Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 21/2016 van 18 februari 2016 Rolnummer : 6031 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 12 mei 2014 tot oprichting van de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels, en minstens van artikel 2, eer Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de recht(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 21/2016 van 18 februari 2016 Rolnummer : 6031 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 12 mei 2014 tot oprichting van de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels, en minstens van artikel 2, eer Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de recht(...) Uittreksel uit arrest nr. 21/2016 van 18 februari 2016 Rolnummer : 6031 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 12 mei 2014 tot oprichting van de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels, en minstens van artikel 2, eer Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de recht(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 21/2016 van 18 februari 2016 Uittreksel uit arrest nr. 21/2016 van 18 februari 2016
Rolnummer : 6031 Rolnummer : 6031
In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 12 mei 2014 tot In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 12 mei 2014 tot
oprichting van de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels, oprichting van de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels,
en minstens van artikel 2, eerste lid, 3°, dertiende streepje, partim, en minstens van artikel 2, eerste lid, 3°, dertiende streepje, partim,
ingesteld door het College van de Franse Gemeenschapscommissie. ingesteld door het College van de Franse Gemeenschapscommissie.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de
rechters A. Alen, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, rechters A. Alen, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen,
bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van
voorzitter J. Spreutels, voorzitter J. Spreutels,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 september Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 september
2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12
september 2014, heeft het College van de Franse Gemeenschapscommissie, september 2014, heeft het College van de Franse Gemeenschapscommissie,
bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Slegers en Mr. B. Fonteyn, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. P. Slegers en Mr. B. Fonteyn,
advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld
van de wet van 12 mei 2014 tot oprichting van de Dienst voor de van de wet van 12 mei 2014 tot oprichting van de Dienst voor de
bijzondere socialezekerheidsstelsels (bekendgemaakt in het Belgisch bijzondere socialezekerheidsstelsels (bekendgemaakt in het Belgisch
Staatsblad van 10 juni 2014), en minstens van artikel 2, eerste lid, Staatsblad van 10 juni 2014), en minstens van artikel 2, eerste lid,
3°, dertiende streepje, in zoverre het de Franse Gemeenschapscommissie 3°, dertiende streepje, in zoverre het de Franse Gemeenschapscommissie
beoogt. beoogt.
De vordering tot schorsing van dezelfde norm, ingesteld door dezelfde De vordering tot schorsing van dezelfde norm, ingesteld door dezelfde
verzoekende partij, is verworpen bij het arrest nr. 173/2014 van 27 verzoekende partij, is verworpen bij het arrest nr. 173/2014 van 27
november 2014, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 november 2014, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16
februari 2015. februari 2015.
(...) (...)
II. In rechte II. In rechte
(...) (...)
B.1. Artikel 2, eerste lid, 3°, van de wet van 12 mei 2014 « tot B.1. Artikel 2, eerste lid, 3°, van de wet van 12 mei 2014 « tot
oprichting van de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels oprichting van de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels
» bepaalt : » bepaalt :
« Voor de toepassing van onderhavige wet wordt verstaan onder : « Voor de toepassing van onderhavige wet wordt verstaan onder :
[...] [...]
