Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 154/2015 van 29 oktober 2015 Rolnummer : 6088 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 2, 3° en 4°, en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veilighei Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters (...)"
Uittreksel uit arrest nr. 154/2015 van 29 oktober 2015 Rolnummer : 6088 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 2, 3° en 4°, en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veilighei Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters (...) Uittreksel uit arrest nr. 154/2015 van 29 oktober 2015 Rolnummer : 6088 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 2, 3° en 4°, en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veilighei Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters (...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 154/2015 van 29 oktober 2015 Uittreksel uit arrest nr. 154/2015 van 29 oktober 2015
Rolnummer : 6088 Rolnummer : 6088
In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 2, 3° en 4°, In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 2, 3° en 4°,
en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 februari 1997 en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 februari 1997
houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en
studentenkamers, vóór de opheffing ervan bij artikel 34 van het studentenkamers, vóór de opheffing ervan bij artikel 34 van het
decreet van 29 maart 2013, gesteld door de Raad van State. decreet van 29 maart 2013, gesteld door de Raad van State.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de
rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E.
Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R.
Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder
voorzitterschap van voorzitter A. Alen, voorzitterschap van voorzitter A. Alen,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij arrest nr. 229.028 van 4 november 2014 in zake Jeannine Wyns tegen Bij arrest nr. 229.028 van 4 november 2014 in zake Jeannine Wyns tegen
het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is het Vlaamse Gewest, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is
ingekomen op 17 november 2014, heeft de Raad van State de volgende ingekomen op 17 november 2014, heeft de Raad van State de volgende
prejudiciële vraag gesteld : prejudiciële vraag gesteld :
« Schenden de artikelen 2, 3°, 2, 4°, en 4 van het voormalige decreet « Schenden de artikelen 2, 3°, 2, 4°, en 4 van het voormalige decreet
van 4 februari 1997 ' houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen van 4 februari 1997 ' houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen
voor kamers en studentenkamers ' de artikelen 10 en 11 van de Grondwet voor kamers en studentenkamers ' de artikelen 10 en 11 van de Grondwet
in die mate dat een leef- en opvanghuis voor (ex-)psychiatrische in die mate dat een leef- en opvanghuis voor (ex-)psychiatrische
patiënten als dat van Jeannine Wyns onder genoemd decreet ressorteert, patiënten als dat van Jeannine Wyns onder genoemd decreet ressorteert,
met de gevolgen zoals opgesomd in artikel 4 van het decreet van dien, met de gevolgen zoals opgesomd in artikel 4 van het decreet van dien,
terwijl instellingen zoals erkende welzijns- en terwijl instellingen zoals erkende welzijns- en
gezondheidsorganisaties niet aan de beperkingen van dit decreet zijn gezondheidsorganisaties niet aan de beperkingen van dit decreet zijn
onderworpen omdat het niet op hen van toepassing is ? ». onderworpen omdat het niet op hen van toepassing is ? ».
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 2, 3° en B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de artikelen 2, 3° en
4°, en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 februari 1997 4°, en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 4 februari 1997
houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en
studentenkamers, die in de versie van toepassing in het bodemgeschil, studentenkamers, die in de versie van toepassing in het bodemgeschil,
vóór de opheffing ervan bij artikel 34 van het decreet van 29 maart vóór de opheffing ervan bij artikel 34 van het decreet van 29 maart
2013 houdende wijziging van diverse decreten wat de 2013 houdende wijziging van diverse decreten wat de
woonkwaliteitsbewaking betreft, bepaalden : woonkwaliteitsbewaking betreft, bepaalden :
«

Art. 2.In dit decreet wordt verstaan onder :

«

Art. 2.In dit decreet wordt verstaan onder :

[...] [...]
3° kamer : woning waarin één of meer van de volgende voorzieningen 3° kamer : woning waarin één of meer van de volgende voorzieningen
ontbreken : ontbreken :
- WC; - WC;
- bad of douche; - bad of douche;
- kookgelegenheid, - kookgelegenheid,
en waarvan de bewoners voor deze voorzieningen afhankelijk zijn van de en waarvan de bewoners voor deze voorzieningen afhankelijk zijn van de
gemeenschappelijke ruimten in of aansluitend bij het gebouw waarvan de gemeenschappelijke ruimten in of aansluitend bij het gebouw waarvan de
woning deel uitmaakt; woning deel uitmaakt;
4° kamerwoning : elk gebouw dat bestaat uit één of meer te huur 4° kamerwoning : elk gebouw dat bestaat uit één of meer te huur
gestelde of verhuurde kamers en gemeenschappelijke ruimtes; gestelde of verhuurde kamers en gemeenschappelijke ruimtes;
[...] [...]

