← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 3/2015 van 22 januari 2015 Rolnummer : 5792 In zake : de
prejudiciële vraag betreffende artikel 504 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van
eerste aanleg te Kortrijk. Het Grondwettelijk Hof, s wijst na beraad het volgende arrest : I.
Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging"
Uittreksel uit arrest nr. 3/2015 van 22 januari 2015 Rolnummer : 5792 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 504 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. Het Grondwettelijk Hof, s wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging | Uittreksel uit arrest nr. 3/2015 van 22 januari 2015 Rolnummer : 5792 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 504 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk. Het Grondwettelijk Hof, s wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | GRONDWETTELIJK HOF |
Uittreksel uit arrest nr. 3/2015 van 22 januari 2015 | Uittreksel uit arrest nr. 3/2015 van 22 januari 2015 |
Rolnummer : 5792 | Rolnummer : 5792 |
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 504 van het | In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 504 van het |
Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te | Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te |
Kortrijk. | Kortrijk. |
Het Grondwettelijk Hof, | Het Grondwettelijk Hof, |
samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de | samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de |
rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. | rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. |
Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. | Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. |
Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder | Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder |
voorzitterschap van voorzitter A. Alen, | voorzitterschap van voorzitter A. Alen, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging | I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging |
Bij vonnis van 24 december 2013 in zake L.D. en anderen tegen Mr. M. | Bij vonnis van 24 december 2013 in zake L.D. en anderen tegen Mr. M. |
Vinckier, in zijn hoedanigheid van curator van een faillissement, | Vinckier, in zijn hoedanigheid van curator van een faillissement, |
waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 | waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 |
december 2013, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk de | december 2013, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk de |
volgende prejudiciële vraag gesteld : | volgende prejudiciële vraag gesteld : |
« Schendt artikel 504 BW in zijn huidige vorm de bepalingen van de | « Schendt artikel 504 BW in zijn huidige vorm de bepalingen van de |
artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die zin geïnterpreteerd dat een | artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die zin geïnterpreteerd dat een |
vordering van de erfgenamen tot vernietiging van een rechtshandeling | vordering van de erfgenamen tot vernietiging van een rechtshandeling |
van een overledene op basis van krankzinnigheid ontvankelijk is | van een overledene op basis van krankzinnigheid ontvankelijk is |
wanneer een verzoekschrift tot onbekwaamverklaring werd neergelegd | wanneer een verzoekschrift tot onbekwaamverklaring werd neergelegd |
doch niet wanneer een verzoekschrift tot het aanstellen van een | doch niet wanneer een verzoekschrift tot het aanstellen van een |
voorlopige bewindvoerder werd neergelegd, rekening houdend met het | voorlopige bewindvoerder werd neergelegd, rekening houdend met het |
feit dat beide verzoekschriften, wat de rechtshandelingen betreffen, | feit dat beide verzoekschriften, wat de rechtshandelingen betreffen, |
dienen tot het vaststellen van de juridische onbekwaamheid van de | dienen tot het vaststellen van de juridische onbekwaamheid van de |
