Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 125/2021 van 30 september 2021 Rolnummer 7552 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststel Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter L. Lavrysen, de rechters M. Pâques, Y. Kherb(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 125/2021 van 30 september 2021 Rolnummer 7552 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststel Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter L. Lavrysen, de rechters M. Pâques, Y. Kherb(...) Uittreksel uit arrest nr. 125/2021 van 30 september 2021 Rolnummer 7552 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststel Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter L. Lavrysen, de rechters M. Pâques, Y. Kherb(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 125/2021 van 30 september 2021 Uittreksel uit arrest nr. 125/2021 van 30 september 2021
Rolnummer 7552 Rolnummer 7552
In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 42 van de In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 42 van de
ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999
« betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de
bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », in de versie vóór de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », in de versie vóór de
wijziging en de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie wijziging en de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie
van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014, ingesteld van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014, ingesteld
door de vennootschap naar Duits recht « European Air Transport Leipzig door de vennootschap naar Duits recht « European Air Transport Leipzig
GmbH ». GmbH ».
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit voorzitter L. Lavrysen, de rechters M. Pâques, Y. samengesteld uit voorzitter L. Lavrysen, de rechters M. Pâques, Y.
Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, en, overeenkomstig artikel 60bis Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, en, overeenkomstig artikel 60bis
van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof,
emeritus voorzitter F. Daoût en emeritus rechter T. Merckx-Van Goey, emeritus voorzitter F. Daoût en emeritus rechter T. Merckx-Van Goey,
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van
emeritus voorzitter F. Daoût, emeritus voorzitter F. Daoût,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 april 2021 Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 april 2021
ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 april ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 april
2021, heeft de vennootschap naar Duits recht « European Air Transport 2021, heeft de vennootschap naar Duits recht « European Air Transport
Leipzig GmbH », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Leidgens, Leipzig GmbH », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Leidgens,
advocaat bij de balie te Brussel, ingevolge het arrest van het Hof nr. advocaat bij de balie te Brussel, ingevolge het arrest van het Hof nr.
73/2020 van 28 mei 2020 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 73/2020 van 28 mei 2020 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van
5 oktober 2020), beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 42 van 5 oktober 2020), beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 42 van
de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart
1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de
bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », in de versie vóór de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », in de versie vóór de
wijziging en de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie wijziging en de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie
van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014. van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014.
Op 28 april 2021 hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. Op 28 april 2021 hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y.
Kherbache, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de Kherbache, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de
bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof
ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht
voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest
gewezen op voorafgaande rechtspleging. gewezen op voorafgaande rechtspleging.
(...) (...)
II. In rechte II. In rechte
(...) (...)
B.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 42 B.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 42
van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25
maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging
en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu » (hierna : de en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu » (hierna : de
ordonnantie van 25 maart 1999), in de versie die van toepassing is ordonnantie van 25 maart 1999), in de versie die van toepassing is
vóór de wijziging en hernummering ervan bij artikel 61 van de vóór de wijziging en hernummering ervan bij artikel 61 van de
ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014 « ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014 «
tot wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de tot wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de
opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van
misdrijven inzake leefmilieu alsook andere wetgevingen inzake milieu, misdrijven inzake leefmilieu alsook andere wetgevingen inzake milieu,
en tot instelling van een Wetboek van inspectie, preventie, en tot instelling van een Wetboek van inspectie, preventie,
vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en
milieuaansprakelijkheid ». milieuaansprakelijkheid ».
Artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 bepaalt : Artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 bepaalt :
« Indien binnen drie jaar na de datum van het proces-verbaal een nieuw « Indien binnen drie jaar na de datum van het proces-verbaal een nieuw
misdrijf wordt vastgesteld, worden de bedragen vastgesteld in de misdrijf wordt vastgesteld, worden de bedragen vastgesteld in de
artikelen 32 en 33, verdubbeld ». artikelen 32 en 33, verdubbeld ».
B.1.2. Het beroep tot vernietiging is ingesteld op grond van artikel B.1.2. Het beroep tot vernietiging is ingesteld op grond van artikel
4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
Grondwettelijk Hof, dat bepaalt dat voor onder meer iedere natuurlijke Grondwettelijk Hof, dat bepaalt dat voor onder meer iedere natuurlijke
persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang, een nieuwe persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang, een nieuwe
termijn van zes maanden openstaat voor het instellen van een beroep termijn van zes maanden openstaat voor het instellen van een beroep
tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een ordonnantie wanneer tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een ordonnantie wanneer
het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft verklaard het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft verklaard
dat die wet, dat decreet of die ordonnantie met name een van de in dat die wet, dat decreet of die ordonnantie met name een van de in
artikel 1 bedoelde regels schendt. artikel 1 bedoelde regels schendt.
