Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 134/2016 van 20 oktober 2016 Rolnummer : 6251 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 22 januari 2015 tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming e Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de recht(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 134/2016 van 20 oktober 2016 Rolnummer : 6251 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 22 januari 2015 tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming e Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de recht(...) Uittreksel uit arrest nr. 134/2016 van 20 oktober 2016 Rolnummer : 6251 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse Gewest van 22 januari 2015 tot wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming e Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de recht(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 134/2016 van 20 oktober 2016 Uittreksel uit arrest nr. 134/2016 van 20 oktober 2016
Rolnummer : 6251 Rolnummer : 6251
In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Waalse
Gewest van 22 januari 2015 tot wijziging van de wet van 14 augustus Gewest van 22 januari 2015 tot wijziging van de wet van 14 augustus
1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren teneinde het 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren teneinde het
bezit van dieren uitsluitend of voornamelijk voor de productie van bezit van dieren uitsluitend of voornamelijk voor de productie van
pels te verbieden, ingesteld door de vzw « Nationale Vereniging van pels te verbieden, ingesteld door de vzw « Nationale Vereniging van
Edelpelsdierenfokkers » en anderen. Edelpelsdierenfokkers » en anderen.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de
rechters A. Alen, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, rechters A. Alen, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen,
bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van
voorzitter J. Spreutels, voorzitter J. Spreutels,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 juli 2015 Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 juli 2015
ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 juli ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 28 juli
2015, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het 2015, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet van het
Waalse Gewest van 22 januari 2015 tot wijziging van de wet van 14 Waalse Gewest van 22 januari 2015 tot wijziging van de wet van 14
augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren
teneinde het bezit van dieren uitsluitend of voornamelijk voor de teneinde het bezit van dieren uitsluitend of voornamelijk voor de
productie van pels te verbieden (bekendgemaakt in het Belgisch productie van pels te verbieden (bekendgemaakt in het Belgisch
Staatsblad van 30 januari 2015) door de vzw « Nationale Vereniging van Staatsblad van 30 januari 2015) door de vzw « Nationale Vereniging van
Edelpelsdierenfokkers », de ivzw « Fur Europe » en Jean-Philippe Edelpelsdierenfokkers », de ivzw « Fur Europe » en Jean-Philippe
Marchal, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Laevens en Mr. O. Marchal, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. E. Laevens en Mr. O.
Sasserath, advocaten bij de balie te Brussel. Sasserath, advocaten bij de balie te Brussel.
(...) (...)
II. In rechte II. In rechte
(...) (...)
B.1. Het decreet van het Waalse Gewest van 22 januari 2015 « tot B.1. Het decreet van het Waalse Gewest van 22 januari 2015 « tot
wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming wijziging van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming
en het welzijn der dieren teneinde het bezit van dieren uitsluitend of en het welzijn der dieren teneinde het bezit van dieren uitsluitend of
voornamelijk voor de productie van pels te verbieden » bepaalt : voornamelijk voor de productie van pels te verbieden » bepaalt :
«

Artikel 1.In hoofdstuk II van de wet van 14 augustus 1986

«

Artikel 1.In hoofdstuk II van de wet van 14 augustus 1986

betreffende de bescherming en het welzijn der dieren wordt een artikel betreffende de bescherming en het welzijn der dieren wordt een artikel
9/1 ingevoegd, luidend als volgt : 9/1 ingevoegd, luidend als volgt :
'

Art. 9/1.Het bezit van dieren uitsluitend en [lees : of]

'

Art. 9/1.Het bezit van dieren uitsluitend en [lees : of]

voornamelijk voor de productie van pels is verboden. '. voornamelijk voor de productie van pels is verboden. '.

Art. 2.Artikel 35, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet

Art. 2.Artikel 35, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet

van 27 december 2012, wordt aangevuld met punt 10°, luidend als volgt van 27 december 2012, wordt aangevuld met punt 10°, luidend als volgt
: :
' 10° artikel 9/1 overtreedt. ' ». ' 10° artikel 9/1 overtreedt. ' ».
B.2.1. Uit de parlementaire voorbereiding van dat decreet blijkt dat B.2.1. Uit de parlementaire voorbereiding van dat decreet blijkt dat
de decreetgever maatregelen wilde nemen om dieren te beschermen en hun de decreetgever maatregelen wilde nemen om dieren te beschermen en hun
welzijn te bevorderen, door de bevoegdheid uit te oefenen die hem welzijn te bevorderen, door de bevoegdheid uit te oefenen die hem
wordt toegekend bij artikel 24 van de bijzondere wet van 6 januari wordt toegekend bij artikel 24 van de bijzondere wet van 6 januari
2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming : 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming :
« Wallonië is voortaan bevoegd om alle maatregelen te nemen tot « Wallonië is voortaan bevoegd om alle maatregelen te nemen tot
bescherming van dieren en tot bevordering van hun welzijn. Daartoe bescherming van dieren en tot bevordering van hun welzijn. Daartoe
heeft de Waalse Regering zich in de regionale beleidsverklaring heeft de Waalse Regering zich in de regionale beleidsverklaring
2014-2019 ertoe verbonden het fokken van dieren voor de productie van 2014-2019 ertoe verbonden het fokken van dieren voor de productie van
pelzen te verbieden. Dit ontwerp van decreet heeft tot doel die wil pelzen te verbieden. Dit ontwerp van decreet heeft tot doel die wil
uit te voeren » (Parl. St., Waals Parlement, 2014-2015, nr. 89/1, p. uit te voeren » (Parl. St., Waals Parlement, 2014-2015, nr. 89/1, p.
