Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 138/2021 van 14 oktober 2021 Rolnummer 7313 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 2 van de wet van 5 mei 2019 « tot invoeging van een artikel 55bis in het Strafwetboek, wat de herhaling betreft », ingeste Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters J.(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 138/2021 van 14 oktober 2021 Rolnummer 7313 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 2 van de wet van 5 mei 2019 « tot invoeging van een artikel 55bis in het Strafwetboek, wat de herhaling betreft », ingeste Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters J.(...) Uittreksel uit arrest nr. 138/2021 van 14 oktober 2021 Rolnummer 7313 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 2 van de wet van 5 mei 2019 « tot invoeging van een artikel 55bis in het Strafwetboek, wat de herhaling betreft », ingeste Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters J.(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 138/2021 van 14 oktober 2021 Uittreksel uit arrest nr. 138/2021 van 14 oktober 2021
Rolnummer 7313 Rolnummer 7313
In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 2 van de wet van 5 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 2 van de wet van 5
mei 2019 « tot invoeging van een artikel 55bis in het Strafwetboek, mei 2019 « tot invoeging van een artikel 55bis in het Strafwetboek,
wat de herhaling betreft », ingesteld door de vzw « Ligue des droits wat de herhaling betreft », ingesteld door de vzw « Ligue des droits
humains ». humains ».
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, de rechters
J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y.
Kherbache, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, en, Kherbache, T. Detienne, D. Pieters en S. de Bethune, en,
overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989
op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût, bijgestaan op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter F. Daoût, bijgestaan
door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus
voorzitter F. Daoût, voorzitter F. Daoût,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 november Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 november
2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29
november 2019, heeft de vzw « Ligue des droits humains », bijgestaan november 2019, heeft de vzw « Ligue des droits humains », bijgestaan
en vertegenwoordigd door Mr. N. Cohen, advocaat bij de balie te en vertegenwoordigd door Mr. N. Cohen, advocaat bij de balie te
Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 2 van de wet Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 2 van de wet
van 5 mei 2019 « tot invoeging van een artikel 55bis in het van 5 mei 2019 « tot invoeging van een artikel 55bis in het
Strafwetboek, wat de herhaling betreft » (bekendgemaakt in het Strafwetboek, wat de herhaling betreft » (bekendgemaakt in het
Belgisch Staatsblad van 28 mei 2019, tweede editie). Belgisch Staatsblad van 28 mei 2019, tweede editie).
(...) (...)
II. In rechte II. In rechte
(...) (...)
Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan
B.1.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 2 van de B.1.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 2 van de
wet van 5 mei 2019 « tot invoeging van een artikel 55bis in het wet van 5 mei 2019 « tot invoeging van een artikel 55bis in het
Strafwetboek, wat de herhaling betreft » (hierna : de wet van 5 mei Strafwetboek, wat de herhaling betreft » (hierna : de wet van 5 mei
2019). 2019).
B.1.2. De bestreden bepaling voert een nieuwe vorm van wettelijke B.1.2. De bestreden bepaling voert een nieuwe vorm van wettelijke
herhaling in, de herhaling van misdaad na wanbedrijf. Zij beoogt, in herhaling in, de herhaling van misdaad na wanbedrijf. Zij beoogt, in
geval van een eerdere correctionele veroordeling, te vermijden, dat geval van een eerdere correctionele veroordeling, te vermijden, dat
men voordeel haalt uit een verwijzing naar een hof van assisen in men voordeel haalt uit een verwijzing naar een hof van assisen in
plaats van naar een correctionele rechtbank (Parl. St., Kamer, plaats van naar een correctionele rechtbank (Parl. St., Kamer,
2018-2019, DOC 54-3213/002, p. 2; ibid., DOC 54-3213/003, p. 4). 2018-2019, DOC 54-3213/002, p. 2; ibid., DOC 54-3213/003, p. 4).
Een strafverzwaring kan voortaan in beide gevallen worden Een strafverzwaring kan voortaan in beide gevallen worden
uitgesproken, ongeacht het rechtscollege waarvoor de rechtzoekende uitgesproken, ongeacht het rechtscollege waarvoor de rechtzoekende
verschijnt. De bestreden bepaling beoogt bovendien een einde te maken verschijnt. De bestreden bepaling beoogt bovendien een einde te maken
aan een verschil in behandeling dat het Hof discriminerend heeft aan een verschil in behandeling dat het Hof discriminerend heeft
geacht met betrekking tot de strafuitvoering, en op de personen die in geacht met betrekking tot de strafuitvoering, en op de personen die in
staat van herhaling worden veroordeeld, een daadwerkelijke toepassing staat van herhaling worden veroordeeld, een daadwerkelijke toepassing
mogelijk te maken van de voorwaarde dat men minimum twee derden van de mogelijk te maken van de voorwaarde dat men minimum twee derden van de
straf moet hebben uitgezeten om een voorwaardelijke invrijheidstelling straf moet hebben uitgezeten om een voorwaardelijke invrijheidstelling
te kunnen genieten (ibid.). te kunnen genieten (ibid.).
