← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 164/2014 van 6 november 2014 Rolnummer : 5737 In zake :
de prejudiciële vraag betreffende artikel 2262bis, § 1, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk
Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te De Het Grondwettelijk Hof, samengesteld
uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters (...)"
Uittreksel uit arrest nr. 164/2014 van 6 november 2014 Rolnummer : 5737 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2262bis, § 1, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te De Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters (...) | Uittreksel uit arrest nr. 164/2014 van 6 november 2014 Rolnummer : 5737 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2262bis, § 1, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te De Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters (...) |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | GRONDWETTELIJK HOF |
Uittreksel uit arrest nr. 164/2014 van 6 november 2014 | Uittreksel uit arrest nr. 164/2014 van 6 november 2014 |
Rolnummer : 5737 | Rolnummer : 5737 |
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2262bis, § 1, | In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2262bis, § 1, |
eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de | eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de |
Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. | Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. |
Het Grondwettelijk Hof, | Het Grondwettelijk Hof, |
samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de | samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de |
rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. | rechters E. De Groot, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. |
Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. | Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. |
Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder | Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder |
voorzitterschap van voorzitter A. Alen, | voorzitterschap van voorzitter A. Alen, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging | I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging |
Bij vonnis van 10 oktober 2013 in zake Dirk Cobbaut tegen Monique | Bij vonnis van 10 oktober 2013 in zake Dirk Cobbaut tegen Monique |
Meeremans, met Katrien Cobbaut en Frank Cobbaut als vrijwillig | Meeremans, met Katrien Cobbaut en Frank Cobbaut als vrijwillig |
tussenkomende partijen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof | tussenkomende partijen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof |
is ingekomen op 28 oktober 2013, heeft de Rechtbank van eerste aanleg | is ingekomen op 28 oktober 2013, heeft de Rechtbank van eerste aanleg |
te Dendermonde de volgende prejudiciële vraag gesteld : | te Dendermonde de volgende prejudiciële vraag gesteld : |
« Schenden de artikelen 2262bis, § 1, eerste lid, en 2262bis, § 1, | « Schenden de artikelen 2262bis, § 1, eerste lid, en 2262bis, § 1, |
tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de | tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de |
Belgische Grondwet doordat zij de gelijkheid schenden tussen de | Belgische Grondwet doordat zij de gelijkheid schenden tussen de |
rechtsonderhorigen in zoverre de interpretatie van de aanvang van de | rechtsonderhorigen in zoverre de interpretatie van de aanvang van de |
tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, | tienjarige verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, eerste lid, |
Burgerlijk Wetboek, met name dat deze een aanvang neemt vanaf het | Burgerlijk Wetboek, met name dat deze een aanvang neemt vanaf het |
ontstaan van de vordering, ongeacht of men kennis heeft van deze | ontstaan van de vordering, ongeacht of men kennis heeft van deze |
vordering, terwijl de verjaringstermijn van een vordering op grond van | vordering, terwijl de verjaringstermijn van een vordering op grond van |
onrechtmatige daad van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk | onrechtmatige daad van artikel 2262bis, § 1, tweede lid, Burgerlijk |
Wetboek pas start van zodra het slachtoffer kennis heeft van zijn | Wetboek pas start van zodra het slachtoffer kennis heeft van zijn |