Art. 4.Een kamer of studentenkamer die te huur wordt gesteld of

Art. 4.Een kamer of studentenkamer die te huur wordt gesteld of

verhuurd, moet voldoen aan de volgende elementaire kwaliteits- en verhuurd, moet voldoen aan de volgende elementaire kwaliteits- en
veiligheidsnormen, die door de Vlaamse regering nader worden veiligheidsnormen, die door de Vlaamse regering nader worden
vastgelegd : vastgelegd :
1° de kamer of studentenkamer heeft een minimale hoogte tussen vloer 1° de kamer of studentenkamer heeft een minimale hoogte tussen vloer
en plafond van twee meter twintig centimeter. Het plafond mag zich in en plafond van twee meter twintig centimeter. Het plafond mag zich in
geen geval bevinden op minder dan één meter boven het maaiveld; geen geval bevinden op minder dan één meter boven het maaiveld;
2° de kamer of studentenkamer beschikt over voldoende verlichtings- en 2° de kamer of studentenkamer beschikt over voldoende verlichtings- en
verluchtingsmogelijkheden. De kamer of studentenkamer moet verluchtingsmogelijkheden. De kamer of studentenkamer moet
rechtstreeks licht en buitenlucht ontvangen door ten minste één te rechtstreeks licht en buitenlucht ontvangen door ten minste één te
openen verticaal venster of ten minste één te openen dakvenster. De openen verticaal venster of ten minste één te openen dakvenster. De
onderkant van het raam mag zich op ten hoogste één meter twintig boven onderkant van het raam mag zich op ten hoogste één meter twintig boven
de vloer bevinden. De oppervlakte van alle vensters mag niet minder de vloer bevinden. De oppervlakte van alle vensters mag niet minder
bedragen dan 1 m2; bedragen dan 1 m2;
3° de kamer of studentenkamer beschikt over een wastafel met stromend 3° de kamer of studentenkamer beschikt over een wastafel met stromend
water, afvoerinrichting of reukafsnijder en beschikt over voldoende en water, afvoerinrichting of reukafsnijder en beschikt over voldoende en
veilige elektriciteitsinstallaties voor de verlichting van de kamer en veilige elektriciteitsinstallaties voor de verlichting van de kamer en
het veilig gebruik van elektrische toestellen; het veilig gebruik van elektrische toestellen;
4° de kamer of studentenkamer beschikt over voldoende en veilige 4° de kamer of studentenkamer beschikt over voldoende en veilige
verwarming of de nodige toe- en afvoerkanalen. Als verwarmingsbronnen verwarming of de nodige toe- en afvoerkanalen. Als verwarmingsbronnen
komen enkel in aanmerking : centrale verwarming, elektrische komen enkel in aanmerking : centrale verwarming, elektrische
toestellen en luchtdichte gastoestellen met schoorsteen- of toestellen en luchtdichte gastoestellen met schoorsteen- of
gevelafvoer; gevelafvoer;
5° de kamer of studentenkamer is zodanig gelegen en ingericht dat het 5° de kamer of studentenkamer is zodanig gelegen en ingericht dat het
respect voor de individuele levenssfeer wordt gewaarborgd. De kamer of respect voor de individuele levenssfeer wordt gewaarborgd. De kamer of
studentenkamer moet rechtstreeks toegankelijk zijn en niet via een studentenkamer moet rechtstreeks toegankelijk zijn en niet via een
andere kamer of studentenkamer; andere kamer of studentenkamer;
6° een kamerwoning, studenten- of studentengemeenschapshuis beschikt, 6° een kamerwoning, studenten- of studentengemeenschapshuis beschikt,
per groep of deel van een groep van zes bewoners of studenten over een per groep of deel van een groep van zes bewoners of studenten over een
w.c. met waterspoeling en reukafsnijder; w.c. met waterspoeling en reukafsnijder;
7° iedere kamerwoning, ieder studenten- of studentengemeenschapshuis 7° iedere kamerwoning, ieder studenten- of studentengemeenschapshuis
moet beschikken over een ruimte voor het onderhoudsmateriaal. moet beschikken over een ruimte voor het onderhoudsmateriaal.