betrokken persoon om rechtshandelingen te stellen ? ». | betrokken persoon om rechtshandelingen te stellen ? ». |
(...) | (...) |
III. In rechte | III. In rechte |
(...) | (...) |
B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 504 van het | B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 504 van het |
Burgerlijk Wetboek, dat in de versie van toepassing in het | Burgerlijk Wetboek, dat in de versie van toepassing in het |
bodemgeschil, vóór de opheffing ervan bij artikel 119 van de wet van | bodemgeschil, vóór de opheffing ervan bij artikel 119 van de wet van |
17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en | 17 maart 2013 tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en |
tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de | tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de |
menselijke waardigheid (hierna : wet van 17 maart 2013), bepaalde : | menselijke waardigheid (hierna : wet van 17 maart 2013), bepaalde : |
« Na iemands dood kunnen de door hem verrichte handelingen niet worden | « Na iemands dood kunnen de door hem verrichte handelingen niet worden |
betwist op grond van krankzinnigheid, dan voor zover de | betwist op grond van krankzinnigheid, dan voor zover de |
onbekwaamverklaring was uitgesproken of gevorderd voor zijn | onbekwaamverklaring was uitgesproken of gevorderd voor zijn |
overlijden; tenzij het bewijs van de krankzinnigheid uit de betwiste | overlijden; tenzij het bewijs van de krankzinnigheid uit de betwiste |
handeling zelf voortvloeit ». | handeling zelf voortvloeit ». |
Die bepaling moet in verband worden gebracht met artikel 489 van het | Die bepaling moet in verband worden gebracht met artikel 489 van het |
Burgerlijk Wetboek, dat, vóór de vervanging ervan bij artikel 33 van | Burgerlijk Wetboek, dat, vóór de vervanging ervan bij artikel 33 van |
de wet van 17 maart 2013 bepaalde : | de wet van 17 maart 2013 bepaalde : |
« Een meerderjarige die zich in een aanhoudende staat van onnozelheid | « Een meerderjarige die zich in een aanhoudende staat van onnozelheid |
of krankzinnigheid bevindt, moet worden onbekwaam verklaard, zelfs | of krankzinnigheid bevindt, moet worden onbekwaam verklaard, zelfs |
wanneer in die staat heldere tussenpozen voorkomen ». | wanneer in die staat heldere tussenpozen voorkomen ». |
Artikel 503 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde vóór de opheffing | Artikel 503 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde vóór de opheffing |
ervan bij artikel 119 van de wet van 17 maart 2013 : | ervan bij artikel 119 van de wet van 17 maart 2013 : |
« De handelingen die voor de onbekwaamverklaring verricht zijn, kunnen | « De handelingen die voor de onbekwaamverklaring verricht zijn, kunnen |
vernietigd worden, indien de oorzaak van de onbekwaamverklaring | vernietigd worden, indien de oorzaak van de onbekwaamverklaring |
kennelijk bestond ten tijde dat die handelingen zijn verricht ». | kennelijk bestond ten tijde dat die handelingen zijn verricht ». |
B.2. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van dat | B.2. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van dat |
vroegere artikel 504 van het Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10 en | vroegere artikel 504 van het Burgerlijk Wetboek met de artikelen 10 en |
11 van de Grondwet, in de interpretatie dat op basis van die bepaling | 11 van de Grondwet, in de interpretatie dat op basis van die bepaling |
een vordering van de erfgenamen tot vernietiging van een | een vordering van de erfgenamen tot vernietiging van een |
rechtshandeling van een intussen overleden persoon op basis van diens | rechtshandeling van een intussen overleden persoon op basis van diens |
krankzinnigheid ontvankelijk was wanneer vóór diens overlijden een | krankzinnigheid ontvankelijk was wanneer vóór diens overlijden een |