schade en identiteit van de aansprakelijke ? ». | schade en identiteit van de aansprakelijke ? ». |
(...) | (...) |
III. In rechte | III. In rechte |
(...) | (...) |
B.1. Artikel 2262bis, § 1, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : | B.1. Artikel 2262bis, § 1, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : |
« Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien | « Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien |
jaar. | jaar. |
In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot | In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot |
vergoeding van schade op grond van buitencontractuele | vergoeding van schade op grond van buitencontractuele |
aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op | aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op |
die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de | die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de |
verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke | verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke |
persoon. | persoon. |
De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door | De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door |
verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit | verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit |
waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan ». | waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan ». |
B.2. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel | B.2. Het Hof wordt ondervraagd over de bestaanbaarheid van artikel |
2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, met de artikelen | 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, met de artikelen |
10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de tienjarige verjaringstermijn | 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de tienjarige verjaringstermijn |
voor persoonlijke rechtsvorderingen aanvangt bij het ontstaan van de | voor persoonlijke rechtsvorderingen aanvangt bij het ontstaan van de |
vordering, terwijl de verjaringstermijn voor een vordering op grond | vordering, terwijl de verjaringstermijn voor een vordering op grond |
van een onrechtmatige daad krachtens artikel 2262bis, § 1, tweede lid, | van een onrechtmatige daad krachtens artikel 2262bis, § 1, tweede lid, |
van het Burgerlijk Wetboek, pas aanvangt wanneer het slachtoffer | van het Burgerlijk Wetboek, pas aanvangt wanneer het slachtoffer |
kennis heeft van zijn schade en de identiteit van de daarvoor | kennis heeft van zijn schade en de identiteit van de daarvoor |
aansprakelijke persoon. | aansprakelijke persoon. |
B.3. Ofschoon een contractuele en een buitencontractuele | B.3. Ofschoon een contractuele en een buitencontractuele |
rechtsvordering verschillend zijn, bevinden de schuldeisers in een | rechtsvordering verschillend zijn, bevinden de schuldeisers in een |
rechtsvordering van contractuele respectievelijk buitencontractuele | rechtsvordering van contractuele respectievelijk buitencontractuele |
aard zich in situaties die niet in die mate verschillen dat zij niet | aard zich in situaties die niet in die mate verschillen dat zij niet |
met elkaar zouden kunnen worden vergeleken wat de verjaringstermijn | met elkaar zouden kunnen worden vergeleken wat de verjaringstermijn |
betreft. Het gaat immers in beide gevallen om personen die worden | betreft. Het gaat immers in beide gevallen om personen die worden |
geconfronteerd met verjaringstermijnen betreffende een door een andere | geconfronteerd met verjaringstermijnen betreffende een door een andere |
persoon begane wanprestatie respectievelijk schadeverwekkende | persoon begane wanprestatie respectievelijk schadeverwekkende |
handeling. | handeling. |
B.4. De door de verwijzende rechter in aanmerking genomen | B.4. De door de verwijzende rechter in aanmerking genomen |
interpretatie van de bepalingen die hij ter toetsing aan het Hof | interpretatie van de bepalingen die hij ter toetsing aan het Hof |
voorlegt, wordt in de regel door het Hof in aanmerking genomen, tenzij | voorlegt, wordt in de regel door het Hof in aanmerking genomen, tenzij |
zij kennelijk onjuist blijkt te zijn. | zij kennelijk onjuist blijkt te zijn. |
B.5. Inzake verjaring is er een zodanige verscheidenheid aan situaties | B.5. Inzake verjaring is er een zodanige verscheidenheid aan situaties |
