principe, zoals het ook werd
bepaald in het vroegere artikel 2.4.6, § 1, van de Vlaamse Codex bepaald in het vroegere artikel 2.4.6, § 1, van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening (hierna : de VCRO), te behouden in het Ruimtelijke Ordening (hierna : de VCRO), te behouden in het
Onteigeningsdecreet (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. Onteigeningsdecreet (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr.
991/1, p. 88). 991/1, p. 88).
Artikel 2.4.6, § 1, van de VCRO gaat terug op artikel 31 van de wet Artikel 2.4.6, § 1, van de VCRO gaat terug op artikel 31 van de wet
van 29 maart 1962 « houdende organisatie van de ruimtelijke ordening van 29 maart 1962 « houdende organisatie van de ruimtelijke ordening
en van de stedebouw ». Tijdens de parlementaire voorbereiding van die en van de stedebouw ». Tijdens de parlementaire voorbereiding van die
bepaling werd beklemtoond dat het beginsel « volgens hetwelk de bepaling werd beklemtoond dat het beginsel « volgens hetwelk de
schadeloosstelling moet worden berekend overeenkomstig de gesteldheid schadeloosstelling moet worden berekend overeenkomstig de gesteldheid
van het goed en van de omgeving op het ogenblik dat het van het goed en van de omgeving op het ogenblik dat het
onteigeningsbesluit werd genomen, evenals overeenkomstig de waarde er onteigeningsbesluit werd genomen, evenals overeenkomstig de waarde er
van rekening houdend met de markt van de onroerende goederen op het van rekening houdend met de markt van de onroerende goederen op het
ogenblik van de minnelijke schikking of van het vonnis, is gesteund op ogenblik van de minnelijke schikking of van het vonnis, is gesteund op
de billijkheid. Zo mag geen rekening worden gehouden met de de billijkheid. Zo mag geen rekening worden gehouden met de
prijsschommelingen die het gevolg zouden zijn van een bepaalde zoning prijsschommelingen die het gevolg zouden zijn van een bepaalde zoning
[lees : zonering], van de uitvoering der op het plan van aanleg [lees : zonering], van de uitvoering der op het plan van aanleg
voorziene werken, of van de er uit voortvloeiende verbodsbepalingen. voorziene werken, of van de er uit voortvloeiende verbodsbepalingen.
Alleen de waardeveranderingen die te wijten zijn aan feiten die met Alleen de waardeveranderingen die te wijten zijn aan feiten die met
het plan van aanleg hoegenaamd niets te maken hebben, zoals een het plan van aanleg hoegenaamd niets te maken hebben, zoals een
devaluatie van de munt of een verhoging van de waarde der onroerende devaluatie van de munt of een verhoging van de waarde der onroerende
goederen in het algemeen, mogen in aanmerking worden genomen » (Parl. goederen in het algemeen, mogen in aanmerking worden genomen » (Parl.
St., Senaat, 1958-1959, nr. 124, pp. 62-63, en Parl. St., Senaat, St., Senaat, 1958-1959, nr. 124, pp. 62-63, en Parl. St., Senaat,
1959-1960, nr. 275, p. 42). Bijgevolg zal « rekening [...] worden 1959-1960, nr. 275, p. 42). Bijgevolg zal « rekening [...] worden
gehouden met de waarde op de dag van de onteigening alsof er geen plan gehouden met de waarde op de dag van de onteigening alsof er geen plan
van aanleg was » (Parl. St., Senaat, 1959-1960, ibid.). Of het van aanleg was » (Parl. St., Senaat, 1959-1960, ibid.). Of het
betrokken goed door het plan een waardevermeerdering kent dan wel een betrokken goed door het plan een waardevermeerdering kent dan wel een
waardevermindering zou kunnen ondergaan, is daarbij niet relevant. waardevermindering zou kunnen ondergaan, is daarbij niet relevant.