2). 2).
« In België worden uitsluitend nertsen gefokt voor hun pels. De « In België worden uitsluitend nertsen gefokt voor hun pels. De
bedrijven zijn allemaal in Vlaanderen gelegen, zodat het voorliggende bedrijven zijn allemaal in Vlaanderen gelegen, zodat het voorliggende
ontwerp van decreet anticipeert op een mogelijke vestiging van zulke ontwerp van decreet anticipeert op een mogelijke vestiging van zulke
bedrijven in Wallonië. Er werden reeds aanvragen ingediend, zoals bedrijven in Wallonië. Er werden reeds aanvragen ingediend, zoals
blijkt uit enkele projecten in bepaalde regio's van Wallonië » (Parl. blijkt uit enkele projecten in bepaalde regio's van Wallonië » (Parl.
St., Waals Parlement, 2014-2015, nrs. 51/3 en 89/2, p. 4). St., Waals Parlement, 2014-2015, nrs. 51/3 en 89/2, p. 4).
B.2.2. Uit die parlementaire voorbereiding blijkt voorts dat de B.2.2. Uit die parlementaire voorbereiding blijkt voorts dat de
decreetgever een drievoudig doel nastreefde. Hij was in de eerste decreetgever een drievoudig doel nastreefde. Hij was in de eerste
plaats van oordeel dat het houden van nertsen voor hun pels ernstige plaats van oordeel dat het houden van nertsen voor hun pels ernstige
problemen oplevert voor het welzijn van de dieren omdat nertsen wilde problemen oplevert voor het welzijn van de dieren omdat nertsen wilde
dieren zijn die in de natuur op een groot territorium leven en omdat dieren zijn die in de natuur op een groot territorium leven en omdat
zij in gevangenschap gezondheidsproblemen zouden krijgen zoals zij in gevangenschap gezondheidsproblemen zouden krijgen zoals
staartbijten en zelfmutilatie. staartbijten en zelfmutilatie.
De decreetgever heeft ook rekening gehouden met ethische overwegingen De decreetgever heeft ook rekening gehouden met ethische overwegingen
en met het feit dat de publieke opinie gekant is tegen dat type en met het feit dat de publieke opinie gekant is tegen dat type
fokkerij : fokkerij :
« Een door GAIA gevoerde enquête leert ons dat 86 pct. van de « Een door GAIA gevoerde enquête leert ons dat 86 pct. van de
ondervraagde Belgen gekant is tegen dat type fokkerij. Het doden van ondervraagde Belgen gekant is tegen dat type fokkerij. Het doden van
dieren is in dit geval zinloos omdat er alternatieven bestaan voor de dieren is in dit geval zinloos omdat er alternatieven bestaan voor de
betrokken producten » (Parl. St., Waals Parlement, 2014-2015, nr. betrokken producten » (Parl. St., Waals Parlement, 2014-2015, nr.
89/1, p. 2). 89/1, p. 2).
Hij wijst in dat verband erop dat reeds verschillende EU-lidstaten een Hij wijst in dat verband erop dat reeds verschillende EU-lidstaten een
verbod op het houden van pelsdieren hebben opgelegd. verbod op het houden van pelsdieren hebben opgelegd.
Hij heeft ten slotte rekening gehouden met de milieuschade die wordt Hij heeft ten slotte rekening gehouden met de milieuschade die wordt
veroorzaakt door nertsfokkerijen : veroorzaakt door nertsfokkerijen :
« Er zijn twee studies verricht, in 2010 en in 2013. Volgens die « Er zijn twee studies verricht, in 2010 en in 2013. Volgens die
studies is de milieu-impact van één kilogram nertsenbont veel groter studies is de milieu-impact van één kilogram nertsenbont veel groter
dan die van één kilogram stof gemaakt van katoen, acryl of polyester. dan die van één kilogram stof gemaakt van katoen, acryl of polyester.
Voor een groot aantal milieu-effecten haalt het bont een tienmaal Voor een groot aantal milieu-effecten haalt het bont een tienmaal
hogere score. Een bontjas moet zeven keer langer meegaan om die hogere score. Een bontjas moet zeven keer langer meegaan om die
distorsie te vermijden. Bovendien heeft België reeds te kampen met distorsie te vermijden. Bovendien heeft België reeds te kampen met
mestoverschotten » (ibid.). mestoverschotten » (ibid.).