dat uniforme regels in het algemeen niet haalbaar zouden zijn en dat | dat uniforme regels in het algemeen niet haalbaar zouden zijn en dat |
de wetgever moet kunnen beschikken over een ruime | de wetgever moet kunnen beschikken over een ruime |
beoordelingsbevoegdheid wanneer hij die aangelegenheid regelt. Het | beoordelingsbevoegdheid wanneer hij die aangelegenheid regelt. Het |
verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat | verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat |
voortvloeit uit de toepassing van verschillende verjaringstermijnen in | voortvloeit uit de toepassing van verschillende verjaringstermijnen in |
verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van | verschillende omstandigheden, houdt op zich geen discriminatie in. Van |
discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in | discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in |
behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die | behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die |
verjaringstermijnen, een onevenredige beperking van de rechten van de | verjaringstermijnen, een onevenredige beperking van de rechten van de |
daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. | daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. |
B.6.1. Het recht op toegang tot de rechter verzet zich niet tegen | B.6.1. Het recht op toegang tot de rechter verzet zich niet tegen |
ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals verjaringstermijnen, voor zover | ontvankelijkheidsvoorwaarden zoals verjaringstermijnen, voor zover |
dergelijke beperkingen de essentie van dat recht niet aantasten en | dergelijke beperkingen de essentie van dat recht niet aantasten en |
voor zover zij in een evenredige verhouding staan met een legitieme | voor zover zij in een evenredige verhouding staan met een legitieme |
doelstelling. Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden | doelstelling. Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden |
indien een beperking niet langer de rechtszekerheid en de goede | indien een beperking niet langer de rechtszekerheid en de goede |
rechtsbedeling dient, maar veeleer een barrière vormt die de | rechtsbedeling dient, maar veeleer een barrière vormt die de |
rechtsonderhorige verhindert om zijn rechten door de bevoegde rechter | rechtsonderhorige verhindert om zijn rechten door de bevoegde rechter |
te laten beoordelen (EHRM, 27 juli 2007, Efstathiou e.a. t. | te laten beoordelen (EHRM, 27 juli 2007, Efstathiou e.a. t. |
Griekenland, § 24; 24 februari 2009, L'Erablière ASBL t. België, § | Griekenland, § 24; 24 februari 2009, L'Erablière ASBL t. België, § |
35). | 35). |
De aard van een verjaringstermijn of de manier waarop hij wordt | De aard van een verjaringstermijn of de manier waarop hij wordt |
toegepast, zijn in strijd met het recht op toegang tot de rechter | toegepast, zijn in strijd met het recht op toegang tot de rechter |
indien zij de rechtsonderhorige verhinderen om een rechtsmiddel aan te | indien zij de rechtsonderhorige verhinderen om een rechtsmiddel aan te |
wenden dat in beginsel beschikbaar is (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. | wenden dat in beginsel beschikbaar is (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. |
Malta, § 89; 7 juli 2009, Stagno t. België), indien de haalbaarheid | Malta, § 89; 7 juli 2009, Stagno t. België), indien de haalbaarheid |
ervan afhankelijk is van omstandigheden buiten de wil van de verzoeker | ervan afhankelijk is van omstandigheden buiten de wil van de verzoeker |
(EHRM, 22 juli 2010, Melis t. Griekenland, § 28) of indien zij als | (EHRM, 22 juli 2010, Melis t. Griekenland, § 28) of indien zij als |
gevolg hebben dat elke vordering bij voorbaat tot mislukken is gedoemd | gevolg hebben dat elke vordering bij voorbaat tot mislukken is gedoemd |
(EHRM, 11 maart 2014, Howald Moor e.a. t. Zwitserland). | (EHRM, 11 maart 2014, Howald Moor e.a. t. Zwitserland). |
B.6.2. Het recht op toegang tot de rechter verzet zich evenwel niet | B.6.2. Het recht op toegang tot de rechter verzet zich evenwel niet |
tegen absolute verjaringstermijnen. Dat recht moet immers worden | tegen absolute verjaringstermijnen. Dat recht moet immers worden |
verzoend met het streven naar rechtszekerheid en de zorg om het recht | verzoend met het streven naar rechtszekerheid en de zorg om het recht |