B.2.1. In een eerste middel voert de verzoekende partij aan dat de B.2.1. In een eerste middel voert de verzoekende partij aan dat de
bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in
zoverre zij haar toepassing niet onderwerpt aan het bestaan van een zoverre zij haar toepassing niet onderwerpt aan het bestaan van een
voorafgaande beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt voorafgaande beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt
opgelegd, waartegen niet langer beroep is ingesteld of kan worden opgelegd, waartegen niet langer beroep is ingesteld of kan worden
ingesteld. ingesteld.
B.2.2. Bij zijn arrest nr. 73/2020 van 28 mei 2020 heeft het Hof voor B.2.2. Bij zijn arrest nr. 73/2020 van 28 mei 2020 heeft het Hof voor
recht gezegd : recht gezegd :
« B.3. Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van « B.3. Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van
artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 met de artikelen 10 en artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 met de artikelen 10 en
11 van de Grondwet in zoverre het, in de door de verwijzende rechter 11 van de Grondwet in zoverre het, in de door de verwijzende rechter
aangenomen interpretatie, een verschil in behandeling invoert tussen aangenomen interpretatie, een verschil in behandeling invoert tussen
de vermoedelijke daders van een inbreuk op de bepalingen van dezelfde de vermoedelijke daders van een inbreuk op de bepalingen van dezelfde
ordonnantie, naargelang zij strafrechtelijk worden vervolgd of een ordonnantie, naargelang zij strafrechtelijk worden vervolgd of een
administratieve geldboete opgelegd krijgen. administratieve geldboete opgelegd krijgen.
In het eerste geval kan de aan de dader opgelegde straf worden In het eerste geval kan de aan de dader opgelegde straf worden
verzwaard, met toepassing van artikel 23 van dezelfde ordonnantie, verzwaard, met toepassing van artikel 23 van dezelfde ordonnantie,
indien hij binnen een termijn van drie jaar voorafgaand aan het indien hij binnen een termijn van drie jaar voorafgaand aan het
misdrijf veroordeeld is voor een inbreuk op dezelfde bepalingen. In misdrijf veroordeeld is voor een inbreuk op dezelfde bepalingen. In
het tweede geval kan het bedrag van de aan de dader opgelegde het tweede geval kan het bedrag van de aan de dader opgelegde
administratieve sanctie worden verhoogd indien al eerder één of meer administratieve sanctie worden verhoogd indien al eerder één of meer
inbreuken op dezelfde bepalingen te zijnen laste zijn vastgesteld, inbreuken op dezelfde bepalingen te zijnen laste zijn vastgesteld,
zelfs indien die inbreuken niet zijn bestraft bij een definitieve zelfs indien die inbreuken niet zijn bestraft bij een definitieve
administratieve of rechterlijke beslissing. administratieve of rechterlijke beslissing.
B.4. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het B.4. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het
criterium van de te volgen strafrechtelijke of criterium van de te volgen strafrechtelijke of
administratiefrechtelijke procedure. Wanneer de dader strafrechtelijk administratiefrechtelijke procedure. Wanneer de dader strafrechtelijk
wordt bestraft, kan de voor het tweede misdrijf opgelopen straf alleen wordt bestraft, kan de voor het tweede misdrijf opgelopen straf alleen
worden verzwaard indien het eerste misdrijf is bestraft bij een in worden verzwaard indien het eerste misdrijf is bestraft bij een in
kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. Wanneer hij het kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. Wanneer hij het
voorwerp uitmaakt van een administratieve geldboete, kan het bedrag voorwerp uitmaakt van een administratieve geldboete, kan het bedrag
van die boete worden verhoogd indien al eerder een proces-verbaal te van die boete worden verhoogd indien al eerder een proces-verbaal te
zijnen laste werd opgesteld, zelfs indien die vaststelling niet door zijnen laste werd opgesteld, zelfs indien die vaststelling niet door
een sanctie werd gevolgd of indien de administratieve sanctie het een sanctie werd gevolgd of indien de administratieve sanctie het
voorwerp uitmaakt van een beroep dat nog steeds hangende is. voorwerp uitmaakt van een beroep dat nog steeds hangende is.