Uit de parlementaire voorbereiding blijkt verder nog dat de Uit de parlementaire voorbereiding blijkt verder nog dat de
decreetgever de termen « uitsluitend of voornamelijk » heeft gebruikt decreetgever de termen « uitsluitend of voornamelijk » heeft gebruikt
om « de fokkers die de pels van de dieren die zij exploiteren zouden om « de fokkers die de pels van de dieren die zij exploiteren zouden
recycleren, niet te bestraffen » (Parl. St., Waals Parlement, recycleren, niet te bestraffen » (Parl. St., Waals Parlement,
2014-2015, nrs. 51/3 en 89/2, p. 5). 2014-2015, nrs. 51/3 en 89/2, p. 5).
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep
B.3.1. De Waalse Regering, de Vlaamse Regering en de tussenkomende B.3.1. De Waalse Regering, de Vlaamse Regering en de tussenkomende
partij GAIA betwisten het belang van de verzoekende partijen. partij GAIA betwisten het belang van de verzoekende partijen.
B.3.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het B.3.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of
rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken
van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de
personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en
ongunstig zou kunnen worden geraakt. ongunstig zou kunnen worden geraakt.
B.3.3. De vzw « Nationale Vereniging van Edelpelsdierenfokkers » B.3.3. De vzw « Nationale Vereniging van Edelpelsdierenfokkers »
(hierna : BEFFA) en de ivzw « Fur Europe » zijn verenigingen die (hierna : BEFFA) en de ivzw « Fur Europe » zijn verenigingen die
actief zijn op het gebied van de productie van dierlijke pelzen. Door actief zijn op het gebied van de productie van dierlijke pelzen. Door
het houden van dieren voor uitsluitend of voornamelijk de productie het houden van dieren voor uitsluitend of voornamelijk de productie
van pelzen te verbieden op het grondgebied van het Waalse Gewest, kan van pelzen te verbieden op het grondgebied van het Waalse Gewest, kan
het bestreden decreet rechtstreeks en ongunstig afbreuk doen aan hun het bestreden decreet rechtstreeks en ongunstig afbreuk doen aan hun
maatschappelijk doel, ook al zijn er op dit ogenblik geen maatschappelijk doel, ook al zijn er op dit ogenblik geen
pelsdierenhouders gevestigd in het Waalse Gewest. Die verenigingen pelsdierenhouders gevestigd in het Waalse Gewest. Die verenigingen
doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging ervan te doen blijken van het vereiste belang om de vernietiging ervan te
vorderen. vorderen.
Aangezien het belang van die twee verzoekende partijen is aangetoond, Aangezien het belang van die twee verzoekende partijen is aangetoond,
dient het belang van de derde om in rechte te treden, niet te worden dient het belang van de derde om in rechte te treden, niet te worden
onderzocht. onderzocht.
B.3.4. De excepties worden verworpen. B.3.4. De excepties worden verworpen.
Ten aanzien van het eerste middel Ten aanzien van het eerste middel
B.4. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen B.4. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen
10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 1 en 2 van het bestreden 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 1 en 2 van het bestreden
decreet. decreet.
Volgens de verzoekende partijen voeren die bepalingen een niet Volgens de verzoekende partijen voeren die bepalingen een niet
redelijk verantwoord verschil in behandeling in tussen, enerzijds, de redelijk verantwoord verschil in behandeling in tussen, enerzijds, de
personen die pelsdieren houden voor uitsluitend of voornamelijk de personen die pelsdieren houden voor uitsluitend of voornamelijk de
productie van pelzen en, anderzijds, de personen die pelsdieren of productie van pelzen en, anderzijds, de personen die pelsdieren of
andere dieren houden voor andere doeleinden, zoals de productie van andere dieren houden voor andere doeleinden, zoals de productie van
vlees voor consumptie. vlees voor consumptie.
B.5.1. De Waalse Regering is van mening dat het eerste middel niet B.5.1. De Waalse Regering is van mening dat het eerste middel niet
ontvankelijk is omdat de verzoekende partijen niet aantonen dat zij ontvankelijk is omdat de verzoekende partijen niet aantonen dat zij
tot een van de door hen geïdentificeerde categorieën behoren. tot een van de door hen geïdentificeerde categorieën behoren.
B.5.2. Wanneer een verzoekende partij doet blijken van het vereiste B.5.2. Wanneer een verzoekende partij doet blijken van het vereiste
belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen, belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen,
dient zij daarnaast niet te doen blijken van een belang bij de dient zij daarnaast niet te doen blijken van een belang bij de
middelen die zij aanvoert. middelen die zij aanvoert.
B.6. Uit de in B.2 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de B.6. Uit de in B.2 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de
decreetgever met de invoering van een verbod op het houden van dieren decreetgever met de invoering van een verbod op het houden van dieren
voor uitsluitend of voornamelijk de productie van pelzen, tot doel had voor uitsluitend of voornamelijk de productie van pelzen, tot doel had
het dierenwelzijn in acht te nemen, het milieu te beschermen en het dierenwelzijn in acht te nemen, het milieu te beschermen en
rekening te houden met de ethische overtuigingen waarvan wordt rekening te houden met de ethische overtuigingen waarvan wordt
vastgesteld dat die door een meerderheid van de bevolking worden vastgesteld dat die door een meerderheid van de bevolking worden
gedeeld. gedeeld.
