Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 17/2016 van 3 februari 2016 Rolnummer : 6114 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 42, § 2, 2°, van het Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 199 Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter A. Alen, waarnemend voorzitter, voorzitter J. S(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 17/2016 van 3 februari 2016 Rolnummer : 6114 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 42, § 2, 2°, van het Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 199 Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter A. Alen, waarnemend voorzitter, voorzitter J. S(...) Uittreksel uit arrest nr. 17/2016 van 3 februari 2016 Rolnummer : 6114 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 42, § 2, 2°, van het Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 199 Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter A. Alen, waarnemend voorzitter, voorzitter J. S(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 17/2016 van 3 februari 2016 Uittreksel uit arrest nr. 17/2016 van 3 februari 2016
Rolnummer : 6114 Rolnummer : 6114
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 42, § 2, 2°, van In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 42, § 2, 2°, van
het Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot het Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot
begeleiding van de begroting 1996, gesteld door de Nederlandstalige begeleiding van de begroting 1996, gesteld door de Nederlandstalige
Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit rechter A. Alen, waarnemend voorzitter, voorzitter J. samengesteld uit rechter A. Alen, waarnemend voorzitter, voorzitter J.
Spreutels, en de rechters J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Spreutels, en de rechters J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van
Goey, P. Nihoul en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Goey, P. Nihoul en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F.
Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter A. Alen, Meersschaut, onder voorzitterschap van rechter A. Alen,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 31 oktober 2014 in zake An Ruyters tegen het Vlaamse Bij vonnis van 31 oktober 2014 in zake An Ruyters tegen het Vlaamse
Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op
10 december 2014, heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste 10 december 2014, heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste
aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt het artikel 42, § 2, 2°, van het Vlaamse decreet van 22 « Schendt het artikel 42, § 2, 2°, van het Vlaamse decreet van 22
december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
1996, zoals gewijzigd door artikel 7 van het decreet van 8 juli 1997, 1996, zoals gewijzigd door artikel 7 van het decreet van 8 juli 1997,
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het enkel voorziet in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat het enkel voorziet in
een vrijstelling van heffing voor de volle eigenaars, een vrijstelling van heffing voor de volle eigenaars,
vruchtgebruikers, erfpachters en opstalhouders van gebouwen en/of vruchtgebruikers, erfpachters en opstalhouders van gebouwen en/of
woningen die krachtens het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming woningen die krachtens het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming
van monumenten en stads- en dorpsgezichten beschermd zijn als monument van monumenten en stads- en dorpsgezichten beschermd zijn als monument
en waarvoor hetzij bij de bevoegde overheid een ontvankelijk verklaard en waarvoor hetzij bij de bevoegde overheid een ontvankelijk verklaard
restauratiepremiedossier is ingediend (in welk geval de vrijstelling restauratiepremiedossier is ingediend (in welk geval de vrijstelling
beperkt is tot de termijn van de behandeling) of waarvoor de bevoegde beperkt is tot de termijn van de behandeling) of waarvoor de bevoegde
overheid attesteert dat het beschermde gebouw en/of woning in de overheid attesteert dat het beschermde gebouw en/of woning in de
bestaande toestand bewaard mag blijven, terwijl overeenkomstig artikel bestaande toestand bewaard mag blijven, terwijl overeenkomstig artikel
4, laatste lid, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen 4, laatste lid, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen
ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van
bedrijfsruimten, de verwaarloosde en/of leegstaande bedrijfsruimten bedrijfsruimten, de verwaarloosde en/of leegstaande bedrijfsruimten
niet in de inventaris worden opgenomen wanneer deze in het kader van niet in de inventaris worden opgenomen wanneer deze in het kader van
het decreet van 3 maart 1976 beschermd zijn als monument, zonder het decreet van 3 maart 1976 beschermd zijn als monument, zonder
toevoeging van bijkomende voorwaarden, hetgeen in hoofde van de toevoeging van bijkomende voorwaarden, hetgeen in hoofde van de
eigenaars van deze bedrijfsruimten gelijkstaat met een niet in tijd eigenaars van deze bedrijfsruimten gelijkstaat met een niet in tijd
beperkte vrijstelling van heffing ? ». beperkte vrijstelling van heffing ? ».
Op 6 januari 2015 hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en P. Op 6 januari 2015 hebben de rechters-verslaggevers E. Derycke en P.
