Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 91/2013 van 13 juni 2013 Rolnummer : 5446 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 55, derde lid, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, ges Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechter(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 91/2013 van 13 juni 2013 Rolnummer : 5446 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 55, derde lid, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, ges Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechter(...) Uittreksel uit arrest nr. 91/2013 van 13 juni 2013 Rolnummer : 5446 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 55, derde lid, van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, ges Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechter(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 91/2013 van 13 juni 2013 Uittreksel uit arrest nr. 91/2013 van 13 juni 2013
Rolnummer : 5446 Rolnummer : 5446
In zake : de prejudiciële vraag over artikel 55, derde lid, van de In zake : de prejudiciële vraag over artikel 55, derde lid, van de
ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 5 juni 1997 ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 5 juni 1997
betreffende de milieuvergunningen, gesteld door de Raad van State. betreffende de milieuvergunningen, gesteld door de Raad van State.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de
rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P.
Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F.
Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder Daoût, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder
voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse, voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij arrest nr. 219.910 van 21 juni 2012 in zake Alain Martin tegen het Bij arrest nr. 219.910 van 21 juni 2012 in zake Alain Martin tegen het
Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en anderen, waarvan de expeditie ter Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en anderen, waarvan de expeditie ter
griffie van het Hof is ingekomen op 2 juli 2012, heeft de Raad van griffie van het Hof is ingekomen op 2 juli 2012, heeft de Raad van
State de volgende prejudiciële vraag gesteld : State de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 55, derde lid, van de ordonnantie van 5 juni 1997 « Schendt artikel 55, derde lid, van de ordonnantie van 5 juni 1997
betreffende de milieuvergunningen de regels die door of krachtens de betreffende de milieuvergunningen de regels die door of krachtens de
Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden
bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, in zoverre bevoegdheid van de Staat, de gemeenschappen en de gewesten, in zoverre
het voorziet in een vrijstelling van de toepassing van de wet van 29 het voorziet in een vrijstelling van de toepassing van de wet van 29
juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de
bestuurshandelingen - meer bepaald van de artikelen 2 en 3 ervan -, of bestuurshandelingen - meer bepaald van de artikelen 2 en 3 ervan -, of
van die wet afwijkt ? ». van die wet afwijkt ? ».
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 55, derde lid, B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 55, derde lid,
van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen. van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.
In de versie ervan die van toepassing is op de beslissing die het In de versie ervan die van toepassing is op de beslissing die het
voorwerp uitmaakt van het beroep dat voor het verwijzende voorwerp uitmaakt van het beroep dat voor het verwijzende
rechtscollege hangende is, bepaalt artikel 55 van de voormelde rechtscollege hangende is, bepaalt artikel 55 van de voormelde
ordonnantie : ordonnantie :
« In acht te nemen elementen bij het nemen van de beslissing « In acht te nemen elementen bij het nemen van de beslissing
Naast de in de aanvraag of in het beroep vermelde gegevens en Naast de in de aanvraag of in het beroep vermelde gegevens en
onverminderd alle andere inlichtingen die nuttig kunnen zijn, moet bij onverminderd alle andere inlichtingen die nuttig kunnen zijn, moet bij
het nemen van iedere beslissing met de volgende elementen rekening het nemen van iedere beslissing met de volgende elementen rekening
worden gehouden : worden gehouden :
1° de beste beschikbare technieken om de behoeften aan primaire 1° de beste beschikbare technieken om de behoeften aan primaire
energie tot een minimum te beperken en de CO2-uitstoot te verminderen, energie tot een minimum te beperken en de CO2-uitstoot te verminderen,
om de gevaren, hinder of ongemakken van de inrichting te voorkomen, te om de gevaren, hinder of ongemakken van de inrichting te voorkomen, te
verminderen of te verhelpen, alsook de concrete gebruiksmogelijkheden verminderen of te verhelpen, alsook de concrete gebruiksmogelijkheden
van deze technieken; van deze technieken;
2° de wisselwerking tussen de gevaren, hinder en ongemakken van de 2° de wisselwerking tussen de gevaren, hinder en ongemakken van de
