Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 54/2021 van 1 april 2021 Rolnummers 7356, 7357 en 7358 In zake: de prejudiciële vragen betreffende artikel 35ter, § 1 en § 2, eerste lid, a), b) en c), van de wet van 26 maart 1971 « op de bescherming van d Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters (...)"
Uittreksel uit arrest nr. 54/2021 van 1 april 2021 Rolnummers 7356, 7357 en 7358 In zake: de prejudiciële vragen betreffende artikel 35ter, § 1 en § 2, eerste lid, a), b) en c), van de wet van 26 maart 1971 « op de bescherming van d Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters (...) Uittreksel uit arrest nr. 54/2021 van 1 april 2021 Rolnummers 7356, 7357 en 7358 In zake: de prejudiciële vragen betreffende artikel 35ter, § 1 en § 2, eerste lid, a), b) en c), van de wet van 26 maart 1971 « op de bescherming van d Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de rechters (...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 54/2021 van 1 april 2021 Uittreksel uit arrest nr. 54/2021 van 1 april 2021
Rolnummers 7356, 7357 en 7358 Rolnummers 7356, 7357 en 7358
In zake: de prejudiciële vragen betreffende artikel 35ter, § 1 en § 2, In zake: de prejudiciële vragen betreffende artikel 35ter, § 1 en § 2,
eerste lid, a), b) en c), van de wet van 26 maart 1971 « op de eerste lid, a), b) en c), van de wet van 26 maart 1971 « op de
bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging », gesteld bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging », gesteld
door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de samengesteld uit de voorzitters L. Lavrysen en F. Daoût, en de
rechters T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen, M. Pâques en T. rechters T. Merckx-Van Goey, T. Giet, R. Leysen, M. Pâques en T.
Detienne, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder Detienne, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder
voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen, voorzitterschap van voorzitter L. Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
Bij drie vonnissen van 20 januari 2020, waarvan de expedities ter Bij drie vonnissen van 20 januari 2020, waarvan de expedities ter
griffie van het Hof zijn ingekomen op 6 februari 2020, heeft de griffie van het Hof zijn ingekomen op 6 februari 2020, heeft de
Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de
volgende prejudiciële vraag gesteld : volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schenden de artikelen 35ter, § 1 en 35ter, § 2, eerste lid, a) « Schenden de artikelen 35ter, § 1 en 35ter, § 2, eerste lid, a)
t.e.m. c) van de Oppervlaktewaterenwet, waarin de waterheffing op t.e.m. c) van de Oppervlaktewaterenwet, waarin de waterheffing op
grond van de reguliere formule wordt berekend voor heffingsplichtigen, grond van de reguliere formule wordt berekend voor heffingsplichtigen,
bedoeld in artikel 35quinquies en artikel 35septies bedoeld in artikel 35quinquies en artikel 35septies
Oppervlaktewaterenwet, die ofwel (1) aangesloten zijn op het openbaar Oppervlaktewaterenwet, die ofwel (1) aangesloten zijn op het openbaar
hydrografisch net en verplicht zijn hun afvalwater zelf te zuiveren en hydrografisch net en verplicht zijn hun afvalwater zelf te zuiveren en
in oppervlaktewater te lozen, ofwel (2) beschikken over een in oppervlaktewater te lozen, ofwel (2) beschikken over een
lozingsvergunning met normen voor lozen in de gewone lozingsvergunning met normen voor lozen in de gewone
oppervlaktewateren en die lozen in de openbare riolering die niet oppervlaktewateren en die lozen in de openbare riolering die niet
aangesloten is op een operationele openbare aangesloten is op een operationele openbare
afvalwaterzuiveringsinstallatie, een kunstmatige afvoerweg voor afvalwaterzuiveringsinstallatie, een kunstmatige afvoerweg voor
hemelwater, of een openbare of privaatrechtelijke effluentleiding die hemelwater, of een openbare of privaatrechtelijke effluentleiding die
uitmondt in oppervlaktewater, of (3) waarvan de inrichting niet uitmondt in oppervlaktewater, of (3) waarvan de inrichting niet
gelegen is in de zone van vijftig meter rond het stelsel van de gelegen is in de zone van vijftig meter rond het stelsel van de