Nihoul, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere Nihoul, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere
wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in
kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te
stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op
voorafgaande rechtspleging. voorafgaande rechtspleging.
(...) (...)
Bij beschikking van 4 februari 2015 heeft het Hof beslist de zaak Bij beschikking van 4 februari 2015 heeft het Hof beslist de zaak
overeenkomstig de gewone rechtspleging voort te zetten. overeenkomstig de gewone rechtspleging voort te zetten.
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
B.1.1. De prejudiciële vraag betreft artikel 42, § 2, 2°, van het B.1.1. De prejudiciële vraag betreft artikel 42, § 2, 2°, van het
Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot
begeleiding van de begroting 1996 (hierna : het decreet van 22 begeleiding van de begroting 1996 (hierna : het decreet van 22
december 1995), zoals gewijzigd bij artikel 7 van het decreet van 8 december 1995), zoals gewijzigd bij artikel 7 van het decreet van 8
juli 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de juli 1997 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de
begroting 1997 (hierna : het decreet van 8 juli 1997) en vóór de begroting 1997 (hierna : het decreet van 8 juli 1997) en vóór de
opheffing ervan bij artikel 12.1.10 van het decreet van 12 juli 2013 opheffing ervan bij artikel 12.1.10 van het decreet van 12 juli 2013
betreffende het onroerend erfgoed. betreffende het onroerend erfgoed.
Artikel 42, § 2, 2°, zoals van toepassing op het geschil voor de Artikel 42, § 2, 2°, zoals van toepassing op het geschil voor de
verwijzende rechter, bepaalde : verwijzende rechter, bepaalde :
« De houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, op een van « De houder van het zakelijk recht, bedoeld in artikel 27, op een van
de volgende gebouwen en/of woningen wordt vrijgesteld van de heffing : de volgende gebouwen en/of woningen wordt vrijgesteld van de heffing :
[...] [...]
2° de gebouwen en/of woningen die krachtens het decreet van 3 maart 2° de gebouwen en/of woningen die krachtens het decreet van 3 maart
1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten zijn 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten zijn
beschermd als monument en waarvoor a) ofwel bij de bevoegde overheid beschermd als monument en waarvoor a) ofwel bij de bevoegde overheid
een ontvankelijk verklaard restauratiepremiedossier is ingediend, een ontvankelijk verklaard restauratiepremiedossier is ingediend,
gedurende de termijn van behandeling; b) ofwel de bevoegde overheid gedurende de termijn van behandeling; b) ofwel de bevoegde overheid
attesteert dat het beschermde gebouw en/of woning in de bestaande attesteert dat het beschermde gebouw en/of woning in de bestaande
toestand mag bewaard blijven. Dit attest vermeldt voor welke termijn toestand mag bewaard blijven. Dit attest vermeldt voor welke termijn
en voor welke lijsten, waarop de gebouwen en/of woningen zijn en voor welke lijsten, waarop de gebouwen en/of woningen zijn
geïnventariseerd, vrijstelling wordt verleend ». geïnventariseerd, vrijstelling wordt verleend ».
B.1.2. Artikel 4, laatste lid, van het decreet van 19 april 1995 B.1.2. Artikel 4, laatste lid, van het decreet van 19 april 1995
houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en
verwaarlozing van bedrijfsruimten (hierna : het Decreet verwaarlozing van bedrijfsruimten (hierna : het Decreet
Bedrijfsruimten), vóór de opheffing ervan bij artikel 12.1.8 van het Bedrijfsruimten), vóór de opheffing ervan bij artikel 12.1.8 van het
decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed bepaalde : decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed bepaalde :
« In de Inventaris worden echter niet geregistreerd : « In de Inventaris worden echter niet geregistreerd :
1° bedrijfsruimten waarop een onteigeningsbeslissing rust of waarvoor 1° bedrijfsruimten waarop een onteigeningsbeslissing rust of waarvoor
een procedure tot onteigening is ingezet; een procedure tot onteigening is ingezet;
2° bedrijfsruimten die in het kader van het decreet van 3 maart 1976 2° bedrijfsruimten die in het kader van het decreet van 3 maart 1976
tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten beschermd tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten beschermd
zijn als monument of stads- en dorpsgezicht of die bij ministerieel zijn als monument of stads- en dorpsgezicht of die bij ministerieel
besluit opgenomen zijn in een ontwerp van lijst tot bescherming in het besluit opgenomen zijn in een ontwerp van lijst tot bescherming in het
kader van het voormelde decreet ». kader van het voormelde decreet ».
