← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 125/2021 van 30 september 2021 Rolnummer 7552 In zake :
het beroep tot vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest
van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststel Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter
L. Lavrysen, de rechters M. Pâques, Y. Kherb(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 125/2021 van 30 september 2021 Rolnummer 7552 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststel Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter L. Lavrysen, de rechters M. Pâques, Y. Kherb(...) | Uittreksel uit arrest nr. 125/2021 van 30 september 2021 Rolnummer 7552 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststel Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter L. Lavrysen, de rechters M. Pâques, Y. Kherb(...) |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | GRONDWETTELIJK HOF |
Uittreksel uit arrest nr. 125/2021 van 30 september 2021 | Uittreksel uit arrest nr. 125/2021 van 30 september 2021 |
Rolnummer 7552 | Rolnummer 7552 |
In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 42 van de | In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 42 van de |
ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 | ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 |
« betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de | « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de |
bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », in de versie vóór de | bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », in de versie vóór de |
wijziging en de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie | wijziging en de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie |
van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014, ingesteld | van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014, ingesteld |
door de vennootschap naar Duits recht « European Air Transport Leipzig | door de vennootschap naar Duits recht « European Air Transport Leipzig |
GmbH ». | GmbH ». |
Het Grondwettelijk Hof, | Het Grondwettelijk Hof, |
samengesteld uit voorzitter L. Lavrysen, de rechters M. Pâques, Y. | samengesteld uit voorzitter L. Lavrysen, de rechters M. Pâques, Y. |
Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, en, overeenkomstig artikel 60bis | Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, en, overeenkomstig artikel 60bis |
van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, | van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, |
emeritus voorzitter F. Daoût en emeritus rechter T. Merckx-Van Goey, | emeritus voorzitter F. Daoût en emeritus rechter T. Merckx-Van Goey, |
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van | bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van |
emeritus voorzitter F. Daoût, | emeritus voorzitter F. Daoût, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging | I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging |
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 april 2021 | Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 6 april 2021 |
ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 april | ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 april |
2021, heeft de vennootschap naar Duits recht « European Air Transport | 2021, heeft de vennootschap naar Duits recht « European Air Transport |
Leipzig GmbH », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Leidgens, | Leipzig GmbH », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. T. Leidgens, |
advocaat bij de balie te Brussel, ingevolge het arrest van het Hof nr. | advocaat bij de balie te Brussel, ingevolge het arrest van het Hof nr. |
73/2020 van 28 mei 2020 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van | 73/2020 van 28 mei 2020 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van |
5 oktober 2020), beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 42 van | 5 oktober 2020), beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 42 van |
de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart | de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart |
1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de | 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de |
bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », in de versie vóór de | bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu », in de versie vóór de |
wijziging en de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie | wijziging en de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie |
van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014. | van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014. |
Op 28 april 2021 hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. | Op 28 april 2021 hebben de rechters-verslaggevers M. Pâques en Y. |
