← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 120/2013 van 7 augustus 2013 Rolnummer : 5510 In zake :
de prejudiciële vraag betreffende artikel 6, eerste lid, 1°, van de wet van 10 april 1990 tot regeling
van de private en bijzondere veiligheid, gesteld door de Het Grondwettelijk
Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, de rechters (...)"
Uittreksel uit arrest nr. 120/2013 van 7 augustus 2013 Rolnummer : 5510 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 6, eerste lid, 1°, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, gesteld door de Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, de rechters (...) | Uittreksel uit arrest nr. 120/2013 van 7 augustus 2013 Rolnummer : 5510 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 6, eerste lid, 1°, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, gesteld door de Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, de rechters (...) |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | GRONDWETTELIJK HOF |
Uittreksel uit arrest nr. 120/2013 van 7 augustus 2013 | Uittreksel uit arrest nr. 120/2013 van 7 augustus 2013 |
Rolnummer : 5510 | Rolnummer : 5510 |
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 6, eerste lid, 1°, | In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 6, eerste lid, 1°, |
van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere | van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere |
veiligheid, gesteld door de Raad van State. | veiligheid, gesteld door de Raad van State. |
Het Grondwettelijk Hof, | Het Grondwettelijk Hof, |
samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, de | samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en M. Bossuyt, de |
rechters L. Lavrysen, A. Alen, E. Derycke en P. Nihoul, en, | rechters L. Lavrysen, A. Alen, E. Derycke en P. Nihoul, en, |
overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 | overeenkomstig artikel 60bis van de bijzondere wet van 6 januari 1989 |
op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter R. Henneuse, bijgestaan | op het Grondwettelijk Hof, emeritus voorzitter R. Henneuse, bijgestaan |
door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus | door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van emeritus |
voorzitter R. Henneuse, | voorzitter R. Henneuse, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging | I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging |
Bij arrest nr. 221.192 van 25 oktober 2012 in zake M.N. tegen de | Bij arrest nr. 221.192 van 25 oktober 2012 in zake M.N. tegen de |
Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is | Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is |
ingekomen op 2 november 2012, heeft de Raad van State de volgende | ingekomen op 2 november 2012, heeft de Raad van State de volgende |
prejudiciële vraag gesteld : | prejudiciële vraag gesteld : |
« Schendt artikel 6, eerste lid, 1°, van de wet van 10 april 1990 | « Schendt artikel 6, eerste lid, 1°, van de wet van 10 april 1990 |
betreffende de private en bijzondere veiligheid de artikelen 10 en 11 | betreffende de private en bijzondere veiligheid de artikelen 10 en 11 |
van de Grondwet, alsook het algemeen beginsel van gelijkheid en | van de Grondwet, alsook het algemeen beginsel van gelijkheid en |
niet-discriminatie, in zoverre het bepaalt dat aan een persoon die is | niet-discriminatie, in zoverre het bepaalt dat aan een persoon die is |
veroordeeld tot een gevangenisstraf, ongeacht de duur ervan, wegens | veroordeeld tot een gevangenisstraf, ongeacht de duur ervan, wegens |
opzettelijke slagen en verwondingen, geen identificatiekaart van | opzettelijke slagen en verwondingen, geen identificatiekaart van |
bewakingsagent mag worden uitgereikt, terwijl dat niet het geval is | bewakingsagent mag worden uitgereikt, terwijl dat niet het geval is |
indien een persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf van minder | indien een persoon is veroordeeld tot een gevangenisstraf van minder |
dan zes maanden wegens enig ander misdrijf, met uitzondering van die | dan zes maanden wegens enig ander misdrijf, met uitzondering van die |
welke specifiek door dezelfde bepaling worden beoogd ? ». | welke specifiek door dezelfde bepaling worden beoogd ? ». |
(...) | (...) |