3°) ' provinciale en plaatselijke besturen ' : 3°) ' provinciale en plaatselijke besturen ' :
- de provincies; - de provincies;
- de openbare instellingen die van de provincies afhangen; - de openbare instellingen die van de provincies afhangen;
- de gemeenten; - de gemeenten;
- de openbare instellingen die afhangen van de gemeenten; - de openbare instellingen die afhangen van de gemeenten;
- de verenigingen van gemeenten; - de verenigingen van gemeenten;
- de O.C.M.W.'s; - de O.C.M.W.'s;
- de verenigingen van O.C.M.W.'s; - de verenigingen van O.C.M.W.'s;
- de openbare instellingen die afhangen van de O.C.M.W.'s; - de openbare instellingen die afhangen van de O.C.M.W.'s;
- de agglomeraties en federaties van gemeenten; - de agglomeraties en federaties van gemeenten;
- de openbare instellingen die afhangen van de agglomeraties en van de - de openbare instellingen die afhangen van de agglomeraties en van de
federaties van gemeenten; federaties van gemeenten;
- de lokale politiezones, opgericht op basis van de wet van 7 december - de lokale politiezones, opgericht op basis van de wet van 7 december
1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst,
gestructureerd op twee niveaus; gestructureerd op twee niveaus;
- de prezones en de hulpverleningszones opgericht op basis van de wet - de prezones en de hulpverleningszones opgericht op basis van de wet
van 15 mei 2007 houdende civiele veiligheid; van 15 mei 2007 houdende civiele veiligheid;
- de Franse Gemeenschapscommissie en de Vlaamse Gemeenschapscommissie; - de Franse Gemeenschapscommissie en de Vlaamse Gemeenschapscommissie;
- de gewestelijke economische instellingen bedoeld in de hoofdstukken - de gewestelijke economische instellingen bedoeld in de hoofdstukken
II en III van de kaderwet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de II en III van de kaderwet van 15 juli 1970 houdende organisatie van de
planning en economische decentralisatie, gewijzigd bij het decreet van planning en economische decentralisatie, gewijzigd bij het decreet van
25 mei 1983 van de Waalse Gewestraad, de ordonnantie van 20 mei 1999 25 mei 1983 van de Waalse Gewestraad, de ordonnantie van 20 mei 1999
van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het decreet van de Vlaamse van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en het decreet van de Vlaamse
Raad van 27 juni 1985; Raad van 27 juni 1985;
- ' Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid '; - ' Net Brussel, Gewestelijk Agentschap voor Netheid ';
- de ' Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en - de ' Brusselse Hoofdstedelijke Dienst voor Brandbestrijding en
Dringende Medische Hulp '; Dringende Medische Hulp ';
- de verenigingen van meerdere hierboven vermelde instellingen; - de verenigingen van meerdere hierboven vermelde instellingen;
- de VZW ' Vlaamse Operastichting ' voor de personeelsleden die vast - de VZW ' Vlaamse Operastichting ' voor de personeelsleden die vast
benoemd waren bij de Intercommunale ' Opera voor Vlaanderen ' en met benoemd waren bij de Intercommunale ' Opera voor Vlaanderen ' en met
behoud van hun statuut zijn overgenomen ». behoud van hun statuut zijn overgenomen ».
B.2. Uit het verzoekschrift blijkt dat het beroep tot vernietiging B.2. Uit het verzoekschrift blijkt dat het beroep tot vernietiging
enkel betrekking heeft op het dertiende streepje van die bepaling, in enkel betrekking heeft op het dertiende streepje van die bepaling, in
zoverre het de Franse Gemeenschapscommissie beoogt. zoverre het de Franse Gemeenschapscommissie beoogt.
Ten aanzien van het eerste en het tweede middel Ten aanzien van het eerste en het tweede middel
B.3. Het eerste en het tweede middel zijn afgeleid uit de schending B.3. Het eerste en het tweede middel zijn afgeleid uit de schending
van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 2, eerste lid, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 2, eerste lid,
3°, dertiende streepje, van de wet van 12 mei 2014, in zoverre die 3°, dertiende streepje, van de wet van 12 mei 2014, in zoverre die
bepaling tot gevolg zou hebben dat het toepassingsgebied van titel 2 bepaling tot gevolg zou hebben dat het toepassingsgebied van titel 2
van de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame van de wet van 24 oktober 2011 « tot vrijwaring van een duurzame
financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van financiering van de pensioenen van de vastbenoemde personeelsleden van
de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten en van de lokale
politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting politiezones, tot wijziging van de wet van 6 mei 2002 tot oprichting
van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en van het fonds voor de pensioenen van de geïntegreerde politie en
houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende houdende bijzondere bepalingen inzake sociale zekerheid en houdende
diverse wijzigingsbepalingen » wordt uitgebreid tot de Franse diverse wijzigingsbepalingen » wordt uitgebreid tot de Franse
Gemeenschapscommissie, in tegenstelling tot de andere deelentiteiten. Gemeenschapscommissie, in tegenstelling tot de andere deelentiteiten.