Kherbache, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de | Kherbache, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de |
bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof | bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof |
ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht | ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht |
voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest | voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest |
gewezen op voorafgaande rechtspleging. | gewezen op voorafgaande rechtspleging. |
(...) | (...) |
II. In rechte | II. In rechte |
(...) | (...) |
B.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 42 | B.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 42 |
van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 | van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 25 |
maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging | maart 1999 « betreffende de opsporing, de vaststelling, de vervolging |
en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu » (hierna : de | en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu » (hierna : de |
ordonnantie van 25 maart 1999), in de versie die van toepassing is | ordonnantie van 25 maart 1999), in de versie die van toepassing is |
vóór de wijziging en hernummering ervan bij artikel 61 van de | vóór de wijziging en hernummering ervan bij artikel 61 van de |
ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014 « | ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014 « |
tot wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de | tot wijziging van de ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de |
opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van | opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van |
misdrijven inzake leefmilieu alsook andere wetgevingen inzake milieu, | misdrijven inzake leefmilieu alsook andere wetgevingen inzake milieu, |
en tot instelling van een Wetboek van inspectie, preventie, | en tot instelling van een Wetboek van inspectie, preventie, |
vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en | vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en |
milieuaansprakelijkheid ». | milieuaansprakelijkheid ». |
Artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 bepaalt : | Artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 bepaalt : |
« Indien binnen drie jaar na de datum van het proces-verbaal een nieuw | « Indien binnen drie jaar na de datum van het proces-verbaal een nieuw |
misdrijf wordt vastgesteld, worden de bedragen vastgesteld in de | misdrijf wordt vastgesteld, worden de bedragen vastgesteld in de |
artikelen 32 en 33, verdubbeld ». | artikelen 32 en 33, verdubbeld ». |
B.1.2. Het beroep tot vernietiging is ingesteld op grond van artikel | B.1.2. Het beroep tot vernietiging is ingesteld op grond van artikel |
4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het | 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het |
Grondwettelijk Hof, dat bepaalt dat voor onder meer iedere natuurlijke | Grondwettelijk Hof, dat bepaalt dat voor onder meer iedere natuurlijke |
persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang, een nieuwe | persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang, een nieuwe |
termijn van zes maanden openstaat voor het instellen van een beroep | termijn van zes maanden openstaat voor het instellen van een beroep |
tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een ordonnantie wanneer | tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een ordonnantie wanneer |
het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft verklaard | het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft verklaard |
dat die wet, dat decreet of die ordonnantie met name een van de in | dat die wet, dat decreet of die ordonnantie met name een van de in |
artikel 1 bedoelde regels schendt. | artikel 1 bedoelde regels schendt. |
B.2.1. In een eerste middel voert de verzoekende partij aan dat de | B.2.1. In een eerste middel voert de verzoekende partij aan dat de |
bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in | bestreden bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in |
zoverre zij haar toepassing niet onderwerpt aan het bestaan van een | zoverre zij haar toepassing niet onderwerpt aan het bestaan van een |
voorafgaande beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt | voorafgaande beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt |
opgelegd, waartegen niet langer beroep is ingesteld of kan worden | opgelegd, waartegen niet langer beroep is ingesteld of kan worden |
ingesteld. | ingesteld. |
B.2.2. Bij zijn arrest nr. 73/2020 van 28 mei 2020 heeft het Hof voor | B.2.2. Bij zijn arrest nr. 73/2020 van 28 mei 2020 heeft het Hof voor |