verzoekschrift tot onbekwaamverklaring was ingediend, maar niet | verzoekschrift tot onbekwaamverklaring was ingediend, maar niet |
wanneer een verzoekschrift tot het aanstellen van een voorlopig | wanneer een verzoekschrift tot het aanstellen van een voorlopig |
bewindvoerder was ingediend. | bewindvoerder was ingediend. |
B.3. In tegenstelling tot wat de Ministerraad in eerste instantie | B.3. In tegenstelling tot wat de Ministerraad in eerste instantie |
aanvoert, zijn de personen die een verzoekschrift tot het aanstellen | aanvoert, zijn de personen die een verzoekschrift tot het aanstellen |
van een voorlopig bewindvoerder hebben ingediend en de personen die | van een voorlopig bewindvoerder hebben ingediend en de personen die |
een verzoekschrift tot onbekwaamverklaring hebben ingediend voldoende | een verzoekschrift tot onbekwaamverklaring hebben ingediend voldoende |
vergelijkbaar wanneer het erop aankomt te onderzoeken of zij | vergelijkbaar wanneer het erop aankomt te onderzoeken of zij |
gerechtigd zijn de vernietiging te vorderen van handelingen die de | gerechtigd zijn de vernietiging te vorderen van handelingen die de |
inmiddels overleden persoon vóór zijn overlijden heeft gesteld wanneer | inmiddels overleden persoon vóór zijn overlijden heeft gesteld wanneer |
zij tijdig stappen hebben gezet om de handelingsonbekwaamheid van die | zij tijdig stappen hebben gezet om de handelingsonbekwaamheid van die |
persoon te doen vaststellen. | persoon te doen vaststellen. |
B.4. Het vroegere artikel 504 van het Burgerlijk Wetboek beantwoordde | B.4. Het vroegere artikel 504 van het Burgerlijk Wetboek beantwoordde |
aan meer dan één zorg van de wetgever. | aan meer dan één zorg van de wetgever. |
De wetgever heeft willen verhinderen dat na het overlijden van iemand | De wetgever heeft willen verhinderen dat na het overlijden van iemand |
de rechtsgeldigheid van diens handelingen toen hij nog leefde op grond | de rechtsgeldigheid van diens handelingen toen hij nog leefde op grond |
van krankzinnigheid zou worden betwist, teneinde alle moeilijkheden | van krankzinnigheid zou worden betwist, teneinde alle moeilijkheden |
bij de bewijsvoering a posteriori over de geestestoestand van de | bij de bewijsvoering a posteriori over de geestestoestand van de |
betrokkene te vermijden, wat het ook mogelijk maakt de rechtszekerheid | betrokkene te vermijden, wat het ook mogelijk maakt de rechtszekerheid |
over diens handelingen niet nodeloos in het ongewisse te laten. | over diens handelingen niet nodeloos in het ongewisse te laten. |
Tegelijkertijd wilde de wetgever ook de erfgenamen ertoe aanzetten om | Tegelijkertijd wilde de wetgever ook de erfgenamen ertoe aanzetten om |
indien nodig tijdig de procedure tot onbekwaamverklaring op te starten | indien nodig tijdig de procedure tot onbekwaamverklaring op te starten |
en hen daarentegen straffen indien zij hadden nagelaten om het | en hen daarentegen straffen indien zij hadden nagelaten om het |
rechtsverkeer te beschermen tegen een geesteszieke. | rechtsverkeer te beschermen tegen een geesteszieke. |
Voorts heeft de wetgever willen vermijden dat erfgenamen zouden | Voorts heeft de wetgever willen vermijden dat erfgenamen zouden |
verklaren dat zij in hun erfdeel benadeeld zijn door de | verklaren dat zij in hun erfdeel benadeeld zijn door de |
geestestoestand van de inmiddels overleden persoon ter discussie te | geestestoestand van de inmiddels overleden persoon ter discussie te |
stellen, in de hoop hun erfdeel alsnog te vergroten. | stellen, in de hoop hun erfdeel alsnog te vergroten. |
Rekening houdend met het feit dat de procedure tot | Rekening houdend met het feit dat de procedure tot |
onbekwaamverklaring, en de bewijsvoering in dat verband, een lange | onbekwaamverklaring, en de bewijsvoering in dat verband, een lange |