B.6.2. Bij zijn arrest nr. 143/2018 van 18 oktober 2018 B.6.2. Bij zijn arrest nr. 143/2018 van 18 oktober 2018
(ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.143) heeft het Hof geoordeeld dat de in het (ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.143) heeft het Hof geoordeeld dat de in het
geding zijnde bepaling bestaanbaar is met artikel 16 van de Grondwet. geding zijnde bepaling bestaanbaar is met artikel 16 van de Grondwet.
Het Hof oordeelde dat de in het geding zijnde bepaling redelijkerwijze Het Hof oordeelde dat de in het geding zijnde bepaling redelijkerwijze
verantwoord is, waarbij het eveneens verwees naar het vroegere artikel verantwoord is, waarbij het eveneens verwees naar het vroegere artikel
2.4.6, § 1, van de VCRO : 2.4.6, § 1, van de VCRO :
« B.7.4. Artikel 63 bevat de zogenaamde ` planologische neutraliteit « B.7.4. Artikel 63 bevat de zogenaamde ` planologische neutraliteit
'. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het de bedoeling is '. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het de bedoeling is
om dat principe, zoals het ook werd bepaald in het vroegere artikel om dat principe, zoals het ook werd bepaald in het vroegere artikel
2.4.6, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : VCRO), 2.4.6, § 1, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : VCRO),
te behouden in het Onteigeningsdecreet (Parl. St., Vlaams Parlement, te behouden in het Onteigeningsdecreet (Parl. St., Vlaams Parlement,
2016-2017, nr. 991/1, p. 88). Bij zijn arrest nr. 186/2011 van 8 2016-2017, nr. 991/1, p. 88). Bij zijn arrest nr. 186/2011 van 8
december 2011 oordeelde het Hof, met betrekking tot het toenmalige december 2011 oordeelde het Hof, met betrekking tot het toenmalige
artikel 2.4.6, § 1, van de VCRO, dat het billijk is dat bij de artikel 2.4.6, § 1, van de VCRO, dat het billijk is dat bij de
vaststelling van de onteigeningsvergoeding geen rekening wordt vaststelling van de onteigeningsvergoeding geen rekening wordt
gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die uit de gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die uit de
verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan voortvloeit, verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan voortvloeit,
aangezien het door de realisatie van het ruimtelijk uitvoeringsplan aangezien het door de realisatie van het ruimtelijk uitvoeringsplan
middels de onteigening is dat de waarde van het onroerend goed ook middels de onteigening is dat de waarde van het onroerend goed ook
daadwerkelijk wordt beïnvloed. daadwerkelijk wordt beïnvloed.
B.7.5. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het de bedoeling B.7.5. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het de bedoeling
is dat de planologische neutraliteit wordt uitgebreid tot alle is dat de planologische neutraliteit wordt uitgebreid tot alle
onteigeningen die plaatsvinden ter realisatie van het ruimtelijk onteigeningen die plaatsvinden ter realisatie van het ruimtelijk
uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit, uitvoeringsplan, plan van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit,
niet alleen wanneer de onteigening gebeurt op basis van een niet alleen wanneer de onteigening gebeurt op basis van een
onteigeningsplan opgesteld in het kader van de VCRO, maar ongeacht de onteigeningsplan opgesteld in het kader van de VCRO, maar ongeacht de
rechtsgrond. In de parlementaire voorbereiding wordt benadrukt dat de rechtsgrond. In de parlementaire voorbereiding wordt benadrukt dat de
planologische neutraliteit enkel geldt wanneer een daadwerkelijk planologische neutraliteit enkel geldt wanneer een daadwerkelijk
verband kan worden aangetoond met de onteigening. Zo niet is de verband kan worden aangetoond met de onteigening. Zo niet is de
algemene doelneutraliteit van toepassing : algemene doelneutraliteit van toepassing :
` Ongeacht de aangewende rechtsgrond van de onteigening is de ` Ongeacht de aangewende rechtsgrond van de onteigening is de
planologische neutraliteit van toepassing, maar slechts in zoverre planologische neutraliteit van toepassing, maar slechts in zoverre
daadwerkelijk wordt onteigend ter realisatie van een ruimtelijk daadwerkelijk wordt onteigend ter realisatie van een ruimtelijk
uitvoeringsplan en onder vergelijkbare voorwaarden zoals vervat in uitvoeringsplan en onder vergelijkbare voorwaarden zoals vervat in
artikel 2.4.4 en 2.4.8 VCRO. Deze regeling wordt dus veralgemeend en artikel 2.4.4 en 2.4.8 VCRO. Deze regeling wordt dus veralgemeend en
is niet afhankelijk van de gehanteerde rechtsgrond, maar wel of al dan is niet afhankelijk van de gehanteerde rechtsgrond, maar wel of al dan
niet wordt onteigend ter realisatie van een RUP ' (ibid., p. 89). niet wordt onteigend ter realisatie van een RUP ' (ibid., p. 89).