B.5. Zonder dat het nodig is te oordelen over de vraag of de in het B.5. Zonder dat het nodig is te oordelen over de vraag of de in het
geding zijnde bepaling moet worden gekwalificeerd als een regel die geding zijnde bepaling moet worden gekwalificeerd als een regel die
een ' recidive ' vastlegt, volstaat het vast te stellen dat zij in een een ' recidive ' vastlegt, volstaat het vast te stellen dat zij in een
verhoging voorziet van het bedrag van de opgelopen administratieve verhoging voorziet van het bedrag van de opgelopen administratieve
geldboete, verhoging die verbonden is aan het gedrag van de dader. Zij geldboete, verhoging die verbonden is aan het gedrag van de dader. Zij
vormt bijgevolg een maatregel van individualisering van de vormt bijgevolg een maatregel van individualisering van de
administratieve sanctie, die vergelijkbaar is met een verzwaring van administratieve sanctie, die vergelijkbaar is met een verzwaring van
de strafrechtelijke sanctie in geval van recidive, zoals geregeld bij de strafrechtelijke sanctie in geval van recidive, zoals geregeld bij
artikel 23 van de in het geding zijnde ordonnantie. artikel 23 van de in het geding zijnde ordonnantie.
B.6.1. Wanneer de dader van eenzelfde feit op een alternatieve wijze B.6.1. Wanneer de dader van eenzelfde feit op een alternatieve wijze
kan worden gestraft, dat wil zeggen wanneer hij, voor dezelfde feiten, kan worden gestraft, dat wil zeggen wanneer hij, voor dezelfde feiten,
ofwel naar de correctionele rechtbank kan worden verwezen, ofwel een ofwel naar de correctionele rechtbank kan worden verwezen, ofwel een
administratieve geldboete kan opgelegd krijgen waartegen hem een administratieve geldboete kan opgelegd krijgen waartegen hem een
beroep wordt geboden voor een andere rechtbank dan een strafrechtbank, beroep wordt geboden voor een andere rechtbank dan een strafrechtbank,
dient er een parallellisme te bestaan tussen de maatregelen tot dient er een parallellisme te bestaan tussen de maatregelen tot
individualisering van de straf. individualisering van de straf.
B.6.2. De eigen kenmerken van de procedure van de administratieve B.6.2. De eigen kenmerken van de procedure van de administratieve
sanctie staan niet eraan in de weg dat alleen de misdrijven waarvan de sanctie staan niet eraan in de weg dat alleen de misdrijven waarvan de
vaststelling niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een beroep of die, vaststelling niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een beroep of die,
in geval van beroep, zijn bevestigd bij een rechterlijke beslissing, in geval van beroep, zijn bevestigd bij een rechterlijke beslissing,
in aanmerking worden genomen als grondslag voor een verhoging van de in aanmerking worden genomen als grondslag voor een verhoging van de
opgelopen administratieve geldboete wanneer het bestrafte misdrijf een opgelopen administratieve geldboete wanneer het bestrafte misdrijf een
herhaling is van een vroeger soortgelijk gedrag van de dader. herhaling is van een vroeger soortgelijk gedrag van de dader.
B.7. Uit het voorgaande volgt dat het in het geding zijnde verschil in B.7. Uit het voorgaande volgt dat het in het geding zijnde verschil in
behandeling niet redelijk is verantwoord ». behandeling niet redelijk is verantwoord ».
B.2.3. Om identieke redenen dient te worden vastgesteld dat het eerste B.2.3. Om identieke redenen dient te worden vastgesteld dat het eerste
middel gegrond is. Artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 middel gegrond is. Artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999
schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de
toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve
voorafgaande beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt voorafgaande beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt
opgelegd, beslissing waartegen met andere woorden niet langer beroep opgelegd, beslissing waartegen met andere woorden niet langer beroep
is ingesteld of kan worden ingesteld. is ingesteld of kan worden ingesteld.
B.3. Aangezien het tweede middel niet tot een ruimere vernietiging kan B.3. Aangezien het tweede middel niet tot een ruimere vernietiging kan
leiden, moet het niet worden onderzocht. leiden, moet het niet worden onderzocht.