III. In rechte | III. In rechte |
(...) | (...) |
B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 6, eerste lid, | B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 6, eerste lid, |
1°, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en | 1°, van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en |
bijzondere veiligheid in de redactie die eraan werd gegeven bij de wet | bijzondere veiligheid in de redactie die eraan werd gegeven bij de wet |
van 8 maart 2010 en die van toepassing is op de feiten die aan de | van 8 maart 2010 en die van toepassing is op de feiten die aan de |
verwijzende rechter zijn voorgelegd. Het bepaalt : | verwijzende rechter zijn voorgelegd. Het bepaalt : |
« De personen die in een onderneming, dienst of instelling, bedoeld in | « De personen die in een onderneming, dienst of instelling, bedoeld in |
artikel 1 een andere functie uitoefenen dan die welke beoogd worden in | artikel 1 een andere functie uitoefenen dan die welke beoogd worden in |
artikel 5, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden : | artikel 5, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden : |
1° niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot een | 1° niet veroordeeld geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot een |
gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf, tot | gevangenisstraf van ten minste zes maanden wegens enig misdrijf, tot |
een gevangenisstraf of een andere straf wegens diefstal, heling, | een gevangenisstraf of een andere straf wegens diefstal, heling, |
afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in | afpersing, misbruik van vertrouwen, oplichting, valsheid in |
geschriften, opzettelijke slagen en verwondingen, aanranding van de | geschriften, opzettelijke slagen en verwondingen, aanranding van de |
eerbaarheid, verkrachting, of misdrijven, bepaald bij de artikelen 379 | eerbaarheid, verkrachting, of misdrijven, bepaald bij de artikelen 379 |
tot 386ter van het Strafwetboek, bij artikel 227 van het Strafwetboek, | tot 386ter van het Strafwetboek, bij artikel 227 van het Strafwetboek, |
bij artikel 259bis van het Strafwetboek, bij artikel 280 van het | bij artikel 259bis van het Strafwetboek, bij artikel 280 van het |
Strafwetboek, bij de artikelen 323, 324 en 324ter van het | Strafwetboek, bij de artikelen 323, 324 en 324ter van het |
Strafwetboek, bij de wet van 24 februari 1921 betreffende het | Strafwetboek, bij de wet van 24 februari 1921 betreffende het |
verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, | verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, |
ontsmettingsstoffen en antiseptica en haar uitvoeringsbesluiten, de | ontsmettingsstoffen en antiseptica en haar uitvoeringsbesluiten, de |
wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het | wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het |
dragen van wapens en op de handel in munitie en haar | dragen van wapens en op de handel in munitie en haar |
uitvoeringsbesluiten, de wet van 8 december 1992 betreffende de | uitvoeringsbesluiten, de wet van 8 december 1992 betreffende de |
bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de | bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de |
verwerking van persoonsgegevens, of de wet van 30 juli 1981 tot | verwerking van persoonsgegevens, of de wet van 30 juli 1981 tot |
bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden. | bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden. |
Personen die activiteiten uitoefenen zoals bedoeld in artikel 1, | Personen die activiteiten uitoefenen zoals bedoeld in artikel 1, |
eerste lid, § § 1, 6°, 6 en 8, mogen, in afwijking van het eerste lid, | eerste lid, § § 1, 6°, 6 en 8, mogen, in afwijking van het eerste lid, |
niet veroordeeld zijn, zelfs niet met uitstel behoudens veroordelingen | niet veroordeeld zijn, zelfs niet met uitstel behoudens veroordelingen |
wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het | wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het |
wegverkeer tot enige correctionele of criminele straf, bestaande uit | wegverkeer tot enige correctionele of criminele straf, bestaande uit |
een geldboete, een werkstraf of een gevangenisstraf. | een geldboete, een werkstraf of een gevangenisstraf. |