recht gezegd : | recht gezegd : |
« B.3. Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van | « B.3. Het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid te onderzoeken van |
artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 met de artikelen 10 en | artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 met de artikelen 10 en |
11 van de Grondwet in zoverre het, in de door de verwijzende rechter | 11 van de Grondwet in zoverre het, in de door de verwijzende rechter |
aangenomen interpretatie, een verschil in behandeling invoert tussen | aangenomen interpretatie, een verschil in behandeling invoert tussen |
de vermoedelijke daders van een inbreuk op de bepalingen van dezelfde | de vermoedelijke daders van een inbreuk op de bepalingen van dezelfde |
ordonnantie, naargelang zij strafrechtelijk worden vervolgd of een | ordonnantie, naargelang zij strafrechtelijk worden vervolgd of een |
administratieve geldboete opgelegd krijgen. | administratieve geldboete opgelegd krijgen. |
In het eerste geval kan de aan de dader opgelegde straf worden | In het eerste geval kan de aan de dader opgelegde straf worden |
verzwaard, met toepassing van artikel 23 van dezelfde ordonnantie, | verzwaard, met toepassing van artikel 23 van dezelfde ordonnantie, |
indien hij binnen een termijn van drie jaar voorafgaand aan het | indien hij binnen een termijn van drie jaar voorafgaand aan het |
misdrijf veroordeeld is voor een inbreuk op dezelfde bepalingen. In | misdrijf veroordeeld is voor een inbreuk op dezelfde bepalingen. In |
het tweede geval kan het bedrag van de aan de dader opgelegde | het tweede geval kan het bedrag van de aan de dader opgelegde |
administratieve sanctie worden verhoogd indien al eerder één of meer | administratieve sanctie worden verhoogd indien al eerder één of meer |
inbreuken op dezelfde bepalingen te zijnen laste zijn vastgesteld, | inbreuken op dezelfde bepalingen te zijnen laste zijn vastgesteld, |
zelfs indien die inbreuken niet zijn bestraft bij een definitieve | zelfs indien die inbreuken niet zijn bestraft bij een definitieve |
administratieve of rechterlijke beslissing. | administratieve of rechterlijke beslissing. |
B.4. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het | B.4. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op het |
criterium van de te volgen strafrechtelijke of | criterium van de te volgen strafrechtelijke of |
administratiefrechtelijke procedure. Wanneer de dader strafrechtelijk | administratiefrechtelijke procedure. Wanneer de dader strafrechtelijk |
wordt bestraft, kan de voor het tweede misdrijf opgelopen straf alleen | wordt bestraft, kan de voor het tweede misdrijf opgelopen straf alleen |
worden verzwaard indien het eerste misdrijf is bestraft bij een in | worden verzwaard indien het eerste misdrijf is bestraft bij een in |
kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. Wanneer hij het | kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing. Wanneer hij het |
voorwerp uitmaakt van een administratieve geldboete, kan het bedrag | voorwerp uitmaakt van een administratieve geldboete, kan het bedrag |
van die boete worden verhoogd indien al eerder een proces-verbaal te | van die boete worden verhoogd indien al eerder een proces-verbaal te |
zijnen laste werd opgesteld, zelfs indien die vaststelling niet door | zijnen laste werd opgesteld, zelfs indien die vaststelling niet door |
een sanctie werd gevolgd of indien de administratieve sanctie het | een sanctie werd gevolgd of indien de administratieve sanctie het |
voorwerp uitmaakt van een beroep dat nog steeds hangende is. | voorwerp uitmaakt van een beroep dat nog steeds hangende is. |
B.5. Zonder dat het nodig is te oordelen over de vraag of de in het | B.5. Zonder dat het nodig is te oordelen over de vraag of de in het |
geding zijnde bepaling moet worden gekwalificeerd als een regel die | geding zijnde bepaling moet worden gekwalificeerd als een regel die |
een ' recidive ' vastlegt, volstaat het vast te stellen dat zij in een | een ' recidive ' vastlegt, volstaat het vast te stellen dat zij in een |
verhoging voorziet van het bedrag van de opgelopen administratieve | verhoging voorziet van het bedrag van de opgelopen administratieve |
geldboete, verhoging die verbonden is aan het gedrag van de dader. Zij | geldboete, verhoging die verbonden is aan het gedrag van de dader. Zij |
vormt bijgevolg een maatregel van individualisering van de | vormt bijgevolg een maatregel van individualisering van de |
administratieve sanctie, die vergelijkbaar is met een verzwaring van | administratieve sanctie, die vergelijkbaar is met een verzwaring van |
de strafrechtelijke sanctie in geval van recidive, zoals geregeld bij | de strafrechtelijke sanctie in geval van recidive, zoals geregeld bij |
