Uittreksel uit arrest nr. 66/2013 van 16 mei 2013 Rolnummer 5400 In zake : het beroep tot vernietiging betreffende de artikelen 7, 9 en 11 van de wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse bepalingen, ingesteld door de vzw « Liga van Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechter(...) | Uittreksel uit arrest nr. 66/2013 van 16 mei 2013 Rolnummer 5400 In zake : het beroep tot vernietiging betreffende de artikelen 7, 9 en 11 van de wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse bepalingen, ingesteld door de vzw « Liga van Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechter(...) |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | GRONDWETTELIJK HOF |
Uittreksel uit arrest nr. 66/2013 van 16 mei 2013 | Uittreksel uit arrest nr. 66/2013 van 16 mei 2013 |
Rolnummer 5400 | Rolnummer 5400 |
In zake : het beroep tot vernietiging betreffende de artikelen 7, 9 en | In zake : het beroep tot vernietiging betreffende de artikelen 7, 9 en |
11 van de wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse | 11 van de wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse |
bepalingen, ingesteld door de vzw « Liga van belastingplichtigen » en | bepalingen, ingesteld door de vzw « Liga van belastingplichtigen » en |
anderen. | anderen. |
Het Grondwettelijk Hof, | Het Grondwettelijk Hof, |
samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de | samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de |
rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. | rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. |
Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. | Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. |
Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder | Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder |
voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse, | voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging | I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging |
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 mei 2012 | Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 mei 2012 |
ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 mei | ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 mei |
2012, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 7, 9 en 11 | 2012, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 7, 9 en 11 |
van de wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse bepalingen | van de wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse bepalingen |
(bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 november 2011, derde | (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 november 2011, derde |
editie) door de vzw « Liga van belastingplichtigen », met | editie) door de vzw « Liga van belastingplichtigen », met |
maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Lensstraat 13, Alexis | maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Lensstraat 13, Alexis |
Chevalier, wonende te 5080 Rhisnes, rue D'Arthey 7, Olivier Laurent, | Chevalier, wonende te 5080 Rhisnes, rue D'Arthey 7, Olivier Laurent, |
wonende te 1050 Brussel, Scepterstraat 84, Frédéric Ledain, wonende te | wonende te 1050 Brussel, Scepterstraat 84, Frédéric Ledain, wonende te |
3740 Bilzen, Broekem 19A, en Pierre-Yves Novalet, wonende te 1380 | 3740 Bilzen, Broekem 19A, en Pierre-Yves Novalet, wonende te 1380 |
Lasne, route de l'Etat 5. | Lasne, route de l'Etat 5. |
(...) | (...) |
II. In rechte | II. In rechte |
(...) | (...) |
Ten aanzien van de bestreden bepalingen | Ten aanzien van de bestreden bepalingen |
B.1.1. De artikelen 7, 9 en 11 van de wet van 7 november 2011 houdende | B.1.1. De artikelen 7, 9 en 11 van de wet van 7 november 2011 houdende |
fiscale en diverse bepalingen bepalen : | fiscale en diverse bepalingen bepalen : |
« Art. 7.In artikel 319bis, tweede lid, [van het Wetboek van de |
« Art. 7.In artikel 319bis, tweede lid, [van het Wetboek van de |
inkomstenbelastingen 1992,] ingevoegd bij de wet van 27 december 2006, | inkomstenbelastingen 1992,] ingevoegd bij de wet van 27 december 2006, |
worden de woorden ' bedoeld in artikel 318. ' vervangen door de | worden de woorden ' bedoeld in artikel 318. ' vervangen door de |
woorden ' bedoeld in de artikelen 318, 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3. ' | woorden ' bedoeld in de artikelen 318, 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3. ' |
». | ». |
« Art. 9.In artikel 333/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet |
« Art. 9.In artikel 333/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet |
van 14 april 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht : | van 14 april 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht : |
1° in § 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt : | 1° in § 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt : |
' In de gevallen bedoeld in de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede | ' In de gevallen bedoeld in de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede |
lid, stelt de administratie de belastingplichtige in kennis van de | lid, stelt de administratie de belastingplichtige in kennis van de |
aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking of van de | aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking of van de |