De bescherming van het dierenwelzijn is een legitiem doel van algemeen De bescherming van het dierenwelzijn is een legitiem doel van algemeen
belang, waarvan het belang met name reeds tot uitdrukking is gekomen belang, waarvan het belang met name reeds tot uitdrukking is gekomen
in de vaststelling, door de Europese lidstaten, van het aan het in de vaststelling, door de Europese lidstaten, van het aan het
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol
nr. 33 betreffende de bescherming en het welzijn van dieren (Pb. 1997, nr. 33 betreffende de bescherming en het welzijn van dieren (Pb. 1997,
C 340, p. 110), waarvan de inhoud grotendeels is overgenomen in C 340, p. 110), waarvan de inhoud grotendeels is overgenomen in
artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie
(VWEU). (VWEU).
B.7.1. Het verschil in behandeling tussen de personen die dieren B.7.1. Het verschil in behandeling tussen de personen die dieren
houden voor uitsluitend of voornamelijk de productie van pelzen en de houden voor uitsluitend of voornamelijk de productie van pelzen en de
personen die dieren houden voor andere doeleinden, berust op een personen die dieren houden voor andere doeleinden, berust op een
objectief criterium. objectief criterium.
B.7.2. Dat verbod kan voorts als pertinent worden beschouwd om een B.7.2. Dat verbod kan voorts als pertinent worden beschouwd om een
doeltreffende bescherming van het welzijn van die dieren te doeltreffende bescherming van het welzijn van die dieren te
waarborgen. Het beantwoordt ook aan de doelstellingen van waarborgen. Het beantwoordt ook aan de doelstellingen van
milieubescherming die de decreetgever nastreeft doordat het toelaat de milieubescherming die de decreetgever nastreeft doordat het toelaat de
afvalproductie van pelsdieren te voorkomen, en aan de ethische afvalproductie van pelsdieren te voorkomen, en aan de ethische
overwegingen die aan de basis ervan liggen. overwegingen die aan de basis ervan liggen.
B.8. De decreetgever beschikt in sociaaleconomische aangelegenheden B.8. De decreetgever beschikt in sociaaleconomische aangelegenheden
over een ruime beoordelingsbevoegdheid. In het licht van de over een ruime beoordelingsbevoegdheid. In het licht van de
doelstellingen die hij nastreeft, kon hij redelijkerwijze tot de doelstellingen die hij nastreeft, kon hij redelijkerwijze tot de
conclusie komen dat tussen het houden van pelsdieren voor uitsluitend conclusie komen dat tussen het houden van pelsdieren voor uitsluitend
of voornamelijk de productie van pelzen en het houden van dieren voor of voornamelijk de productie van pelzen en het houden van dieren voor
andere doeleinden zodanige verschillen bestaan dat in het eerste geval andere doeleinden zodanige verschillen bestaan dat in het eerste geval
een verbod op het houden ervan dient te worden uitgevaardigd. Dat de een verbod op het houden ervan dient te worden uitgevaardigd. Dat de
huid van dieren die om andere redenen dan voor de productie van pelzen huid van dieren die om andere redenen dan voor de productie van pelzen
worden gekweekt, wel mag worden gebruikt, doet hieraan geen afbreuk, worden gekweekt, wel mag worden gebruikt, doet hieraan geen afbreuk,
nu het in een dergelijk geval slechts gaat om een bijproduct. nu het in een dergelijk geval slechts gaat om een bijproduct.
B.9. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen staande houden, B.9. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen staande houden,
heeft het feit dat zij het niet eens zijn met de beleidskeuze van de heeft het feit dat zij het niet eens zijn met de beleidskeuze van de
decreetgever, niet tot gevolg dat zij als ideologische minderheid decreetgever, niet tot gevolg dat zij als ideologische minderheid
zouden worden gediscrimineerd in de zin van artikel 11, tweede lid, zouden worden gediscrimineerd in de zin van artikel 11, tweede lid,
van de Grondwet. Artikel 11 van de Grondwet verbiedt de decreetgever van de Grondwet. Artikel 11 van de Grondwet verbiedt de decreetgever
niet om bepalingen ten gunste van het dierenwelzijn aan te nemen, niet om bepalingen ten gunste van het dierenwelzijn aan te nemen,
ondanks de mening van een minderheid die het niet eens zou zijn met ondanks de mening van een minderheid die het niet eens zou zijn met
zijn beleidskeuze, die tot zijn beoordelingsbevoegdheid behoort. zijn beleidskeuze, die tot zijn beoordelingsbevoegdheid behoort.
B.10. Het eerste middel is niet gegrond. B.10. Het eerste middel is niet gegrond.