Personen die soortgelijke in kracht van gewijsde gegane veroordelingen | Personen die soortgelijke in kracht van gewijsde gegane veroordelingen |
hebben opgelopen in het buitenland, worden geacht niet aan de | hebben opgelopen in het buitenland, worden geacht niet aan de |
hierboven gestelde voorwaarde te voldoen. | hierboven gestelde voorwaarde te voldoen. |
Iedere persoon die ingevolge een in kracht van gewijsde gegane | Iedere persoon die ingevolge een in kracht van gewijsde gegane |
veroordeling niet meer aan deze voorwaarde voldoet is gehouden hiervan | veroordeling niet meer aan deze voorwaarde voldoet is gehouden hiervan |
onmiddellijk de personen die de werkelijke leiding hebben van de | onmiddellijk de personen die de werkelijke leiding hebben van de |
onderneming, dienst of instelling op de hoogte te brengen. | onderneming, dienst of instelling op de hoogte te brengen. |
De onderneming, dienst of instelling is gehouden ogenblikkelijk de | De onderneming, dienst of instelling is gehouden ogenblikkelijk de |
Minister van Binnenlandse Zaken te waarschuwen, zodra de onderneming, | Minister van Binnenlandse Zaken te waarschuwen, zodra de onderneming, |
dienst of instelling kennis heeft van het feit dat een persoon | dienst of instelling kennis heeft van het feit dat een persoon |
ingevolge een in kracht van gewijsde gegane veroordeling niet meer aan | ingevolge een in kracht van gewijsde gegane veroordeling niet meer aan |
deze voorwaarde voldoet, en dient ogenblikkelijk een einde te maken | deze voorwaarde voldoet, en dient ogenblikkelijk een einde te maken |
aan elke taak die bij deze onderneming, dienst of instelling door deze | aan elke taak die bij deze onderneming, dienst of instelling door deze |
persoon wordt vervuld ». | persoon wordt vervuld ». |
B.2. Het Hof wordt gevraagd naar de bestaanbaarheid, met de artikelen | B.2. Het Hof wordt gevraagd naar de bestaanbaarheid, met de artikelen |
10 en 11 van de Grondwet, van het voormelde artikel 6, eerste lid, 1°, | 10 en 11 van de Grondwet, van het voormelde artikel 6, eerste lid, 1°, |
in zoverre het onder de personen die een van de erin beoogde | in zoverre het onder de personen die een van de erin beoogde |
bewakingsfuncties wensen uit te oefenen een verschil in behandeling in | bewakingsfuncties wensen uit te oefenen een verschil in behandeling in |
het leven roept tussen diegenen die zijn veroordeeld tot een | het leven roept tussen diegenen die zijn veroordeeld tot een |
gevangenisstraf, ongeacht de duur ervan, wegens opzettelijke slagen en | gevangenisstraf, ongeacht de duur ervan, wegens opzettelijke slagen en |
verwondingen en diegenen die zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf | verwondingen en diegenen die zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf |
van minder dan zes maanden en wegens enig misdrijf met uitzondering | van minder dan zes maanden en wegens enig misdrijf met uitzondering |
van opzettelijke slagen en verwondingen en de andere in de in het | van opzettelijke slagen en verwondingen en de andere in de in het |
geding zijnde bepaling opgesomde misdrijven : enkel de laatstgenoemden | geding zijnde bepaling opgesomde misdrijven : enkel de laatstgenoemden |
zullen ertoe kunnen worden gemachtigd een in die bepaling | zullen ertoe kunnen worden gemachtigd een in die bepaling |
gedefinieerde bewakingsfunctie uit te oefenen. | gedefinieerde bewakingsfunctie uit te oefenen. |
In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt, roept de wet aldus | In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt, roept de wet aldus |
een verschil in behandeling in het leven, zelfs indien ze van | een verschil in behandeling in het leven, zelfs indien ze van |
toepassing is op alle kandidaten voor een van de erin beoogde | toepassing is op alle kandidaten voor een van de erin beoogde |
functies. | functies. |
B.3. De veiligheidsvoorwaarden vastgesteld in artikel 6 van de in het | B.3. De veiligheidsvoorwaarden vastgesteld in artikel 6 van de in het |
geding zijnde wet voor het niet-leidinggevend personeel van de | geding zijnde wet voor het niet-leidinggevend personeel van de |
ondernemingen, diensten en instellingen bedoeld in artikel 1 van die | ondernemingen, diensten en instellingen bedoeld in artikel 1 van die |