De kamer of studentenkamer alsmede de kamerwoning, het studentenhuis De kamer of studentenkamer alsmede de kamerwoning, het studentenhuis
of het studentengemeenschapshuis moeten voldoen aan alle vereisten of het studentengemeenschapshuis moeten voldoen aan alle vereisten
inzake brandveiligheid, stabiliteit en bouwfysica ». inzake brandveiligheid, stabiliteit en bouwfysica ».
B.2. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van de vroegere B.2. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van de vroegere
artikelen 2, 3° en 4°, en 4 van het in het geding zijnde decreet met artikelen 2, 3° en 4°, en 4 van het in het geding zijnde decreet met
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat een de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat een
niet-erkend leef- en opvanghuis voor (ex-)psychiatrische patiënten, niet-erkend leef- en opvanghuis voor (ex-)psychiatrische patiënten,
zoals dat van de verzoekende partij voor de verwijzende rechter, onder zoals dat van de verzoekende partij voor de verwijzende rechter, onder
het toepassingsgebied van dat decreet ressorteert en dus onderworpen het toepassingsgebied van dat decreet ressorteert en dus onderworpen
is aan de daarin vastgestelde kwaliteits- en veiligheidsnormen, dit in is aan de daarin vastgestelde kwaliteits- en veiligheidsnormen, dit in
tegenstelling tot de erkende welzijns- en gezondheidsvoorzieningen. tegenstelling tot de erkende welzijns- en gezondheidsvoorzieningen.
B.3. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het voor de verwijzende B.3. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat het voor de verwijzende
rechter hangende geschil betrekking heeft op een woongelegenheid die rechter hangende geschil betrekking heeft op een woongelegenheid die
niet erkend is als welzijns- of gezondheidsvoorziening en waarvan de niet erkend is als welzijns- of gezondheidsvoorziening en waarvan de
controle van de woonkwaliteit niet onder de opdracht van het controle van de woonkwaliteit niet onder de opdracht van het
agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van het agentschap Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van het
beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin valt, doch wel onder beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin valt, doch wel onder
de opdracht van het agentschap Inspectie RWO van het beleidsdomein de opdracht van het agentschap Inspectie RWO van het beleidsdomein
Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed. Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed.
Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie.
B.4.1. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de verwijzende rechter B.4.1. De Vlaamse Regering is van oordeel dat de verwijzende rechter
ten onrechte is ingegaan op het verzoek om een prejudiciële vraag te ten onrechte is ingegaan op het verzoek om een prejudiciële vraag te
stellen. stellen.
B.4.2. Het komt in de regel aan de verwijzende rechter toe te bepalen B.4.2. Het komt in de regel aan de verwijzende rechter toe te bepalen
welke rechtsregel van toepassing is op een zaak die voor hem aanhangig welke rechtsregel van toepassing is op een zaak die voor hem aanhangig
is en te beslissen of aangaande die norm een vraag aan het Hof dient is en te beslissen of aangaande die norm een vraag aan het Hof dient
te worden gesteld. te worden gesteld.
B.5.1. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter B.5.1. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de verwijzende rechter
de in het geding zijnde bepalingen in die zin interpreteert dat de de in het geding zijnde bepalingen in die zin interpreteert dat de
erkende welzijns- en gezondheidsvoorzieningen niet onder het erkende welzijns- en gezondheidsvoorzieningen niet onder het
toepassingsgebied van het in het geding zijnde decreet ressorteerden toepassingsgebied van het in het geding zijnde decreet ressorteerden
en dus niet onderworpen waren aan de daarin vastgestelde kwaliteits- en dus niet onderworpen waren aan de daarin vastgestelde kwaliteits-
en veiligheidsnormen. en veiligheidsnormen.