B.2. De verwijzende rechter verzoekt het Hof na te gaan of de in het B.2. De verwijzende rechter verzoekt het Hof na te gaan of de in het
geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt
doordat zij enkel voorzag in een tijdelijke en voorwaardelijke doordat zij enkel voorzag in een tijdelijke en voorwaardelijke
vrijstelling van heffing voor de houders van zakelijke rechten van vrijstelling van heffing voor de houders van zakelijke rechten van
gebouwen en/of woningen die beschermd zijn als monument, terwijl gebouwen en/of woningen die beschermd zijn als monument, terwijl
overeenkomstig artikel 4, laatste lid, van het Decreet Bedrijfsruimten overeenkomstig artikel 4, laatste lid, van het Decreet Bedrijfsruimten
wordt voorzien in een definitieve vrijstelling van heffing voor de wordt voorzien in een definitieve vrijstelling van heffing voor de
houders van zakelijke rechten van bedrijfsruimten die beschermd zijn houders van zakelijke rechten van bedrijfsruimten die beschermd zijn
als monument daar voormelde bedrijfsruimten niet worden opgenomen in als monument daar voormelde bedrijfsruimten niet worden opgenomen in
de inventaris zonder toevoeging van bijkomende voorwaarden. de inventaris zonder toevoeging van bijkomende voorwaarden.
B.3.1. De decreten vermeld in de prejudiciële vraag, zijnde, B.3.1. De decreten vermeld in de prejudiciële vraag, zijnde,
enerzijds, het decreet van 22 december 1995 en, anderzijds, het enerzijds, het decreet van 22 december 1995 en, anderzijds, het
Decreet Bedrijfsruimten, passen in het kader van het beleid van de Decreet Bedrijfsruimten, passen in het kader van het beleid van de
decreetgever tot verbetering van de kwaliteit van de leef- en decreetgever tot verbetering van de kwaliteit van de leef- en
woonomgeving. woonomgeving.
Volgens de decreetgever zijn verwaarlozing, leegstand en de Volgens de decreetgever zijn verwaarlozing, leegstand en de
bedenkelijke woonkwaliteit van sommige woningen « symptoom en oorzaak bedenkelijke woonkwaliteit van sommige woningen « symptoom en oorzaak
[...], van de achteruitgang van het leefklimaat, van de sociale [...], van de achteruitgang van het leefklimaat, van de sociale
achterstelling van de bewoners en uiteindelijk van de desintegratie achterstelling van de bewoners en uiteindelijk van de desintegratie
van het sociale en maatschappelijke weefsel » (Parl. St., Vlaamse van het sociale en maatschappelijke weefsel » (Parl. St., Vlaamse
Raad, 1995-1996, nr. 147/1, pp. 15-16). Raad, 1995-1996, nr. 147/1, pp. 15-16).
Ook inzake leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimten stelt de Ook inzake leegstaande en verwaarloosde bedrijfsruimten stelt de
decreetgever dat « dergelijke panden [...] bovendien een negatieve decreetgever dat « dergelijke panden [...] bovendien een negatieve
invloed uit [oefenen] op de omgeving waardoor de aanpalende wijk(en) invloed uit [oefenen] op de omgeving waardoor de aanpalende wijk(en)
of buurt(en) eveneens in een verkrottingspiraal komen te zitten. of buurt(en) eveneens in een verkrottingspiraal komen te zitten.
Dergelijke leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten moeten dan Dergelijke leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimten moeten dan
ook worden beschouwd als probleemgebieden zowel vanuit een economisch ook worden beschouwd als probleemgebieden zowel vanuit een economisch
oogpunt als vanuit het streven naar een kwaliteitsvolle leef- en oogpunt als vanuit het streven naar een kwaliteitsvolle leef- en
woonomgeving » (Parl. St., Vlaamse Raad, 1993-1994, nr. 591/1, p. 2). woonomgeving » (Parl. St., Vlaamse Raad, 1993-1994, nr. 591/1, p. 2).