Ten aanzien van het tweede middel Ten aanzien van het tweede middel
B.11. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de B.11. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door de
artikelen 1 en 2 van het bestreden decreet, van artikel 16 van de artikelen 1 en 2 van het bestreden decreet, van artikel 16 van de
Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend
Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
De verzoekende partijen wijzen erop dat het decretale verbod om dieren De verzoekende partijen wijzen erop dat het decretale verbod om dieren
te houden voor uitsluitend of voornamelijk de productie van pelzen een te houden voor uitsluitend of voornamelijk de productie van pelzen een
beperking vormt van het gebruik van het eigendomsrecht met betrekking beperking vormt van het gebruik van het eigendomsrecht met betrekking
tot die dieren, alsook een beperking van het gebruik van de onroerende tot die dieren, alsook een beperking van het gebruik van de onroerende
eigendommen waarin die dieren worden gehouden. eigendommen waarin die dieren worden gehouden.
B.12.1. De Waalse Regering is van mening dat geen enkele van de B.12.1. De Waalse Regering is van mening dat geen enkele van de
verzoekende partijen belang heeft bij het middel omdat geen enkele van verzoekende partijen belang heeft bij het middel omdat geen enkele van
hen eigenaar is van een installatie gelegen in het Waalse Gewest. hen eigenaar is van een installatie gelegen in het Waalse Gewest.
B.12.2. Wanneer een verzoekende partij doet blijken van het vereiste B.12.2. Wanneer een verzoekende partij doet blijken van het vereiste
belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen, belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen,
dient zij daarnaast niet te doen blijken van een belang bij de dient zij daarnaast niet te doen blijken van een belang bij de
middelen die zij aanvoert. middelen die zij aanvoert.
B.13. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom B.13. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt dat niemand van zijn eigendom
kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de kan worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de
wijze bij de wet bepaald en tegen een billijke en voorafgaande wijze bij de wet bepaald en tegen een billijke en voorafgaande
schadeloosstelling. schadeloosstelling.
B.14.1. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees B.14.1. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees
Verdrag voor de rechten van de mens biedt niet alleen bescherming Verdrag voor de rechten van de mens biedt niet alleen bescherming
tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede
zin), maar ook tegen een verstoring van het genot van de eigendom zin), maar ook tegen een verstoring van het genot van de eigendom
(eerste alinea, eerste zin) en tegen een uitoefening van toezicht op (eerste alinea, eerste zin) en tegen een uitoefening van toezicht op
het gebruik van eigendom (tweede alinea). het gebruik van eigendom (tweede alinea).
B.14.2. Doordat artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste B.14.2. Doordat artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste
Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de
mens het eigendomsrecht beschermen, vormen de erin vervatte waarborgen mens het eigendomsrecht beschermen, vormen de erin vervatte waarborgen
een onlosmakelijk geheel, zodat het Hof bij zijn toetsing aan artikel een onlosmakelijk geheel, zodat het Hof bij zijn toetsing aan artikel
16 van de Grondwet rekening dient te houden met de ruimere bescherming 16 van de Grondwet rekening dient te houden met de ruimere bescherming
die artikel 1 van dat Protocol biedt. die artikel 1 van dat Protocol biedt.
B.15. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol houdt geen recht in B.15. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol houdt geen recht in
om eigendom te verwerven (EHRM, 13 juni 1979, Marckx t. België, § 50; om eigendom te verwerven (EHRM, 13 juni 1979, Marckx t. België, § 50;
28 september 2004, Kopecky t. Slovakije, § 35). Weliswaar kunnen in 28 september 2004, Kopecky t. Slovakije, § 35). Weliswaar kunnen in
bepaalde omstandigheden gefundeerde verwachtingen met betrekking tot bepaalde omstandigheden gefundeerde verwachtingen met betrekking tot
de verwezenlijking van toekomstige eigendomsaanspraken onder de de verwezenlijking van toekomstige eigendomsaanspraken onder de
bescherming van de vermelde verdragsbepaling vallen. Dat veronderstelt bescherming van de vermelde verdragsbepaling vallen. Dat veronderstelt
evenwel dat er sprake is van een rechtens afdwingbare aanspraak en dat evenwel dat er sprake is van een rechtens afdwingbare aanspraak en dat
een voldoende basis bestaat in het nationaal recht alvorens een een voldoende basis bestaat in het nationaal recht alvorens een
rechtsonderhorige zich op een legitieme verwachting kan beroepen. De rechtsonderhorige zich op een legitieme verwachting kan beroepen. De
loutere hoop om het genot van eigendom te verkrijgen, maakt geen loutere hoop om het genot van eigendom te verkrijgen, maakt geen
dergelijke legitieme verwachting uit (EHRM, 28 september 2004, Kopecky dergelijke legitieme verwachting uit (EHRM, 28 september 2004, Kopecky
t. Slovakije, § 35). t. Slovakije, § 35).