De parlementaire voorbereiding vermeldt in dat verband : De parlementaire voorbereiding vermeldt in dat verband :
« De herhaling wordt geregeld in de artikelen 54 tot 57bis van het « De herhaling wordt geregeld in de artikelen 54 tot 57bis van het
Strafwetboek. Er zijn drie algemene voorwaarden om te kunnen spreken Strafwetboek. Er zijn drie algemene voorwaarden om te kunnen spreken
van herhaling of recidive. Ten eerste dient er een eerdere van herhaling of recidive. Ten eerste dient er een eerdere
strafrechtelijke veroordeling te zijn die in kracht van gewijsde is strafrechtelijke veroordeling te zijn die in kracht van gewijsde is
getreden. Ten tweede dient er een nieuw misdrijf te zijn gepleegd. En getreden. Ten tweede dient er een nieuw misdrijf te zijn gepleegd. En
tot slot dient de staat van herhaling, om aanleiding te kunnen geven tot slot dient de staat van herhaling, om aanleiding te kunnen geven
tot strafverzwaring, door de wet te zijn bepaald. Wat de laatste tot strafverzwaring, door de wet te zijn bepaald. Wat de laatste
voorwaarde betreft, bevat de wet verschillende situaties, waarbij een voorwaarde betreft, bevat de wet verschillende situaties, waarbij een
onderscheid wordt gemaakt naargelang van de aard van de eerste onderscheid wordt gemaakt naargelang van de aard van de eerste
veroordeling en de aard van het misdrijf waarvoor de betrokkene in een veroordeling en de aard van het misdrijf waarvoor de betrokkene in een
nieuwe strafzaak wordt vervolgd. Zo bevat het Strafwetboek de volgende nieuwe strafzaak wordt vervolgd. Zo bevat het Strafwetboek de volgende
drie gevallen : misdaad na misdaad (artikel 54 Sw.), wanbedrijf na drie gevallen : misdaad na misdaad (artikel 54 Sw.), wanbedrijf na
misdaad (artikel 56, eerste lid, Sw.) en wanbedrijf na wanbedrijf misdaad (artikel 56, eerste lid, Sw.) en wanbedrijf na wanbedrijf
(artikel 56, tweede lid, Sw.). De situatie misdaad na wanbedrijf is (artikel 56, tweede lid, Sw.). De situatie misdaad na wanbedrijf is
niet wettelijk geregeld. Dit heeft niet alleen tot gevolg dat de niet wettelijk geregeld. Dit heeft niet alleen tot gevolg dat de
rechter bij de veroordeling voor de misdaad geen strafverzwaring kan rechter bij de veroordeling voor de misdaad geen strafverzwaring kan
uitspreken wegens recidive; ook op het vlak van de strafuitvoering uitspreken wegens recidive; ook op het vlak van de strafuitvoering
brengt dit belangrijke consequenties met zich mee. brengt dit belangrijke consequenties met zich mee.
Zo is het inzake de tijdsvoorwaarden om voor voorwaardelijke Zo is het inzake de tijdsvoorwaarden om voor voorwaardelijke
invrijheidstelling in aanmerking te komen bepalend of de veroordeelde invrijheidstelling in aanmerking te komen bepalend of de veroordeelde
zich in staat van herhaling bevindt of niet. Als de veroordeelde zich zich in staat van herhaling bevindt of niet. Als de veroordeelde zich
in een van de beschreven gevallen van wettelijke herhaling bevindt, in een van de beschreven gevallen van wettelijke herhaling bevindt,
zal hij pas van de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen genieten zal hij pas van de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen genieten
indien hij twee derden van zijn straf heeft ondergaan (artikel 25, § indien hij twee derden van zijn straf heeft ondergaan (artikel 25, §
2, b) van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie 2, b) van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie
van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer
toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten,
hierna ' Wet Externe rechtspositie ' of ' WERP ' genoemd). Wanneer er hierna ' Wet Externe rechtspositie ' of ' WERP ' genoemd). Wanneer er
geen sprake is van wettelijke herhaling, kan de veroordeelde reeds na geen sprake is van wettelijke herhaling, kan de veroordeelde reeds na
één derde van zijn straf voorwaardelijk in vrijheid gesteld worden één derde van zijn straf voorwaardelijk in vrijheid gesteld worden
(artikel 25, § 2, a) WERP). (artikel 25, § 2, a) WERP).
Het Grondwettelijk Hof heeft echter al herhaaldelijk geoordeeld dat Het Grondwettelijk Hof heeft echter al herhaaldelijk geoordeeld dat
dit onderscheid kan leiden tot discriminatie. In zijn arrest nr. dit onderscheid kan leiden tot discriminatie. In zijn arrest nr.
185/2014 van 18 december 2014 heeft het Hof zich uitgesproken over de 185/2014 van 18 december 2014 heeft het Hof zich uitgesproken over de
situatie waarin een persoon die door de correctionele rechtbank, na situatie waarin een persoon die door de correctionele rechtbank, na
correctionalisering, werd veroordeeld wegens poging tot moord en die correctionalisering, werd veroordeeld wegens poging tot moord en die
zich in staat van wettelijke herhaling in de zin van artikel 56, zich in staat van wettelijke herhaling in de zin van artikel 56,
tweede lid, van het Strafwetboek bevond, slechts in aanmerking kwam tweede lid, van het Strafwetboek bevond, slechts in aanmerking kwam
voor voorwaardelijke invrijheidstelling na twee derden van zijn straf voor voorwaardelijke invrijheidstelling na twee derden van zijn straf
te hebben ondergaan. Wanneer deze persoon wegens dezelfde misdaad zou te hebben ondergaan. Wanneer deze persoon wegens dezelfde misdaad zou
zijn veroordeeld tot een criminele straf, zou een voorwaardelijke zijn veroordeeld tot een criminele straf, zou een voorwaardelijke
invrijheidstelling wel al na één derde van zijn straf mogelijk zijn. invrijheidstelling wel al na één derde van zijn straf mogelijk zijn.
Het Grondwettelijk Hof sprak de schending van de artikelen 10 en 11 Het Grondwettelijk Hof sprak de schending van de artikelen 10 en 11
van de Grondwet uit en gaf de wetgever tot uiterlijk 31 juli 2015 om van de Grondwet uit en gaf de wetgever tot uiterlijk 31 juli 2015 om
een einde te maken aan de discriminatie. De wetgever heeft evenwel tot een einde te maken aan de discriminatie. De wetgever heeft evenwel tot
op heden deze ongrondwettigheid nog niet verholpen. op heden deze ongrondwettigheid nog niet verholpen.
In een recent arrest van 7 februari 2018 komt het Grondwettelijk Hof In een recent arrest van 7 februari 2018 komt het Grondwettelijk Hof
dan ook tot dezelfde conclusie : dan ook tot dezelfde conclusie :
' Het in geding zijnde verschil in behandeling, dat erin bestaat te ' Het in geding zijnde verschil in behandeling, dat erin bestaat te
kiezen voor een strengere drempel van toelaatbaarheid tot de kiezen voor een strengere drempel van toelaatbaarheid tot de
voorwaardelijke invrijheidstelling voor de personen die, in staat van voorwaardelijke invrijheidstelling voor de personen die, in staat van
wettelijke herhaling, door een correctioneel rechtscollege zijn wettelijke herhaling, door een correctioneel rechtscollege zijn
veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een met opsluiting van vijf veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een met opsluiting van vijf
tot tien jaar strafbare misdaad die is gecorrectionaliseerd of wegens tot tien jaar strafbare misdaad die is gecorrectionaliseerd of wegens
een wanbedrijf, is niet redelijk verantwoord. een wanbedrijf, is niet redelijk verantwoord.