op een eerlijk proces die elke verjaringsregel kenmerken. De | op een eerlijk proces die elke verjaringsregel kenmerken. De |
omstandigheid dat een verjaringstermijn kan verstrijken vooraleer de | omstandigheid dat een verjaringstermijn kan verstrijken vooraleer de |
schuldeiser kennis heeft van alle elementen die nodig zijn om zijn | schuldeiser kennis heeft van alle elementen die nodig zijn om zijn |
vorderingsrecht uit te oefenen, zoals de twintigjarige termijn bepaald | vorderingsrecht uit te oefenen, zoals de twintigjarige termijn bepaald |
in artikel 2262bis, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, is | in artikel 2262bis, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, is |
bijgevolg op zichzelf niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de | bijgevolg op zichzelf niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de |
Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag | Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag |
voor de rechten van de mens. | voor de rechten van de mens. |
B.6.3. Het Hof dient te dezen evenwel de situatie te onderzoeken van | B.6.3. Het Hof dient te dezen evenwel de situatie te onderzoeken van |
de begunstigde van een derdenbeding die, bij gebrek aan kennisgeving | de begunstigde van een derdenbeding die, bij gebrek aan kennisgeving |
door de bedinger of de belover, over geen enkel element beschikt dat | door de bedinger of de belover, over geen enkel element beschikt dat |
hem in staat stelt om een vorderingsrecht dat hem op grond van de | hem in staat stelt om een vorderingsrecht dat hem op grond van de |
overeenkomst tussen bedinger en belover toekomt, uit te oefenen, en | overeenkomst tussen bedinger en belover toekomt, uit te oefenen, en |
die, na verloop van tien jaren, een recht verjaard ziet dat hij nooit | die, na verloop van tien jaren, een recht verjaard ziet dat hij nooit |
in rechte heeft kunnen afdwingen. | in rechte heeft kunnen afdwingen. |
B.7. Wat de derdenbedingen voortvloeiend uit persoonsverzekeringen | B.7. Wat de derdenbedingen voortvloeiend uit persoonsverzekeringen |
betreft, bepaalt artikel 88, § 1, vierde lid, van de wet van 4 april | betreft, bepaalt artikel 88, § 1, vierde lid, van de wet van 4 april |
2014 betreffende de verzekeringen dat de verjaringstermijn van de | 2014 betreffende de verzekeringen dat de verjaringstermijn van de |
rechtsvordering van de begunstigde pas loopt vanaf de dag waarop deze | rechtsvordering van de begunstigde pas loopt vanaf de dag waarop deze |
tegelijk kennis heeft van het bestaan van de overeenkomst, van zijn | tegelijk kennis heeft van het bestaan van de overeenkomst, van zijn |
hoedanigheid van begunstigde en van het voorval dat de | hoedanigheid van begunstigde en van het voorval dat de |
verzekeringsprestaties opeisbaar doet worden. Bijgevolg kunnen de | verzekeringsprestaties opeisbaar doet worden. Bijgevolg kunnen de |
rechtsvorderingen uit dergelijke derdenbedingen niet verjaren | rechtsvorderingen uit dergelijke derdenbedingen niet verjaren |
vooraleer de begunstigde kennis heeft van zijn recht. | vooraleer de begunstigde kennis heeft van zijn recht. |
B.8.1. De in het geding zijnde bepaling werd ingevoegd bij de wet van | B.8.1. De in het geding zijnde bepaling werd ingevoegd bij de wet van |
10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de | 10 juni 1998 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de |
verjaring. Met die wet beoogde de wetgever tegemoet te komen aan het | verjaring. Met die wet beoogde de wetgever tegemoet te komen aan het |
arrest van het Hof nr. 25/95 van 21 maart 1995. Bij dat arrest heeft | arrest van het Hof nr. 25/95 van 21 maart 1995. Bij dat arrest heeft |
het Hof geoordeeld dat artikel 26 van de voorafgaande titel van het | het Hof geoordeeld dat artikel 26 van de voorafgaande titel van het |
Wetboek van strafvordering niet bestaanbaar was met het beginsel van | Wetboek van strafvordering niet bestaanbaar was met het beginsel van |
gelijkheid en niet-discriminatie, doordat het de burgerlijke | gelijkheid en niet-discriminatie, doordat het de burgerlijke |
rechtsvordering voortvloeiend uit een misdrijf onderwierp aan een | rechtsvordering voortvloeiend uit een misdrijf onderwierp aan een |