gegevens op grond waarvan zij meent dat het gevoerde onderzoek tot een | gegevens op grond waarvan zij meent dat het gevoerde onderzoek tot een |
eventuele toepassing van artikel 341 leidt en die een vraag om | eventuele toepassing van artikel 341 leidt en die een vraag om |
inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze | inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze |
kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief gelijktijdig met het | kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief gelijktijdig met het |
verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen. '; | verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen. '; |
2° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid luidende : | 2° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid luidende : |
' Het eerste lid is evenmin van toepassing op de vragen vanwege de in | ' Het eerste lid is evenmin van toepassing op de vragen vanwege de in |
artikel 322, § 4, bedoelde buitenlandse administraties. '; | artikel 322, § 4, bedoelde buitenlandse administraties. '; |
3° in § 2, 2°, worden de woorden ' artikel 322, § 2, ' vervangen door | 3° in § 2, 2°, worden de woorden ' artikel 322, § 2, ' vervangen door |
de woorden ' de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede lid, '; | de woorden ' de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede lid, '; |
4° in § 2, 5°, worden de woorden ' artikel 322, §§ 2 tot 4. ' | 4° in § 2, 5°, worden de woorden ' artikel 322, §§ 2 tot 4. ' |
vervangen door de woorden ' de artikelen 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3, | vervangen door de woorden ' de artikelen 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3, |
tweede lid. ' ». | tweede lid. ' ». |
« Art. 11.De artikelen 7 tot 9 hebben uitwerking met ingang van 1 |
« Art. 11.De artikelen 7 tot 9 hebben uitwerking met ingang van 1 |
juli 2011 met uitzondering van artikel 9, 1°, dat in werking treedt op | juli 2011 met uitzondering van artikel 9, 1°, dat in werking treedt op |
de eerste dag van de maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in | de eerste dag van de maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in |
het Belgisch Staatsblad. | het Belgisch Staatsblad. |
Artikel 2 is van toepassing op de meerwaarden gerealiseerd vanaf het | Artikel 2 is van toepassing op de meerwaarden gerealiseerd vanaf het |
belastbare tijdperk dat aan aanslagjaar 2012 is verbonden ». | belastbare tijdperk dat aan aanslagjaar 2012 is verbonden ». |
B.1.2. Zoals zij zijn gewijzigd bij die bepalingen, bepalen de | B.1.2. Zoals zij zijn gewijzigd bij die bepalingen, bepalen de |
artikelen 319bis en 333/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen | artikelen 319bis en 333/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen |
1992 (WIB 1992) : | 1992 (WIB 1992) : |
« Art. 319bis.De met de invordering belaste ambtenaren beschikken |
« Art. 319bis.De met de invordering belaste ambtenaren beschikken |
over alle onderzoeksbevoegdheden bepaald in dit Wetboek teneinde de | over alle onderzoeksbevoegdheden bepaald in dit Wetboek teneinde de |
vermogenssituatie van de schuldenaar te bepalen met het oog op het | vermogenssituatie van de schuldenaar te bepalen met het oog op het |
invorderen van de belasting en de voorheffingen verschuldigd in | invorderen van de belasting en de voorheffingen verschuldigd in |
hoofdsom en opcentiemen, van de belastingverhogingen en | hoofdsom en opcentiemen, van de belastingverhogingen en |
administratieve boeten, van de interesten en van de kosten. | administratieve boeten, van de interesten en van de kosten. |
De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de ambtenaren belast | De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de ambtenaren belast |
met de invordering worden eveneens uitgeoefend zonder de beperkingen | met de invordering worden eveneens uitgeoefend zonder de beperkingen |
ten aanzien van de instellingen bedoeld in de artikelen 318, 322, §§ 2 | ten aanzien van de instellingen bedoeld in de artikelen 318, 322, §§ 2 |
tot 4, en 327, § 3 ». | tot 4, en 327, § 3 ». |
« Art. 333/1.§ 1. In de gevallen bedoeld in de artikelen 322, § 2, en |
« Art. 333/1.§ 1. In de gevallen bedoeld in de artikelen 322, § 2, en |
327, § 3, tweede lid, stelt de administratie de belastingplichtige in | 327, § 3, tweede lid, stelt de administratie de belastingplichtige in |
kennis van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking of | kennis van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking of |
van de gegevens op grond waarvan zij meent dat het gevoerde onderzoek | van de gegevens op grond waarvan zij meent dat het gevoerde onderzoek |
tot een eventuele toepassing van artikel 341 leidt en die een vraag om | tot een eventuele toepassing van artikel 341 leidt en die een vraag om |
inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze | inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze |
kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief gelijktijdig met het | kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief gelijktijdig met het |
verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen. | verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen. |