Het heeft immers tot gevolg dat niet wordt gewaarborgd dat de Het heeft immers tot gevolg dat niet wordt gewaarborgd dat de
strafmaat in acht wordt genomen in het stadium van de strafuitvoering strafmaat in acht wordt genomen in het stadium van de strafuitvoering
daar de personen die in staat van wettelijke herhaling worden daar de personen die in staat van wettelijke herhaling worden
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een bij de wet strenger veroordeeld tot een gevangenisstraf voor een bij de wet strenger
bestraft feit, eerder in aanmerking kunnen komen voor de bestraft feit, eerder in aanmerking kunnen komen voor de
voorwaardelijke invrijheidstelling dan de personen die in staat van voorwaardelijke invrijheidstelling dan de personen die in staat van
wettelijke herhaling worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor wettelijke herhaling worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor
een bij de wet minder zwaar bestraft feit. ' een bij de wet minder zwaar bestraft feit. '
Het gevolg van deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het Het gevolg van deze rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en het
ontbreken van een wetgevend initiatief is dat nu in praktijk alle ontbreken van een wetgevend initiatief is dat nu in praktijk alle
recidivisten, ongeacht wettelijke herhaling werd vastgesteld of niet, recidivisten, ongeacht wettelijke herhaling werd vastgesteld of niet,
onder de algemene regel van één derde vallen om in aanmerking te komen onder de algemene regel van één derde vallen om in aanmerking te komen
voor voorwaardelijke invrijheidstelling (tenzij men onder een van de voor voorwaardelijke invrijheidstelling (tenzij men onder een van de
uitzonderingsregimes valt uit artikel 25, § 2, c) tot e) WERP). Dit uitzonderingsregimes valt uit artikel 25, § 2, c) tot e) WERP). Dit
strookt uiteraard niet met het oorspronkelijke opzet om voor strookt uiteraard niet met het oorspronkelijke opzet om voor
recidivisten strengere tijdsvoorwaarden voor voorwaardelijke recidivisten strengere tijdsvoorwaarden voor voorwaardelijke
invrijheidstelling te bepalen. Het doel van dit wetsvoorstel is dan invrijheidstelling te bepalen. Het doel van dit wetsvoorstel is dan
ook om de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde discriminatie te ook om de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde discriminatie te
remediëren zodat voortaan in alle gevallen van recidive men pas na remediëren zodat voortaan in alle gevallen van recidive men pas na
twee derde van zijn straf voorwaardelijk kan vrijkomen. Wij wensen, in twee derde van zijn straf voorwaardelijk kan vrijkomen. Wij wensen, in
afwachting van een algemene hervorming van het Strafwetboek, voorlopig afwachting van een algemene hervorming van het Strafwetboek, voorlopig
niet te raken aan de regelgeving rond wettelijke herhaling. In plaats niet te raken aan de regelgeving rond wettelijke herhaling. In plaats
daarvan wordt geopteerd om de situatie van herhaling ' misdaad na daarvan wordt geopteerd om de situatie van herhaling ' misdaad na
wanbedrijf ' op te nemen in de Wet Externe rechtspositie zelf. Door de wanbedrijf ' op te nemen in de Wet Externe rechtspositie zelf. Door de
definitie van het begrip ' staat van herhaling ' in artikel 2, 7°, definitie van het begrip ' staat van herhaling ' in artikel 2, 7°,
WERP te vervolledigen met de situatie ' misdaad na wanbedrijf ', zal WERP te vervolledigen met de situatie ' misdaad na wanbedrijf ', zal
ook dit type herhaling onder artikel 25, § 2, b) WERP vallen, met de ook dit type herhaling onder artikel 25, § 2, b) WERP vallen, met de
toepasselijke tijdsvoorwaarde van twee derden tot gevolg » (Parl. St., toepasselijke tijdsvoorwaarde van twee derden tot gevolg » (Parl. St.,
Kamer, 2018-2019, DOC 54-3213/001, pp. 4-6; zie ook Parl. St., Kamer, Kamer, 2018-2019, DOC 54-3213/001, pp. 4-6; zie ook Parl. St., Kamer,
2018-2019, DOC 54-3213/003, pp. 3-4). 2018-2019, DOC 54-3213/003, pp. 3-4).
B.1.3. Oorspronkelijk zou de wijziging betrekking hebben op artikel 2 B.1.3. Oorspronkelijk zou de wijziging betrekking hebben op artikel 2
van de wet van 17 mei 2006 « betreffende de externe rechtspositie van van de wet van 17 mei 2006 « betreffende de externe rechtspositie van
de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer
toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten » toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten »
(hierna : de wet van 17 mei 2006) (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC (hierna : de wet van 17 mei 2006) (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC
54-3213/001). 54-3213/001).
In het amendement dat ten grondslag ligt aan de bestreden bepaling, en In het amendement dat ten grondslag ligt aan de bestreden bepaling, en
waarvan de hoofdindienster preciseert dat het hetzelfde onderwerp en waarvan de hoofdindienster preciseert dat het hetzelfde onderwerp en
dezelfde draagwijdte heeft als de wijziging die werd beoogd in het dezelfde draagwijdte heeft als de wijziging die werd beoogd in het
wetsvoorstel dat eraan voorafging, wordt uiteindelijk geopteerd voor wetsvoorstel dat eraan voorafging, wordt uiteindelijk geopteerd voor
een wijziging van het Strafwetboek : een wijziging van het Strafwetboek :
« [De] hoofdindienster [van het wetsvoorstel] legt uit dat als gevolg « [De] hoofdindienster [van het wetsvoorstel] legt uit dat als gevolg
van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en bij gebrek aan een van de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en bij gebrek aan een
wetgevend initiatief ter zake in de praktijk thans alle recidivisten, wetgevend initiatief ter zake in de praktijk thans alle recidivisten,
ongeacht wettelijke herhaling werd vastgesteld of niet, al na één ongeacht wettelijke herhaling werd vastgesteld of niet, al na één
derde van de uitgezeten straf in aanmerking komen voor voorwaardelijke derde van de uitgezeten straf in aanmerking komen voor voorwaardelijke
invrijheidstelling. Dit voorstel wil in afwachting van een algemene invrijheidstelling. Dit voorstel wil in afwachting van een algemene
hervorming van het Strafwetboek deze situatie alvast verhelpen door de hervorming van het Strafwetboek deze situatie alvast verhelpen door de
definitie van het begrip ' staat van herhaling ' zoals geformuleerd in definitie van het begrip ' staat van herhaling ' zoals geformuleerd in
de wet over de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te breiden tot de wet over de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te breiden tot
het geval van ' misdaad na wanbedrijf '. Aldus bestaat ook voor dit het geval van ' misdaad na wanbedrijf '. Aldus bestaat ook voor dit
type herhaling een wettelijke bepaling op grond waarvan de type herhaling een wettelijke bepaling op grond waarvan de
minimumtermijn voor voorwaardelijke invrijheidstelling van twee derden minimumtermijn voor voorwaardelijke invrijheidstelling van twee derden
van de uitgezeten straf toepasselijk is. van de uitgezeten straf toepasselijk is.