B.3.2. Met de leegstandsheffingen streeft de decreetgever een B.3.2. Met de leegstandsheffingen streeft de decreetgever een
drievoudige doelstelling na. De heffingen hebben allereerst een drievoudige doelstelling na. De heffingen hebben allereerst een
ontradend effect, ten tweede werken ze bestraffend ten aanzien van ontradend effect, ten tweede werken ze bestraffend ten aanzien van
degenen die door leegstand en verwaarlozing bijdragen tot de degenen die door leegstand en verwaarlozing bijdragen tot de
verloedering van de leef- en omgevingskwaliteit en ten derde dienen ze verloedering van de leef- en omgevingskwaliteit en ten derde dienen ze
als financieringsbron voor initiatieven die de leef- en als financieringsbron voor initiatieven die de leef- en
omgevingskwaliteit verbeteren (Parl. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr. omgevingskwaliteit verbeteren (Parl. St., Vlaamse Raad, 1995-1996, nr.
147/1, p. 16; Parl. St., Vlaamse Raad, 1993-1994, nr. 591/1, pp. 147/1, p. 16; Parl. St., Vlaamse Raad, 1993-1994, nr. 591/1, pp.
3-47). 3-47).
B.3.3. Het decreet van 22 december 1995 belast leegstaande en/of B.3.3. Het decreet van 22 december 1995 belast leegstaande en/of
verwaarloosde gebouwen alsook de leegstaande, verwaarloosde, verwaarloosde gebouwen alsook de leegstaande, verwaarloosde,
ongeschikte of onbewoonbaar verklaarde woningen. Een woning is, ongeschikte of onbewoonbaar verklaarde woningen. Een woning is,
overeenkomstig artikel 24, 6°, van dat decreet zoals van toepassing in overeenkomstig artikel 24, 6°, van dat decreet zoals van toepassing in
het geschil voor de verwijzende rechter, « elk onroerend goed of deel het geschil voor de verwijzende rechter, « elk onroerend goed of deel
ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin
of alleenstaande ». of alleenstaande ».
Het Decreet Bedrijfsruimten belast de leegstaande en/of verwaarloosde Het Decreet Bedrijfsruimten belast de leegstaande en/of verwaarloosde
bedrijfsruimten. Een bedrijfsruimte is, overeenkomstig artikel 2 van bedrijfsruimten. Een bedrijfsruimte is, overeenkomstig artikel 2 van
dat decreet, « de verzameling van alle percelen waarop zich minstens dat decreet, « de verzameling van alle percelen waarop zich minstens
één bedrijfsgebouw bevindt, als één geheel te beschouwen en waar een één bedrijfsgebouw bevindt, als één geheel te beschouwen en waar een
economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt. Deze economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt. Deze
verzameling heeft een minimale oppervlakte van vijf aren. Uitgesloten verzameling heeft een minimale oppervlakte van vijf aren. Uitgesloten
is de bedrijfsruimte waarin de woning van de eigenaar een is de bedrijfsruimte waarin de woning van de eigenaar een
niet-afsplitsbaar onderdeel uitmaakt van het bedrijfsgebouw en dat nog niet-afsplitsbaar onderdeel uitmaakt van het bedrijfsgebouw en dat nog
effectief wordt benut als verblijfplaats ». effectief wordt benut als verblijfplaats ».
Beide decreten kunnen als complementair worden beschouwd in die zin Beide decreten kunnen als complementair worden beschouwd in die zin
dat elk leegstaand en/of verwaarloosd onroerend goed in beginsel aan dat elk leegstaand en/of verwaarloosd onroerend goed in beginsel aan
een leegstandsheffing wordt onderworpen (zie ook Parl. St., Vlaamse een leegstandsheffing wordt onderworpen (zie ook Parl. St., Vlaamse
Raad, 1995-1996, nr. 147/1, p. 17). Raad, 1995-1996, nr. 147/1, p. 17).
B.4.1. De prejudiciële vraag noopt tot een vergelijking tussen, B.4.1. De prejudiciële vraag noopt tot een vergelijking tussen,
enerzijds, de houder van een zakelijk recht, bedoeld in artikel 27 van enerzijds, de houder van een zakelijk recht, bedoeld in artikel 27 van
het decreet van 22 december 1995, op een leegstaand en/of verwaarloosd het decreet van 22 december 1995, op een leegstaand en/of verwaarloosd
gebouw of woning die in het kader van het decreet van 3 maart 1976 tot gebouw of woning die in het kader van het decreet van 3 maart 1976 tot
bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna : bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten (hierna :
decreet van 3 maart 1976) als monument is beschermd en, anderzijds, de decreet van 3 maart 1976) als monument is beschermd en, anderzijds, de
eigenaar van een leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimte die eigenaar van een leegstaande en/of verwaarloosde bedrijfsruimte die
eveneens als monument is beschermd. eveneens als monument is beschermd.