Het eerste lid is niet van toepassing als de rechten van de Schatkist | Het eerste lid is niet van toepassing als de rechten van de Schatkist |
in gevaar zijn. De kennisgeving gebeurt desgevallend post factum bij | in gevaar zijn. De kennisgeving gebeurt desgevallend post factum bij |
een ter post aangetekende brief, uiterlijk 30 dagen na het verzenden | een ter post aangetekende brief, uiterlijk 30 dagen na het verzenden |
van de in het eerste lid vermelde vraag om inlichtingen. | van de in het eerste lid vermelde vraag om inlichtingen. |
Het eerste lid is evenmin van toepassing op de vragen vanwege de in | Het eerste lid is evenmin van toepassing op de vragen vanwege de in |
artikel 322, § 4, bedoelde buitenlandse administraties. | artikel 322, § 4, bedoelde buitenlandse administraties. |
§ 2. De belastingadministratie bezorgt de minister eenmaal per jaar | § 2. De belastingadministratie bezorgt de minister eenmaal per jaar |
een verslag dat onder meer volgende informatie bevat : | een verslag dat onder meer volgende informatie bevat : |
1° het aantal keer dat in overeenstemming met artikel 318, tweede lid, | 1° het aantal keer dat in overeenstemming met artikel 318, tweede lid, |
een onderzoek is gevoerd bij financiële instellingen en gegevens zijn | een onderzoek is gevoerd bij financiële instellingen en gegevens zijn |
gebruikt met het oog op het belasten van hun cliënten; | gebruikt met het oog op het belasten van hun cliënten; |
2° het aantal keren dat in overeenstemming met de artikelen 322, § 2, | 2° het aantal keren dat in overeenstemming met de artikelen 322, § 2, |
en 327, § 3, tweede lid, een onderzoek is gevoerd en gegevens zijn | en 327, § 3, tweede lid, een onderzoek is gevoerd en gegevens zijn |
opgevraagd bij financiële instellingen; | opgevraagd bij financiële instellingen; |
3° de concrete aanwijzingen, opgedeeld in categorieën, waardoor de | 3° de concrete aanwijzingen, opgedeeld in categorieën, waardoor de |
personen bedoeld in artikel 322, § 2, tweede lid, zich hebben laten | personen bedoeld in artikel 322, § 2, tweede lid, zich hebben laten |
leiden bij hun beslissing om een machtiging te verlenen; | leiden bij hun beslissing om een machtiging te verlenen; |
4° het aantal positieve en negatieve beslissingen van de directeuren; | 4° het aantal positieve en negatieve beslissingen van de directeuren; |
5° een globale evaluatie, zowel op technisch vlak als op juridisch | 5° een globale evaluatie, zowel op technisch vlak als op juridisch |
vlak van de wijze waarop de procedure volgens de artikelen 322, §§ 2 | vlak van de wijze waarop de procedure volgens de artikelen 322, §§ 2 |
tot 4, en 327, § 3, tweede lid is gevoerd. | tot 4, en 327, § 3, tweede lid is gevoerd. |
Dit verslag wordt openbaar gemaakt door de Minister van Financiën en | Dit verslag wordt openbaar gemaakt door de Minister van Financiën en |
overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ». | overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ». |
B.1.3. Artikel 318, waarnaar in de bestreden bepalingen wordt | B.1.3. Artikel 318, waarnaar in de bestreden bepalingen wordt |
verwezen, luidt : | verwezen, luidt : |
« In afwijking van de bepalingen van artikel 317, en onverminderd de | « In afwijking van de bepalingen van artikel 317, en onverminderd de |
toepassing van de artikelen 315, 315bis en 316, is de administratie | toepassing van de artikelen 315, 315bis en 316, is de administratie |
niet gemachtigd om in de rekeningen, boeken en documenten van de | niet gemachtigd om in de rekeningen, boeken en documenten van de |
bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te | bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te |
zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten. | zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten. |
Indien evenwel, het op basis van de artikelen 315, 315bis en 316 | Indien evenwel, het op basis van de artikelen 315, 315bis en 316 |
uitgevoerd onderzoek concrete elementen aan het licht brengt die het | uitgevoerd onderzoek concrete elementen aan het licht brengt die het |
bestaan of de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking | bestaan of de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking |
kunnen doen vermoeden, kan de ambtenaar die hiertoe wordt aangesteld | kunnen doen vermoeden, kan de ambtenaar die hiertoe wordt aangesteld |
door de Minister van Financiën een ambtenaar met de graad van ten | door de Minister van Financiën een ambtenaar met de graad van ten |
minste inspecteur ermee belasten uit de rekeningen, boeken en | minste inspecteur ermee belasten uit de rekeningen, boeken en |
documenten van de instelling inlichtingen te putten die het mogelijk | documenten van de instelling inlichtingen te putten die het mogelijk |
maken het onderzoek te voltooien en de door deze cliënt verschuldigde | maken het onderzoek te voltooien en de door deze cliënt verschuldigde |
belastingen te bepalen ». | belastingen te bepalen ». |
Vóór de wijziging ervan bij artikel 166 van de programmawet (I) van 29 | Vóór de wijziging ervan bij artikel 166 van de programmawet (I) van 29 |
maart 2012, in werking getreden op 16 april 2012, luidde artikel 322 | maart 2012, in werking getreden op 16 april 2012, luidde artikel 322 |