[De hoofdindienster en andere leden] [dienen] op dit artikel [De hoofdindienster en andere leden] [dienen] op dit artikel
amendement nr. 1 in (DOC 54-3213/002). De hoofdindienster legt uit dat amendement nr. 1 in (DOC 54-3213/002). De hoofdindienster legt uit dat
dit amendement hetzelfde onderwerp en dezelfde draagwijdte heeft als dit amendement hetzelfde onderwerp en dezelfde draagwijdte heeft als
de met haar wetsvoorstel beoogde wijziging met dien verstande dat het de met haar wetsvoorstel beoogde wijziging met dien verstande dat het
amendement de wijziging van het Strafwetboek, met name de invoeging amendement de wijziging van het Strafwetboek, met name de invoeging
van een artikel 55bis, beoogt in plaats van een wijziging van artikel van een artikel 55bis, beoogt in plaats van een wijziging van artikel
2 van de wet van 17 mei 2006. 2 van de wet van 17 mei 2006.
De spreekster verduidelijkt dat de wetgeving vandaag in geen straf De spreekster verduidelijkt dat de wetgeving vandaag in geen straf
[lees : strafverzwaring] voorziet voor de hypothese van misdaad na [lees : strafverzwaring] voorziet voor de hypothese van misdaad na
wanbedrijf. Men heeft altijd gedacht dat de straf voldoende zwaar was wanbedrijf. Men heeft altijd gedacht dat de straf voldoende zwaar was
en dat er genoeg marge was om dit toch te kunnen bestraffen. Terwijl en dat er genoeg marge was om dit toch te kunnen bestraffen. Terwijl
dit vroeger een logische gedachtegang was, is dit vandaag door alle dit vroeger een logische gedachtegang was, is dit vandaag door alle
instrumenten van correctionalisering niet meer het geval. De instrumenten van correctionalisering niet meer het geval. De
doorrekening van de staat van herhaling bij de strafuitvoering staat doorrekening van de staat van herhaling bij de strafuitvoering staat
hierdoor onder druk. Over deze problematiek is reeds veel rechtspraak hierdoor onder druk. Over deze problematiek is reeds veel rechtspraak
voorhanden. In een arrest van 7 februari 2018 heeft het Grondwettelijk voorhanden. In een arrest van 7 februari 2018 heeft het Grondwettelijk
Hof geoordeeld dat de wet Lejeune de artikelen 10 en 11 van de Hof geoordeeld dat de wet Lejeune de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet schendt. Het Hof is van oordeel dat recidivisten dezelfde Grondwet schendt. Het Hof is van oordeel dat recidivisten dezelfde
kansen moeten krijgen om voorwaardelijk vrij te komen. Het verschil kansen moeten krijgen om voorwaardelijk vrij te komen. Het verschil
tussen één derde en twee derde van de strafmaat is volgens het Hof tussen één derde en twee derde van de strafmaat is volgens het Hof
discriminerend en dus ongrondwettelijk. Voorliggend amendement beoogt discriminerend en dus ongrondwettelijk. Voorliggend amendement beoogt
daarom de invoeging in het Strafwetboek van een herhalingsgrond voor daarom de invoeging in het Strafwetboek van een herhalingsgrond voor
de hypothese van misdaad na wanbedrijf. Aldus zal men geen ' voordeel de hypothese van misdaad na wanbedrijf. Aldus zal men geen ' voordeel
' meer hebben in geval van een verwijzing naar een hof van assisen ' meer hebben in geval van een verwijzing naar een hof van assisen
indien men reeds eerder een correctionele veroordeling heeft gehad. De indien men reeds eerder een correctionele veroordeling heeft gehad. De
strafverzwaring zal kunnen wordt opgelegd, ongeacht het rechtscollege strafverzwaring zal kunnen wordt opgelegd, ongeacht het rechtscollege
waarvoor men verschijnt. Door deze ongelijkheid in de fase van de waarvoor men verschijnt. Door deze ongelijkheid in de fase van de
straftoemeting weg te werken, geeft een gecombineerde lezing van de in straftoemeting weg te werken, geeft een gecombineerde lezing van de in
het geding betrokken artikelen voor het Grondwettelijk Hof niet meer het geding betrokken artikelen voor het Grondwettelijk Hof niet meer
de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongelijkheid. de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde ongelijkheid.
De spreekster merkt op dat de wet Lejeune reeds in 1888 bepaalde dat De spreekster merkt op dat de wet Lejeune reeds in 1888 bepaalde dat
een recidivist strenger kan worden bestraft. De wet is sedertdien een recidivist strenger kan worden bestraft. De wet is sedertdien
herhaaldelijk aangepast maar aan dit uitgangspunt, het onderscheid herhaaldelijk aangepast maar aan dit uitgangspunt, het onderscheid
tussen recidive en niet-recidive, werd nooit geraakt. De spreker acht tussen recidive en niet-recidive, werd nooit geraakt. De spreker acht
het belangrijk dat ook vandaag dit onderscheid kan worden gehandhaafd. het belangrijk dat ook vandaag dit onderscheid kan worden gehandhaafd.
Haar amendement nr. 1 strekt hiertoe. Haar amendement nr. 1 strekt hiertoe.
Voor de bespreking van dit amendement wordt eveneens verwezen naar het Voor de bespreking van dit amendement wordt eveneens verwezen naar het
verslag van de algemene bespreking van het wetsvoorstel houdende verslag van de algemene bespreking van het wetsvoorstel houdende
diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, DOC diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, DOC
54-3515/005, en naar de toelichting van artikel 67 van voornoemd 54-3515/005, en naar de toelichting van artikel 67 van voornoemd
wetsvoorstel (DOC 54-3515/001, p. 83 tot 89) ». (Parl. St., Kamer, wetsvoorstel (DOC 54-3515/001, p. 83 tot 89) ». (Parl. St., Kamer,
2018-2019, DOC 54-3213/003, pp. 3-4). 2018-2019, DOC 54-3213/003, pp. 3-4).