tijd kunnen duren, heeft de wetgever bepaald dat niet de rechterlijke | tijd kunnen duren, heeft de wetgever bepaald dat niet de rechterlijke |
eindbeslissing tot onbekwaamverklaring maar reeds het tijdstip van het | eindbeslissing tot onbekwaamverklaring maar reeds het tijdstip van het |
indienen van het verzoekschrift daartoe bepalend is voor de | indienen van het verzoekschrift daartoe bepalend is voor de |
mogelijkheid om alsnog een vordering in te stellen tot | mogelijkheid om alsnog een vordering in te stellen tot |
nietigverklaring van handelingen van de inmiddels overleden persoon. | nietigverklaring van handelingen van de inmiddels overleden persoon. |
B.5. De gerechtelijke onbekwaamverklaring (artikelen 1240 tot 1253 van | B.5. De gerechtelijke onbekwaamverklaring (artikelen 1240 tot 1253 van |
het Gerechtelijk Wetboek, vóór de vervanging ervan bij de wet van 17 | het Gerechtelijk Wetboek, vóór de vervanging ervan bij de wet van 17 |
maart 2013) kon worden uitgesproken wanneer de betrokkene leed aan een | maart 2013) kon worden uitgesproken wanneer de betrokkene leed aan een |
ernstige geestesstoornis. Het moest gaan om een « aanhoudende » | ernstige geestesstoornis. Het moest gaan om een « aanhoudende » |
toestand, ook al kunnen heldere tussenperiodes voorkomen (oud artikel | toestand, ook al kunnen heldere tussenperiodes voorkomen (oud artikel |
489 van het Burgerlijk Wetboek). De gerechtelijke onbekwaamverklaring | 489 van het Burgerlijk Wetboek). De gerechtelijke onbekwaamverklaring |
had tot gevolg dat de betrokkene als volledig handelingsonbekwaam | had tot gevolg dat de betrokkene als volledig handelingsonbekwaam |
moest worden beschouwd en onder voogdij werd gesteld, zowel wat zijn | moest worden beschouwd en onder voogdij werd gesteld, zowel wat zijn |
persoon als wat zijn vermogen betreft. | persoon als wat zijn vermogen betreft. |
B.6. Krachtens de artikelen 488bis en volgende van het Burgerlijk | B.6. Krachtens de artikelen 488bis en volgende van het Burgerlijk |
Wetboek, ingevoerd bij de wet van 18 juli 1991 betreffende de | Wetboek, ingevoerd bij de wet van 18 juli 1991 betreffende de |
bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of | bescherming van de goederen van personen die wegens hun lichaams- of |
geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren | geestestoestand geheel of gedeeltelijk onbekwaam zijn die te beheren |
maar inmiddels opgeheven bij artikel 27 van de wet van 17 maart 2013, | maar inmiddels opgeheven bij artikel 27 van de wet van 17 maart 2013, |
kon de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder worden gevraagd om | kon de aanstelling van een voorlopig bewindvoerder worden gevraagd om |
een meerderjarige te vertegenwoordigen of bij te staan wanneer die | een meerderjarige te vertegenwoordigen of bij te staan wanneer die |
zelf, geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, wegens zijn | zelf, geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, wegens zijn |
gezondheidstoestand, niet in staat was zijn goederen te beheren. Er | gezondheidstoestand, niet in staat was zijn goederen te beheren. Er |
was geen aanhoudende toestand van ernstige geestesstoornis vereist. De | was geen aanhoudende toestand van ernstige geestesstoornis vereist. De |
vertegenwoordiging of bijstand van een voorlopig bewindvoerder had | vertegenwoordiging of bijstand van een voorlopig bewindvoerder had |
enkel betrekking op het beheer van de goederen van de betrokkene en de | enkel betrekking op het beheer van de goederen van de betrokkene en de |
vrederechter kon nader bepalen voor welke handelingen die | vrederechter kon nader bepalen voor welke handelingen die |
vertegenwoordiging of bijstand vereist was en op welke goederen die | vertegenwoordiging of bijstand vereist was en op welke goederen die |
betrekking had. | betrekking had. |
B.7. De wet van 17 maart 2013 voorziet in één beschermingsstatuut voor | B.7. De wet van 17 maart 2013 voorziet in één beschermingsstatuut voor |