Artikel 2.2 van het laatstgenoemde decreet definieert het monument als Artikel 2.2 van het laatstgenoemde decreet definieert het monument als
: « een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide : « een onroerend goed, werk van de mens of van de natuur of van beide
samen, dat van algemeen belang is omwille van zijn artistieke, samen, dat van algemeen belang is omwille van zijn artistieke,
wetenschappelijke, historische, volkskundige, wetenschappelijke, historische, volkskundige,
industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde, met industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde, met
inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken, inbegrip van de cultuurgoederen die er integrerend deel van uitmaken,
inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen ». inzonderheid de bijhorende uitrusting en de decoratieve elementen ».
B.4.2. De vrijstellingsregeling voor de onroerende goederen beschermd B.4.2. De vrijstellingsregeling voor de onroerende goederen beschermd
in het kader van het decreet van 3 maart 1976 is in het Decreet in het kader van het decreet van 3 maart 1976 is in het Decreet
Bedrijfsruimten anders geregeld dan in het decreet van 22 december Bedrijfsruimten anders geregeld dan in het decreet van 22 december
1995. 1995.
B.4.3. Overeenkomstig het vroegere artikel 4, vijfde lid, 2°, van het B.4.3. Overeenkomstig het vroegere artikel 4, vijfde lid, 2°, van het
Decreet Bedrijfsruimten worden de onroerende goederen die zijn Decreet Bedrijfsruimten worden de onroerende goederen die zijn
beschermd als monument of als stads- en dorpsgezicht of die bij beschermd als monument of als stads- en dorpsgezicht of die bij
ministerieel besluit zijn opgenomen in een ontwerp van lijst tot ministerieel besluit zijn opgenomen in een ontwerp van lijst tot
bescherming in het kader van het decreet, niet geregistreerd in de bescherming in het kader van het decreet, niet geregistreerd in de
inventaris van geheel of gedeeltelijk leegstaande en/of verwaarloosde inventaris van geheel of gedeeltelijk leegstaande en/of verwaarloosde
bedrijfsruimten. bedrijfsruimten.
De eigenaars van bedrijfsruimten die zijn beschermd als monument De eigenaars van bedrijfsruimten die zijn beschermd als monument
worden bijgevolg niet onderworpen aan de leegstandsheffing. worden bijgevolg niet onderworpen aan de leegstandsheffing.
B.4.4. Artikel 42, § 2, 2°, van het decreet van 22 december 1995 B.4.4. Artikel 42, § 2, 2°, van het decreet van 22 december 1995
bepaalde aanvankelijk dat de gebouwen en/of woningen die krachtens het bepaalde aanvankelijk dat de gebouwen en/of woningen die krachtens het
decreet van 3 maart 1976 zijn beschermd als monument of stads- en decreet van 3 maart 1976 zijn beschermd als monument of stads- en
dorpsgezicht werden vrijgesteld van heffing gedurende de termijn van dorpsgezicht werden vrijgesteld van heffing gedurende de termijn van
behandeling door de bevoegde overheid van het restauratiedossier. behandeling door de bevoegde overheid van het restauratiedossier.
Bij het decreet van 8 juli 1997 houdende bepalingen tot begeleiding Bij het decreet van 8 juli 1997 houdende bepalingen tot begeleiding
van de aanpassing van de begroting 1997, werd die vrijstelling van de aanpassing van de begroting 1997, werd die vrijstelling
beperkt, om de volgende redenen : beperkt, om de volgende redenen :
« De tweede paragraaf, 2° bevat 3 wijzigingen : « De tweede paragraaf, 2° bevat 3 wijzigingen :
- [...] - [...]