B.1.4. Artikel 55bis van het Strafwetboek, zoals ingevoegd bij artikel B.1.4. Artikel 55bis van het Strafwetboek, zoals ingevoegd bij artikel
2 van de wet van 5 mei 2019, bepaalt : 2 van de wet van 5 mei 2019, bepaalt :
« Hij die, na tot een gevangenisstraf van ten minste een jaar te zijn « Hij die, na tot een gevangenisstraf van ten minste een jaar te zijn
veroordeeld en voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf veroordeeld en voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf
heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is, een misdaad pleegt heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is, een misdaad pleegt
die strafbaar is met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar of die strafbaar is met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar of
hechtenis van vijf jaar tot tien jaar, kan worden veroordeeld tot hechtenis van vijf jaar tot tien jaar, kan worden veroordeeld tot
respectievelijk opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar of respectievelijk opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar of
hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar. hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar.
Indien de misdaad strafbaar is met opsluiting van tien jaar tot Indien de misdaad strafbaar is met opsluiting van tien jaar tot
vijftien jaar of hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar, kan de vijftien jaar of hechtenis van tien jaar tot vijftien jaar, kan de
schuldige worden veroordeeld tot respectievelijk opsluiting van schuldige worden veroordeeld tot respectievelijk opsluiting van
vijftien jaar tot twintig jaar of hechtenis van vijftien jaar tot vijftien jaar tot twintig jaar of hechtenis van vijftien jaar tot
twintig jaar. twintig jaar.
Hij wordt veroordeeld tot respectievelijk ten minste zeventien jaar Hij wordt veroordeeld tot respectievelijk ten minste zeventien jaar
opsluiting of ten minste zeventien jaar hechtenis, indien de misdaad opsluiting of ten minste zeventien jaar hechtenis, indien de misdaad
strafbaar is met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar of strafbaar is met opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar of
hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar ». hechtenis van vijftien jaar tot twintig jaar ».
Ten aanzien van het eerste middel Ten aanzien van het eerste middel
B.2. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de B.2. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de
schending, door artikel 2 van de wet van 5 mei 2019, in zoverre het schending, door artikel 2 van de wet van 5 mei 2019, in zoverre het
een nieuw artikel 55bis invoegt in het Strafwetboek, van de artikelen een nieuw artikel 55bis invoegt in het Strafwetboek, van de artikelen
10 en 11 van de Grondwet. 10 en 11 van de Grondwet.
De verzoekende partij doet gelden dat de bestreden bepaling, in De verzoekende partij doet gelden dat de bestreden bepaling, in
zoverre zij meerdere gevallen van herhaling van zoverre zij meerdere gevallen van herhaling van
niet-gecorrectionaliseerde misdaad na wanbedrijf niet opneemt in haar niet-gecorrectionaliseerde misdaad na wanbedrijf niet opneemt in haar
toepassingsgebied, meerdere verschillen in behandeling laat toepassingsgebied, meerdere verschillen in behandeling laat
voortbestaan wat betreft de maximumduur van de vrijheidsstraf die kan voortbestaan wat betreft de maximumduur van de vrijheidsstraf die kan
worden uitgesproken door het hof van assisen, indien het verzachtende worden uitgesproken door het hof van assisen, indien het verzachtende
omstandigheden aanneemt, of door de correctionele rechtbank, na omstandigheden aanneemt, of door de correctionele rechtbank, na
correctionalisering, ten laste van personen die worden vervolgd voor correctionalisering, ten laste van personen die worden vervolgd voor
een misdaad die strafbaar is met opsluiting van 15 tot 20 jaar, met een misdaad die strafbaar is met opsluiting van 15 tot 20 jaar, met
opsluiting van 20 tot 30 jaar, of met levenslange opsluiting. opsluiting van 20 tot 30 jaar, of met levenslange opsluiting.
Volgens de verzoekende partij is de maximumduur van de Volgens de verzoekende partij is de maximumduur van de
vrijheidsstraffen die kunnen worden uitgesproken door een vrijheidsstraffen die kunnen worden uitgesproken door een
correctionele rechtbank, immers langer dan de maximumduur van de correctionele rechtbank, immers langer dan de maximumduur van de
vrijheidsstraffen die kunnen worden uitgesproken door een hof van vrijheidsstraffen die kunnen worden uitgesproken door een hof van
assisen, hetgeen discriminerend zou zijn, zoals het Hof heeft assisen, hetgeen discriminerend zou zijn, zoals het Hof heeft
geoordeeld bij zijn arrest nr. 199/2011 van 22 december 2011. geoordeeld bij zijn arrest nr. 199/2011 van 22 december 2011.
Uit de uiteenzetting van het middel kan worden afgeleid dat de beoogde Uit de uiteenzetting van het middel kan worden afgeleid dat de beoogde
veroordelingen, de veroordelingen zijn betreffende een misdaad die is veroordelingen, de veroordelingen zijn betreffende een misdaad die is
gepleegd minder dan vijf jaar nadat de betrokkene een gevangenisstraf gepleegd minder dan vijf jaar nadat de betrokkene een gevangenisstraf
van ten minste één jaar heeft ondergaan of sinds die straf verjaard van ten minste één jaar heeft ondergaan of sinds die straf verjaard
is. is.
B.3.1. Bij zijn arrest nr. 193/2011 van 15 december 2011 heeft het Hof B.3.1. Bij zijn arrest nr. 193/2011 van 15 december 2011 heeft het Hof
geoordeeld : geoordeeld :
« Artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek, in samenhang gelezen « Artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek, in samenhang gelezen
met artikel 25 van hetzelfde Wetboek en met artikel 2, eerste lid en met artikel 25 van hetzelfde Wetboek en met artikel 2, eerste lid en
derde lid, van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende derde lid, van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende
omstandigheden, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doch omstandigheden, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doch
enkel in zoverre het toelaat de inverdenkinggestelde die naar de enkel in zoverre het toelaat de inverdenkinggestelde die naar de
correctionele rechtbank is verwezen wegens een gecorrectionaliseerde correctionele rechtbank is verwezen wegens een gecorrectionaliseerde
misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een
gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die
straf is verjaard, te veroordelen tot een hogere straf dan die welke straf is verjaard, te veroordelen tot een hogere straf dan die welke
kan worden uitgesproken ten aanzien van de inverdenkinggestelde die kan worden uitgesproken ten aanzien van de inverdenkinggestelde die
wegens dezelfde misdaad die in diezelfde omstandigheid is gepleegd, wegens dezelfde misdaad die in diezelfde omstandigheid is gepleegd,
naar het hof van assisen is verwezen ». naar het hof van assisen is verwezen ».