geplande inrichting en die van bestaande inrichtingen; geplande inrichting en die van bestaande inrichtingen;
3° de waarschijnlijkheid, de mogelijkheid en de gevolgen van zware 3° de waarschijnlijkheid, de mogelijkheid en de gevolgen van zware
ongevallen in de geplande inrichting en de wisselwerking ervan met die ongevallen in de geplande inrichting en de wisselwerking ervan met die
van de bestaande inrichtingen (domino-effect); van de bestaande inrichtingen (domino-effect);
4° de dwingende bepalingen die van toepassing zijn, met inbegrip van 4° de dwingende bepalingen die van toepassing zijn, met inbegrip van
de programma's ter vermindering van de vervuiling en met name de de programma's ter vermindering van de vervuiling en met name de
voorschriften en doelstellingen van het gewestplan en het gewestplan voorschriften en doelstellingen van het gewestplan en het gewestplan
betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen die bindend betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen die bindend
zijn voor de uitreikende overheid anderzijds; zijn voor de uitreikende overheid anderzijds;
5° de adviezen die binnen de termijn worden uitgebracht door de 5° de adviezen die binnen de termijn worden uitgebracht door de
geraadpleegde personen en diensten. Indien er een effectenstudie werd geraadpleegde personen en diensten. Indien er een effectenstudie werd
uitgevoerd, zal met de gegevens en de besluiten ervan speciaal uitgevoerd, zal met de gegevens en de besluiten ervan speciaal
rekening worden gehouden. rekening worden gehouden.
Bij het nemen van elke beslissing, moeten de belangen die in artikel 2 Bij het nemen van elke beslissing, moeten de belangen die in artikel 2
worden genoemd, en de belangen van de aanvrager of de uitbater worden genoemd, en de belangen van de aanvrager of de uitbater
onderling worden afgewogen. onderling worden afgewogen.
Deze gegevens moeten naar behoren vermeld staan in de motivering van Deze gegevens moeten naar behoren vermeld staan in de motivering van
de beslissing, ofwel in het dossier zijn opgenomen. de beslissing, ofwel in het dossier zijn opgenomen.
[...] ». [...] ».
B.2. Uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat die ervan B.2. Uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat die ervan
uitgaat dat het derde lid van die bepaling van toepassing is op alle uitgaat dat het derde lid van die bepaling van toepassing is op alle
elementen die zijn vermeld in de punten 1° tot 5° van het eerste lid elementen die zijn vermeld in de punten 1° tot 5° van het eerste lid
ervan en dat het afwijkt van de verplichting tot uitdrukkelijke ervan en dat het afwijkt van de verplichting tot uitdrukkelijke
motivering die is ingesteld bij de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering die is ingesteld bij de wet van 29 juli 1991 betreffende de
uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij besluit uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij besluit
daaruit dat de motivering van de afweging tussen de milieubelangen en daaruit dat de motivering van de afweging tussen de milieubelangen en
de belangen van de aanvrager van de milieuvergunning niet noodzakelijk de belangen van de aanvrager van de milieuvergunning niet noodzakelijk
moet worden opgenomen in de uitdrukkelijke motivering van de handeling moet worden opgenomen in de uitdrukkelijke motivering van de handeling
maar eveneens slechts in het dossier kan worden vermeld (RvSt, 8 maar eveneens slechts in het dossier kan worden vermeld (RvSt, 8
februari 2011, nr. 211.127; 21 juni 2012, nr. 219.910). februari 2011, nr. 211.127; 21 juni 2012, nr. 219.910).
B.3. Het Hof wordt verzocht de overeenstemming te onderzoeken van het B.3. Het Hof wordt verzocht de overeenstemming te onderzoeken van het
derde lid van artikel 55 van de ordonnantie van 5 juni 1997 derde lid van artikel 55 van de ordonnantie van 5 juni 1997
betreffende de milieuvergunningen met de regels inzake de betreffende de milieuvergunningen met de regels inzake de
bevoegdheidsverdeling tussen de Staat, de gemeenschappen en de bevoegdheidsverdeling tussen de Staat, de gemeenschappen en de
gewesten, in zoverre het, aldus geïnterpreteerd, de overheden die gewesten, in zoverre het, aldus geïnterpreteerd, de overheden die
uitspraak doen over de milieuvergunningsaanvragen in het Brusselse uitspraak doen over de milieuvergunningsaanvragen in het Brusselse
Hoofdstedelijke Gewest vrijstelt van de toepassing van de wet van 29 Hoofdstedelijke Gewest vrijstelt van de toepassing van de wet van 29
juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de
bestuurshandelingen, meer in het bijzonder van de artikelen 2 en 3 bestuurshandelingen, meer in het bijzonder van de artikelen 2 en 3
ervan, of in zoverre het, aldus geïnterpreteerd, afwijkt van de ervan, of in zoverre het, aldus geïnterpreteerd, afwijkt van de
voormelde wet van 29 juli 1991. voormelde wet van 29 juli 1991.
B.4.1. De artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 bepalen : B.4.1. De artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 bepalen :
«