- niet meer alle restauratiedossiers, maar alleen ontvankelijk - niet meer alle restauratiedossiers, maar alleen ontvankelijk
verklaarde restauratiepremiedossiers geven nog een grond voor de verklaarde restauratiepremiedossiers geven nog een grond voor de
vrijstelling. Dit houdt in dat de houder van het zakelijk recht op een vrijstelling. Dit houdt in dat de houder van het zakelijk recht op een
beschermd document [lees : monument] vrijgesteld wordt als de bevoegde beschermd document [lees : monument] vrijgesteld wordt als de bevoegde
overheid het bestek van zijn restauratiepremiedossier goedkeurt en de overheid het bestek van zijn restauratiepremiedossier goedkeurt en de
werken principieel in aanmerking komen voor een restauratiepremie. De werken principieel in aanmerking komen voor een restauratiepremie. De
vrijstelling geldt zoals voorheen, vanaf de indiening van een volledig vrijstelling geldt zoals voorheen, vanaf de indiening van een volledig
bevonden aanvraag tot de definitieve oplevering van de werken. bevonden aanvraag tot de definitieve oplevering van de werken.
- Principieel wordt ook voor beschermde monumenten herstel en - Principieel wordt ook voor beschermde monumenten herstel en
hergebruik nagestreefd, maar in sommige gevallen is dit vanuit het hergebruik nagestreefd, maar in sommige gevallen is dit vanuit het
standpunt van patrimoniumzorg en -behoud niet wenselijk. Zo zou door standpunt van patrimoniumzorg en -behoud niet wenselijk. Zo zou door
herstel, voorzover dat nog mogelijk is, en ingebruikname van een herstel, voorzover dat nog mogelijk is, en ingebruikname van een
historisch waardevolle ruïne, dit bebouwd goed zijn unieke waarde historisch waardevolle ruïne, dit bebouwd goed zijn unieke waarde
verliezen. Vandaar dat voor dergelijke panden, die in hun bestaande verliezen. Vandaar dat voor dergelijke panden, die in hun bestaande
toestand bewaard mogen blijven, een vrijstelling wordt gegeven. De toestand bewaard mogen blijven, een vrijstelling wordt gegeven. De
diensten die bevoegd zijn inzake monumenten, zijn het best geplaatst diensten die bevoegd zijn inzake monumenten, zijn het best geplaatst
om daarover te oordelen, zodat van hen een attest wordt gevraagd » om daarover te oordelen, zodat van hen een attest wordt gevraagd »
(Parl. St., Vlaams Parlement, 1996-1997, nr. 660/1, p. 4). (Parl. St., Vlaams Parlement, 1996-1997, nr. 660/1, p. 4).
De in het geding zijnde bepaling voorziet sindsdien slechts in een De in het geding zijnde bepaling voorziet sindsdien slechts in een
vrijstelling van de leegstandsheffing voor de houders van zakelijke vrijstelling van de leegstandsheffing voor de houders van zakelijke
rechten op leegstaande gebouwen of woningen indien het gebouw of de rechten op leegstaande gebouwen of woningen indien het gebouw of de
woning is beschermd als monument en indien aan een aantal voorwaarden woning is beschermd als monument en indien aan een aantal voorwaarden
is voldaan. De vrijstelling is tevens tijdelijk, namelijk hetzij is voldaan. De vrijstelling is tevens tijdelijk, namelijk hetzij
gedurende de termijn voor de behandeling van het restauratiedossier, gedurende de termijn voor de behandeling van het restauratiedossier,
hetzij gedurende de termijn vermeld in het attest. hetzij gedurende de termijn vermeld in het attest.
Houders van zakelijke rechten op leegstaande gebouwen of woningen Houders van zakelijke rechten op leegstaande gebouwen of woningen
beschermd als monument komen bijgevolg niet langer in aanmerking voor beschermd als monument komen bijgevolg niet langer in aanmerking voor
een definitieve en onvoorwaardelijke vrijstelling van de heffing. een definitieve en onvoorwaardelijke vrijstelling van de heffing.
B.5.1. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de decreetgever B.5.1. Het behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de decreetgever
om, wanneer hij een belasting heft, de vrijstellingen en de om, wanneer hij een belasting heft, de vrijstellingen en de
modaliteiten daarvan te bepalen. Ook al hebben het decreet van 22 modaliteiten daarvan te bepalen. Ook al hebben het decreet van 22
december 1995 en het Decreet Bedrijfsruimten dezelfde doelstelling en december 1995 en het Decreet Bedrijfsruimten dezelfde doelstelling en
bedienen zij zich daartoe van hetzelfde instrument, namelijk een bedienen zij zich daartoe van hetzelfde instrument, namelijk een
leegstandsheffing, toch verplicht dit de decreetgever niet om op alle leegstandsheffing, toch verplicht dit de decreetgever niet om op alle
punten een identieke regeling uit te werken. Hij vermag meer bepaald punten een identieke regeling uit te werken. Hij vermag meer bepaald
rekening te houden met bepaalde specifieke kenmerken van rekening te houden met bepaalde specifieke kenmerken van
respectievelijk bedrijfsruimten, gebouwen en woningen. respectievelijk bedrijfsruimten, gebouwen en woningen.