B.3.2. Bij zijn arrest nr. 199/2011 van 22 december 2011 heeft het Hof B.3.2. Bij zijn arrest nr. 199/2011 van 22 december 2011 heeft het Hof
geoordeeld : geoordeeld :
« Artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek, in samenhang gelezen « Artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek, in samenhang gelezen
met artikel 25 van hetzelfde Wetboek, met artikel 216novies van het met artikel 25 van hetzelfde Wetboek, met artikel 216novies van het
Wetboek van strafvordering en met artikel 2, eerste lid en derde lid, Wetboek van strafvordering en met artikel 2, eerste lid en derde lid,
van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden,
schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doch enkel in zoverre schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doch enkel in zoverre
het toelaat de inverdenkinggestelde die naar de correctionele het toelaat de inverdenkinggestelde die naar de correctionele
rechtbank is verwezen wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die is rechtbank is verwezen wegens een gecorrectionaliseerde misdaad die is
gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van gepleegd minder dan vijf jaar nadat hij een gevangenisstraf van
minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die straf is verjaard, te minstens één jaar heeft ondergaan of nadat die straf is verjaard, te
veroordelen tot een hogere straf dan die welke kan worden uitgesproken veroordelen tot een hogere straf dan die welke kan worden uitgesproken
ten aanzien van de inverdenkinggestelde die wegens dezelfde misdaad ten aanzien van de inverdenkinggestelde die wegens dezelfde misdaad
die in diezelfde omstandigheid is gepleegd, verwezen is naar het hof die in diezelfde omstandigheid is gepleegd, verwezen is naar het hof
van assisen dat verzachtende omstandigheden in aanmerking neemt ». van assisen dat verzachtende omstandigheden in aanmerking neemt ».
B.3.3. Zoals de Ministerraad onderstreept, vloeien de door de B.3.3. Zoals de Ministerraad onderstreept, vloeien de door de
verzoekende partij opgeworpen verschillen in behandeling niet voort verzoekende partij opgeworpen verschillen in behandeling niet voort
uit de bestreden bepaling, maar, zoals het Hof heeft geoordeeld bij de uit de bestreden bepaling, maar, zoals het Hof heeft geoordeeld bij de
voormelde arresten nrs. 193/2011 en 199/2011, uit artikel 56, tweede voormelde arresten nrs. 193/2011 en 199/2011, uit artikel 56, tweede
lid, van het Strafwetboek, in samenhang gelezen met artikel 25 van lid, van het Strafwetboek, in samenhang gelezen met artikel 25 van
hetzelfde Wetboek en met artikel 2, eerste lid en derde lid, van de hetzelfde Wetboek en met artikel 2, eerste lid en derde lid, van de
wet van 4 oktober 1867 « op de verzachtende omstandigheden ». wet van 4 oktober 1867 « op de verzachtende omstandigheden ».
Het Hof wordt immers in het middel verzocht een vergelijking te maken Het Hof wordt immers in het middel verzocht een vergelijking te maken
tussen personen die worden vervolgd voor een misdaad die is gepleegd tussen personen die worden vervolgd voor een misdaad die is gepleegd
minder dan vijf jaar nadat de betrokkene een gevangenisstraf van ten minder dan vijf jaar nadat de betrokkene een gevangenisstraf van ten
minste één jaar heeft ondergaan of die straf verjaard is, en die minste één jaar heeft ondergaan of die straf verjaard is, en die
strafbaar is met opsluiting van 15 tot 20 jaar, met opsluiting van 20 strafbaar is met opsluiting van 15 tot 20 jaar, met opsluiting van 20
tot 30 jaar, of met levenslange opsluiting, naargelang die personen tot 30 jaar, of met levenslange opsluiting, naargelang die personen
worden verwezen naar het hof van assisen of naar de correctionele worden verwezen naar het hof van assisen of naar de correctionele
rechtbank. Het feit dat de maximumduur van de vrijheidsstraf die kan rechtbank. Het feit dat de maximumduur van de vrijheidsstraf die kan
worden uitgesproken langer is in geval van verschijning voor de worden uitgesproken langer is in geval van verschijning voor de
correctionele rechtbank dan bij verschijning voor het hof van assisen, correctionele rechtbank dan bij verschijning voor het hof van assisen,
vloeit niet voort uit de bestreden bepaling - ook al zou die een einde vloeit niet voort uit de bestreden bepaling - ook al zou die een einde
maken aan bepaalde verschillen in behandeling die het Hof maken aan bepaalde verschillen in behandeling die het Hof
discriminerend heeft geacht in zijn arresten nrs. 193/2011 en 199/2011 discriminerend heeft geacht in zijn arresten nrs. 193/2011 en 199/2011
-, maar uit de voormelde bepalingen. -, maar uit de voormelde bepalingen.
Het komt bijgevolg het Hof niet toe, in het kader van het onderhavige Het komt bijgevolg het Hof niet toe, in het kader van het onderhavige
beroep, na te gaan of de bekritiseerde verschillen in behandeling beroep, na te gaan of de bekritiseerde verschillen in behandeling
bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en
niet-discriminatie, in het licht van met name de voormelde arresten niet-discriminatie, in het licht van met name de voormelde arresten
nrs. 193/2011 en 199/2011. nrs. 193/2011 en 199/2011.
B.4. Het eerste middel is niet gegrond. B.4. Het eerste middel is niet gegrond.
Ten aanzien van het tweede middel Ten aanzien van het tweede middel
B.5. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de B.5. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de
schending, door artikel 2 van de wet van 5 mei 2019, in zoverre het schending, door artikel 2 van de wet van 5 mei 2019, in zoverre het
een nieuw artikel 55bis invoegt in het Strafwetboek, van de artikelen een nieuw artikel 55bis invoegt in het Strafwetboek, van de artikelen
10 en 11 van de Grondwet en van het grondwettelijk beginsel van 10 en 11 van de Grondwet en van het grondwettelijk beginsel van
gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre het meerdere verschillen gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre het meerdere verschillen
in behandeling doet ontstaan, inzake strafuitvoering, wat betreft het in behandeling doet ontstaan, inzake strafuitvoering, wat betreft het
tijdstip waarop men voor de voorwaardelijke invrijheidstelling in tijdstip waarop men voor de voorwaardelijke invrijheidstelling in
aanmerking komt. aanmerking komt.