B.4.1. Het toepassingsgebied van die titel van de wet van 24 oktober B.4.1. Het toepassingsgebied van die titel van de wet van 24 oktober
2011 (« Financiering van de pensioenen van de vastbenoemde 2011 (« Financiering van de pensioenen van de vastbenoemde
personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten personeelsleden van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten
en van de lokale politiezones ») wordt afgebakend bij artikel 2 van en van de lokale politiezones ») wordt afgebakend bij artikel 2 van
die wet, dat bepaalt : die wet, dat bepaalt :
« Deze titel is van toepassing op : « Deze titel is van toepassing op :
1) de provinciale en plaatselijke besturen aangesloten bij de 1) de provinciale en plaatselijke besturen aangesloten bij de
Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor provinciale en plaatselijke Rijksdienst voor Sociale Zekerheid voor provinciale en plaatselijke
overheidsdiensten krachtens artikel 32 van de samengeordende wetten overheidsdiensten krachtens artikel 32 van de samengeordende wetten
van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders; van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders;
2) de lokale politiezones bedoeld in artikel 9 van de wet van 7 2) de lokale politiezones bedoeld in artikel 9 van de wet van 7
december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst,
gestructureerd op twee niveaus. gestructureerd op twee niveaus.
Deze titel is echter niet van toepassing op vastbenoemde Deze titel is echter niet van toepassing op vastbenoemde
personeelsleden : personeelsleden :
1) die aanspraak kunnen maken op een rustpensioen ten laste van het 1) die aanspraak kunnen maken op een rustpensioen ten laste van het
pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende pensioenstelsel ingesteld door de wet van 28 april 1958 betreffende
het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut
alsmede van hun rechthebbenden; alsmede van hun rechthebbenden;
2) die aanspraak kunnen maken op een rustpensioen ten laste van de 2) die aanspraak kunnen maken op een rustpensioen ten laste van de
Schatkist ». Schatkist ».
De termen « Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en De termen « Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en
plaatselijke overheidsdiensten » moeten worden gelezen in die zin dat plaatselijke overheidsdiensten » moeten worden gelezen in die zin dat
zij de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels bedoelen zij de Dienst voor de bijzondere socialezekerheidsstelsels bedoelen
(artikel 50 van de wet van 12 mei 2014). De verwijzing naar de (artikel 50 van de wet van 12 mei 2014). De verwijzing naar de
samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders
wordt geacht te refereren aan de Algemene Kinderbijslagwet van 19 wordt geacht te refereren aan de Algemene Kinderbijslagwet van 19
december 1939 (artikel 175/7, derde lid, van die laatste wet, december 1939 (artikel 175/7, derde lid, van die laatste wet,
ingevoegd bij artikel 157 van de wet van 4 april 2014 « tot wijziging ingevoegd bij artikel 157 van de wet van 4 april 2014 « tot wijziging
van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de
kinderbijslag voor loonarbeiders »). kinderbijslag voor loonarbeiders »).
De regels vermeld in de tweede titel van de wet van 24 oktober 2011 De regels vermeld in de tweede titel van de wet van 24 oktober 2011
zijn dus van toepassing op de « provinciale en plaatselijke besturen zijn dus van toepassing op de « provinciale en plaatselijke besturen
aangesloten bij » de Dienst voor de bijzondere aangesloten bij » de Dienst voor de bijzondere
socialezekerheidsstelsels krachtens artikel 32 van de Algemene socialezekerheidsstelsels krachtens artikel 32 van de Algemene
Kinderbijslagwet van 19 december 1939. Kinderbijslagwet van 19 december 1939.