wet beogen te verzekeren dat die personen betrouwbaar zijn. | wet beogen te verzekeren dat die personen betrouwbaar zijn. |
B.4. Vanaf het begin heeft de wetgever de bewakings- en | B.4. Vanaf het begin heeft de wetgever de bewakings- en |
beveiligingsactiviteiten willen onderwerpen aan strikte en beperkende | beveiligingsactiviteiten willen onderwerpen aan strikte en beperkende |
regels, ervan uitgaande dat de handhaving van de openbare orde in de | regels, ervan uitgaande dat de handhaving van de openbare orde in de |
eerste plaats een verantwoordelijkheid van de overheid is (Parl. St., | eerste plaats een verantwoordelijkheid van de overheid is (Parl. St., |
Senaat, 1988-1989, nr. 775-1, p. 1). | Senaat, 1988-1989, nr. 775-1, p. 1). |
De vereiste van betrouwbaarheid die hiervoor werd aangehaald en | De vereiste van betrouwbaarheid die hiervoor werd aangehaald en |
verband houdt met die bekommernis van de wetgever, werd vertaald in de | verband houdt met die bekommernis van de wetgever, werd vertaald in de |
definitie van de voorwaarden van uitoefening van de in het geding | definitie van de voorwaarden van uitoefening van de in het geding |
zijnde activiteiten, zowel wat betreft het leidinggevend personeel als | zijnde activiteiten, zowel wat betreft het leidinggevend personeel als |
wat betreft het uitvoerend personeel; de artikelen 5 en 6 van de wet | wat betreft het uitvoerend personeel; de artikelen 5 en 6 van de wet |
van 10 april 1990, die respectievelijk van toepassing zijn op elk van | van 10 april 1990, die respectievelijk van toepassing zijn op elk van |
die beide categorieën van personen en op analoge wijze zijn opgesteld, | die beide categorieën van personen en op analoge wijze zijn opgesteld, |
vereisen met name dat de betrokkenen geen strafrechtelijke | vereisen met name dat de betrokkenen geen strafrechtelijke |
veroordelingen hebben opgelopen die in die bepalingen zijn | veroordelingen hebben opgelopen die in die bepalingen zijn |
gedefinieerd. Die regeling werd verkozen boven een regeling waarbij | gedefinieerd. Die regeling werd verkozen boven een regeling waarbij |
een voorwaarde van goed zedelijk gedrag en van het jaarlijks leveren | een voorwaarde van goed zedelijk gedrag en van het jaarlijks leveren |
van het bewijs daarvan zou zijn vereist, en zulks naar aanleiding van | van het bewijs daarvan zou zijn vereist, en zulks naar aanleiding van |
een opmerking van de Raad van State waarin wordt gesteld dat « het | een opmerking van de Raad van State waarin wordt gesteld dat « het |
[...] beter [zou] zijn te preciseren dat die personen, wegens | [...] beter [zou] zijn te preciseren dat die personen, wegens |
misdrijven tegen goederen of gewelddaden tegen personen, niet | misdrijven tegen goederen of gewelddaden tegen personen, niet |
veroordeeld mogen zijn tot een straf die een bepaalde strafmaat te | veroordeeld mogen zijn tot een straf die een bepaalde strafmaat te |
boven gaat » (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 775-1, p. 52). Er werd | boven gaat » (Parl. St., Senaat, 1988-1989, nr. 775-1, p. 52). Er werd |
dan ook beslist de opsomming van de misdrijven wegens welke de | dan ook beslist de opsomming van de misdrijven wegens welke de |
betrokkenen niet mogen zijn veroordeeld aan te vullen met een | betrokkenen niet mogen zijn veroordeeld aan te vullen met een |
criterium van algemene strafrechtelijke veroordeling; de wetgever | criterium van algemene strafrechtelijke veroordeling; de wetgever |
stelde daarbij : | stelde daarbij : |
« [...] Een opsomming van bepaalde misdrijven is steeds beperkend en | « [...] Een opsomming van bepaalde misdrijven is steeds beperkend en |
laat het gevaar bestaan dat personen die veroordeeld werden tot | laat het gevaar bestaan dat personen die veroordeeld werden tot |
vrijheidsstraffen voor misdrijven die niet in de lijst zijn opgenomen, | vrijheidsstraffen voor misdrijven die niet in de lijst zijn opgenomen, |
toch de leiding hebben van een bewakings- of beveiligingsonderneming | toch de leiding hebben van een bewakings- of beveiligingsonderneming |
of aangeworven worden, hoewel deze personen niet de vereiste | of aangeworven worden, hoewel deze personen niet de vereiste |
moraliteit bezitten » (ibid., p. 12). | moraliteit bezitten » (ibid., p. 12). |