openbare riolering en collectoren dat aangesloten is op een openbare riolering en collectoren dat aangesloten is op een
operationele openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie of wordt operationele openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie of wordt
aangesloten op een openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie op basis aangesloten op een openbare afvalwaterzuiveringsinstallatie op basis
van het zoneringsplan, de artikelen 10 en 11 Grondwet, al dan niet van het zoneringsplan, de artikelen 10 en 11 Grondwet, al dan niet
samen gelezen met de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, in zoverre samen gelezen met de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, in zoverre
geen onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds de exploitant die geen onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds de exploitant die
beschikt over een milieuvergunning waarvan alle componenten met beschikt over een milieuvergunning waarvan alle componenten met
betrekking tot de lozingssituatie werden uitgevoerd en anderzijds de betrekking tot de lozingssituatie werden uitgevoerd en anderzijds de
exploitant die beschikt over een milieuvergunning, maar waarvan het exploitant die beschikt over een milieuvergunning, maar waarvan het
onderdeel van de vergunning dat betrekking heeft op de lozingssituatie onderdeel van de vergunning dat betrekking heeft op de lozingssituatie
gedurende de betrokken heffingsperiode nog niet operationeel is en gedurende de betrokken heffingsperiode nog niet operationeel is en
bijgevolg niet uitvoerbaar is ? ». bijgevolg niet uitvoerbaar is ? ».
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7356, 7357 en 7358 van de rol Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7356, 7357 en 7358 van de rol
van het Hof, werden samengevoegd. van het Hof, werden samengevoegd.
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
B.1. De prejudiciële vraag betreft artikel 35ter, § 1 en § 2, eerste B.1. De prejudiciële vraag betreft artikel 35ter, § 1 en § 2, eerste
lid, a) tot c), van de wet van 26 maart 1971 « op de bescherming van lid, a) tot c), van de wet van 26 maart 1971 « op de bescherming van
de oppervlaktewateren tegen verontreiniging », zoals het in het de oppervlaktewateren tegen verontreiniging », zoals het in het
Vlaamse Gewest van toepassing was voor de heffingsjaren 2014 tot 2016. Vlaamse Gewest van toepassing was voor de heffingsjaren 2014 tot 2016.
Die bepaling legde de wijze vast waarop het bedrag van de heffing op Die bepaling legde de wijze vast waarop het bedrag van de heffing op
de waterverontreiniging werd bepaald. de waterverontreiniging werd bepaald.
B.2.1. De milieuheffingen op de waterverontreiniging werden, wat het B.2.1. De milieuheffingen op de waterverontreiniging werden, wat het
Vlaamse Gewest betreft, geregeld in hoofdstuk IIIbis van de voormelde Vlaamse Gewest betreft, geregeld in hoofdstuk IIIbis van de voormelde
wet van 26 maart 1971, getiteld « Bijzondere bepalingen voor het wet van 26 maart 1971, getiteld « Bijzondere bepalingen voor het
Vlaamse Gewest inzake heffingen op de waterverontreiniging ». Vlaamse Gewest inzake heffingen op de waterverontreiniging ».
Artikel 35bis, § 1, van die wet bepaalde dat de Vlaamse Artikel 35bis, § 1, van die wet bepaalde dat de Vlaamse
Milieumaatschappij belast was met de vestiging, de inning en de Milieumaatschappij belast was met de vestiging, de inning en de
invordering van de heffing op de waterverontreiniging en met de invordering van de heffing op de waterverontreiniging en met de
controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing. controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing.
Krachtens artikel 35bis, § 3, eerste lid, van dezelfde wet was Krachtens artikel 35bis, § 3, eerste lid, van dezelfde wet was
iedereen die in Vlaanderen water afnam van een openbare iedereen die in Vlaanderen water afnam van een openbare
watervoorzieningsmaatschappij en/of beschikte over een eigen watervoorzieningsmaatschappij en/of beschikte over een eigen
waterwinning en/of afvalwater loosde, ongeacht de herkomst van het waterwinning en/of afvalwater loosde, ongeacht de herkomst van het
water, heffingsplichtig. water, heffingsplichtig.