artikel 23 van de in het geding zijnde ordonnantie. | artikel 23 van de in het geding zijnde ordonnantie. |
B.6.1. Wanneer de dader van eenzelfde feit op een alternatieve wijze | B.6.1. Wanneer de dader van eenzelfde feit op een alternatieve wijze |
kan worden gestraft, dat wil zeggen wanneer hij, voor dezelfde feiten, | kan worden gestraft, dat wil zeggen wanneer hij, voor dezelfde feiten, |
ofwel naar de correctionele rechtbank kan worden verwezen, ofwel een | ofwel naar de correctionele rechtbank kan worden verwezen, ofwel een |
administratieve geldboete kan opgelegd krijgen waartegen hem een | administratieve geldboete kan opgelegd krijgen waartegen hem een |
beroep wordt geboden voor een andere rechtbank dan een strafrechtbank, | beroep wordt geboden voor een andere rechtbank dan een strafrechtbank, |
dient er een parallellisme te bestaan tussen de maatregelen tot | dient er een parallellisme te bestaan tussen de maatregelen tot |
individualisering van de straf. | individualisering van de straf. |
B.6.2. De eigen kenmerken van de procedure van de administratieve | B.6.2. De eigen kenmerken van de procedure van de administratieve |
sanctie staan niet eraan in de weg dat alleen de misdrijven waarvan de | sanctie staan niet eraan in de weg dat alleen de misdrijven waarvan de |
vaststelling niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een beroep of die, | vaststelling niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een beroep of die, |
in geval van beroep, zijn bevestigd bij een rechterlijke beslissing, | in geval van beroep, zijn bevestigd bij een rechterlijke beslissing, |
in aanmerking worden genomen als grondslag voor een verhoging van de | in aanmerking worden genomen als grondslag voor een verhoging van de |
opgelopen administratieve geldboete wanneer het bestrafte misdrijf een | opgelopen administratieve geldboete wanneer het bestrafte misdrijf een |
herhaling is van een vroeger soortgelijk gedrag van de dader. | herhaling is van een vroeger soortgelijk gedrag van de dader. |
B.7. Uit het voorgaande volgt dat het in het geding zijnde verschil in | B.7. Uit het voorgaande volgt dat het in het geding zijnde verschil in |
behandeling niet redelijk is verantwoord ». | behandeling niet redelijk is verantwoord ». |
B.2.3. Om identieke redenen dient te worden vastgesteld dat het eerste | B.2.3. Om identieke redenen dient te worden vastgesteld dat het eerste |
middel gegrond is. Artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 | middel gegrond is. Artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 |
schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de | schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de |
toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve | toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve |
voorafgaande beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt | voorafgaande beslissing waarbij een administratieve geldboete wordt |
opgelegd, beslissing waartegen met andere woorden niet langer beroep | opgelegd, beslissing waartegen met andere woorden niet langer beroep |
is ingesteld of kan worden ingesteld. | is ingesteld of kan worden ingesteld. |
B.3. Aangezien het tweede middel niet tot een ruimere vernietiging kan | B.3. Aangezien het tweede middel niet tot een ruimere vernietiging kan |
leiden, moet het niet worden onderzocht. | leiden, moet het niet worden onderzocht. |
B.4.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering vraagt het Hof om, met | B.4.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering vraagt het Hof om, met |
toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 | toepassing van artikel 8, derde lid, van de bijzondere wet van 6 |
januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de gevolgen van de vernietigde | januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, de gevolgen van de vernietigde |
bepaling te handhaven tot 5 oktober 2020, datum van bekendmaking van | bepaling te handhaven tot 5 oktober 2020, datum van bekendmaking van |
het arrest nr. 73/2020 in het Belgisch Staatsblad. Zij voert aan dat | het arrest nr. 73/2020 in het Belgisch Staatsblad. Zij voert aan dat |
de vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 | de vernietiging van artikel 42 van de ordonnantie van 25 maart 1999 |
zonder handhaving van de gevolgen het Gewest een financieel nadeel kan | zonder handhaving van de gevolgen het Gewest een financieel nadeel kan |
berokkenen dat zij op twaalf miljoen euro raamt. Bovendien zou, in die | berokkenen dat zij op twaalf miljoen euro raamt. Bovendien zou, in die |
hypothese, het contentieux voor het Milieucollege en voor de afdeling | hypothese, het contentieux voor het Milieucollege en voor de afdeling |