B.4.2. Artikel 32 van de wet van 19 december 1939 zoals voor het B.4.2. Artikel 32 van de wet van 19 december 1939 zoals voor het
laatst gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 juni laatst gewijzigd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 juni
2014 « tot aanvulling van de in artikel 32, eerste lid, van de 2014 « tot aanvulling van de in artikel 32, eerste lid, van de
samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders
vervatte lijst van instanties die zijn aangesloten bij de Rijksdienst vervatte lijst van instanties die zijn aangesloten bij de Rijksdienst
voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke
overheidsdiensten », bepaalt : overheidsdiensten », bepaalt :
« De Koning richt een bijzonder kinderbijslagfonds op waarbij van « De Koning richt een bijzonder kinderbijslagfonds op waarbij van
rechtswege zijn aangesloten : rechtswege zijn aangesloten :
1° de gemeenten; 1° de gemeenten;
2° de openbare instellingen die afhangen van de gemeenten; 2° de openbare instellingen die afhangen van de gemeenten;
3° de verenigingen van gemeenten; 3° de verenigingen van gemeenten;
4° de agglomeraties en de federaties van gemeenten; 4° de agglomeraties en de federaties van gemeenten;
5° de openbare instellingen die afhangen van de agglomeraties en van 5° de openbare instellingen die afhangen van de agglomeraties en van
de federaties van gemeenten; de federaties van gemeenten;
6° de provincies; 6° de provincies;
7° de openbare instellingen die afhangen van de provincies; 7° de openbare instellingen die afhangen van de provincies;
8° de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse 8° de Vlaamse Gemeenschapscommissie en de Franse
Gemeenschapscommissie; Gemeenschapscommissie;
9° de gewestelijke economische instellingen bedoeld in de hoofdstukken 9° de gewestelijke economische instellingen bedoeld in de hoofdstukken
II en III van de kaderwet van 15 juli 1970 houdende de organisatie van II en III van de kaderwet van 15 juli 1970 houdende de organisatie van
de planning en economische decentralisatie, gewijzigd bij het decreet de planning en economische decentralisatie, gewijzigd bij het decreet
van 25 mei 1983 van de Waalse Gewestraad, behalve voor de van 25 mei 1983 van de Waalse Gewestraad, behalve voor de
personeelsleden voor wie zij verplicht zijn rechtstreeks de personeelsleden voor wie zij verplicht zijn rechtstreeks de
gezinsbijslag toe te kennen; gezinsbijslag toe te kennen;
10° de door de Koning aangewezen instellingen bedoeld bij de wet van 10° de door de Koning aangewezen instellingen bedoeld bij de wet van
16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van
openbaar nut en dit voor hun personeelsleden die geen aanleiding geven openbaar nut en dit voor hun personeelsleden die geen aanleiding geven
tot het betalen aan de Rijksdienst voor de sociale zekerheid van een tot het betalen aan de Rijksdienst voor de sociale zekerheid van een
bijdrage voor de gezinsbijslag, voor zover ze niet verplicht zijn bijdrage voor de gezinsbijslag, voor zover ze niet verplicht zijn
rechtstreeks gezinsbijslag te betalen aan die personeelsleden. De rechtstreeks gezinsbijslag te betalen aan die personeelsleden. De
Koning bepaalt voor ieder van die instellingen de aansluitingsdatum; Koning bepaalt voor ieder van die instellingen de aansluitingsdatum;
11° de verenigingen van meerdere hierboven vermelde instellingen. 11° de verenigingen van meerdere hierboven vermelde instellingen.
12° de vzw ' Vlaamse Operastichting ' voor de personeelsleden die 12° de vzw ' Vlaamse Operastichting ' voor de personeelsleden die
vastbenoemd waren bij de Intercommunale ' Opera voor Vlaanderen ' en vastbenoemd waren bij de Intercommunale ' Opera voor Vlaanderen ' en
met behoud van hun statuut worden overgenomen. met behoud van hun statuut worden overgenomen.
13° de korpsen van de lokale politie, zoals bedoeld bij de wet van 7 13° de korpsen van de lokale politie, zoals bedoeld bij de wet van 7
december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst,
gestructureerd op twee niveaus. gestructureerd op twee niveaus.
13° de hulpverleningszones bedoeld bij de wet van 15 mei 2007 13° de hulpverleningszones bedoeld bij de wet van 15 mei 2007
betreffende de civiele veiligheid. betreffende de civiele veiligheid.