Artikel 35ter, § 1, bepaalde dat het bedrag van de heffing werd Artikel 35ter, § 1, bepaalde dat het bedrag van de heffing werd
vastgesteld als volgt : H = N x T, waarin H stond voor het bedrag van vastgesteld als volgt : H = N x T, waarin H stond voor het bedrag van
de verschuldigde heffing voor de waterverontreiniging, N voor de de verschuldigde heffing voor de waterverontreiniging, N voor de
vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden, berekend volgens een van vuilvracht uitgedrukt in vervuilingseenheden, berekend volgens een van
de in de afdelingen 3, 4, 5 en 6 van de wet bepaalde de in de afdelingen 3, 4, 5 en 6 van de wet bepaalde
berekeningsmethoden, veroorzaakt in het jaar voorafgaand aan het berekeningsmethoden, veroorzaakt in het jaar voorafgaand aan het
heffingsjaar, en T voor het in paragraaf 2 vermelde bedrag van het heffingsjaar, en T voor het in paragraaf 2 vermelde bedrag van het
eenheidstarief van de heffing. eenheidstarief van de heffing.
B.2.2. Artikel 35ter, § 2, van de wet voorzag in twee verschillende B.2.2. Artikel 35ter, § 2, van de wet voorzag in twee verschillende
eenheidstarieven : een lager eenheidstarief voor de in het eerste lid, eenheidstarieven : een lager eenheidstarief voor de in het eerste lid,
a) tot c), vermelde categorieën van heffingsplichtigen die beschikken a) tot c), vermelde categorieën van heffingsplichtigen die beschikken
over een vergunning met normen voor lozen in oppervlaktewater en de over een vergunning met normen voor lozen in oppervlaktewater en de
daarmee gelijkgestelden, en een hoger eenheidstarief voor « alle daarmee gelijkgestelden, en een hoger eenheidstarief voor « alle
andere heffingsplichtigen » (tweede lid). andere heffingsplichtigen » (tweede lid).
Naar gelang van de situatie van de heffingsplichtige voorzag de wet in Naar gelang van de situatie van de heffingsplichtige voorzag de wet in
verschillende formules om het aantal vervuilingseenheden te berekenen. verschillende formules om het aantal vervuilingseenheden te berekenen.
Voor de zogenaamde kleine verbruikers werd de vuilvracht in beginsel Voor de zogenaamde kleine verbruikers werd de vuilvracht in beginsel
berekend op grond van het waterverbruik (artikel 35quater). Voor de berekend op grond van het waterverbruik (artikel 35quater). Voor de
grootverbruikers gebeurde dit op basis van meet- en grootverbruikers gebeurde dit op basis van meet- en
bemonsteringsresultaten van het door hen geloosde afvalwater, dit wil bemonsteringsresultaten van het door hen geloosde afvalwater, dit wil
zeggen op de werkelijke vuilvracht van het water (artikel zeggen op de werkelijke vuilvracht van het water (artikel
35quinquies). Indien de gegevens met betrekking tot het geloosde 35quinquies). Indien de gegevens met betrekking tot het geloosde
afvalwater die nodig waren voor de toepassing van die methode, niet of afvalwater die nodig waren voor de toepassing van die methode, niet of
onvolledig voorhanden waren, werd de vuilvracht berekend op basis van onvolledig voorhanden waren, werd de vuilvracht berekend op basis van
omzettingscoëfficiënten (artikel 35septies). Die forfaitaire omzettingscoëfficiënten (artikel 35septies). Die forfaitaire
berekeningsmethode hield, voor het berekenen van de vuilvracht, berekeningsmethode hield, voor het berekenen van de vuilvracht,
rekening met het gefactureerde waterverbruik alsook met het op andere rekening met het gefactureerde waterverbruik alsook met het op andere
wijze ontvangen water. wijze ontvangen water.