B.7.6. Ook de waarborgen die gepaard gaan met de planologische B.7.6. Ook de waarborgen die gepaard gaan met de planologische
neutraliteit werden uitgebreid. Artikel 2.4.4 van de VCRO bepaalt dat neutraliteit werden uitgebreid. Artikel 2.4.4 van de VCRO bepaalt dat
een onteigeningsplan dat na het ruimtelijk uitvoeringsplan waarvan het een onteigeningsplan dat na het ruimtelijk uitvoeringsplan waarvan het
de verwezenlijking beoogt, wordt opgemaakt, uiterlijk vijf jaar na de de verwezenlijking beoogt, wordt opgemaakt, uiterlijk vijf jaar na de
inwerkingtreding van dat ruimtelijk uitvoeringsplan definitief dient inwerkingtreding van dat ruimtelijk uitvoeringsplan definitief dient
te worden vastgesteld. Om die waarborg uit te breiden tot alle te worden vastgesteld. Om die waarborg uit te breiden tot alle
onteigeningen ter realisatie van een ruimtelijk uitvoeringsplan, plan onteigeningen ter realisatie van een ruimtelijk uitvoeringsplan, plan
van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit, ook wanneer die niet van aanleg, voorkeursbesluit of projectbesluit, ook wanneer die niet
gebaseerd zijn op de VCRO, wordt de toepassing van de planologische gebaseerd zijn op de VCRO, wordt de toepassing van de planologische
neutraliteit beperkt tot vijf jaar na de definitieve vaststelling van neutraliteit beperkt tot vijf jaar na de definitieve vaststelling van
het ruimtelijk uitvoeringsplan. De mogelijkheid om een het ruimtelijk uitvoeringsplan. De mogelijkheid om een
onteigeningsbeslissing te doen vervallen indien de onteigenende onteigeningsbeslissing te doen vervallen indien de onteigenende
instantie meer dan vijf jaar wacht om de gerechtelijke fase op te instantie meer dan vijf jaar wacht om de gerechtelijke fase op te
starten, wordt krachtens artikel 42 van het Onteigeningsdecreet starten, wordt krachtens artikel 42 van het Onteigeningsdecreet
uitgebreid tot alle onteigeningsbeslissingen (ibid.). uitgebreid tot alle onteigeningsbeslissingen (ibid.).
B.7.7. De in de bestreden bepalingen vervatte criteria op grond B.7.7. De in de bestreden bepalingen vervatte criteria op grond
waarvan de onteigeningsvergoeding wordt vastgesteld, zijn ingegeven waarvan de onteigeningsvergoeding wordt vastgesteld, zijn ingegeven
door het rechtstreekse verband tussen het doel van de onteigening en door het rechtstreekse verband tussen het doel van de onteigening en
de oorzaak van de wijziging van de waarde van het te onteigenen goed. de oorzaak van de wijziging van de waarde van het te onteigenen goed.