De Koning kan andere instellingen toevoegen aan de in het eerste lid De Koning kan andere instellingen toevoegen aan de in het eerste lid
vervatte lijst van aangesloten instanties. Hij kan die lijst wijzigen vervatte lijst van aangesloten instanties. Hij kan die lijst wijzigen
om rekening te houden met de wetswijzigingen die voor de in het eerste om rekening te houden met de wetswijzigingen die voor de in het eerste
lid genoemde instellingen gelden. lid genoemde instellingen gelden.
De Koning kan de bevoegdheid van deze Rijksdienst uitbreiden tot De Koning kan de bevoegdheid van deze Rijksdienst uitbreiden tot
andere opdrachten betreffende het personeel van de voornoemde andere opdrachten betreffende het personeel van de voornoemde
administraties. administraties.
De Koning regelt de inrichting en de werking van deze Rijksdienst. De Koning regelt de inrichting en de werking van deze Rijksdienst.
De wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen De wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen
van openbaar nut inzake sociale zekerheid en sociale voorzorg is van openbaar nut inzake sociale zekerheid en sociale voorzorg is
toepasselijk op deze Rijksdienst. toepasselijk op deze Rijksdienst.
De artikelen 14 en 15 van voormelde wet van 25 april 1963 zijn slechts De artikelen 14 en 15 van voormelde wet van 25 april 1963 zijn slechts
toepasselijk wanneer het gaat, hetzij om het personeelskader, hetzij toepasselijk wanneer het gaat, hetzij om het personeelskader, hetzij
om voorstellen of ontwerpen met betrekking tot dit artikel of de om voorstellen of ontwerpen met betrekking tot dit artikel of de
artikelen 81, 92, 110, tweede lid, en 119bis, tweede lid, of tot artikelen 81, 92, 110, tweede lid, en 119bis, tweede lid, of tot
besluiten ter uitvoering van die artikelen te nemen ». besluiten ter uitvoering van die artikelen te nemen ».
B.5.1. Artikel 32 van de wet van 19 december 1939 gebruikt niet de B.5.1. Artikel 32 van de wet van 19 december 1939 gebruikt niet de
termen « provinciale en plaatselijke besturen ». termen « provinciale en plaatselijke besturen ».
De lijst van de « aangeslotenen » die die bepaling bevat, omvat De lijst van de « aangeslotenen » die die bepaling bevat, omvat
duidelijk overheidsinstellingen die niet worden beoogd door de gewone duidelijk overheidsinstellingen die niet worden beoogd door de gewone
definitie van een plaatselijk bestuur, noch door die van een definitie van een plaatselijk bestuur, noch door die van een
provinciaal bestuur. Artikel 2, eerste lid, 1), van de wet van 24 provinciaal bestuur. Artikel 2, eerste lid, 1), van de wet van 24
oktober 2011 maakt titel 2 van die wet dus niet van toepassing op al oktober 2011 maakt titel 2 van die wet dus niet van toepassing op al
die « aangeslotenen ». die « aangeslotenen ».
B.5.2. Noch artikel 2 van de wet van 24 oktober 2011, noch enige B.5.2. Noch artikel 2 van de wet van 24 oktober 2011, noch enige
andere bepaling van die wet definiëren het begrip « provinciale en andere bepaling van die wet definiëren het begrip « provinciale en
plaatselijke besturen », dat in dat artikel wordt gebruikt. plaatselijke besturen », dat in dat artikel wordt gebruikt.
B.5.3. Artikel 2 van de wet van 12 mei 2014 preciseert uitdrukkelijk B.5.3. Artikel 2 van de wet van 12 mei 2014 preciseert uitdrukkelijk
dat de definities die het bevat, slechts gelden « voor de toepassing dat de definities die het bevat, slechts gelden « voor de toepassing
van onderhavige wet ». van onderhavige wet ».