B.2.3. Artikel 35ter, § 10, van de wet van 26 maart 1971, zoals B.2.3. Artikel 35ter, § 10, van de wet van 26 maart 1971, zoals
ingevoegd bij artikel 65 van het Vlaamse decreet van 21 december 2012 ingevoegd bij artikel 65 van het Vlaamse decreet van 21 december 2012
en vervangen bij artikel 10 van het Vlaamse decreet van 23 december en vervangen bij artikel 10 van het Vlaamse decreet van 23 december
2016, voorzag, in geval van een onvergunde lozing, in een aangepaste 2016, voorzag, in geval van een onvergunde lozing, in een aangepaste
berekeningsformule voor de berekening van de heffing voor de periode berekeningsformule voor de berekening van de heffing voor de periode
waarin die lozing zich voordeed. Opdat die bepaling kon worden waarin die lozing zich voordeed. Opdat die bepaling kon worden
toegepast, diende er een schriftelijke melding van de toegepast, diende er een schriftelijke melding van de
heffingsplichtige aan de Vlaamse Milieumaatschappij of aan de heffingsplichtige aan de Vlaamse Milieumaatschappij of aan de
toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving voorhanden te zijn waarin toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving voorhanden te zijn waarin
de datum van aanvang van de lozing was opgenomen, dan wel een de datum van aanvang van de lozing was opgenomen, dan wel een
proces-verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag waarin de proces-verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag waarin de
datum van vaststelling van de lozing was vermeld. Voorts diende de datum van vaststelling van de lozing was vermeld. Voorts diende de
stopzetting van de onvergunde lozing te zijn vastgesteld door de stopzetting van de onvergunde lozing te zijn vastgesteld door de
bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij of de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse Milieumaatschappij of de
toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, met mogelijkheid voor de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, met mogelijkheid voor de
heffingsplichtige om het bewijs van een andere datum te leveren. heffingsplichtige om het bewijs van een andere datum te leveren.
B.2.4. De voormelde bepalingen van de wet van 26 maart 1971 « op de B.2.4. De voormelde bepalingen van de wet van 26 maart 1971 « op de
bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging » en van bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging » en van
het decreet van 24 januari 1984 « houdende maatregelen inzake het het decreet van 24 januari 1984 « houdende maatregelen inzake het
grondwaterbeheer » zijn, met ingang van 1 januari 2019, opgeheven bij grondwaterbeheer » zijn, met ingang van 1 januari 2019, opgeheven bij
de artikelen 4 en 6 van het decreet van 30 november 2018 « tot de artikelen 4 en 6 van het decreet van 30 november 2018 « tot
bekrachtiging van de coördinatie van de waterregelgeving in het bekrachtiging van de coördinatie van de waterregelgeving in het
decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en tot decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en tot
opheffing van de gecoördineerde regelgeving ». opheffing van de gecoördineerde regelgeving ».
Die opheffing heeft geen weerslag op het onderwerp van de prejudiciële Die opheffing heeft geen weerslag op het onderwerp van de prejudiciële
vraag. vraag.
B.3. Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt dat in casu B.3. Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt dat in casu
heffingsplichtigen worden geviseerd die in de betrokken heffingsjaren heffingsplichtigen worden geviseerd die in de betrokken heffingsjaren
onvergund hebben geloosd en ten aanzien van wie, voor het vaststellen onvergund hebben geloosd en ten aanzien van wie, voor het vaststellen
van het bedrag van de heffing op de waterverontreiniging, door de van het bedrag van de heffing op de waterverontreiniging, door de
Vlaamse Milieumaatschappij werd vastgesteld dat geen toepassing kon Vlaamse Milieumaatschappij werd vastgesteld dat geen toepassing kon
worden gemaakt van artikel 35ter, § 10, bij gebrek aan objectieve worden gemaakt van artikel 35ter, § 10, bij gebrek aan objectieve
gegevens inzake de begin- en einddatum van de onvergunde lozing, en gegevens inzake de begin- en einddatum van de onvergunde lozing, en
dienvolgens toepassing werd gemaakt van de forfaitaire dienvolgens toepassing werd gemaakt van de forfaitaire
berekeningsmethode van artikel 35septies van de wet van 26 maart 1971, berekeningsmethode van artikel 35septies van de wet van 26 maart 1971,
omdat geen of onvolledige meet- en bemonsteringsgegevens voorhanden omdat geen of onvolledige meet- en bemonsteringsgegevens voorhanden
zijn. zijn.
Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.
B.4.1. De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 35ter, § 1 en B.4.1. De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 35ter, § 1 en
§ 2, eerste lid, a) tot c), van de wet van 26 maart 1971 bestaanbaar § 2, eerste lid, a) tot c), van de wet van 26 maart 1971 bestaanbaar
is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang
gelezen met de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, « in zoverre geen gelezen met de artikelen 170 en 172 van de Grondwet, « in zoverre geen
onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds de exploitant die beschikt onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds de exploitant die beschikt
over een milieuvergunning waarvan alle componenten met betrekking tot over een milieuvergunning waarvan alle componenten met betrekking tot
de lozingssituatie werden uitgevoerd en anderzijds de exploitant die de lozingssituatie werden uitgevoerd en anderzijds de exploitant die
beschikt over een milieuvergunning, maar waarvan het onderdeel van de beschikt over een milieuvergunning, maar waarvan het onderdeel van de
vergunning dat betrekking heeft op de lozingssituatie gedurende de vergunning dat betrekking heeft op de lozingssituatie gedurende de
betrokken heffingsperiode nog niet operationeel is en bijgevolg niet betrokken heffingsperiode nog niet operationeel is en bijgevolg niet
uitvoerbaar is ». uitvoerbaar is ».
B.4.2. In de interpretatie van de verwijzende rechter maakt het in het B.4.2. In de interpretatie van de verwijzende rechter maakt het in het
geding zijnde artikel 35ter, § § 1 en 2, van de wet van 26 maart 1971 geding zijnde artikel 35ter, § § 1 en 2, van de wet van 26 maart 1971
voor de berekening van de heffing op de waterverontreiniging geen voor de berekening van de heffing op de waterverontreiniging geen
onderscheid tussen heffingsplichtigen die over een milieuvergunning onderscheid tussen heffingsplichtigen die over een milieuvergunning
voor de lozing van afvalwater beschikken, naargelang dat onderdeel van voor de lozing van afvalwater beschikken, naargelang dat onderdeel van
de vergunning al dan niet uitvoerbaar is. de vergunning al dan niet uitvoerbaar is.
B.5.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet B.5.1. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet
uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen
wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium
berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich
overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van
de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden,
op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke
verantwoording bestaat. verantwoording bestaat.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld
rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel
en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van
gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat
geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende
middelen en het beoogde doel. middelen en het beoogde doel.
B.5.2. Artikel 172, eerste lid, van de Grondwet vormt, in fiscale B.5.2. Artikel 172, eerste lid, van de Grondwet vormt, in fiscale
aangelegenheden, een bijzondere toepassing van het in de artikelen 10 aangelegenheden, een bijzondere toepassing van het in de artikelen 10
en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en en 11 van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en
niet-discriminatie. niet-discriminatie.
B.5.3. Noch uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag, noch uit de B.5.3. Noch uit de bewoordingen van de prejudiciële vraag, noch uit de
motieven van de verwijzingsbeslissingen kan worden afgeleid op welke motieven van de verwijzingsbeslissingen kan worden afgeleid op welke
wijze de in het geding zijnde bepaling afbreuk zou doen aan artikel wijze de in het geding zijnde bepaling afbreuk zou doen aan artikel
170 van de Grondwet. 170 van de Grondwet.
In zoverre zij betrekking heeft op de inachtneming van die bepaling In zoverre zij betrekking heeft op de inachtneming van die bepaling
van de Grondwet, is de prejudiciële vraag bijgevolg niet ontvankelijk. van de Grondwet, is de prejudiciële vraag bijgevolg niet ontvankelijk.