De Vlaamse Regering betwist die interpretatie. Volgens haar waren de De Vlaamse Regering betwist die interpretatie. Volgens haar waren de
kwaliteits- en veiligheidsnormen zoals vastgesteld in het in het kwaliteits- en veiligheidsnormen zoals vastgesteld in het in het
geding zijnde decreet van toepassing op alle vormen van huisvesting in geding zijnde decreet van toepassing op alle vormen van huisvesting in
Vlaanderen, zodat zowel de erkende als de niet-erkende Vlaanderen, zodat zowel de erkende als de niet-erkende
zorgvoorzieningen daaraan dienden te voldoen. Bijgevolg zou er geen zorgvoorzieningen daaraan dienden te voldoen. Bijgevolg zou er geen
sprake kunnen zijn van een discriminatie tussen het leef- en sprake kunnen zijn van een discriminatie tussen het leef- en
opvanghuis van de verzoekende partij voor de verwijzende rechter en de opvanghuis van de verzoekende partij voor de verwijzende rechter en de
erkende zorgvoorzieningen. erkende zorgvoorzieningen.
B.5.2. Het komt in de regel aan de verwijzende rechter toe om de B.5.2. Het komt in de regel aan de verwijzende rechter toe om de
bepalingen die hij toepast te interpreteren, onder voorbehoud van een bepalingen die hij toepast te interpreteren, onder voorbehoud van een
kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen. kennelijk verkeerde lezing van de in het geding zijnde bepalingen.
B.5.3. Naar luid van het oorspronkelijke artikel 3, tweede streepje, B.5.3. Naar luid van het oorspronkelijke artikel 3, tweede streepje,
van het in het geding zijnde decreet, was dat decreet niet van van het in het geding zijnde decreet, was dat decreet niet van
toepassing op « de gebouwen waarvoor bij wet, decreet of besluit toepassing op « de gebouwen waarvoor bij wet, decreet of besluit
specifieke veiligheids- en/of kwaliteitsnormen werden vastgelegd ». specifieke veiligheids- en/of kwaliteitsnormen werden vastgelegd ».
Ofschoon die bepaling werd opgeheven bij artikel 3 van het decreet van Ofschoon die bepaling werd opgeheven bij artikel 3 van het decreet van
14 juli 1998 « houdende wijziging van het decreet van 4 februari 1997 14 juli 1998 « houdende wijziging van het decreet van 4 februari 1997
houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en
studentenkamers », is die uitzondering blijven bestaan. Dit blijkt uit studentenkamers », is die uitzondering blijven bestaan. Dit blijkt uit
de parlementaire voorbereiding van voormelde bepaling, die de de parlementaire voorbereiding van voormelde bepaling, die de
opheffing als volgt verantwoordt : opheffing als volgt verantwoordt :
« Bovendien kan verwezen worden naar het advies van de Raad van State « Bovendien kan verwezen worden naar het advies van de Raad van State
bij het ontwerp van ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke bij het ontwerp van ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke
Gewest betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor gemeubelde Gewest betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor gemeubelde
woningen, waarin werd gesteld dat het overbodig is om de gebouwen woningen, waarin werd gesteld dat het overbodig is om de gebouwen
waarvoor de wetgever speciale voorwaarden in verband met veiligheid en waarvoor de wetgever speciale voorwaarden in verband met veiligheid en
kwaliteit heeft uitgevaardigd, uit te sluiten. Volgens de Raad van kwaliteit heeft uitgevaardigd, uit te sluiten. Volgens de Raad van
State vallen gebouwen waarvoor specifieke reglementeringen gelden, State vallen gebouwen waarvoor specifieke reglementeringen gelden,
automatisch buiten het toepassingsgebied » (Parl. St., Vlaams automatisch buiten het toepassingsgebied » (Parl. St., Vlaams
Parlement, 1997-1998, nr. 1073/1, p. 4). Parlement, 1997-1998, nr. 1073/1, p. 4).
B.5.4. Gelet op hetgeen voorafgaat, blijkt de prejudiciële vraag niet B.5.4. Gelet op hetgeen voorafgaat, blijkt de prejudiciële vraag niet
uit te gaan van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding uit te gaan van een kennelijk verkeerde lezing van de in het geding
zijnde bepalingen. zijnde bepalingen.