verjaringstermijn van vijf jaar, terwijl de andere buitencontractuele | verjaringstermijn van vijf jaar, terwijl de andere buitencontractuele |
fouten krachtens de toenmalige versie van artikel 2262 van het | fouten krachtens de toenmalige versie van artikel 2262 van het |
Burgerlijk Wetboek pas na dertig jaar verjaarden. | Burgerlijk Wetboek pas na dertig jaar verjaarden. |
B.8.2. De wetgever oordeelde dat ingevolge dat arrest niet alleen de | B.8.2. De wetgever oordeelde dat ingevolge dat arrest niet alleen de |
door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid diende te worden | door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid diende te worden |
geremedieerd, maar dat tevens de verjaringstermijn voor alle | geremedieerd, maar dat tevens de verjaringstermijn voor alle |
persoonlijke rechtsvorderingen, die op dat ogenblik dertig jaar | persoonlijke rechtsvorderingen, die op dat ogenblik dertig jaar |
bedroeg, diende te worden ingekort (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. | bedroeg, diende te worden ingekort (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. |
1087/1, pp. 2-3). | 1087/1, pp. 2-3). |
Daarbij werd benadrukt dat er diende te worden voorzien in een | Daarbij werd benadrukt dat er diende te worden voorzien in een |
absolute verjaringstermijn die begint te lopen op de dag waarop de | absolute verjaringstermijn die begint te lopen op de dag waarop de |
schadeverwekkende gebeurtenis zich voordoet, zelfs indien de schade | schadeverwekkende gebeurtenis zich voordoet, zelfs indien de schade |
pas later blijkt, omdat de aansprakelijke en zijn verzekeraar niet al | pas later blijkt, omdat de aansprakelijke en zijn verzekeraar niet al |
te lang mogen worden blootgesteld aan rechtsvorderingen tot vergoeding | te lang mogen worden blootgesteld aan rechtsvorderingen tot vergoeding |
van schade (ibid., pp. 2-3). | van schade (ibid., pp. 2-3). |
B.8.3. De absolute verjaringstermijn voor persoonlijke | B.8.3. De absolute verjaringstermijn voor persoonlijke |
rechtsvorderingen werd op tien jaar bepaald (artikel 2262bis, § 1, | rechtsvorderingen werd op tien jaar bepaald (artikel 2262bis, § 1, |
eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Die termijn begint te lopen | eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek). Die termijn begint te lopen |
op de dag volgend op het ogenblik waarop de vordering opeisbaar wordt. | op de dag volgend op het ogenblik waarop de vordering opeisbaar wordt. |
De absolute verjaringstermijn voor buitencontractuele | De absolute verjaringstermijn voor buitencontractuele |
aansprakelijkheid werd daarentegen op twintig jaar bepaald (artikel | aansprakelijkheid werd daarentegen op twintig jaar bepaald (artikel |
2262bis, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek). Die termijn | 2262bis, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek). Die termijn |
begint te lopen op de dag volgend op het ogenblik van de | begint te lopen op de dag volgend op het ogenblik van de |
schadeverwekkende handeling. | schadeverwekkende handeling. |
Alleen voor de buitencontractuele aansprakelijkheid werd binnen de | Alleen voor de buitencontractuele aansprakelijkheid werd binnen de |
absolute verjaringstermijn voorzien in een kortere termijn van vijf | absolute verjaringstermijn voorzien in een kortere termijn van vijf |
jaar, die begint te lopen op de dag volgend op die waarop de | jaar, die begint te lopen op de dag volgend op die waarop de |
benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring | benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring |
ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon | ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon |
(artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). | (artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek). |
Dat die kortere termijn niet werd uitgebreid naar de andere | Dat die kortere termijn niet werd uitgebreid naar de andere |
persoonlijke rechtsvorderingen, werd in de parlementaire voorbereiding | persoonlijke rechtsvorderingen, werd in de parlementaire voorbereiding |
als volgt verklaard : | als volgt verklaard : |
« Het toepassen van de thans voorziene verkorte termijn op grond van | « Het toepassen van de thans voorziene verkorte termijn op grond van |
het criterium ' kennis van de schade en van de identiteit van de | het criterium ' kennis van de schade en van de identiteit van de |