van het WIB 1992, waarnaar in de bestreden bepalingen wordt verwezen | van het WIB 1992, waarnaar in de bestreden bepalingen wordt verwezen |
als volgt : | als volgt : |
« § 1. De administratie mag, wat een bepaalde belastingplichtige | « § 1. De administratie mag, wat een bepaalde belastingplichtige |
betreft, geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek | betreft, geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek |
instellen, en binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens | instellen, en binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens |
wettige redenen kan worden verlengd, van natuurlijke of | wettige redenen kan worden verlengd, van natuurlijke of |
rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid | rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid |
alle inlichtingen vorderen die zij nodig acht om de juiste heffing van | alle inlichtingen vorderen die zij nodig acht om de juiste heffing van |
de belasting te verzekeren. | de belasting te verzekeren. |
Nochtans mag het recht om derden te horen en om een onderzoek in te | Nochtans mag het recht om derden te horen en om een onderzoek in te |
stellen slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere | stellen slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere |
graad dan die van controleur. | graad dan die van controleur. |
§ 2. Wanneer de administratie bij het onderzoek over één of meer | § 2. Wanneer de administratie bij het onderzoek over één of meer |
aanwijzingen van belastingontduiking beschikt of wanneer de | aanwijzingen van belastingontduiking beschikt of wanneer de |
administratie zich voorneemt om de belastbare grondslag te bepalen | administratie zich voorneemt om de belastbare grondslag te bepalen |
overeenkomstig artikel 341, wordt een bank-, wissel-, krediet- of | overeenkomstig artikel 341, wordt een bank-, wissel-, krediet- of |
spaarinstelling als een derde beschouwd waarop de bepalingen van | spaarinstelling als een derde beschouwd waarop de bepalingen van |
paragraaf 1 onverminderd van toepassing zijn. | paragraaf 1 onverminderd van toepassing zijn. |
In voorkomend geval kan een ambtenaar met minstens de graad van | In voorkomend geval kan een ambtenaar met minstens de graad van |
directeur, die hiertoe werd aangesteld door de Minister van Financiën, | directeur, die hiertoe werd aangesteld door de Minister van Financiën, |
een ambtenaar met de graad van ten minste inspecteur ermee belasten om | een ambtenaar met de graad van ten minste inspecteur ermee belasten om |
bij een bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling elke inlichting op | bij een bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling elke inlichting op |
te vragen die nuttig kan zijn om het bedrag van de belastbare | te vragen die nuttig kan zijn om het bedrag van de belastbare |
inkomsten van de belastingplichtige te bepalen. | inkomsten van de belastingplichtige te bepalen. |
De door de minister aangestelde ambtenaar mag de machtiging slechts | De door de minister aangestelde ambtenaar mag de machtiging slechts |
verlenen : | verlenen : |
1° nadat de ambtenaar die het onderzoek voert, de inlichtingen en | 1° nadat de ambtenaar die het onderzoek voert, de inlichtingen en |
gegevens met betrekking tot de rekeningen tijdens het onderzoek | gegevens met betrekking tot de rekeningen tijdens het onderzoek |
middels een vraag om inlichtingen als bedoeld in artikel 316 heeft | middels een vraag om inlichtingen als bedoeld in artikel 316 heeft |
gevraagd en bij die vraag duidelijk heeft aangegeven dat hij de | gevraagd en bij die vraag duidelijk heeft aangegeven dat hij de |
toepassing van artikel 322, § 2, kan vragen indien de | toepassing van artikel 322, § 2, kan vragen indien de |
belastingplichtige de gevraagde gegevens verborgen houdt of ze weigert | belastingplichtige de gevraagde gegevens verborgen houdt of ze weigert |
te verschaffen. De opdracht bedoeld in het tweede lid kan pas | te verschaffen. De opdracht bedoeld in het tweede lid kan pas |
aanvangen wanneer de termijn bepaald in artikel 316 is verlopen; | aanvangen wanneer de termijn bepaald in artikel 316 is verlopen; |
2° nadat hij heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek een | 2° nadat hij heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek een |
eventuele toepassing van artikel 341 uitwijst of één of meer | eventuele toepassing van artikel 341 uitwijst of één of meer |
aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd en dat er | aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd en dat er |
vermoedens zijn dat de belastingplichtige gegevens daarover bij een in | vermoedens zijn dat de belastingplichtige gegevens daarover bij een in |
het tweede lid bedoelde instelling verborgen houdt of dat de | het tweede lid bedoelde instelling verborgen houdt of dat de |
belastingplichtige weigert om die gegevens zelf te verschaffen. | belastingplichtige weigert om die gegevens zelf te verschaffen. |
§ 3. Iedere bank- wissel-, krediet- en spaarinstelling is er toe | § 3. Iedere bank- wissel-, krediet- en spaarinstelling is er toe |
gehouden om volgende gegevens kenbaar te maken bij een centraal | gehouden om volgende gegevens kenbaar te maken bij een centraal |