Die bepaling laat dus niet toe dat de definitie van de termen « Die bepaling laat dus niet toe dat de definitie van de termen «
provinciale en plaatselijke besturen » die zij bevat, wordt gebruikt provinciale en plaatselijke besturen » die zij bevat, wordt gebruikt
om de identieke termen gebruikt in artikel 2 van de wet van 24 oktober om de identieke termen gebruikt in artikel 2 van de wet van 24 oktober
2011 te definiëren. 2011 te definiëren.
B.5.4. Uit het voorgaande blijkt dat artikel 2, eerste lid, 3°, B.5.4. Uit het voorgaande blijkt dat artikel 2, eerste lid, 3°,
dertiende streepje, van de wet van 12 mei 2014 niet tot gevolg heeft dertiende streepje, van de wet van 12 mei 2014 niet tot gevolg heeft
de regels vermeld in titel 2 van de wet van 24 oktober 2011 de regels vermeld in titel 2 van de wet van 24 oktober 2011
toepasselijk te maken op de Franse Gemeenschapscommissie. toepasselijk te maken op de Franse Gemeenschapscommissie.
De bestreden bepaling heeft niet de draagwijdte die de verzoekende De bestreden bepaling heeft niet de draagwijdte die de verzoekende
partij eraan geeft. partij eraan geeft.
B.6. Het eerste en het tweede middel zijn niet gegrond. B.6. Het eerste en het tweede middel zijn niet gegrond.
Ten aanzien van het derde middel Ten aanzien van het derde middel
B.7. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 B.7. Het derde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10
en 11 van de Grondwet door artikel 2, eerste lid, 3°, dertiende en 11 van de Grondwet door artikel 2, eerste lid, 3°, dertiende
streepje, van de wet van 12 mei 2014, in zoverre die bepaling tot streepje, van de wet van 12 mei 2014, in zoverre die bepaling tot
gevolg zou hebben dat artikel 10 van dezelfde wet van toepassing is op gevolg zou hebben dat artikel 10 van dezelfde wet van toepassing is op
de Franse Gemeenschapscommissie, in tegenstelling tot de andere de Franse Gemeenschapscommissie, in tegenstelling tot de andere
deelentiteiten. deelentiteiten.
B.8. Artikel 10 van de wet van 12 mei 2014 bepaalt : B.8. Artikel 10 van de wet van 12 mei 2014 bepaalt :
« § 1. De Dienst is belast met de taken vastgelegd in de artikelen 32 « § 1. De Dienst is belast met de taken vastgelegd in de artikelen 32
tot 32quater van de algemene kinderbijslagwet en de tot 32quater van de algemene kinderbijslagwet en de
uitvoeringsbesluiten. uitvoeringsbesluiten.
§ 2. In uitvoering van het protocol dat werd afgesloten met toepassing § 2. In uitvoering van het protocol dat werd afgesloten met toepassing
van artikel 32quinquies van de algemene kinderbijslagwet, tussen de van artikel 32quinquies van de algemene kinderbijslagwet, tussen de
Dienst en de federale politie, kent de Dienst de gezinsbijslagen toe Dienst en de federale politie, kent de Dienst de gezinsbijslagen toe
aan de personeelsleden van het operationeel kader en van het aan de personeelsleden van het operationeel kader en van het
administratief en logistiek kader van de politiediensten, in de zin administratief en logistiek kader van de politiediensten, in de zin
van artikel 106 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een van artikel 106 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een
geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, evenals geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, evenals
aan de leden van het personeel van de algemene inspectie van de aan de leden van het personeel van de algemene inspectie van de
federale politie en van de lokale politie, met uitzondering evenwel federale politie en van de lokale politie, met uitzondering evenwel
van de militairen bedoeld bij artikel 4, § 2, van de wet van 27 van de militairen bedoeld bij artikel 4, § 2, van de wet van 27
december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de december 2000 houdende diverse bepalingen met betrekking tot de
rechtspositie van het personeel van de politiediensten. rechtspositie van het personeel van de politiediensten.