daarvoor aansprakelijke persoon ' op alle contractuele vorderingen | daarvoor aansprakelijke persoon ' op alle contractuele vorderingen |
heeft in veel gevallen geen zin. Men kent daar doorgaans de identiteit | heeft in veel gevallen geen zin. Men kent daar doorgaans de identiteit |
van zijn contractspartij ' dader ' die de contractuele fout heeft | van zijn contractspartij ' dader ' die de contractuele fout heeft |
begaan. Voor andere vorderingen dan deze tot schadevergoeding moeten | begaan. Voor andere vorderingen dan deze tot schadevergoeding moeten |
de aanvangspunten per type contractuele vordering bepaald worden, | de aanvangspunten per type contractuele vordering bepaald worden, |
eerder dan te stellen ' vanaf kennis van de schade ' (zie NBW). | eerder dan te stellen ' vanaf kennis van de schade ' (zie NBW). |
Tenzij het hele verjaringssysteem van het Belgisch recht wordt | Tenzij het hele verjaringssysteem van het Belgisch recht wordt |
herwerkt, wat, zoals gezegd, thans niet opportuun wordt geacht, leek | herwerkt, wat, zoals gezegd, thans niet opportuun wordt geacht, leek |
het voldoende en gepast om binnen de groep van persoonlijke | het voldoende en gepast om binnen de groep van persoonlijke |
vorderingen (2262bis van het Burgerlijk Wetboek) de vorderingen tot | vorderingen (2262bis van het Burgerlijk Wetboek) de vorderingen tot |
schadevergoeding gegrond op buitencontractuele aansprakelijkheid te | schadevergoeding gegrond op buitencontractuele aansprakelijkheid te |
onderwerpen aan de dubbele verjaringstermijn van 5 en 10 jaar, terwijl | onderwerpen aan de dubbele verjaringstermijn van 5 en 10 jaar, terwijl |
alle andere persoonlijke vorderingen verjaren door een unieke absolute | alle andere persoonlijke vorderingen verjaren door een unieke absolute |
termijn van 10 jaar (zie bespreking van artikel 5). De ' lange ' of | termijn van 10 jaar (zie bespreking van artikel 5). De ' lange ' of |
absolute termijn is dus dezelfde voor alle persoonlijke vorderingen » | absolute termijn is dus dezelfde voor alle persoonlijke vorderingen » |
(ibid., p. 6). | (ibid., p. 6). |
B.9. Terwijl een contracterende partij in de regel kennis heeft van | B.9. Terwijl een contracterende partij in de regel kennis heeft van |
haar vorderingsrecht op de dag waarop het ontstaat, is zulks evenwel | haar vorderingsrecht op de dag waarop het ontstaat, is zulks evenwel |
niet noodzakelijk het geval voor de begunstigde van een derdenbeding. | niet noodzakelijk het geval voor de begunstigde van een derdenbeding. |
De begunstigde verkrijgt zijn vorderingsrecht immers op grond van een | De begunstigde verkrijgt zijn vorderingsrecht immers op grond van een |
overeenkomst die tussen de belover en de bedinger wordt gesloten en | overeenkomst die tussen de belover en de bedinger wordt gesloten en |
waarbij hij geen partij is. Hij zal in de regel pas kennis krijgen van | waarbij hij geen partij is. Hij zal in de regel pas kennis krijgen van |
zijn vorderingsrecht indien de belover of de bedinger hem hiervan op | zijn vorderingsrecht indien de belover of de bedinger hem hiervan op |
de hoogte brengen. De bewijslast van het tijdstip van kennisname door | de hoogte brengen. De bewijslast van het tijdstip van kennisname door |
de begunstigde van het recht dat hij put uit de overeenkomst tussen de | de begunstigde van het recht dat hij put uit de overeenkomst tussen de |
bedinger en de belover, ligt bij de begunstigde. | bedinger en de belover, ligt bij de begunstigde. |
Bijgevolg is het, behoudens voor een derdenbeding in een | Bijgevolg is het, behoudens voor een derdenbeding in een |
persoonsverzekering, mogelijk dat het recht dat voortvloeit uit een | persoonsverzekering, mogelijk dat het recht dat voortvloeit uit een |
derdenbeding, verjaart vooraleer de begunstigde van het bestaan ervan | derdenbeding, verjaart vooraleer de begunstigde van het bestaan ervan |
op de hoogte zou kunnen zijn. Zijn onwetendheid, zelfs te goeder | op de hoogte zou kunnen zijn. Zijn onwetendheid, zelfs te goeder |
trouw, schorst het vorderingsrecht immers niet, aangezien krachtens | trouw, schorst het vorderingsrecht immers niet, aangezien krachtens |
artikel 2251 van het Burgerlijk Wetboek enkel een wettelijk beletsel | artikel 2251 van het Burgerlijk Wetboek enkel een wettelijk beletsel |