B.5.2. De decreetgever kan evenwel, zonder het beginsel van gelijkheid B.5.2. De decreetgever kan evenwel, zonder het beginsel van gelijkheid
en niet-discriminatie te schenden, geen definitieve of en niet-discriminatie te schenden, geen definitieve of
onvoorwaardelijke vrijstellingen verlenen aan sommige onvoorwaardelijke vrijstellingen verlenen aan sommige
belastingplichtigen en ze weigeren aan anderen die met hen belastingplichtigen en ze weigeren aan anderen die met hen
vergelijkbaar zijn, indien dat verschil in behandeling zonder vergelijkbaar zijn, indien dat verschil in behandeling zonder
redelijke verantwoording is. redelijke verantwoording is.
B.6.1. Krachtens artikel 11 van het decreet van 3 maart 1976 rust op B.6.1. Krachtens artikel 11 van het decreet van 3 maart 1976 rust op
de eigenaars van een als monument beschermd onroerend goed de plicht de eigenaars van een als monument beschermd onroerend goed de plicht
om, door de nodige instandhoudings- en onderhoudswerken, het goed in om, door de nodige instandhoudings- en onderhoudswerken, het goed in
goede staat te behouden en het niet te ontsieren, te beschadigen of te goede staat te behouden en het niet te ontsieren, te beschadigen of te
vernielen. vernielen.
Een dergelijke verplichting waarborgt weliswaar dat die onroerende Een dergelijke verplichting waarborgt weliswaar dat die onroerende
goederen niet worden verwaarloosd maar het behoedt ze niet tegen goederen niet worden verwaarloosd maar het behoedt ze niet tegen
leegstand, zodat de onderwerping van de houders van zakelijke rechten leegstand, zodat de onderwerping van de houders van zakelijke rechten
op onroerende goederen beschermd als monument aan de leegstandsheffing op onroerende goederen beschermd als monument aan de leegstandsheffing
zou kunnen worden verantwoord ten opzichte van de doelstelling van de zou kunnen worden verantwoord ten opzichte van de doelstelling van de
decreetgever de leegstand te bestrijden en de leef- en decreetgever de leegstand te bestrijden en de leef- en
omgevingskwaliteit te verbeteren. omgevingskwaliteit te verbeteren.
B.6.2. Het Hof dient evenwel te onderzoeken wat zou kunnen B.6.2. Het Hof dient evenwel te onderzoeken wat zou kunnen
verantwoorden dat de houders van zakelijke rechten op gebouwen of verantwoorden dat de houders van zakelijke rechten op gebouwen of
woningen beschermd als monument slechts op tijdelijke en woningen beschermd als monument slechts op tijdelijke en
voorwaardelijke wijze konden worden vrijgesteld van de voorwaardelijke wijze konden worden vrijgesteld van de
leegstandsheffing terwijl de eigenaars van bedrijfsruimten beschermd leegstandsheffing terwijl de eigenaars van bedrijfsruimten beschermd
als monument toen nooit aan de leegstandsheffing werden onderworpen. als monument toen nooit aan de leegstandsheffing werden onderworpen.
De reden aangegeven door de Vlaamse Regering, namelijk dat het Decreet De reden aangegeven door de Vlaamse Regering, namelijk dat het Decreet
Bedrijfsruimten slechts van toepassing is op « grote en pure bedrijven Bedrijfsruimten slechts van toepassing is op « grote en pure bedrijven
», waarbij de eigenaar, in geval van bescherming van de bedrijfsruimte », waarbij de eigenaar, in geval van bescherming van de bedrijfsruimte
als monument, met de leegstand wordt « geconfronteerd » en vanwege de als monument, met de leegstand wordt « geconfronteerd » en vanwege de
bescherming als monument zeer moeilijk herbestemming kan vinden, kan bescherming als monument zeer moeilijk herbestemming kan vinden, kan
geen voldoende verantwoording bieden voor het verschil in behandeling. geen voldoende verantwoording bieden voor het verschil in behandeling.