Het protocol bedoeld in het eerste lid stelt de nadere regels vast Het protocol bedoeld in het eerste lid stelt de nadere regels vast
waaronder de met toepassing van het eerste lid verleende waaronder de met toepassing van het eerste lid verleende
gezinsbijslag, evenals de beheerskosten aan deze Dienst worden gezinsbijslag, evenals de beheerskosten aan deze Dienst worden
terugbetaald ». terugbetaald ».
B.9.1. Die bepaling gebruikt niet de termen « provinciale en B.9.1. Die bepaling gebruikt niet de termen « provinciale en
plaatselijke besturen » zoals gedefinieerd in artikel 2, eerste lid, plaatselijke besturen » zoals gedefinieerd in artikel 2, eerste lid,
3°, dertiende streepje, van de wet van 12 mei 2014. 3°, dertiende streepje, van de wet van 12 mei 2014.
Die laatste bepaling heeft dus niet tot gevolg dat de regels vermeld Die laatste bepaling heeft dus niet tot gevolg dat de regels vermeld
in artikel 10 van de wet van 12 mei 2014 van toepassing zijn op de in artikel 10 van de wet van 12 mei 2014 van toepassing zijn op de
Franse Gemeenschapscommissie. Franse Gemeenschapscommissie.
B.9.2. De bestreden bepaling heeft niet de draagwijdte die de B.9.2. De bestreden bepaling heeft niet de draagwijdte die de
verzoekende partij eraan geeft. verzoekende partij eraan geeft.
B.10. Het derde middel is niet gegrond. B.10. Het derde middel is niet gegrond.
Ten aanzien van het vierde middel Ten aanzien van het vierde middel
B.11. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van artikel 143, B.11. Het vierde middel is afgeleid uit de schending van artikel 143,
§ 1, van de Grondwet door artikel 2, eerste lid, 3°, dertiende § 1, van de Grondwet door artikel 2, eerste lid, 3°, dertiende
streepje, van de wet van 12 mei 2014, in zoverre die wetsbepaling streepje, van de wet van 12 mei 2014, in zoverre die wetsbepaling
afbreuk zou doen aan de federale loyauteit, in het nadeel van de afbreuk zou doen aan de federale loyauteit, in het nadeel van de
Franse Gemeenschapscommissie. Franse Gemeenschapscommissie.
B.12. Artikel 143, § 1, van de Grondwet bepaalt : B.12. Artikel 143, § 1, van de Grondwet bepaalt :
« Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten nemen de « Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten nemen de
federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de
Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun
respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht ». respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht ».
De inachtneming van de federale loyauteit veronderstelt dat, wanneer De inachtneming van de federale loyauteit veronderstelt dat, wanneer
zij hun bevoegdheden uitoefenen, de federale overheid en de zij hun bevoegdheden uitoefenen, de federale overheid en de
deelentiteiten het evenwicht van de federale constructie in haar deelentiteiten het evenwicht van de federale constructie in haar
geheel niet verstoren. De federale loyauteit betreft meer dan de geheel niet verstoren. De federale loyauteit betreft meer dan de
loutere uitoefening van bevoegdheden : zij geeft aan in welke geest loutere uitoefening van bevoegdheden : zij geeft aan in welke geest
dat moet geschieden. dat moet geschieden.
Het beginsel van de federale loyauteit verplicht elke wetgever erover Het beginsel van de federale loyauteit verplicht elke wetgever erover
te waken dat de uitoefening van zijn bevoegdheid de uitoefening, door te waken dat de uitoefening van zijn bevoegdheid de uitoefening, door
de andere wetgevers, van hun eigen bevoegdheden niet onmogelijk of de andere wetgevers, van hun eigen bevoegdheden niet onmogelijk of
overdreven moeilijk maakt. overdreven moeilijk maakt.
B.13.1. Artikel 2, eerste lid, 3°, dertiende streepje, van de wet van B.13.1. Artikel 2, eerste lid, 3°, dertiende streepje, van de wet van
12 mei 2014 heeft noch tot doel, noch tot gevolg de federale 12 mei 2014 heeft noch tot doel, noch tot gevolg de federale
staatsstructuur te wijzigen. staatsstructuur te wijzigen.