B.16. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat er vóór de B.16. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat er vóór de
aanneming van het bestreden decreet geen fokkerijen van pelsdieren in aanneming van het bestreden decreet geen fokkerijen van pelsdieren in
het Waalse Gewest bestonden, zodat er geen sprake is van een het Waalse Gewest bestonden, zodat er geen sprake is van een
aantasting van bestaande eigendom. aantasting van bestaande eigendom.
Evenmin kan worden aangenomen dat rechtsonderhorigen de gewettigde Evenmin kan worden aangenomen dat rechtsonderhorigen de gewettigde
verwachting konden koesteren dat het hen zou worden toegelaten in het verwachting konden koesteren dat het hen zou worden toegelaten in het
Waalse Gewest dieren te houden uitsluitend of voornamelijk voor de Waalse Gewest dieren te houden uitsluitend of voornamelijk voor de
productie van pelzen, noch dat zij daaruit toekomstige inkomsten productie van pelzen, noch dat zij daaruit toekomstige inkomsten
zouden kunnen verwerven. zouden kunnen verwerven.
Aldus is er geen sprake van een inmenging in het eigendomsrecht in de Aldus is er geen sprake van een inmenging in het eigendomsrecht in de
zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees
Verdrag voor de rechten van de mens. Verdrag voor de rechten van de mens.
B.17. Het tweede middel is niet gegrond. B.17. Het tweede middel is niet gegrond.
Ten aanzien van het derde middel Ten aanzien van het derde middel
B.18.1. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door de B.18.1. Het derde middel is afgeleid uit de schending, door de
artikelen 1 en 2 van het bestreden decreet, van de artikelen 11 en 23 artikelen 1 en 2 van het bestreden decreet, van de artikelen 11 en 23
van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 34, 35 en 49 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 34, 35 en 49
van het VWEU. van het VWEU.
Volgens de verzoekende partijen moet het verbod op het houden van Volgens de verzoekende partijen moet het verbod op het houden van
dieren die hoofdzakelijk of uitsluitend bestemd zijn voor dieren die hoofdzakelijk of uitsluitend bestemd zijn voor
pelsproductie worden beschouwd als een maatregel met dezelfde werking pelsproductie worden beschouwd als een maatregel met dezelfde werking
als invoer- of uitvoerbeperkingen. Het verbod zou dus strijdig zijn als invoer- of uitvoerbeperkingen. Het verbod zou dus strijdig zijn
met de artikelen 34 en 35 van het VWEU. Het zou ook strijdig zijn met met de artikelen 34 en 35 van het VWEU. Het zou ook strijdig zijn met
artikel 49 van het VWEU, dat voorziet in een verbod op beperkingen van artikel 49 van het VWEU, dat voorziet in een verbod op beperkingen van
de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het
grondgebied van een andere lidstaat. grondgebied van een andere lidstaat.
B.18.2. De verzoekende partijen zetten in hun verzoekschrift niet B.18.2. De verzoekende partijen zetten in hun verzoekschrift niet
voldoende uiteen in welk opzicht de bestreden bepalingen artikel 23 voldoende uiteen in welk opzicht de bestreden bepalingen artikel 23
van de Grondwet zouden schenden. van de Grondwet zouden schenden.
Het derde middel is onontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de Het derde middel is onontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de
schending van artikel 23 van de Grondwet. Het Hof beperkt bijgevolg schending van artikel 23 van de Grondwet. Het Hof beperkt bijgevolg
zijn onderzoek tot artikel 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen zijn onderzoek tot artikel 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen
met de artikelen 34, 35 en 49 van het VWEU. met de artikelen 34, 35 en 49 van het VWEU.
B.19. De artikelen 34, 35, 36 en 49 van het VWEU bepalen : B.19. De artikelen 34, 35, 36 en 49 van het VWEU bepalen :
« Artikel 34 « Artikel 34
Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke
werking zijn tussen de lidstaten verboden. werking zijn tussen de lidstaten verboden.
Artikel 35 Artikel 35
Kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke Kwantitatieve uitvoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke
werking zijn tussen de lidstaten verboden. werking zijn tussen de lidstaten verboden.
Artikel 36 Artikel 36
De bepalingen van de artikelen 34 en 35 vormen geen beletsel voor De bepalingen van de artikelen 34 en 35 vormen geen beletsel voor
verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, welke
gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van de openbare
zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid
en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek
historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de
industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen industriële en commerciële eigendom. Deze verboden of beperkingen
mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een
verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen ». verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen ».
« Artikel 49 « Artikel 49
In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de
vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het
grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft
eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van
agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van
een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd. een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd.
De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het
hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden
anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de
oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van
vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54, vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54,
overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van
vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld ». vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld ».