bestuursrechtspraak van de Raad van State ook zeer aanzienlijk zijn. | bestuursrechtspraak van de Raad van State ook zeer aanzienlijk zijn. |
B.4.2. Het feit dat administratieve beroepen kunnen worden ingesteld | B.4.2. Het feit dat administratieve beroepen kunnen worden ingesteld |
tegen beslissingen waarbij administratieve geldboetes zijn opgelegd | tegen beslissingen waarbij administratieve geldboetes zijn opgelegd |
waarvan het bedrag is verhoogd op grond van de in het geding zijnde | waarvan het bedrag is verhoogd op grond van de in het geding zijnde |
bepaling en dat eveneens verzoekschriften tot intrekking van arresten | bepaling en dat eveneens verzoekschriften tot intrekking van arresten |
van de Raad van State waarbij beroepen tegen zulke beslissingen zijn | van de Raad van State waarbij beroepen tegen zulke beslissingen zijn |
verworpen, kunnen worden ingesteld op grond van de artikelen 17 en 18 | verworpen, kunnen worden ingesteld op grond van de artikelen 17 en 18 |
van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, | van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, |
vormt op zich geen risico op verstoring van de rechtsorde waardoor de | vormt op zich geen risico op verstoring van de rechtsorde waardoor de |
handhaving van de gevolgen van de bestreden bepaling verantwoord is. | handhaving van de gevolgen van de bestreden bepaling verantwoord is. |
Het gaat om het normale gevolg dat de bijzondere wetgever heeft | Het gaat om het normale gevolg dat de bijzondere wetgever heeft |
verbonden aan de vernietigingsarresten. | verbonden aan de vernietigingsarresten. |
Het Hof merkt overigens op dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering | Het Hof merkt overigens op dat de Brusselse Hoofdstedelijke Regering |
in haar memorie met verantwoording de omvang van het financieel nadeel | in haar memorie met verantwoording de omvang van het financieel nadeel |
dat uit de vernietiging zou voortvloeien, onvoldoende aantoont. | dat uit de vernietiging zou voortvloeien, onvoldoende aantoont. |
Bovendien blijkt uit die memorie dat de terug te betalen bedragen | Bovendien blijkt uit die memorie dat de terug te betalen bedragen |
kunnen worden geïdentificeerd. | kunnen worden geïdentificeerd. |
De gevolgen van de bestreden bepaling dienen derhalve niet te worden | De gevolgen van de bestreden bepaling dienen derhalve niet te worden |
gehandhaafd. | gehandhaafd. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
vernietigt artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse | vernietigt artikel 42 van de ordonnantie van het Brusselse |
Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, | Hoofdstedelijke Gewest van 25 maart 1999 « betreffende de opsporing, |
de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake | de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake |
leefmilieu », in de versie die van toepassing is vóór de wijziging en | leefmilieu », in de versie die van toepassing is vóór de wijziging en |
de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie van het | de hernummering ervan bij artikel 61 van de ordonnantie van het |
Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014 « tot wijziging van de | Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 8 mei 2014 « tot wijziging van de |
ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de | ordonnantie van 25 maart 1999 betreffende de opsporing, de |
vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake | vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake |
leefmilieu alsook andere wetgevingen inzake milieu, en tot instelling | leefmilieu alsook andere wetgevingen inzake milieu, en tot instelling |
van een Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing | van een Wetboek van inspectie, preventie, vaststelling en bestraffing |
van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid », in zoverre het de | van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid », in zoverre het de |
toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve | toepassing ervan niet onderwerpt aan het bestaan van een definitieve |
voorafgaande administratieve geldboete, waartegen met andere woorden | voorafgaande administratieve geldboete, waartegen met andere woorden |
niet langer beroep is ingesteld of kan worden ingesteld. | niet langer beroep is ingesteld of kan worden ingesteld. |
Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, | Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, |
overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op | overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op |
het Grondwettelijk Hof, op 30 september 2021. | het Grondwettelijk Hof, op 30 september 2021. |
De griffier, | De griffier, |
P.-Y. Dutilleux | P.-Y. Dutilleux |
De voorzitter, | De voorzitter, |
F. Daoût | F. Daoût |