De verzoekende partij doet gelden dat de bestreden bepaling een De verzoekende partij doet gelden dat de bestreden bepaling een
verschil in behandeling doet ontstaan tussen de personen die, na een verschil in behandeling doet ontstaan tussen de personen die, na een
eerste veroordeling tot een criminele straf (artikel 54 van het eerste veroordeling tot een criminele straf (artikel 54 van het
Strafwetboek) of binnen een termijn van vijf jaar volgend op de Strafwetboek) of binnen een termijn van vijf jaar volgend op de
tenuitvoerlegging of de verjaring van een gevangenisstraf van ten tenuitvoerlegging of de verjaring van een gevangenisstraf van ten
minste één jaar (artikel 55bis van het Strafwetboek), worden minste één jaar (artikel 55bis van het Strafwetboek), worden
veroordeeld wegens een misdaad die strafbaar is met levenslange veroordeeld wegens een misdaad die strafbaar is met levenslange
opsluiting of met opsluiting van 20 tot 30 jaar (eerste geval) en de opsluiting of met opsluiting van 20 tot 30 jaar (eerste geval) en de
personen die, hoewel zij dezelfde antecedenten hebben, worden personen die, hoewel zij dezelfde antecedenten hebben, worden
veroordeeld wegens een wanbedrijf of een misdaad die strafbaar is met veroordeeld wegens een wanbedrijf of een misdaad die strafbaar is met
opsluiting van maximum 20 jaar (tweede geval). opsluiting van maximum 20 jaar (tweede geval).
In het eerste geval bevinden de personen zich niet in staat van In het eerste geval bevinden de personen zich niet in staat van
herhaling, in de zin van artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei herhaling, in de zin van artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei
2006, en komen zij dus in aanmerking voor de voorwaardelijke 2006, en komen zij dus in aanmerking voor de voorwaardelijke
invrijheidstelling zodra zij één derde van hun straf hebben ondergaan invrijheidstelling zodra zij één derde van hun straf hebben ondergaan
terwijl, in het tweede geval, de personen zich wel in staat van terwijl, in het tweede geval, de personen zich wel in staat van
herhaling bevinden, in de zin van diezelfde bepaling, zodat zij pas in herhaling bevinden, in de zin van diezelfde bepaling, zodat zij pas in
aanmerking komen voor de voorwaardelijke invrijheidstelling voor zover aanmerking komen voor de voorwaardelijke invrijheidstelling voor zover
zij twee derden van hun straf hebben ondergaan. zij twee derden van hun straf hebben ondergaan.
B.6.1. Bij zijn arrest nr. 185/2014 van 18 december 2014 heeft het Hof B.6.1. Bij zijn arrest nr. 185/2014 van 18 december 2014 heeft het Hof
geoordeeld : geoordeeld :
« - Artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek, in samenhang gelezen « - Artikel 56, tweede lid, van het Strafwetboek, in samenhang gelezen
met artikel 25 van hetzelfde Wetboek, met artikel 2 van de wet van 4 met artikel 25 van hetzelfde Wetboek, met artikel 2 van de wet van 4
oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden en met artikel 25, § 2, oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden en met artikel 25, § 2,
b), van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie b), van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie
van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer
toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten,
schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doch enkel in zoverre schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doch enkel in zoverre
het tot gevolg heeft de persoon die voor een poging tot moord is het tot gevolg heeft de persoon die voor een poging tot moord is
veroordeeld door de correctionele rechtbank wegens een veroordeeld door de correctionele rechtbank wegens een
gecorrectionaliseerde misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar gecorrectionaliseerde misdaad die is gepleegd minder dan vijf jaar
nadat hij een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of nadat hij een gevangenisstraf van minstens één jaar heeft ondergaan of
nadat die straf is verjaard, langer uit te sluiten van de mogelijkheid nadat die straf is verjaard, langer uit te sluiten van de mogelijkheid
van een voorwaardelijke invrijheidstelling dan de persoon die door het van een voorwaardelijke invrijheidstelling dan de persoon die door het
hof van assisen tot een criminele straf is veroordeeld wegens dezelfde hof van assisen tot een criminele straf is veroordeeld wegens dezelfde
misdaad die in diezelfde omstandigheid is gepleegd. misdaad die in diezelfde omstandigheid is gepleegd.
- De gevolgen van die wetsbepaling worden gehandhaafd tot de - De gevolgen van die wetsbepaling worden gehandhaafd tot de
inwerkingtreding van een wet die aan die discriminatie een einde maakt inwerkingtreding van een wet die aan die discriminatie een einde maakt
en uiterlijk tot 31 juli 2015 ». en uiterlijk tot 31 juli 2015 ».
B.6.2. Bij zijn arrest nr. 102/2017 van 26 juli 2017 heeft het Hof B.6.2. Bij zijn arrest nr. 102/2017 van 26 juli 2017 heeft het Hof
geoordeeld dat de in het voormelde arrest nr. 185/2014 vervatte geoordeeld dat de in het voormelde arrest nr. 185/2014 vervatte
vaststelling van een schending, met betrekking tot de datum waarop men vaststelling van een schending, met betrekking tot de datum waarop men
voor de voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking kan komen, voor de voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking kan komen,
kan worden overgenomen ten aanzien van een met opsluiting van vijftien kan worden overgenomen ten aanzien van een met opsluiting van vijftien
tot twintig jaar strafbare misdaad die is gecorrectionaliseerd. tot twintig jaar strafbare misdaad die is gecorrectionaliseerd.