aanspreekpunt dat door de Nationale Bank van België wordt gehouden : | aanspreekpunt dat door de Nationale Bank van België wordt gehouden : |
de identiteit van de cliënten en de nummers van hun rekeningen en | de identiteit van de cliënten en de nummers van hun rekeningen en |
contracten. | contracten. |
Wanneer de door de minister aangestelde ambtenaar bedoeld in paragraaf | Wanneer de door de minister aangestelde ambtenaar bedoeld in paragraaf |
2, derde lid, heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek bedoeld in | 2, derde lid, heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek bedoeld in |
paragraaf 2, één of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft | paragraaf 2, één of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft |
opgeleverd, kan hij de beschikbare gegevens over die | opgeleverd, kan hij de beschikbare gegevens over die |
belastingplichtige opvragen bij dat centraal aanspreekpunt. | belastingplichtige opvragen bij dat centraal aanspreekpunt. |
De Koning bepaalt de werking van het centraal aanspreekpunt. | De Koning bepaalt de werking van het centraal aanspreekpunt. |
§ 4. De paragrafen 2 en 3 zijn eveneens van toepassing wanneer een | § 4. De paragrafen 2 en 3 zijn eveneens van toepassing wanneer een |
inlichting wordt gevraagd door een buitenlandse Staat : | inlichting wordt gevraagd door een buitenlandse Staat : |
1° hetzij in het geval bedoeld in artikel 338, § 5; | 1° hetzij in het geval bedoeld in artikel 338, § 5; |
2° hetzij overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de | 2° hetzij overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de |
uitwisseling van inlichtingen in een van toepassing zijnde | uitwisseling van inlichtingen in een van toepassing zijnde |
overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting of een andere | overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting of een andere |
internationale overeenkomst in het kader waarvan de wederkerigheid is | internationale overeenkomst in het kader waarvan de wederkerigheid is |
gewaarborgd. | gewaarborgd. |
De vraag van de buitenlandse Staat wordt gelijkgesteld met een | De vraag van de buitenlandse Staat wordt gelijkgesteld met een |
aanwijzing als bedoeld in paragraaf 2. In dat geval verleent de door | aanwijzing als bedoeld in paragraaf 2. In dat geval verleent de door |
de minister aangestelde ambtenaar, in afwijking van paragraaf 2, de | de minister aangestelde ambtenaar, in afwijking van paragraaf 2, de |
machtiging op basis van de vraag gesteld door de buitenlandse Staat ». | machtiging op basis van de vraag gesteld door de buitenlandse Staat ». |
Ten aanzien van de ontvankelijkheid | Ten aanzien van de ontvankelijkheid |
Wat het belang betreft | Wat het belang betreft |
B.2.1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen | B.2.1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen |
om in rechte op te treden tegen artikel 9 van de wet van 7 november | om in rechte op te treden tegen artikel 9 van de wet van 7 november |
2011, dat alleen betrekking zou hebben op de buitenlandse | 2011, dat alleen betrekking zou hebben op de buitenlandse |
belastingplichtigen. | belastingplichtigen. |
B.2.2. Aangezien de vragen om inlichtingen die uitgaan van | B.2.2. Aangezien de vragen om inlichtingen die uitgaan van |
buitenlandse administraties bedoeld in artikel 322, § 4, van het WIB | buitenlandse administraties bedoeld in artikel 322, § 4, van het WIB |
1992, betrekking kunnen hebben op belastingplichtigen wier bescherming | 1992, betrekking kunnen hebben op belastingplichtigen wier bescherming |
valt onder het maatschappelijk doel van de vzw « Liga van | valt onder het maatschappelijk doel van de vzw « Liga van |
belastingplichtigen », doet die rechtspersoon blijken van het vereiste | belastingplichtigen », doet die rechtspersoon blijken van het vereiste |
belang om in rechte op te treden tegen artikel 9 van de wet van 7 | belang om in rechte op te treden tegen artikel 9 van de wet van 7 |
november 2011. | november 2011. |
B.2.3. Aangezien het belang van minstens een van de verzoekende | B.2.3. Aangezien het belang van minstens een van de verzoekende |
partijen is aangetoond, dient het belang van de andere partijen die | partijen is aangetoond, dient het belang van de andere partijen die |
het verzoekschrift in die zaak gezamenlijk hebben ingediend, niet te | het verzoekschrift in die zaak gezamenlijk hebben ingediend, niet te |
worden onderzocht. | worden onderzocht. |
De exceptie wordt verworpen. | De exceptie wordt verworpen. |
Wat het onderwerp van het beroep betreft | Wat het onderwerp van het beroep betreft |
B.3.1. De Ministerraad is van mening dat het Hof het onderwerp van het | B.3.1. De Ministerraad is van mening dat het Hof het onderwerp van het |
beroep tot vernietiging moet beperken tot artikel 9, 2°, van de wet | beroep tot vernietiging moet beperken tot artikel 9, 2°, van de wet |
van 7 november 2011 en tot artikel 11, eerste lid, ervan, in zoverre | van 7 november 2011 en tot artikel 11, eerste lid, ervan, in zoverre |
daarin de inwerkingtreding van de artikelen 7 en 9 van die wet wordt | daarin de inwerkingtreding van de artikelen 7 en 9 van die wet wordt |
vastgesteld. | vastgesteld. |
B.3.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere | B.3.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere |
wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen | wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen |
van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het | van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het |
Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de | Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de |
bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in | bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in |
welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn | welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn |
geschonden. | geschonden. |
Die bepaling vereist derhalve dat de verzoekende partijen aangeven | Die bepaling vereist derhalve dat de verzoekende partijen aangeven |
welke de artikelen zijn die volgens hen een schending uitmaken van de | welke de artikelen zijn die volgens hen een schending uitmaken van de |
in de middelen uiteengezette normen waarvan het Hof de naleving | in de middelen uiteengezette normen waarvan het Hof de naleving |
verzekert. | verzekert. |
Het Hof dient de omvang van het beroep tot vernietiging te bepalen aan | Het Hof dient de omvang van het beroep tot vernietiging te bepalen aan |
de hand van de inhoud van het verzoekschrift, inzonderheid op basis | de hand van de inhoud van het verzoekschrift, inzonderheid op basis |
van de uiteenzetting van de middelen. Het beperkt zijn onderzoek tot | van de uiteenzetting van de middelen. Het beperkt zijn onderzoek tot |
de bepalingen waarvan wordt uiteengezet in welk opzicht zij de in de | de bepalingen waarvan wordt uiteengezet in welk opzicht zij de in de |
middelen aangevoerde bepalingen zouden schenden. | middelen aangevoerde bepalingen zouden schenden. |
B.3.3. Uit het verzoekschrift blijkt dat alleen artikel 7, artikel 9, | B.3.3. Uit het verzoekschrift blijkt dat alleen artikel 7, artikel 9, |
2°, en artikel 11, eerste lid, in zoverre het de inwerkingtreding van | 2°, en artikel 11, eerste lid, in zoverre het de inwerkingtreding van |
de artikelen 7 en 9 vaststelt, van de wet van 7 november 2011 door de | de artikelen 7 en 9 vaststelt, van de wet van 7 november 2011 door de |
verzoekende partijen worden bekritiseerd. | verzoekende partijen worden bekritiseerd. |
B.3.4. Het beroep is derhalve niet ontvankelijk in zoverre het is | B.3.4. Het beroep is derhalve niet ontvankelijk in zoverre het is |
gericht tegen de wijzigingen die in artikel 333/1 van het WIB 1992 | gericht tegen de wijzigingen die in artikel 333/1 van het WIB 1992 |
zijn aangebracht bij artikel 9, 1°, 3° en 4°, van de wet van 7 | zijn aangebracht bij artikel 9, 1°, 3° en 4°, van de wet van 7 |
november 2011. | november 2011. |
Het is eveneens niet ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen het | Het is eveneens niet ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen het |
tweede lid van artikel 11 van de wet van 7 november 2011, alsook tegen | tweede lid van artikel 11 van de wet van 7 november 2011, alsook tegen |
het eerste lid van dat artikel, in zoverre het de inwerkingtreding | het eerste lid van dat artikel, in zoverre het de inwerkingtreding |
vaststelt van andere artikelen dan de artikelen 7 en 9, 2°, van die | vaststelt van andere artikelen dan de artikelen 7 en 9, 2°, van die |
wet. | wet. |
Ten gronde | Ten gronde |
Wat artikel 7 van de wet van 7 november 2011 betreft | Wat artikel 7 van de wet van 7 november 2011 betreft |
B.4.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending | B.4.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending |
van de artikelen 10, 11, 22 en 29 van de Grondwet, in samenhang | van de artikelen 10, 11, 22 en 29 van de Grondwet, in samenhang |
gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de | gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de |
mens. Zij zijn van mening dat artikel 7 van de wet van 7 november 2011 | mens. Zij zijn van mening dat artikel 7 van de wet van 7 november 2011 |
een einde maakt aan elke beperking van de onderzoeksbevoegdheid van de | een einde maakt aan elke beperking van de onderzoeksbevoegdheid van de |
met de invordering belaste ambtenaren, met andere woorden de | met de invordering belaste ambtenaren, met andere woorden de |
ontvangers, wat betreft de bankrekeningen van hun schuldenaars, de | ontvangers, wat betreft de bankrekeningen van hun schuldenaars, de |
belastingplichtigen. Daarnaast voeren zij aan dat, indien de wijziging | belastingplichtigen. Daarnaast voeren zij aan dat, indien de wijziging |
die is aangebracht in artikel 319bis van het WIB 1992 bij artikel 7 | die is aangebracht in artikel 319bis van het WIB 1992 bij artikel 7 |
van de wet van 7 november 2011 in die zin moet begrepen dat zij het de | van de wet van 7 november 2011 in die zin moet begrepen dat zij het de |
ontvangers eveneens mogelijk maakt toegang te hebben tot het centraal | ontvangers eveneens mogelijk maakt toegang te hebben tot het centraal |
aanspreekpunt dat is opgericht bij artikel 322, § 3, hetgeen zij | aanspreekpunt dat is opgericht bij artikel 322, § 3, hetgeen zij |
betwisten, die bepaling in strijd is met de aangevoerde | betwisten, die bepaling in strijd is met de aangevoerde |
grondwetsbepalingen. | grondwetsbepalingen. |