B.20. De decretale bepalingen waarbij een verbod wordt opgelegd voor B.20. De decretale bepalingen waarbij een verbod wordt opgelegd voor
het houden van dieren voor uitsluitend of voornamelijk de productie het houden van dieren voor uitsluitend of voornamelijk de productie
van pelzen kunnen het intracommunautair handelsverkeer in dergelijke van pelzen kunnen het intracommunautair handelsverkeer in dergelijke
dieren, minstens onrechtstreeks, belemmeren en dienen bijgevolg te dieren, minstens onrechtstreeks, belemmeren en dienen bijgevolg te
worden beschouwd als een bij de artikelen 34 en 35 van het VWEU in worden beschouwd als een bij de artikelen 34 en 35 van het VWEU in
beginsel verboden maatregel die een gelijke werking heeft als een beginsel verboden maatregel die een gelijke werking heeft als een
kwantitatieve beperking (zie arrest HvJ, 17 september 1998, C-400/96, kwantitatieve beperking (zie arrest HvJ, 17 september 1998, C-400/96,
Harpegnies, punt 30; 19 juni 2008, C-219/07, Nationale Raad van Harpegnies, punt 30; 19 juni 2008, C-219/07, Nationale Raad van
Dierenkwekers en Liefhebbers VZW e.a., punt 22). Dierenkwekers en Liefhebbers VZW e.a., punt 22).
Het moet derhalve worden onderzocht of het principiële verbod kan Het moet derhalve worden onderzocht of het principiële verbod kan
worden gerechtvaardigd op grond van artikel 36 van hetzelfde Verdrag worden gerechtvaardigd op grond van artikel 36 van hetzelfde Verdrag
of op grond van andere dwingende vereisten, rekening houdend met de of op grond van andere dwingende vereisten, rekening houdend met de
rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie. rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
B.21. Zoals in B.6 is vermeld, wilde de decreetgever, met het verbod B.21. Zoals in B.6 is vermeld, wilde de decreetgever, met het verbod
op het houden van dieren voor uitsluitend of voornamelijk de productie op het houden van dieren voor uitsluitend of voornamelijk de productie
van pelzen, het welzijn van die dieren waarborgen en het milieu van pelzen, het welzijn van die dieren waarborgen en het milieu
beschermen. beschermen.
De bescherming van het dierenwelzijn is een legitiem doel van algemeen De bescherming van het dierenwelzijn is een legitiem doel van algemeen
belang, waarvan het belang met name reeds tot uitdrukking is gekomen belang, waarvan het belang met name reeds tot uitdrukking is gekomen
in de vaststelling, door de Europese lidstaten, van het aan het in de vaststelling, door de Europese lidstaten, van het aan het
Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol
nr. 33 betreffende de bescherming en het welzijn van dieren (Pb. 1997, nr. 33 betreffende de bescherming en het welzijn van dieren (Pb. 1997,
C 340, p. 110), waarvan de inhoud grotendeels is overgenomen in C 340, p. 110), waarvan de inhoud grotendeels is overgenomen in
artikel 13 van het VWEU. artikel 13 van het VWEU.
Overeenkomstig artikel 36 van het VWEU vormt het bepaalde in de Overeenkomstig artikel 36 van het VWEU vormt het bepaalde in de
artikelen 34 en 35 geen beletsel voor verboden of beperkingen die artikelen 34 en 35 geen beletsel voor verboden of beperkingen die
gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de gezondheid gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de gezondheid
en het leven van dieren, op voorwaarde dat die verboden of beperkingen en het leven van dieren, op voorwaarde dat die verboden of beperkingen
geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking
van de handel tussen de lidstaten vormen. van de handel tussen de lidstaten vormen.
Bovendien is het, overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van Bovendien is het, overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof van
Justitie, mogelijk beperkingen op het vrije verkeer van goederen te Justitie, mogelijk beperkingen op het vrije verkeer van goederen te
rechtvaardigen door dwingende vereisten zoals de bescherming van het rechtvaardigen door dwingende vereisten zoals de bescherming van het
milieu (HvJ, 14 juli 1998, C-341/95, Bettati, punt 62; 12 oktober milieu (HvJ, 14 juli 1998, C-341/95, Bettati, punt 62; 12 oktober
2000, C-314/98, Snellers, punt 55; 19 juni 2008, C-219/07, Nationale 2000, C-314/98, Snellers, punt 55; 19 juni 2008, C-219/07, Nationale
Raad van Dierenkwekers en Liefhebbers VZW e.a., punt 29). Raad van Dierenkwekers en Liefhebbers VZW e.a., punt 29).
B.22. Het principiële verbod op het houden van dieren voor uitsluitend B.22. Het principiële verbod op het houden van dieren voor uitsluitend
of voornamelijk de productie van pelzen kan als noodzakelijk worden of voornamelijk de productie van pelzen kan als noodzakelijk worden
beschouwd om een doeltreffende bescherming van het welzijn van die beschouwd om een doeltreffende bescherming van het welzijn van die
dieren te verzekeren en om elk risico op fysieke of psychische dieren te verzekeren en om elk risico op fysieke of psychische
mishandeling uit te sluiten. mishandeling uit te sluiten.