B.6.3. Bij zijn arrest nr. 15/2018 van 7 februari 2018 heeft het Hof B.6.3. Bij zijn arrest nr. 15/2018 van 7 februari 2018 heeft het Hof
geoordeeld : geoordeeld :
« Artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006 ' betreffende de « Artikel 25, § 2, b), van de wet van 17 mei 2006 ' betreffende de
externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en
de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de
strafuitvoeringmodaliteiten ', in de versie ervan die van toepassing strafuitvoeringmodaliteiten ', in de versie ervan die van toepassing
is voor de verwijzende rechter, in samenhang gelezen met de artikelen is voor de verwijzende rechter, in samenhang gelezen met de artikelen
25, 56, tweede en derde lid, en 80 van het Strafwetboek en met artikel 25, 56, tweede en derde lid, en 80 van het Strafwetboek en met artikel
2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden, 2 van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden,
schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het tot schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het tot
gevolg heeft dat een persoon die, in staat van wettelijke herhaling, gevolg heeft dat een persoon die, in staat van wettelijke herhaling,
door een correctioneel rechtscollege wordt veroordeeld tot een door een correctioneel rechtscollege wordt veroordeeld tot een
gevangenisstraf wegens een wanbedrijf of een gecorrectionaliseerde gevangenisstraf wegens een wanbedrijf of een gecorrectionaliseerde
misdaad die oorspronkelijk, vóór de correctionalisering ervan, misdaad die oorspronkelijk, vóór de correctionalisering ervan,
strafbaar was met de straf van opsluiting van vijf tot tien jaar, in strafbaar was met de straf van opsluiting van vijf tot tien jaar, in
aanmerking komt voor de voorwaardelijke invrijheidstelling na twee aanmerking komt voor de voorwaardelijke invrijheidstelling na twee
derde van zijn straf te hebben ondergaan, terwijl een persoon die, in derde van zijn straf te hebben ondergaan, terwijl een persoon die, in
staat van wettelijke herhaling, door een correctioneel rechtscollege staat van wettelijke herhaling, door een correctioneel rechtscollege
wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een
gecorrectionaliseerde misdaad die oorspronkelijk, vóór de gecorrectionaliseerde misdaad die oorspronkelijk, vóór de
correctionalisering ervan, strafbaar was met een andere straf van correctionalisering ervan, strafbaar was met een andere straf van
opsluiting, in aanmerking komt voor de voorwaardelijke opsluiting, in aanmerking komt voor de voorwaardelijke
invrijheidstelling na een derde ervan te hebben ondergaan ». invrijheidstelling na een derde ervan te hebben ondergaan ».
B.6.4. Zoals de Ministerraad onderstreept, vloeien de door de B.6.4. Zoals de Ministerraad onderstreept, vloeien de door de
verzoekende partij opgeworpen verschillen in behandeling niet verzoekende partij opgeworpen verschillen in behandeling niet
rechtstreeks voort uit de bestreden bepaling, die op zich niet ertoe rechtstreeks voort uit de bestreden bepaling, die op zich niet ertoe
strekt de voorwaarden te regelen om in aanmerking te komen voor de strekt de voorwaarden te regelen om in aanmerking te komen voor de
voorwaardelijke invrijheidstelling. voorwaardelijke invrijheidstelling.
De verschillen in behandeling vloeien voort uit artikel 25, § 2, b), De verschillen in behandeling vloeien voort uit artikel 25, § 2, b),
van de wet van 17 mei 2006, in zoverre het bepaalt dat de van de wet van 17 mei 2006, in zoverre het bepaalt dat de
voorwaardelijke invrijheidstelling slechts kan worden toegekend voor voorwaardelijke invrijheidstelling slechts kan worden toegekend voor
zover de veroordeelde, « indien in het vonnis of in het arrest van zover de veroordeelde, « indien in het vonnis of in het arrest van
veroordeling is vastgesteld dat [hij] zich in staat van herhaling veroordeling is vastgesteld dat [hij] zich in staat van herhaling
bevond, twee derden van die straffen heeft ondergaan, zonder dat de bevond, twee derden van die straffen heeft ondergaan, zonder dat de
duur van de reeds ondergane straffen meer dan veertien jaar bedraagt, duur van de reeds ondergane straffen meer dan veertien jaar bedraagt,
onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid, onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 195, vierde lid,
of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering », en uit of 344, vierde lid, van het Wetboek van strafvordering », en uit
artikel 2, 7°, van dezelfde wet, dat bepaalt dat, voor de toepassing artikel 2, 7°, van dezelfde wet, dat bepaalt dat, voor de toepassing
van die wet en van haar uitvoeringsbesluiten, onder « staat van van die wet en van haar uitvoeringsbesluiten, onder « staat van
herhaling » wordt verstaan « de herhaling zoals gedefinieerd door het herhaling » wordt verstaan « de herhaling zoals gedefinieerd door het
Strafwetboek en door bijzondere strafwetten en die is vastgesteld in Strafwetboek en door bijzondere strafwetten en die is vastgesteld in
het vonnis of arrest van veroordeling door de uitdrukkelijke het vonnis of arrest van veroordeling door de uitdrukkelijke
verwijzing naar de veroordeling die aan de herhaling ten grondslag verwijzing naar de veroordeling die aan de herhaling ten grondslag
ligt ». ligt ».
De omstandigheid dat de wetgever, met de aanneming van de bestreden De omstandigheid dat de wetgever, met de aanneming van de bestreden
bepaling, die voorziet in nieuwe gevallen van herhaling van misdaad op bepaling, die voorziet in nieuwe gevallen van herhaling van misdaad op
wanbedrijf in het kader waarvan een strafverzwaring kan of moet worden wanbedrijf in het kader waarvan een strafverzwaring kan of moet worden
uitgesproken, daarnaast tot doel heeft gehad indirect een einde te uitgesproken, daarnaast tot doel heeft gehad indirect een einde te
maken aan een verschil in behandeling dat door het Hof discriminerend maken aan een verschil in behandeling dat door het Hof discriminerend
was geacht inzake strafuitvoering - zoals in B.1.2 is vermeld -, leidt was geacht inzake strafuitvoering - zoals in B.1.2 is vermeld -, leidt
niet tot een andere conclusie. niet tot een andere conclusie.
Het komt bijgevolg het Hof niet toe, in het kader van het onderhavige Het komt bijgevolg het Hof niet toe, in het kader van het onderhavige
beroep, na te gaan of de bekritiseerde verschillen in behandeling beroep, na te gaan of de bekritiseerde verschillen in behandeling
bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en bestaanbaar zijn met het beginsel van gelijkheid en
niet-discriminatie, in het licht van met name de voormelde arresten niet-discriminatie, in het licht van met name de voormelde arresten
nrs. 185/2014, 102/2017 en 15/2018. nrs. 185/2014, 102/2017 en 15/2018.
B.7. Het tweede middel is niet gegrond. B.7. Het tweede middel is niet gegrond.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
verwerpt het beroep. verwerpt het beroep.
Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits,
overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op
het Grondwettelijk Hof, op 14 oktober 2021. het Grondwettelijk Hof, op 14 oktober 2021.
De griffier, De griffier,
F. Meersschaut F. Meersschaut
De voorzitter, De voorzitter,
F. Daoût F. Daoût
^