Artikel 1.Voor de toepassing van deze wet moeten worden verstaan

«

Artikel 1.Voor de toepassing van deze wet moeten worden verstaan

onder : onder :
- Bestuurshandeling : De eenzijdige rechtshandeling met individuele - Bestuurshandeling : De eenzijdige rechtshandeling met individuele
strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te
hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur; hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur;
- Bestuur : De administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van - Bestuur : De administratieve overheden als bedoeld in artikel 14 van
de gecoördineerde wetten op de Raad van State; de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
- Bestuurde : Elke natuurlijke of rechtspersoon in zijn betrekkingen - Bestuurde : Elke natuurlijke of rechtspersoon in zijn betrekkingen
met het bestuur. met het bestuur.

Art. 2.De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1

Art. 2.De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1

moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd. moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd.

Art. 3.De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en

Art. 3.De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en

feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag
liggen. Zij moet afdoende zijn ». liggen. Zij moet afdoende zijn ».
B.4.2. Die bepalingen veralgemenen de verplichting de B.4.2. Die bepalingen veralgemenen de verplichting de
bestuurshandelingen met individuele draagwijdte uitdrukkelijk te bestuurshandelingen met individuele draagwijdte uitdrukkelijk te
motiveren. De uitdrukkelijke motivering van de betrokken handelingen motiveren. De uitdrukkelijke motivering van de betrokken handelingen
is voortaan een recht van de bestuurde, aan wie aldus een bijkomende is voortaan een recht van de bestuurde, aan wie aldus een bijkomende
waarborg wordt geboden tegen bestuurshandelingen met individuele waarborg wordt geboden tegen bestuurshandelingen met individuele
strekking die willekeurig zouden zijn. strekking die willekeurig zouden zijn.
B.5.1. Krachtens zijn residuaire bevoegdheid heeft de federale B.5.1. Krachtens zijn residuaire bevoegdheid heeft de federale
wetgever de verplichting van uitdrukkelijke motivering van de wetgever de verplichting van uitdrukkelijke motivering van de
bestuurshandelingen geregeld teneinde de bescherming van de bestuurde bestuurshandelingen geregeld teneinde de bescherming van de bestuurde
te verzekeren ten aanzien van handelingen die van alle administratieve te verzekeren ten aanzien van handelingen die van alle administratieve
overheden uitgaan. De gewest- en gemeenschapswetgevers kunnen de bij overheden uitgaan. De gewest- en gemeenschapswetgevers kunnen de bij
de wet van 29 juli 1991 geboden bescherming aanvullen of preciseren de wet van 29 juli 1991 geboden bescherming aanvullen of preciseren
met betrekking tot de handelingen waarvoor de gewesten en de met betrekking tot de handelingen waarvoor de gewesten en de
gemeenschappen bevoegd zijn. gemeenschappen bevoegd zijn.
B.5.2. Daarentegen zou een gemeenschaps- of gewestwetgever, zonder de B.5.2. Daarentegen zou een gemeenschaps- of gewestwetgever, zonder de
federale bevoegdheid ter zake te schenden, niet vermogen de federale bevoegdheid ter zake te schenden, niet vermogen de
bescherming die door de federale wetgeving aan de bestuurden wordt bescherming die door de federale wetgeving aan de bestuurden wordt
geboden te verminderen door de overheden die optreden in de geboden te verminderen door de overheden die optreden in de
aangelegenheden waarvoor hij bevoegd is, vrij te stellen van de aangelegenheden waarvoor hij bevoegd is, vrij te stellen van de