B.5.4. Het Hof kan een gelijke behandeling slechts afkeuren wanneer B.5.4. Het Hof kan een gelijke behandeling slechts afkeuren wanneer
twee categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste twee categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste
maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke
wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke
verantwoording bestaat. verantwoording bestaat.
B.6.1. De milieuheffingen op de waterverontreiniging beogen, B.6.1. De milieuheffingen op de waterverontreiniging beogen,
enerzijds, een beperking van de vervuiling van het water en, enerzijds, een beperking van de vervuiling van het water en,
anderzijds, de financiering en verdeling van de geldelijke lasten ten anderzijds, de financiering en verdeling van de geldelijke lasten ten
gevolge van de milieuvervuiling, overeenkomstig het beginsel « de gevolge van de milieuvervuiling, overeenkomstig het beginsel « de
vervuiler betaalt ». vervuiler betaalt ».
In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat heeft In de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet dat heeft
geleid tot het decreet van 21 december 1990 « houdende geleid tot het decreet van 21 december 1990 « houdende
begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van
de begroting 1991 », waarbij hoofdstuk IIIbis inzake de heffingen op de begroting 1991 », waarbij hoofdstuk IIIbis inzake de heffingen op
de waterverontreiniging in de wet van 26 maart 1971 werd ingevoegd, de waterverontreiniging in de wet van 26 maart 1971 werd ingevoegd,
werd ter zake gesteld : werd ter zake gesteld :
« Milieuheffingen zijn derhalve niet alleen een middel om de « Milieuheffingen zijn derhalve niet alleen een middel om de
collectieve maatregelen ter bestrijding van de milieuverontreiniging collectieve maatregelen ter bestrijding van de milieuverontreiniging
geheel of gedeeltelijk te bekostigen, maar ook en vooral een geheel of gedeeltelijk te bekostigen, maar ook en vooral een
beleidsinstrument om de vervuilers ertoe aan te zetten de door hen beleidsinstrument om de vervuilers ertoe aan te zetten de door hen
veroorzaakte verontreiniging aan de bron te beperken » (Parl. St., veroorzaakte verontreiniging aan de bron te beperken » (Parl. St.,
Vlaamse Raad, 1990-1991, nr. 424/1, p. 10). Vlaamse Raad, 1990-1991, nr. 424/1, p. 10).
B.6.2. Een heffing ingegeven door het principe « de vervuiler betaalt B.6.2. Een heffing ingegeven door het principe « de vervuiler betaalt
» neemt het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie alleen dan » neemt het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie alleen dan
in acht wanneer zij diegenen belast die vervuilen en wanneer zij in acht wanneer zij diegenen belast die vervuilen en wanneer zij
rekening houdt met de mate waarin elke heffingsplichtige aan de hinder rekening houdt met de mate waarin elke heffingsplichtige aan de hinder
bijdraagt waartegen de belasting tracht op te komen. bijdraagt waartegen de belasting tracht op te komen.
B.6.3. Wanneer, bij de berekening van de heffing, geen rekening zou B.6.3. Wanneer, bij de berekening van de heffing, geen rekening zou
worden gehouden met de mate waarin de heffingsplichtige aan de hinder worden gehouden met de mate waarin de heffingsplichtige aan de hinder
bijdraagt, zou de maatregel bijgevolg onevenredig zijn ten aanzien van bijdraagt, zou de maatregel bijgevolg onevenredig zijn ten aanzien van
de met die heffing nagestreefde doelstelling van bescherming van een de met die heffing nagestreefde doelstelling van bescherming van een
gezond leefmilieu. gezond leefmilieu.
B.7.1. In tegenstelling tot hetgeen de verwijzende rechter aanneemt, B.7.1. In tegenstelling tot hetgeen de verwijzende rechter aanneemt,
wordt bij het in het geding zijnde artikel 35ter van de wet van 26 wordt bij het in het geding zijnde artikel 35ter van de wet van 26
maart 1971 wel degelijk een onderscheid gemaakt tussen de maart 1971 wel degelijk een onderscheid gemaakt tussen de
heffingsplichtigen die over een milieuvergunning voor de lozing van heffingsplichtigen die over een milieuvergunning voor de lozing van
afvalwater beschikken naargelang dat onderdeel van de vergunning al afvalwater beschikken naargelang dat onderdeel van de vergunning al
dan niet uitvoerbaar is. dan niet uitvoerbaar is.