Aangezien het middels de onteigening is dat de waarde van het Aangezien het middels de onteigening is dat de waarde van het
onroerend goed ook daadwerkelijk wordt beïnvloed, is het billijk dat onroerend goed ook daadwerkelijk wordt beïnvloed, is het billijk dat
bij de vaststelling van de onteigeningsvergoeding geen rekening wordt bij de vaststelling van de onteigeningsvergoeding geen rekening wordt
gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die uit de gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die uit de
verwezenlijking van die doelstelling voortvloeit ». verwezenlijking van die doelstelling voortvloeit ».
B.6.3. Om dezelfde redenen moet worden geoordeeld dat het in B.2 B.6.3. Om dezelfde redenen moet worden geoordeeld dat het in B.2
weergegeven verschil in behandeling redelijk verantwoord is. weergegeven verschil in behandeling redelijk verantwoord is.
De omstandigheid dat de onteigenende overheid tijdens de gerechtelijke De omstandigheid dat de onteigenende overheid tijdens de gerechtelijke
fase van de onteigeningsprocedure tot minnelijke aankoop kan overgaan fase van de onteigeningsprocedure tot minnelijke aankoop kan overgaan
of kan instemmen met een verzoek tot zelfrealisatie, leidt niet tot of kan instemmen met een verzoek tot zelfrealisatie, leidt niet tot
een andere conclusie. Ook die rechtshandelingen vinden in voorkomend een andere conclusie. Ook die rechtshandelingen vinden in voorkomend
geval immers hun grondslag in de verwezenlijking van het ruimtelijk geval immers hun grondslag in de verwezenlijking van het ruimtelijk
uitvoeringsplan. uitvoeringsplan.
B.7. De in het geding zijnde bepaling heeft bovendien geen B.7. De in het geding zijnde bepaling heeft bovendien geen
onevenredige gevolgen voor de betrokken eigenaars. onevenredige gevolgen voor de betrokken eigenaars.
Zoals is vermeld in B.4.1, is de onteigening enkel mogelijk om een Zoals is vermeld in B.4.1, is de onteigening enkel mogelijk om een
doelstelling van algemeen nut te realiseren. De in het geding zijnde doelstelling van algemeen nut te realiseren. De in het geding zijnde
bepaling legt de planologische neutraliteit immers slechts op indien bepaling legt de planologische neutraliteit immers slechts op indien
wordt onteigend ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan wordt onteigend ter verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan
(Cass., 22 maart 2012, C.10.0155.N, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120322.5). (Cass., 22 maart 2012, C.10.0155.N, ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120322.5).
Indien de onteigening niet geschiedt ter verwezenlijking van een Indien de onteigening niet geschiedt ter verwezenlijking van een
ruimtelijk uitvoeringsplan, dient de rechter wel rekening te houden ruimtelijk uitvoeringsplan, dient de rechter wel rekening te houden
met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit een met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit een
dergelijk plan (Cass., 29 maart 2013, C.10.0638.N, dergelijk plan (Cass., 29 maart 2013, C.10.0638.N,
ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130329.4; 7 juni 1990, Arr. Cass., 1990, nr. ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130329.4; 7 juni 1990, Arr. Cass., 1990, nr.
584, ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900607.12; 15 april 1999, C.97.0400.F, 584, ECLI:BE:CASS:1990:ARR.19900607.12; 15 april 1999, C.97.0400.F,
ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990415.10). ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990415.10).