toepassing van die wet of door die overheden toe te staan daarvan af toepassing van die wet of door die overheden toe te staan daarvan af
te wijken. te wijken.
B.6. De in het geding zijnde bepaling, geïnterpreteerd zoals B.6. De in het geding zijnde bepaling, geïnterpreteerd zoals
aangegeven in B.2, doet afbreuk aan het recht van de adressaat van de aangegeven in B.2, doet afbreuk aan het recht van de adressaat van de
handeling, maar eveneens van elke belanghebbende derde, om handeling, maar eveneens van elke belanghebbende derde, om
onmiddellijk kennis te nemen van de motieven die de beslissing onmiddellijk kennis te nemen van de motieven die de beslissing
verantwoorden door de vermelding ervan in de handeling zelf. Bijgevolg verantwoorden door de vermelding ervan in de handeling zelf. Bijgevolg
doet zij eveneens afbreuk aan de federale bevoegdheid inzake doet zij eveneens afbreuk aan de federale bevoegdheid inzake
bescherming van de rechten van de bestuurden. bescherming van de rechten van de bestuurden.
B.7.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, het Milieucollege van B.7.1. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, het Milieucollege van
het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het Brussels Instituut voor het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en het Brussels Instituut voor
Milieubeheer doen gelden dat de aantasting van de federale bevoegdheid Milieubeheer doen gelden dat de aantasting van de federale bevoegdheid
zou kunnen worden verantwoord door het beroep, in overeenstemming met zou kunnen worden verantwoord door het beroep, in overeenstemming met
de artikelen 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot de artikelen 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot
hervorming der instellingen en 4 van de bijzondere wet van 12 januari hervorming der instellingen en 4 van de bijzondere wet van 12 januari
1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, op de impliciete 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, op de impliciete
bevoegdheden door de ordonnantiegever wanneer hij de afgifte van de bevoegdheden door de ordonnantiegever wanneer hij de afgifte van de
milieuvergunningen reglementeert. milieuvergunningen reglementeert.
B.7.2. Opdat artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 van B.7.2. Opdat artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 van
toepassing kan zijn, is vereist dat de aangenomen reglementering toepassing kan zijn, is vereist dat de aangenomen reglementering
noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van het noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van het
gewest, dat de aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde gewest, dat de aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde
regeling en dat de weerslag van de in het geding zijnde bepalingen op regeling en dat de weerslag van de in het geding zijnde bepalingen op
de aangelegenheid slechts marginaal is. de aangelegenheid slechts marginaal is.
B.8.1. De afbreuk die te dezen wordt gedaan aan de federale B.8.1. De afbreuk die te dezen wordt gedaan aan de federale
bevoegdheid inzake bescherming van de rechten van de bestuurden lijkt bevoegdheid inzake bescherming van de rechten van de bestuurden lijkt
niet noodzakelijk voor de uitoefening van de gewestbevoegdheid met niet noodzakelijk voor de uitoefening van de gewestbevoegdheid met
betrekking tot de reglementering van de milieuvergunningen. Hoewel de betrekking tot de reglementering van de milieuvergunningen. Hoewel de
techniciteit van die aangelegenheid en het grote aantal elementen techniciteit van die aangelegenheid en het grote aantal elementen
waarmee rekening dient te worden gehouden bij de beslissing met waarmee rekening dient te worden gehouden bij de beslissing met