in aanmerking komt om een verjaringstermijn te stuiten of te schorsen. | in aanmerking komt om een verjaringstermijn te stuiten of te schorsen. |
B.10. Hoewel het legitiem is om zo veel mogelijk in geharmoniseerde | B.10. Hoewel het legitiem is om zo veel mogelijk in geharmoniseerde |
regels te voorzien voor de verjaring van alle types van persoonlijke | regels te voorzien voor de verjaring van alle types van persoonlijke |
rechtsvorderingen, vermag een dergelijke doelstelling niet als gevolg | rechtsvorderingen, vermag een dergelijke doelstelling niet als gevolg |
te hebben dat voor een bepaald type van persoonlijke rechtsvorderingen | te hebben dat voor een bepaald type van persoonlijke rechtsvorderingen |
de opeising onmogelijk kan worden gemaakt. | de opeising onmogelijk kan worden gemaakt. |
Aangezien de aanvaarding en de opeising van het recht dat voortvloeit | Aangezien de aanvaarding en de opeising van het recht dat voortvloeit |
uit een derdenbeding, vereisen dat de begunstigde kennis heeft van dat | uit een derdenbeding, vereisen dat de begunstigde kennis heeft van dat |
recht, zou een verjaringstermijn die afloopt vooraleer hij | recht, zou een verjaringstermijn die afloopt vooraleer hij |
redelijkerwijze over die kennis zou kunnen beschikken, hem verhinderen | redelijkerwijze over die kennis zou kunnen beschikken, hem verhinderen |
een rechtsmiddel aan te wenden waarover hij in beginsel beschikt. | een rechtsmiddel aan te wenden waarover hij in beginsel beschikt. |
Indien de begunstigde na het verstrijken van de absolute | Indien de begunstigde na het verstrijken van de absolute |
verjaringstermijn van tien jaar alsnog kennis zou krijgen van het | verjaringstermijn van tien jaar alsnog kennis zou krijgen van het |
derdenbeding, zou elke vordering bij voorbaat tot mislukken gedoemd | derdenbeding, zou elke vordering bij voorbaat tot mislukken gedoemd |
zijn. | zijn. |
B.11. In zoverre de in het geding zijnde bepaling als gevolg kan | B.11. In zoverre de in het geding zijnde bepaling als gevolg kan |
hebben dat de begunstigde van een derdenbeding zijn recht niet kan | hebben dat de begunstigde van een derdenbeding zijn recht niet kan |
opeisen, omdat het overeenkomstige vorderingsrecht is verjaard | opeisen, omdat het overeenkomstige vorderingsrecht is verjaard |
vooraleer hij kennis van dat beding heeft of ervan dient te hebben, is | vooraleer hij kennis van dat beding heeft of ervan dient te hebben, is |
zij niet bestaanbaar met het beginsel van gelijkheid en | zij niet bestaanbaar met het beginsel van gelijkheid en |
niet-discriminatie. | niet-discriminatie. |
Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of de begunstigden in | Het staat aan de verwijzende rechter na te gaan of de begunstigden in |
het bodemgeschil kennis van het derdenbeding hadden of redelijkerwijze | het bodemgeschil kennis van het derdenbeding hadden of redelijkerwijze |
kennis ervan dienden te hebben vóór het verstrijken van de | kennis ervan dienden te hebben vóór het verstrijken van de |
verjaringstermijn. | verjaringstermijn. |
B.12. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. | B.12. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
zegt voor recht : | zegt voor recht : |
Artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt | Artikel 2262bis, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt |
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het als gevolg kan | de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het als gevolg kan |
hebben dat de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen uit | hebben dat de verjaringstermijn voor rechtsvorderingen uit |
derdenbedingen verstrijkt vooraleer de begunstigde van het | derdenbedingen verstrijkt vooraleer de begunstigde van het |
derdenbeding kennis ervan heeft of redelijkerwijze ervan dient te | derdenbeding kennis ervan heeft of redelijkerwijze ervan dient te |
hebben. | hebben. |
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel | Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel |
65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, | 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, |
op 6 november 2014. | op 6 november 2014. |
De griffier, | De griffier, |
P.-Y. Dutilleux | P.-Y. Dutilleux |
De voorzitter, | De voorzitter, |
A. Alen | A. Alen |