B.4.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering vraagt het Hof om, met B.4.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering vraagt het Hof om, met
toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6
januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de gevolgen van de vernietigde januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de gevolgen van de vernietigde
bepaling te handhaven tot 5 oktober 2020, datum van bekendmaking van bepaling te handhaven tot 5 oktober 2020, datum van bekendmaking van
het arrest nr. 73/2020 in het Belgisch Staatsblad. Zij voert aan dat het arrest nr. 73/2020 in het Belgisch Staatsblad. Zij voert aan dat
de vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 de vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999
zonder handhaving van de gevolgen het Gewest een financieel nadeel kan zonder handhaving van de gevolgen het Gewest een financieel nadeel kan
berokkenen dat zij op twaalf miljoen euro raamt. Bovendien zou, in die berokkenen dat zij op twaalf miljoen euro raamt. Bovendien zou, in die
hypothese, het contentieux voor het Milieucollege en voor de afdeling hypothese, het contentieux voor het Milieucollege en voor de afdeling
bestuursrechtspraak van de Raad van State ook zeer aanzienlijk zijn. bestuursrechtspraak van de Raad van State ook zeer aanzienlijk zijn.
B.4.2. Het feit dat administratieve beroepen kunnen worden ingesteld B.4.2. Het feit dat administratieve beroepen kunnen worden ingesteld
tegen beslissingen waarbij administratieve geldboetes zijn opgelegd tegen beslissingen waarbij administratieve geldboetes zijn opgelegd
waarvan het bedrag is verhoogd op grond van de in het geding zijnde waarvan het bedrag is verhoogd op grond van de in het geding zijnde
bepaling en dat eveneens verzoekschriften tot intrekking van arresten bepaling en dat eveneens verzoekschriften tot intrekking van arresten
van de Raad van State waarbij beroepen tegen zulke beslissingen zijn van de Raad van State waarbij beroepen tegen zulke beslissingen zijn
verworpen, kunnen worden ingesteld op grond van de artikelen 17 en 18 verworpen, kunnen worden ingesteld op grond van de artikelen 17 en 18
van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof,
vormt op zich geen risico op verstoring van de rechtsorde waardoor de vormt op zich geen risico op verstoring van de rechtsorde waardoor de
handhaving van de gevolgen van de bestreden bepaling verantwoord is. handhaving van de gevolgen van de bestreden bepaling verantwoord is.
Het gaat om het normale gevolg dat de bijzondere wetgever heeft Het gaat om het normale gevolg dat de bijzondere wetgever heeft
verbonden aan de vernietigingsarresten. verbonden aan de vernietigingsarresten.
Het Hof merkt overigens op dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering Het Hof merkt overigens op dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering
in haar memorie met verantwoording de omvang van het financieel nadeel in haar memorie met verantwoording de omvang van het financieel nadeel
dat uit de vernietiging zou voortvloeien, onvoldoende aantoont. dat uit de vernietiging zou voortvloeien, onvoldoende aantoont.
Bovendien blijkt uit die memorie dat de terug te betalen bedragen Bovendien blijkt uit die memorie dat de terug te betalen bedragen
kunnen worden geïdentificeerd. kunnen worden geïdentificeerd.
De gevolgen van de bestreden bepaling dienen derhalve niet te worden De gevolgen van de bestreden bepaling dienen derhalve niet te worden
gehandhaafd. gehandhaafd.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
vernietigt artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse vernietigt artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse
Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing,
de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake
leefmilieu », in de versie die van toepassing is vóór de wijziging en leefmilieu », in de versie die van toepassing is vóór de wijziging en
de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie van het de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie van het
Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014 « tot wijziging van de Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014 « tot wijziging van de
ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de
vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake
leefmilieu alsook andere wetgevingen inzake milieu, en tot instelling leefmilieu alsook andere wetgevingen inzake milieu, en tot instelling
van een Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing van een Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing
van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid », in zoverre het de van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid », in zoverre het de
toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve
voorafgaande administratieve geldboete, waartegen met andere woorden voorafgaande administratieve geldboete, waartegen met andere woorden
niet langer beroep is ingesteld of kan worden ingesteld. niet langer beroep is ingesteld of kan worden ingesteld.
Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits,
overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op
het Grondwettelijk Hof, op 30 september 2021. het Grondwettelijk Hof, op 30 september 2021.
De griffier, De griffier,
P.-Y. Dutilleux P.-Y. Dutilleux
De voorzitter, De voorzitter,
F. Daoût F. Daoût
^