meerderjarige onbekwamen, ter vervanging van de vroegere stelsels van | meerderjarige onbekwamen, ter vervanging van de vroegere stelsels van |
gerechtelijke onbekwaamverklaring, van aanstelling van een voorlopig | gerechtelijke onbekwaamverklaring, van aanstelling van een voorlopig |
bewindvoerder, van instelling van de verlengde minderjarigheid en van | bewindvoerder, van instelling van de verlengde minderjarigheid en van |
bijstand door een gerechtelijk raadsman. | bijstand door een gerechtelijk raadsman. |
Thans bepaalt artikel 493/3 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij | Thans bepaalt artikel 493/3 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij |
artikel 51 van de wet van 17 maart 2013 : | artikel 51 van de wet van 17 maart 2013 : |
« Na het overlijden van de beschermde persoon kunnen de door hem ten | « Na het overlijden van de beschermde persoon kunnen de door hem ten |
bezwarende titel verrichte handelingen niet worden betwist op grond | bezwarende titel verrichte handelingen niet worden betwist op grond |
van zijn gezondheidstoestand, dan voor zover de rechterlijke | van zijn gezondheidstoestand, dan voor zover de rechterlijke |
bescherming was uitgesproken of gevorderd voor zijn overlijden, tenzij | bescherming was uitgesproken of gevorderd voor zijn overlijden, tenzij |
het bewijs van wilsonbekwaamheid uit de betwiste handeling zelf | het bewijs van wilsonbekwaamheid uit de betwiste handeling zelf |
voortvloeit ». | voortvloeit ». |
De wetgever handhaaft derhalve grotendeels de regeling die was | De wetgever handhaaft derhalve grotendeels de regeling die was |
uitgedrukt in artikel 504 van het Burgerlijk Wetboek, maar maakt de | uitgedrukt in artikel 504 van het Burgerlijk Wetboek, maar maakt de |
mogelijkheid tot het instellen van een vordering tot nietigverklaring | mogelijkheid tot het instellen van een vordering tot nietigverklaring |
afhankelijk van het tijdig instellen van een vordering tot | afhankelijk van het tijdig instellen van een vordering tot |
gerechtelijke bescherming van de meerderjarige persoon die « wegens | gerechtelijke bescherming van de meerderjarige persoon die « wegens |
zijn gezondheidstoestand geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, | zijn gezondheidstoestand geheel of gedeeltelijk, zij het tijdelijk, |
niet in staat is zonder bijstand of andere beschermingsmaatregel zijn | niet in staat is zonder bijstand of andere beschermingsmaatregel zijn |
belangen van vermogensrechtelijke of niet-vermogensrechtelijke aard | belangen van vermogensrechtelijke of niet-vermogensrechtelijke aard |
zelf behoorlijk waar te nemen » (artikel 488/1juncto artikel 492 van | zelf behoorlijk waar te nemen » (artikel 488/1juncto artikel 492 van |
het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de artikelen 30 respectievelijk | het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de artikelen 30 respectievelijk |
41 van de wet van 17 maart 2013). | 41 van de wet van 17 maart 2013). |
B.8.1. Het onderscheid tussen de erfgenamen die tijdens het leven van | B.8.1. Het onderscheid tussen de erfgenamen die tijdens het leven van |
de betrokkene een verzoekschrift tot onbekwaamverklaring hebben | de betrokkene een verzoekschrift tot onbekwaamverklaring hebben |
ingediend en erfgenamen die tijdens het leven van de betrokkene een | ingediend en erfgenamen die tijdens het leven van de betrokkene een |
verzoekschrift tot het aanstellen van een voorlopig bewindvoerder | verzoekschrift tot het aanstellen van een voorlopig bewindvoerder |
hebben ingediend, is objectief. | hebben ingediend, is objectief. |
B.8.2. De vordering tot vernietiging van een handeling wegens | B.8.2. De vordering tot vernietiging van een handeling wegens |
krankzinnigheid na het overlijden leidt immers tot bijzondere | krankzinnigheid na het overlijden leidt immers tot bijzondere |