Daarnaast moet een onteigening, zoals werd vermeld in B.4.2, Daarnaast moet een onteigening, zoals werd vermeld in B.4.2,
noodzakelijk zijn, hetgeen veronderstelt dat de onteigenende instantie noodzakelijk zijn, hetgeen veronderstelt dat de onteigenende instantie
op afdoende wijze kan aantonen dat de bestemmingswijziging die met het op afdoende wijze kan aantonen dat de bestemmingswijziging die met het
ruimtelijk uitvoeringsplan wordt beoogd, niet kan worden bereikt door ruimtelijk uitvoeringsplan wordt beoogd, niet kan worden bereikt door
middel van een minnelijke verkoop of door de eigenaar, in het kader middel van een minnelijke verkoop of door de eigenaar, in het kader
van een verzoek tot zelfrealisatie, of nog, door de realisatie van de van een verzoek tot zelfrealisatie, of nog, door de realisatie van de
reeds bestaande feitelijke bestemming van het perceel, wanneer deze reeds bestaande feitelijke bestemming van het perceel, wanneer deze
aansluit bij de door het plan vastgestelde formele bestemming (arrest aansluit bij de door het plan vastgestelde formele bestemming (arrest
nr. 186/2011 van 8 december 2011, ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.186, B.13, en nr. 186/2011 van 8 december 2011, ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.186, B.13, en
arrest nr. 129/2012 van 25 oktober 2012, ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.129, arrest nr. 129/2012 van 25 oktober 2012, ECLI:BE:GHCC:2012:ARR.129,
B.7). Het staat aan de bevoegde rechter na te gaan of een onteigening B.7). Het staat aan de bevoegde rechter na te gaan of een onteigening
aan de hiervoor vermelde voorwaarden voldoet. aan de hiervoor vermelde voorwaarden voldoet.
Voorts geniet de eigenaar van een goed dat wordt onteigend ter Voorts geniet de eigenaar van een goed dat wordt onteigend ter
verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan een vrijstelling verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan een vrijstelling
van de planbatenheffing wanneer de in het geding zijnde bepaling van van de planbatenheffing wanneer de in het geding zijnde bepaling van
toepassing is en de onteigening de heffingsplichtige treft (artikel toepassing is en de onteigening de heffingsplichtige treft (artikel
2.6.6, eerste lid, van de VCRO). Indien de onteigening plaatsvindt 2.6.6, eerste lid, van de VCRO). Indien de onteigening plaatsvindt
nadat de planbatenheffing, of een gedeelte daarvan, reeds is betaald, nadat de planbatenheffing, of een gedeelte daarvan, reeds is betaald,
worden de reeds betaalde bedragen terugbetaald (artikel 2.6.6, eerste worden de reeds betaalde bedragen terugbetaald (artikel 2.6.6, eerste
lid, van de VCRO). lid, van de VCRO).
Tot slot bepaalt de in het geding zijnde bepaling niet alleen dat geen Tot slot bepaalt de in het geding zijnde bepaling niet alleen dat geen
rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering die voortvloeit uit rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering die voortvloeit uit
de voorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan ter uitvoering de voorschriften van het ruimtelijk uitvoeringsplan ter uitvoering
waarvan wordt onteigend, maar waarborgt zij ook dat de eigenaars niet waarvan wordt onteigend, maar waarborgt zij ook dat de eigenaars niet
getroffen worden door de eventuele waardevermindering die uit de getroffen worden door de eventuele waardevermindering die uit de
voorschriften van dat ruimtelijk uitvoeringsplan voortvloeit. voorschriften van dat ruimtelijk uitvoeringsplan voortvloeit.
B.8. Uit het voorgaande volgt dat de in het geding zijnde bepaling B.8. Uit het voorgaande volgt dat de in het geding zijnde bepaling
bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet. bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet.
De toetsing van de in het geding zijnde bepaling aan die De toetsing van de in het geding zijnde bepaling aan die
grondwetsbepalingen, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste grondwetsbepalingen, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste
Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de
mens, dat op dit punt geen ruimere bescherming van het eigendomsrecht mens, dat op dit punt geen ruimere bescherming van het eigendomsrecht
waarborgt, leidt niet tot een andere conclusie. waarborgt, leidt niet tot een andere conclusie.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
Artikel 63 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 24 februari 2017 Artikel 63 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 24 februari 2017
« betreffende onteigening voor het algemeen nut » schendt niet de « betreffende onteigening voor het algemeen nut » schendt niet de
artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikelen 10, 11 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met
artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag
voor de rechten van de mens. voor de rechten van de mens.
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel
65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof,
op 2 maart 2023. op 2 maart 2023.
De griffier, De voorzitter, De griffier, De voorzitter,
P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen P.-Y. Dutilleux L. Lavrysen
^