De vaststelling dat in andere lidstaten van de Europese Unie minder De vaststelling dat in andere lidstaten van de Europese Unie minder
strikte bepalingen gelden dan in België, betekent op zich niet dat het strikte bepalingen gelden dan in België, betekent op zich niet dat het
principiële verbod onevenredig en derhalve onverenigbaar met het recht principiële verbod onevenredig en derhalve onverenigbaar met het recht
van de Europese Unie is. De enkele omstandigheid dat de ene lidstaat van de Europese Unie is. De enkele omstandigheid dat de ene lidstaat
voor een ander stelsel van bescherming heeft gekozen dan de andere, voor een ander stelsel van bescherming heeft gekozen dan de andere,
heeft geen invloed op de beoordeling van de noodzaak en de heeft geen invloed op de beoordeling van de noodzaak en de
evenredigheid van de bestreden bepalingen (HvJ, 1 maart 2001, evenredigheid van de bestreden bepalingen (HvJ, 1 maart 2001,
C-108/96, Mac Quen e.a., punten 33 en 34; 19 juni 2008, C-219/07, C-108/96, Mac Quen e.a., punten 33 en 34; 19 juni 2008, C-219/07,
Nationale Raad van Dierenkwekers en Liefhebbers VZW e.a., punt 31). Nationale Raad van Dierenkwekers en Liefhebbers VZW e.a., punt 31).
De Europese Commissie oordeelde dat, gelet op het Protocol betreffende De Europese Commissie oordeelde dat, gelet op het Protocol betreffende
de bescherming en het welzijn van dieren gehecht aan het Verdrag van de bescherming en het welzijn van dieren gehecht aan het Verdrag van
Amsterdam, dierenbescherming een gevoelig onderwerp is waarover door Amsterdam, dierenbescherming een gevoelig onderwerp is waarover door
de bevolking van de lidstaten, afhankelijk van de sociale, culturele de bevolking van de lidstaten, afhankelijk van de sociale, culturele
en religieuze kenmerken van de desbetreffende maatschappij, zeer en religieuze kenmerken van de desbetreffende maatschappij, zeer
verschillend kan worden gedacht, zodat de lidstaten het meest geschikt verschillend kan worden gedacht, zodat de lidstaten het meest geschikt
zijn om gepaste maatregelen te treffen (Decision of the European zijn om gepaste maatregelen te treffen (Decision of the European
Ombudsman closing his inquiry into complaint 3307/2006/(PB)JMA against Ombudsman closing his inquiry into complaint 3307/2006/(PB)JMA against
the European Commission, the European Commission,
http://www.ombudsman.europa.eu/cases/decision.faces/en/4653/html.bookmark, http://www.ombudsman.europa.eu/cases/decision.faces/en/4653/html.bookmark,
punten 25 en 35). punten 25 en 35).
B.23. Anders dan de verzoekende partijen staande houden, heeft de B.23. Anders dan de verzoekende partijen staande houden, heeft de
decreetgever in redelijkheid kunnen vaststellen dat het opleggen van decreetgever in redelijkheid kunnen vaststellen dat het opleggen van
minder verregaande maatregelen, zoals het opleggen van voorwaarden minder verregaande maatregelen, zoals het opleggen van voorwaarden
voor het houden van pelsdieren, niet toelaat het door hem beoogde voor het houden van pelsdieren, niet toelaat het door hem beoogde
minimumwelzijnsniveau te waarborgen en dat aan het uitgangspunt minimumwelzijnsniveau te waarborgen en dat aan het uitgangspunt
volgens hetwelk het houden en doden van pelsdieren voor uitsluitend of volgens hetwelk het houden en doden van pelsdieren voor uitsluitend of
voornamelijk de productie van pelzen niet aanvaardbaar is, het logisch voornamelijk de productie van pelzen niet aanvaardbaar is, het logisch
gevolg moet worden verbonden dat dit moet worden verboden. gevolg moet worden verbonden dat dit moet worden verboden.
B.24. Het decretale verbod schendt evenmin artikel 11 van de Grondwet, B.24. Het decretale verbod schendt evenmin artikel 11 van de Grondwet,
in samenhang gelezen met artikel 49 van het VWEU. De in samenhang gelezen met artikel 49 van het VWEU. De
decreetsbepalingen gebruiken inzake de vrijheid van vestiging geen decreetsbepalingen gebruiken inzake de vrijheid van vestiging geen
criterium dat gebaseerd is op de nationaliteit of de Staat van criterium dat gebaseerd is op de nationaliteit of de Staat van
herkomst en streven het doel van dierenwelzijn na dat specifiek wordt herkomst en streven het doel van dierenwelzijn na dat specifiek wordt
vermeld in artikel 13 van het VWEU. vermeld in artikel 13 van het VWEU.
B.25. Het derde middel is niet gegrond. B.25. Het derde middel is niet gegrond.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
verwerpt het beroep. verwerpt het beroep.
Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits,
overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op
het Grondwettelijk Hof, op 20 oktober 2016. het Grondwettelijk Hof, op 20 oktober 2016.
De griffier, De griffier,
F. Meersschaut F. Meersschaut
De voorzitter, De voorzitter,
J. Spreutels J. Spreutels
^