bewijsmoeilijkheden. Na het overlijden is het zeer moeilijk en | bewijsmoeilijkheden. Na het overlijden is het zeer moeilijk en |
speculatief om de krankzinnigheid van iemand aan te tonen. Uit die | speculatief om de krankzinnigheid van iemand aan te tonen. Uit die |
bezorgdheid vermocht de wetgever redelijkerwijze de vordering alleen | bezorgdheid vermocht de wetgever redelijkerwijze de vordering alleen |
toe te laten wanneer vóór het overlijden reeds vaststond, of minstens | toe te laten wanneer vóór het overlijden reeds vaststond, of minstens |
door het instellen van de vordering tot onbekwaamverklaring kon worden | door het instellen van de vordering tot onbekwaamverklaring kon worden |
vermoed, dat de persoon zich in een aanhoudende staat van onnozelheid | vermoed, dat de persoon zich in een aanhoudende staat van onnozelheid |
of krankzinnigheid bevond. Alleen dan kon na het overlijden met grote | of krankzinnigheid bevond. Alleen dan kon na het overlijden met grote |
zekerheid aangenomen worden dat de persoon krankzinnig was bij het | zekerheid aangenomen worden dat de persoon krankzinnig was bij het |
stellen van de handeling. | stellen van de handeling. |
B.9.1. Artikel 488bis, a), van het Burgerlijk Wetboek vereiste niet | B.9.1. Artikel 488bis, a), van het Burgerlijk Wetboek vereiste niet |
dat de onder voorlopig bewind geplaatste persoon krankzinnig was. Ook | dat de onder voorlopig bewind geplaatste persoon krankzinnig was. Ook |
personen met een fysieke beperking konden onder voorlopig bewind | personen met een fysieke beperking konden onder voorlopig bewind |
worden geplaatst. | worden geplaatst. |
B.9.2. Het is dan ook pertinent om de vordering bedoeld in artikel 504 | B.9.2. Het is dan ook pertinent om de vordering bedoeld in artikel 504 |
van het Burgerlijk Wetboek niet toe te laten wanneer vóór het | van het Burgerlijk Wetboek niet toe te laten wanneer vóór het |
overlijden een verzoekschrift tot aanstelling van een voorlopig | overlijden een verzoekschrift tot aanstelling van een voorlopig |
bewindvoerder wegens fysieke beperking was ingediend. | bewindvoerder wegens fysieke beperking was ingediend. |
B.9.3. Het is, rekening houdend met de door de wetgever nagestreefde | B.9.3. Het is, rekening houdend met de door de wetgever nagestreefde |
doelstelling, daarentegen niet pertinent om die vordering niet toe te | doelstelling, daarentegen niet pertinent om die vordering niet toe te |
laten wanneer het verzoekschrift was ingediend wegens geestelijke | laten wanneer het verzoekschrift was ingediend wegens geestelijke |
stoornis. | stoornis. |
B.10. In zoverre de wetgever beoogde de rechthebbenden tot diligentie | B.10. In zoverre de wetgever beoogde de rechthebbenden tot diligentie |
aan te zetten en moeilijkheden te vermijden bij de bewijsvoering over | aan te zetten en moeilijkheden te vermijden bij de bewijsvoering over |
de geestestoestand van iemand die inmiddels is overleden, maakt het | de geestestoestand van iemand die inmiddels is overleden, maakt het |
immers niet uit of de zwakke geestestoestand van de betrokkene vóór | immers niet uit of de zwakke geestestoestand van de betrokkene vóór |
diens overlijden ernstig en aanhoudend was of niet; het volstaat dat | diens overlijden ernstig en aanhoudend was of niet; het volstaat dat |
de erfgenamen vóór het overlijden stappen hebben gezet om de | de erfgenamen vóór het overlijden stappen hebben gezet om de |
betrokkene wegens zijn zwakke geestestoestand te doen beschermen en | betrokkene wegens zijn zwakke geestestoestand te doen beschermen en |
het bewijs daarvan nog tijdens diens leven in beginsel mogelijk te | het bewijs daarvan nog tijdens diens leven in beginsel mogelijk te |
maken. | maken. |
In zoverre de wetgever beoogde te voorkomen dat erfgenamen die zich | In zoverre de wetgever beoogde te voorkomen dat erfgenamen die zich |