Aldus wordt de heffing, voor de heffingsplichtigen die over een Aldus wordt de heffing, voor de heffingsplichtigen die over een
uitvoerbare milieuvergunning voor de lozing beschikken, berekend uitvoerbare milieuvergunning voor de lozing beschikken, berekend
overeenkomstig de algemene formule die is neergelegd in artikel 35ter, overeenkomstig de algemene formule die is neergelegd in artikel 35ter,
§ 1, van de wet van 26 maart 1971, waarbij de in vervuilingseenheden § 1, van de wet van 26 maart 1971, waarbij de in vervuilingseenheden
uitgedrukte vuilvracht wordt vermenigvuldigd met het bedrag van het uitgedrukte vuilvracht wordt vermenigvuldigd met het bedrag van het
eenheidstarief van de heffing. Die heffingsplichtigen genieten het eenheidstarief van de heffing. Die heffingsplichtigen genieten het
verlaagde eenheidstarief dat is neergelegd in artikel 35ter, § 2, verlaagde eenheidstarief dat is neergelegd in artikel 35ter, § 2,
eerste lid, in zoverre zij behoren tot de in die bepaling vermelde eerste lid, in zoverre zij behoren tot de in die bepaling vermelde
categorieën van heffingsplichtigen - waarnaar in de prejudiciële vraag categorieën van heffingsplichtigen - waarnaar in de prejudiciële vraag
wordt verwezen - die beschikken over een vergunning met normen voor wordt verwezen - die beschikken over een vergunning met normen voor
lozen in oppervlaktewater en de daarmee gelijkgestelden. lozen in oppervlaktewater en de daarmee gelijkgestelden.
Voor de heffingsplichtigen die niet beschikken over een uitvoerbare Voor de heffingsplichtigen die niet beschikken over een uitvoerbare
milieuvergunning wat de lozing betreft, geldt in beginsel de milieuvergunning wat de lozing betreft, geldt in beginsel de
afwijkende berekeningsformule die is neergelegd in artikel 35ter, § afwijkende berekeningsformule die is neergelegd in artikel 35ter, §
10, van de wet van 26 maart 1971 voor « onvergunde lozingen ». Die 10, van de wet van 26 maart 1971 voor « onvergunde lozingen ». Die
berekeningsformule kan evenwel enkel worden toegepast indien er een berekeningsformule kan evenwel enkel worden toegepast indien er een
schriftelijke melding van de heffingsplichtige aan de Vlaamse schriftelijke melding van de heffingsplichtige aan de Vlaamse
Milieumaatschappij of aan de toezichthouder bevoegd voor Milieumaatschappij of aan de toezichthouder bevoegd voor
milieuhandhaving voorhanden is waarin de datum van aanvang van de milieuhandhaving voorhanden is waarin de datum van aanvang van de
lozing is opgenomen, dan wel een proces-verbaal van overtreding of een lozing is opgenomen, dan wel een proces-verbaal van overtreding of een
vaststellingsverslag waarin de datum van vaststelling van de lozing is vaststellingsverslag waarin de datum van vaststelling van de lozing is
vermeld. Voorts dient de stopzetting van de onvergunde lozing te zijn vermeld. Voorts dient de stopzetting van de onvergunde lozing te zijn
vastgesteld door de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse vastgesteld door de bevoegde ambtenaren van de Vlaamse
Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, Milieumaatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving,
met mogelijkheid voor de heffingsplichtige om het bewijs van een met mogelijkheid voor de heffingsplichtige om het bewijs van een
andere datum te leveren. Bij ontstentenis van die gegevens dient andere datum te leveren. Bij ontstentenis van die gegevens dient
toepassing te worden gemaakt van de algemene formule die is neergelegd toepassing te worden gemaakt van de algemene formule die is neergelegd
in artikel 35ter, § 1. In dat geval geldt niet het eenheidstarief dat in artikel 35ter, § 1. In dat geval geldt niet het eenheidstarief dat