Het stelt niet de bevoegdheid ter discussie van de Franse Het stelt niet de bevoegdheid ter discussie van de Franse
Gemeenschapscommissie, die met toepassing van artikel 138 van de Gemeenschapscommissie, die met toepassing van artikel 138 van de
Grondwet bevoegd is om bepaalde bevoegdheden van de Franse Gemeenschap Grondwet bevoegd is om bepaalde bevoegdheden van de Franse Gemeenschap
in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad uit te oefenen. in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad uit te oefenen.
Het doel en het gevolg van de bestreden bepaling zijn veel beperkter. Het doel en het gevolg van de bestreden bepaling zijn veel beperkter.
Zij bepaalt dat, enkel voor de toepassing van de wet van 12 mei 2014, Zij bepaalt dat, enkel voor de toepassing van de wet van 12 mei 2014,
de termen « provinciale en plaatselijke besturen » onder andere de de termen « provinciale en plaatselijke besturen » onder andere de
Franse Gemeenschapscommissie omvatten. Franse Gemeenschapscommissie omvatten.
B.13.2. De omstandigheid dat de bestreden bepaling het risico zou B.13.2. De omstandigheid dat de bestreden bepaling het risico zou
inhouden, wegens de beleidswijziging die zij zou vertolken, het inhouden, wegens de beleidswijziging die zij zou vertolken, het
personeelsbeheer van de Franse Gemeenschapscommissie te bemoeilijken, personeelsbeheer van de Franse Gemeenschapscommissie te bemoeilijken,
volstaat op zich niet om aan te nemen dat de federale wetgever niet volstaat op zich niet om aan te nemen dat de federale wetgever niet
erover heeft gewaakt dat de uitoefening door de Franse erover heeft gewaakt dat de uitoefening door de Franse
Gemeenschapscommissie van haar bevoegdheden niet onmogelijk of Gemeenschapscommissie van haar bevoegdheden niet onmogelijk of
overdreven moeilijk wordt gemaakt. overdreven moeilijk wordt gemaakt.
Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de wet van 12 mei 2014 Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat de wet van 12 mei 2014
betrekking zou hebben op een aangelegenheid die in het verleden reeds betrekking zou hebben op een aangelegenheid die in het verleden reeds
aanleiding gaf tot een belangenconflict, alsook tot een aanleiding gaf tot een belangenconflict, alsook tot een
bevoegdheidsconflict voor het Hof. bevoegdheidsconflict voor het Hof.
B.13.3. Het mogelijk louter « stigmatiserende » karakter van een B.13.3. Het mogelijk louter « stigmatiserende » karakter van een
wetsbepaling volstaat op zich evenmin om ervan uit te gaan dat de wetsbepaling volstaat op zich evenmin om ervan uit te gaan dat de
betrokken wetgever niet erover heeft gewaakt dat zijn optreden de betrokken wetgever niet erover heeft gewaakt dat zijn optreden de
uitoefening van de bevoegdheden van andere wetgevers niet onmogelijk uitoefening van de bevoegdheden van andere wetgevers niet onmogelijk
of overdreven moeilijk maakt. of overdreven moeilijk maakt.
B.13.4. Uit het voorgaande blijkt dat dat artikel 2, eerste lid, 3°, B.13.4. Uit het voorgaande blijkt dat dat artikel 2, eerste lid, 3°,
dertiende streepje, van de wet van 12 mei 2014 de federale loyauteit dertiende streepje, van de wet van 12 mei 2014 de federale loyauteit
niet schendt. niet schendt.
B.14. Het vierde middel is niet gegrond. B.14. Het vierde middel is niet gegrond.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
verwerpt het beroep. verwerpt het beroep.
Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits,
overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op
het Grondwettelijk Hof, op 18 februari 2016. het Grondwettelijk Hof, op 18 februari 2016.
De griffier, De griffier,
F. Meersschaut F. Meersschaut
De voorzitter, De voorzitter,
J. Spreutels J. Spreutels
^