benadeeld achten, de geestestoestand van de betrokkene vóór diens | benadeeld achten, de geestestoestand van de betrokkene vóór diens |
overlijden alsnog ter discussie stellen in de hoop hun erfdeel te | overlijden alsnog ter discussie stellen in de hoop hun erfdeel te |
vergroten, is het evenmin pertinent een onderscheid te maken op basis | vergroten, is het evenmin pertinent een onderscheid te maken op basis |
van het gegeven dat de betrokkene geheel dan wel slechts beperkt | van het gegeven dat de betrokkene geheel dan wel slechts beperkt |
handelingsonbekwaam was, aangezien die handelingsonbekwaamheid - of | handelingsonbekwaam was, aangezien die handelingsonbekwaamheid - of |
minstens de vordering daartoe - hoe dan ook minstens betrekking heeft | minstens de vordering daartoe - hoe dan ook minstens betrekking heeft |
op de vermogensrechtelijke handelingen die het erfdeel hebben kunnen | op de vermogensrechtelijke handelingen die het erfdeel hebben kunnen |
beïnvloeden. | beïnvloeden. |
B.11. Aangezien de in B.9.3 gedane vaststelling van de lacune is | B.11. Aangezien de in B.9.3 gedane vaststelling van de lacune is |
uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die | uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die |
toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met | toelaten de in het geding zijnde bepaling toe te passen met |
inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn | inachtneming van de referentienormen op grond waarvan het Hof zijn |
toetsingsbevoegdheid uitoefent, staat het aan de verwijzende rechter | toetsingsbevoegdheid uitoefent, staat het aan de verwijzende rechter |
een einde te maken aan de schending van die normen. | een einde te maken aan de schending van die normen. |
B.12. In de in B.9.3 aangegeven mate dient de prejudiciële vraag | B.12. In de in B.9.3 aangegeven mate dient de prejudiciële vraag |
bevestigend te worden beantwoord. | bevestigend te worden beantwoord. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
zegt voor recht : | zegt voor recht : |
Artikel 504 van het Burgerlijk Wetboek, vóór de opheffing ervan bij | Artikel 504 van het Burgerlijk Wetboek, vóór de opheffing ervan bij |
artikel 119 van de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de | artikel 119 van de wet van 17 maart 2013 tot hervorming van de |
regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe | regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe |
beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid, schendt | beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid, schendt |
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het ertoe leidt dat een | de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het ertoe leidt dat een |
vordering van de erfgenamen tot vernietiging van een handeling van een | vordering van de erfgenamen tot vernietiging van een handeling van een |
inmiddels overleden persoon op basis van diens krankzinnigheid | inmiddels overleden persoon op basis van diens krankzinnigheid |
ontvankelijk is wanneer vóór diens overlijden een verzoekschrift tot | ontvankelijk is wanneer vóór diens overlijden een verzoekschrift tot |
onbekwaamverklaring is neergelegd maar niet wanneer een verzoekschrift | onbekwaamverklaring is neergelegd maar niet wanneer een verzoekschrift |
tot het aanstellen van een voorlopig bewindvoerder wegens geestelijke | tot het aanstellen van een voorlopig bewindvoerder wegens geestelijke |
stoornis is ingediend. | stoornis is ingediend. |
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel | Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel |
65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, | 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, |
op 22 januari 2015. | op 22 januari 2015. |
De griffier, | De griffier, |
P.-Y. Dutilleux | P.-Y. Dutilleux |
De voorzitter, | De voorzitter, |
A. Alen | A. Alen |