is bepaald in artikel 35ter, § 2, eerste lid, voor de daarin vermelde is bepaald in artikel 35ter, § 2, eerste lid, voor de daarin vermelde
categorieën van heffingsplichtigen waarnaar in de prejudiciële vraag categorieën van heffingsplichtigen waarnaar in de prejudiciële vraag
wordt verwezen, doch wel het hogere eenheidstarief dat krachtens wordt verwezen, doch wel het hogere eenheidstarief dat krachtens
artikel 35ter, § 2, tweede lid, geldt voor de andere artikel 35ter, § 2, tweede lid, geldt voor de andere
heffingsplichtigen. De berekening van de vervuilingseenheden gebeurt heffingsplichtigen. De berekening van de vervuilingseenheden gebeurt
in principe op basis van meet- en bemonsteringsresultaten van het door in principe op basis van meet- en bemonsteringsresultaten van het door
hen geloosde afvalwater, dit wil zeggen op basis van de werkelijke hen geloosde afvalwater, dit wil zeggen op basis van de werkelijke
vuilvracht van het water (artikel 35quinquies). Heffingsplichtigen die vuilvracht van het water (artikel 35quinquies). Heffingsplichtigen die
de toepassing wensen van die berekeningsmethode, moeten zelf zorgen de toepassing wensen van die berekeningsmethode, moeten zelf zorgen
voor meet- en bemonsteringsresultaten afkomstig van een op eigen voor meet- en bemonsteringsresultaten afkomstig van een op eigen
initiatief uitgevoerde meetcampagne door een door de Regering erkend initiatief uitgevoerde meetcampagne door een door de Regering erkend
laboratorium. Het is slechts indien die benodigde gegevens met laboratorium. Het is slechts indien die benodigde gegevens met
betrekking tot het geloosde afvalwater niet of onvolledig voorhanden betrekking tot het geloosde afvalwater niet of onvolledig voorhanden
zijn, dat de vuilvracht wordt berekend op basis van de zijn, dat de vuilvracht wordt berekend op basis van de
omzettingscoëfficiënten (artikel 35septies), waarbij gebruik wordt omzettingscoëfficiënten (artikel 35septies), waarbij gebruik wordt
gemaakt van de forfaitaire formules die uitgaan van het gefactureerde gemaakt van de forfaitaire formules die uitgaan van het gefactureerde
waterverbruik en het op andere wijze gewonnen water. waterverbruik en het op andere wijze gewonnen water.
B.7.2. Derhalve worden de in de prejudiciële vraag vermelde B.7.2. Derhalve worden de in de prejudiciële vraag vermelde
categorieën van heffingsplichtigen niet op identieke wijze behandeld, categorieën van heffingsplichtigen niet op identieke wijze behandeld,
en wordt bij de berekening van de heffing in principe rekening en wordt bij de berekening van de heffing in principe rekening
gehouden met de mate waarin de heffingsplichtige aan de hinder gehouden met de mate waarin de heffingsplichtige aan de hinder
bijdraagt. bijdraagt.
B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
Artikel 35ter, § 1 en § 2, eerste lid, a) tot c), van de wet van 26 Artikel 35ter, § 1 en § 2, eerste lid, a) tot c), van de wet van 26
maart 1971 « op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen maart 1971 « op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen
verontreiniging », zoals het van toepassing was in het Vlaamse Gewest verontreiniging », zoals het van toepassing was in het Vlaamse Gewest
voor de heffingsjaren 2014 tot 2016, schendt de artikelen 10, 11 en voor de heffingsjaren 2014 tot 2016, schendt de artikelen 10, 11 en
172 van de Grondwet niet. 172 van de Grondwet niet.
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel
65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof,
op 1 april 2021. op 1 april 2021.
De griffier, De griffier,
F. Meersschaut F. Meersschaut
De voorzitter, De voorzitter,
L. Lavrysen L. Lavrysen
^