De wetgever heeft dezelfde in B.3 aangehaalde bekommernis van | De wetgever heeft dezelfde in B.3 aangehaalde bekommernis van |
betrouwbaarheid geuit wanneer hij artikel 6 heeft gewijzigd om daarin | betrouwbaarheid geuit wanneer hij artikel 6 heeft gewijzigd om daarin |
meermaals de lijst van de erin beoogde misdrijven aan te vullen (Parl. | meermaals de lijst van de erin beoogde misdrijven aan te vullen (Parl. |
St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2328/001 en 50-2329/001, p. 25). | St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2328/001 en 50-2329/001, p. 25). |
B.5.2. In dat verband stelt de parlementaire voorbereiding van de wet | B.5.2. In dat verband stelt de parlementaire voorbereiding van de wet |
van 10 juni 2001 waarbij met name de artikelen 5 en 6 van de wet van | van 10 juni 2001 waarbij met name de artikelen 5 en 6 van de wet van |
10 april 1990 werden gewijzigd om de lijst van de erin beoogde | 10 april 1990 werden gewijzigd om de lijst van de erin beoogde |
misdrijven uit te breiden en daarin diegene op te nemen die leiden tot | misdrijven uit te breiden en daarin diegene op te nemen die leiden tot |
de veroordeling van de pleger ervan tot een gevangenisstraf van | de veroordeling van de pleger ervan tot een gevangenisstraf van |
minstens drie maanden wegens opzettelijke slagen en verwondingen : | minstens drie maanden wegens opzettelijke slagen en verwondingen : |
« De praktijk heeft uitgewezen dat het essentieel is de opsomming, | « De praktijk heeft uitgewezen dat het essentieel is de opsomming, |
vervat in artikel 5, eerste lid, 1° van de wet, aan te vullen met een | vervat in artikel 5, eerste lid, 1° van de wet, aan te vullen met een |
aantal misdrijven die bijzonder zwaarwichtig geacht worden uit hoofde | aantal misdrijven die bijzonder zwaarwichtig geacht worden uit hoofde |
van personen, die activiteiten uitoefenen in het kader van deze wet. | van personen, die activiteiten uitoefenen in het kader van deze wet. |
Het is de bedoeling om personen die enige veroordeling hebben | Het is de bedoeling om personen die enige veroordeling hebben |
opgelopen wegens heling of racisme uit deze beroepssector te weren. | opgelopen wegens heling of racisme uit deze beroepssector te weren. |
Dit geldt ook voor wie veroordeeld is tot een gevangenisstraf van ten | Dit geldt ook voor wie veroordeeld is tot een gevangenisstraf van ten |
minste drie maanden wegens opzettelijke slagen en verwondingen. [...] | minste drie maanden wegens opzettelijke slagen en verwondingen. [...] |
[...] | [...] |
Art. 6. | Art. 6. |
[...] De redenen die de wijziging van deze bepalingen staven zijn | [...] De redenen die de wijziging van deze bepalingen staven zijn |
dezelfde als deze aangehaald ter verantwoording van de wijziging van | dezelfde als deze aangehaald ter verantwoording van de wijziging van |
artikel 5, eerste lid, 1° » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC | artikel 5, eerste lid, 1° » (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC |
50-1142/001, p. 10; in dezelfde zin, ibid., DOC 50-1142/004, pp. 21 en | 50-1142/001, p. 10; in dezelfde zin, ibid., DOC 50-1142/004, pp. 21 en |
22). | 22). |
B.5.3. Dezelfde bekommernis werd ook geuit tijdens de parlementaire | B.5.3. Dezelfde bekommernis werd ook geuit tijdens de parlementaire |
voorbereiding van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen, | voorbereiding van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen, |
waaruit de in het geding zijnde bepaling zoals zij is weergegeven in | waaruit de in het geding zijnde bepaling zoals zij is weergegeven in |
B.1 is voortgevloeid. | B.1 is voortgevloeid. |
« Art. 442. | « Art. 442. |
Dit artikel regelt de wijziging van artikel 6 van de voornoemde wet | Dit artikel regelt de wijziging van artikel 6 van de voornoemde wet |
van 10 april 1990 houdende de voorwaarden waaraan een uitvoerend | van 10 april 1990 houdende de voorwaarden waaraan een uitvoerend |
personeelslid van een onderneming, dienst of instelling moet voldoen. | personeelslid van een onderneming, dienst of instelling moet voldoen. |
Een eerste wijziging heeft tot doel de voorwaarden van afwezigheid van | Een eerste wijziging heeft tot doel de voorwaarden van afwezigheid van |
een veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste drie maanden | een veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste drie maanden |
wegens opzettelijke slagen en verwondingen af te schaffen en te | wegens opzettelijke slagen en verwondingen af te schaffen en te |
vervangen door de afwezigheid van enige veroordeling wegens | vervangen door de afwezigheid van enige veroordeling wegens |
opzettelijke slagen en verwondingen. | opzettelijke slagen en verwondingen. |
Essentieel is dat het uitvoerend personeel een profiel heeft dat | Essentieel is dat het uitvoerend personeel een profiel heeft dat |
overeenstemt met de uitoefening van hun activiteiten en dat deze | overeenstemt met de uitoefening van hun activiteiten en dat deze |
personen bijgevolg niet werden veroordeeld, zelfs niet met uitstel, | personen bijgevolg niet werden veroordeeld, zelfs niet met uitstel, |
voor feiten van opzettelijke slagen en verwondingen. Een dergelijke | voor feiten van opzettelijke slagen en verwondingen. Een dergelijke |
veroordeling wijst immers op het gewelddadige karakter van betrokkene, | veroordeling wijst immers op het gewelddadige karakter van betrokkene, |
alsook op zijn onvermogen om op een niet gewelddadige manier | alsook op zijn onvermogen om op een niet gewelddadige manier |
conflictueuze situaties op te lossen. | conflictueuze situaties op te lossen. |
In de praktijk blijkt dat personen die tot een gevangenisstraf of tot | In de praktijk blijkt dat personen die tot een gevangenisstraf of tot |
elke andere straf werden veroordeeld voor opzettelijke slagen en | elke andere straf werden veroordeeld voor opzettelijke slagen en |
verwondingen, nu al geweigerd worden omdat ze niet voldoen aan de | verwondingen, nu al geweigerd worden omdat ze niet voldoen aan de |
veiligheidsvoorwaarden (artikel 6, eerste lid, 8°, van de wet) » | veiligheidsvoorwaarden (artikel 6, eerste lid, 8°, van de wet) » |
(Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/001, p. 225; in dezelfde | (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/001, p. 225; in dezelfde |
zin, ibid., DOC 51-2788/010, pp. 3, 4 en 7). | zin, ibid., DOC 51-2788/010, pp. 3, 4 en 7). |
B.6. De wetgever vermocht te oordelen dat een veroordeling wegens | B.6. De wetgever vermocht te oordelen dat een veroordeling wegens |
opzettelijke slagen en verwondingen, ongeacht de duur ervan, van dien | opzettelijke slagen en verwondingen, ongeacht de duur ervan, van dien |
aard is, meer nog dan een veroordeling tot een gevangenisstraf wegens | aard is, meer nog dan een veroordeling tot een gevangenisstraf wegens |
bepaalde andere misdrijven, dat daaruit blijkt dat de betrokkenen niet | bepaalde andere misdrijven, dat daaruit blijkt dat de betrokkenen niet |
de vereiste kwaliteiten hebben om de in het geding zijnde functies uit | de vereiste kwaliteiten hebben om de in het geding zijnde functies uit |
te oefenen. De in het geding zijnde bepaling heeft geen onevenredige | te oefenen. De in het geding zijnde bepaling heeft geen onevenredige |
gevolgen, rekening houdend met het feit dat zij van dien aard is dat | gevolgen, rekening houdend met het feit dat zij van dien aard is dat |
een essentiële waarde wordt beschermd, namelijk de fysieke integriteit | een essentiële waarde wordt beschermd, namelijk de fysieke integriteit |
van de personen. | van de personen. |
B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. | B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
zegt voor recht : | zegt voor recht : |
Artikel 6, eerste lid, 1°, van de wet van 10 april 1990 tot regeling | Artikel 6, eerste lid, 1°, van de wet van 10 april 1990 tot regeling |
van de private en bijzondere veiligheid schendt de artikelen 10 en 11 | van de private en bijzondere veiligheid schendt de artikelen 10 en 11 |
van de Grondwet niet. | van de Grondwet niet. |
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig | Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig |
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het | artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het |
Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 7 augustus 2013. | Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 7 augustus 2013. |
De griffier, | De griffier, |
F. Meersschaut | F. Meersschaut |
De voorzitter, | De voorzitter, |
R. Henneuse | R. Henneuse |