B.6.1. Het in de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling B.6.1. Het in de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling
berust op het criterium van de erkenning van de welzijns- en berust op het criterium van de erkenning van de welzijns- en
gezondheidsvoorzieningen door de Vlaamse Regering, dat objectief en gezondheidsvoorzieningen door de Vlaamse Regering, dat objectief en
pertinent is. De erkende welzijns- en gezondheidsvoorzieningen zijn pertinent is. De erkende welzijns- en gezondheidsvoorzieningen zijn
immers onderworpen aan een specifieke regelgeving, die het gevolg is immers onderworpen aan een specifieke regelgeving, die het gevolg is
van het feit dat die voorzieningen ressorteren onder de bevoegdheid van het feit dat die voorzieningen ressorteren onder de bevoegdheid
van de Vlaamse Gemeenschap inzake gezondheidsbeleid en bijstand aan van de Vlaamse Gemeenschap inzake gezondheidsbeleid en bijstand aan
personen (artikel 5, § 1, I en II, van de bijzondere wet van 8 personen (artikel 5, § 1, I en II, van de bijzondere wet van 8
augustus 1980 tot hervorming der instellingen). De doelmatige augustus 1980 tot hervorming der instellingen). De doelmatige
uitoefening van die bevoegdheid veronderstelt de uitvaardiging van uitoefening van die bevoegdheid veronderstelt de uitvaardiging van
regels met betrekking tot de ermee samenhangende verblijfsvormen, regels met betrekking tot de ermee samenhangende verblijfsvormen,
zodat het Vlaamse Gewest niet bevoegd is om op grond van zijn zodat het Vlaamse Gewest niet bevoegd is om op grond van zijn
bevoegdheid inzake huisvesting regels vast te stellen voor die bevoegdheid inzake huisvesting regels vast te stellen voor die
verblijfsvormen. Het verschil in behandeling tussen een niet-erkend verblijfsvormen. Het verschil in behandeling tussen een niet-erkend
leef- en opvanghuis en erkende welzijns- en gezondheidsvoorzieningen leef- en opvanghuis en erkende welzijns- en gezondheidsvoorzieningen
volgt derhalve uit de onderscheiden bevoegdheden van het Vlaamse volgt derhalve uit de onderscheiden bevoegdheden van het Vlaamse
Gewest en de Vlaamse Gemeenschap ter zake. Gewest en de Vlaamse Gemeenschap ter zake.
B.6.2. Een zodanig verschil kan op zich niet worden geacht strijdig te B.6.2. Een zodanig verschil kan op zich niet worden geacht strijdig te
zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
Onverminderd de mogelijke toepassing van het evenredigheidsbeginsel Onverminderd de mogelijke toepassing van het evenredigheidsbeginsel
bij de bevoegdheidsuitoefening zou de wederzijdse autonomie die aan de bij de bevoegdheidsuitoefening zou de wederzijdse autonomie die aan de
gemeenschappen en de gewesten is toegekend, geen betekenis hebben gemeenschappen en de gewesten is toegekend, geen betekenis hebben
indien een verschil in behandeling tussen adressaten van, enerzijds, indien een verschil in behandeling tussen adressaten van, enerzijds,
regels uitgaande van de gemeenschappen en, anderzijds, regels regels uitgaande van de gemeenschappen en, anderzijds, regels
uitgaande van de gewesten, als zodanig strijdig zou worden geacht met uitgaande van de gewesten, als zodanig strijdig zou worden geacht met
het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
De artikelen 2, 3° en 4°, en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest De artikelen 2, 3° en 4°, en 4 van het decreet van het Vlaamse Gewest
van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor
kamers en studentenkamers, vóór de opheffing ervan bij het decreet van kamers en studentenkamers, vóór de opheffing ervan bij het decreet van
29 maart 2013 houdende wijziging van diverse decreten wat de 29 maart 2013 houdende wijziging van diverse decreten wat de
woonkwaliteitsbewaking betreft, schenden de artikelen 10 en 11 van de woonkwaliteitsbewaking betreft, schenden de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet niet. Grondwet niet.
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel
65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof,
op 29 oktober 2015. op 29 oktober 2015.
De griffier, De griffier,
F. Meersschaut F. Meersschaut
De voorzitter, De voorzitter,
A. Alen A. Alen
^