B.4.2. De Ministerraad is van mening dat het middel onontvankelijk | B.4.2. De Ministerraad is van mening dat het middel onontvankelijk |
moet worden verklaard in zoverre het de schending aanvoert van de | moet worden verklaard in zoverre het de schending aanvoert van de |
artikelen 22 en 29 van de Grondwet door artikel 7 van de wet van 7 | artikelen 22 en 29 van de Grondwet door artikel 7 van de wet van 7 |
november 2011 door het feit dat de door de ontvanger verkregen | november 2011 door het feit dat de door de ontvanger verkregen |
inlichtingen zouden kunnen worden meegedeeld aan de aanslagambtenaar, | inlichtingen zouden kunnen worden meegedeeld aan de aanslagambtenaar, |
omdat de partijen in hun verzoekschrift niet preciseren hoe de | omdat de partijen in hun verzoekschrift niet preciseren hoe de |
gegevens kunnen worden meegedeeld. | gegevens kunnen worden meegedeeld. |
Luidens het verzoekschrift kunnen de inlichtingen die worden verkregen | Luidens het verzoekschrift kunnen de inlichtingen die worden verkregen |
door de met de invordering belaste ambtenaren, aan alle andere | door de met de invordering belaste ambtenaren, aan alle andere |
ambtenaren van de belastingadministratie, met inbegrip van diegenen | ambtenaren van de belastingadministratie, met inbegrip van diegenen |
die zijn belast met het vaststellen van de belastbare grondslag en met | die zijn belast met het vaststellen van de belastbare grondslag en met |
de vestiging van de belasting, worden meegedeeld. In hun memorie van | de vestiging van de belasting, worden meegedeeld. In hun memorie van |
antwoord verwijzen de verzoekende partijen in dat opzicht naar de | antwoord verwijzen de verzoekende partijen in dat opzicht naar de |
artikelen 335 en 336 van het WIB 1992 en naar een arrest van het Hof | artikelen 335 en 336 van het WIB 1992 en naar een arrest van het Hof |
van Cassatie van 18 november 2010 (Arr. Cass., 2010, nr. 683). | van Cassatie van 18 november 2010 (Arr. Cass., 2010, nr. 683). |
B.4.3. De grief in verband met de overdracht van de gegevens die de | B.4.3. De grief in verband met de overdracht van de gegevens die de |
met de invordering belaste ambtenaren hebben verkregen, aan de andere | met de invordering belaste ambtenaren hebben verkregen, aan de andere |
ambtenaren van de belastingadministratie blijkt voldoende uit het | ambtenaren van de belastingadministratie blijkt voldoende uit het |
verzoekschrift. | verzoekschrift. |
De exceptie wordt verworpen. | De exceptie wordt verworpen. |
B.5.1. Artikel 319bis, tweede lid, van het WIB 1992 vindt zijn | B.5.1. Artikel 319bis, tweede lid, van het WIB 1992 vindt zijn |
oorsprong in artikel 8 van de programmawet (I) van 27 december 2006 en | oorsprong in artikel 8 van de programmawet (I) van 27 december 2006 en |
bepaalde, tot de wijziging ervan bij artikel 7 van de wet van 7 | bepaalde, tot de wijziging ervan bij artikel 7 van de wet van 7 |
november 2011 : | november 2011 : |
« De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de ambtenaren belast | « De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de ambtenaren belast |
met de invordering worden eveneens uitgeoefend zonder de beperkingen | met de invordering worden eveneens uitgeoefend zonder de beperkingen |
ten aanzien van de instellingen bedoeld in artikel 318 ». | ten aanzien van de instellingen bedoeld in artikel 318 ». |
Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de wetgever | Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de wetgever |
de bevoegdheden van de met de invordering van de belasting belaste | de bevoegdheden van de met de invordering van de belasting belaste |
ambtenaren heeft willen uitbreiden : | ambtenaren heeft willen uitbreiden : |
« Dit impliceert dus dat de ambtenaren belast met de invordering, | « Dit impliceert dus dat de ambtenaren belast met de invordering, |
zonder dat de beperkingen van bevoegdheid voorzien in artikel 318, WIB | zonder dat de beperkingen van bevoegdheid voorzien in artikel 318, WIB |
92 op hen van toepassing zijn, kennis kunnen nemen van alle gegevens | 92 op hen van toepassing zijn, kennis kunnen nemen van alle gegevens |
met betrekking tot de vaststelling van de vermogenstoestand van een | met betrekking tot de vaststelling van de vermogenstoestand van een |
belastingschuldige die worden bijgehouden door een of verschillende | belastingschuldige die worden bijgehouden door een of verschillende |
instellingen bepaald bij artikel 318, WIB 92, waarbij wordt | instellingen bepaald bij artikel 318, WIB 92, waarbij wordt |
uitgesloten dat de aldus medegedeelde gegevens met het oog op de | uitgesloten dat de aldus medegedeelde gegevens met het oog op de |
vestiging van de door deze schuldenaar verschuldigde belasting worden | vestiging van de door deze schuldenaar verschuldigde belasting worden |
gebruikt » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2773/001, p. 18). | gebruikt » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2773/001, p. 18). |
B.5.2. Naar aanleiding van de wijzigingen die in artikel 322 van het | B.5.2. Naar aanleiding van de wijzigingen die in artikel 322 van het |
WIB 1992 zijn aangebracht en van de invoeging van een artikel 333/1 in | WIB 1992 zijn aangebracht en van de invoeging van een artikel 333/1 in |
dat Wetboek bij de artikelen 55 en 56 van de wet van 14 april 2011 | dat Wetboek bij de artikelen 55 en 56 van de wet van 14 april 2011 |