betrekking tot een vergunningsaanvraag verantwoorden dat de betrekking tot een vergunningsaanvraag verantwoorden dat de
ordonnantiegever een lijst heeft opgesteld van de elementen die door ordonnantiegever een lijst heeft opgesteld van de elementen die door
de overheid in aanmerking dienen te worden genomen, is het immers de overheid in aanmerking dienen te worden genomen, is het immers
daarom nog niet noodzakelijk om, voor het uitreiken of het weigeren daarom nog niet noodzakelijk om, voor het uitreiken of het weigeren
van een milieuvergunning, de steller van de handeling ervan vrij te van een milieuvergunning, de steller van de handeling ervan vrij te
stellen in die handeling de motieven aan te geven die de basis vormen stellen in die handeling de motieven aan te geven die de basis vormen
van de beslissing die is genomen ingevolge het onderzoek van die van de beslissing die is genomen ingevolge het onderzoek van die
elementen. elementen.
B.8.2. Bovendien is de afbreuk die wordt gedaan aan de federale B.8.2. Bovendien is de afbreuk die wordt gedaan aan de federale
bevoegdheid met betrekking tot de bescherming van de rechten van de bevoegdheid met betrekking tot de bescherming van de rechten van de
bestuurden niet marginaal, aangezien zij erop neerkomt alle aanvragers bestuurden niet marginaal, aangezien zij erop neerkomt alle aanvragers
van milieuvergunningen alsook alle bij die laatste belang hebbende van milieuvergunningen alsook alle bij die laatste belang hebbende
derden die onder het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ressorteren, uit derden die onder het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ressorteren, uit
te sluiten van het recht om in de handeling zelf kennis te kunnen te sluiten van het recht om in de handeling zelf kennis te kunnen
nemen van de motieven van een administratieve beslissing. nemen van de motieven van een administratieve beslissing.
B.9. Zonder dat het noodzakelijk is bovendien te onderzoeken of de B.9. Zonder dat het noodzakelijk is bovendien te onderzoeken of de
aangelegenheid zich kan lenen tot een gedifferentieerde regeling, aangelegenheid zich kan lenen tot een gedifferentieerde regeling,
vloeit uit het voorgaande voort dat te dezen niet is voldaan aan de vloeit uit het voorgaande voort dat te dezen niet is voldaan aan de
voorwaarden voor de toepassing van artikel 10 van de bijzondere wet voorwaarden voor de toepassing van artikel 10 van de bijzondere wet
van 8 augustus 1980. van 8 augustus 1980.
B.10. Artikel 55, derde lid, van de ordonnantie van 5 juni 1997 B.10. Artikel 55, derde lid, van de ordonnantie van 5 juni 1997
betreffende de milieuvergunningen is bijgevolg niet in overeenstemming betreffende de milieuvergunningen is bijgevolg niet in overeenstemming
met de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor met de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor
het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de
gemeenschappen en de gewesten. gemeenschappen en de gewesten.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
Artikel 55, derde lid, van de ordonnantie van het Brusselse Artikel 55, derde lid, van de ordonnantie van het Brusselse
Hoofdstedelijke Gewest van 5 juni 1997 betreffende de Hoofdstedelijke Gewest van 5 juni 1997 betreffende de
milieuvergunningen schendt de regels die door of krachtens de Grondwet milieuvergunningen schendt de regels die door of krachtens de Grondwet
zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van
de Staat, de gemeenschappen en de gewesten. de Staat, de gemeenschappen en de gewesten.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 13 juni 2013. Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 13 juni 2013.
De griffier, De griffier,
F. Meersschaut F. Meersschaut
De voorzitter, De voorzitter,
R. Henneuse R. Henneuse
^