Uit het bepaalde in artikel 24, 6°, van het decreet van 22 december Uit het bepaalde in artikel 24, 6°, van het decreet van 22 december
1995 volgt immers dat elk onroerend goed of deel ervan dat 1995 volgt immers dat elk onroerend goed of deel ervan dat
hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of
alleenstaande, als een « woning » dient te worden beschouwd, zodat alleenstaande, als een « woning » dient te worden beschouwd, zodat
grote onroerende goederen waarin geen economische activiteit heeft grote onroerende goederen waarin geen economische activiteit heeft
plaatsgevonden of plaatsvindt, minstens ten dele als « woning » in de plaatsgevonden of plaatsvindt, minstens ten dele als « woning » in de
zin van dat decreet kunnen worden beschouwd. Ook de houders van zin van dat decreet kunnen worden beschouwd. Ook de houders van
zakelijke rechten op woningen beschermd als monument kunnen dus, zakelijke rechten op woningen beschermd als monument kunnen dus,
vanwege de grootte en oppervlakte, de specifieke aard, de ligging en, vanwege de grootte en oppervlakte, de specifieke aard, de ligging en,
in het bijzonder, de bescherming als monument, dezelfde problemen in het bijzonder, de bescherming als monument, dezelfde problemen
ondervinden bij de herbestemming van onroerende goederen. ondervinden bij de herbestemming van onroerende goederen.
Tevens volgt uit het bepaalde in artikel 24, 2°, van het decreet van Tevens volgt uit het bepaalde in artikel 24, 2°, van het decreet van
22 december 1995 dat elk onroerend goed dat geen bedrijfsgebouw is en 22 december 1995 dat elk onroerend goed dat geen bedrijfsgebouw is en
niet hoofdzakelijk is bestemd voor huisvesting, als een « gebouw » niet hoofdzakelijk is bestemd voor huisvesting, als een « gebouw »
dient te worden beschouwd, zodat grote onroerende goederen waarin geen dient te worden beschouwd, zodat grote onroerende goederen waarin geen
economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt als « economische activiteit heeft plaatsgevonden of plaatsvindt als «
gebouw » in de zin van dat decreet worden beschouwd. Ook de houders gebouw » in de zin van dat decreet worden beschouwd. Ook de houders
van zakelijke rechten op gebouwen beschermd als monument kunnen dus, van zakelijke rechten op gebouwen beschermd als monument kunnen dus,
vanwege de grootte en oppervlakte, de specifieke aard, de ligging en, vanwege de grootte en oppervlakte, de specifieke aard, de ligging en,
in het bijzonder, de bescherming als monument, dezelfde problemen in het bijzonder, de bescherming als monument, dezelfde problemen
ondervinden bij de herbestemming van onroerende goederen. ondervinden bij de herbestemming van onroerende goederen.
B.7. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de decreetgever de twee B.7. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de decreetgever de twee
vermelde categorieën van belastingplichtigen zonder redelijke vermelde categorieën van belastingplichtigen zonder redelijke
verantwoording verschillend heeft behandeld. verantwoording verschillend heeft behandeld.
B.8. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. B.8. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
Artikel 42, § 2, 2°, van het Vlaamse decreet van 22 december 1995 Artikel 42, § 2, 2°, van het Vlaamse decreet van 22 december 1995
houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, zoals houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, zoals
gewijzigd bij het decreet van 8 juli 1997 houdende bepalingen tot gewijzigd bij het decreet van 8 juli 1997 houdende bepalingen tot
begeleiding van de aanpassing van de begroting 1997, schendt de begeleiding van de aanpassing van de begroting 1997, schendt de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het slechts op artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het slechts op
voorwaardelijke wijze een vrijstelling van heffing mogelijk maakt voor voorwaardelijke wijze een vrijstelling van heffing mogelijk maakt voor
de houders van zakelijke rechten, bedoeld in artikel 27 van hetzelfde de houders van zakelijke rechten, bedoeld in artikel 27 van hetzelfde
decreet, op een leegstaand en/of verwaarloosd gebouw of woning die decreet, op een leegstaand en/of verwaarloosd gebouw of woning die
krachtens het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten krachtens het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten
en stads- en dorpsgezichten is beschermd als monument. en stads- en dorpsgezichten is beschermd als monument.
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel
65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof,
op 3 februari 2016. op 3 februari 2016.
De griffier, De griffier,
F. Meersschaut F. Meersschaut
De wnd. voorzitter, De wnd. voorzitter,
A. Alen A. Alen
^