houdende diverse bepalingen, heeft de wetgever, met artikel 7 van de | houdende diverse bepalingen, heeft de wetgever, met artikel 7 van de |
wet van 7 november 2011, artikel 319bis, tweede lid, van het WIB 1992 | wet van 7 november 2011, artikel 319bis, tweede lid, van het WIB 1992 |
willen aanpassen opdat de met de invordering van de belasting belaste | willen aanpassen opdat de met de invordering van de belasting belaste |
ambtenaren niet ertoe gehouden zouden zijn dezelfde regels als de | ambtenaren niet ertoe gehouden zouden zijn dezelfde regels als de |
aanslagambtenaren te volgen. De memorie van toelichting vermeldt | aanslagambtenaren te volgen. De memorie van toelichting vermeldt |
dienaangaande : | dienaangaande : |
« Teneinde de invorderingsambtenaren toe te laten om in het kader van | « Teneinde de invorderingsambtenaren toe te laten om in het kader van |
hun specifieke opdracht aan bank-, wissel-, krediet- en | hun specifieke opdracht aan bank-, wissel-, krediet- en |
spaarinstellingen te kunnen blijven inlichtingen vragen betreffende | spaarinstellingen te kunnen blijven inlichtingen vragen betreffende |
hun cliënten met het oog op het vaststellen van hun vermogenstoestand, | hun cliënten met het oog op het vaststellen van hun vermogenstoestand, |
zonder de in de artikelen 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3, WIB 92, | zonder de in de artikelen 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3, WIB 92, |
vermelde voorwaarden te moeten naleven, zoals dit nu al het geval is | vermelde voorwaarden te moeten naleven, zoals dit nu al het geval is |
met betrekking tot de inlichtingen die worden gevraagd bij toepassing | met betrekking tot de inlichtingen die worden gevraagd bij toepassing |
van artikel 318, WIB 92, wordt artikel 319bis, WIB 92 aangepast. | van artikel 318, WIB 92, wordt artikel 319bis, WIB 92 aangepast. |
Het centraal aanspreekpunt bedoeld in artikel 322, § 3, WIB 92 zal | Het centraal aanspreekpunt bedoeld in artikel 322, § 3, WIB 92 zal |
overeenkomstig artikel 322, § 1, WIB 92 door de ontvangers als een | overeenkomstig artikel 322, § 1, WIB 92 door de ontvangers als een |
derde beschouwd worden » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC | derde beschouwd worden » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC |
53-1737/001, p. 6). | 53-1737/001, p. 6). |
B.6. Het inwinnen en het verwerken van gegevens in verband met | B.6. Het inwinnen en het verwerken van gegevens in verband met |
rekeningen en financiële transacties vormen een inmenging in het | rekeningen en financiële transacties vormen een inmenging in het |
privéleven van de betrokken personen, alsook van de personen met wie | privéleven van de betrokken personen, alsook van de personen met wie |
zij die financiële verrichtingen hebben gedaan. | zij die financiële verrichtingen hebben gedaan. |
Ook al maken het inwinnen en het verwerken van dergelijke gegevens het | Ook al maken het inwinnen en het verwerken van dergelijke gegevens het |
niet altijd mogelijk rechtstreeks binnen te dringen in de | niet altijd mogelijk rechtstreeks binnen te dringen in de |
communicaties die betrekking kunnen hebben op het privéleven in zijn | communicaties die betrekking kunnen hebben op het privéleven in zijn |
meest intieme vorm, toch kunnen die onderzoeksmaatregelen min of meer | meest intieme vorm, toch kunnen die onderzoeksmaatregelen min of meer |
nauwkeurige en eensluidende gegevens aan het licht brengen over « het | nauwkeurige en eensluidende gegevens aan het licht brengen over « het |
gedrag, de meningen of de gevoelens » van de persoon die daarvan het | gedrag, de meningen of de gevoelens » van de persoon die daarvan het |
voorwerp uitmaakt (zie mutatis mutandis, EHRM, 2 september 2010, Uzun | voorwerp uitmaakt (zie mutatis mutandis, EHRM, 2 september 2010, Uzun |
t. Duitsland, § 52). | t. Duitsland, § 52). |
Het Hof moet bijgevolg erover waken dat de wetgever, wanneer hij voor | Het Hof moet bijgevolg erover waken dat de wetgever, wanneer hij voor |
de belastingadministratie mogelijkheden creëert om inzage te hebben | de belastingadministratie mogelijkheden creëert om inzage te hebben |
van gegevens met betrekking tot rekeningen en financiële transacties, | van gegevens met betrekking tot rekeningen en financiële transacties, |
de voorwaarden naleeft waaronder een dergelijke inmenging in het recht | de voorwaarden naleeft waaronder een dergelijke inmenging in het recht |
op de bescherming van het privéleven en, in voorkomend geval, van het | op de bescherming van het privéleven en, in voorkomend geval, van het |
gezinsleven toelaatbaar is in het licht van artikel 22 van de | gezinsleven toelaatbaar is in het licht van artikel 22 van de |
Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag | Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag |
voor de rechten van de mens. | voor de rechten van de mens. |
B.7. Volgens de verzoekende partijen zouden de bestreden bepalingen | B.7. Volgens de verzoekende partijen zouden de bestreden bepalingen |
ook moeten worden getoetst in het licht van de waarborgen waarin | ook moeten worden getoetst in het licht van de waarborgen waarin |
artikel 29 van de Grondwet voorziet. | artikel 29 van de Grondwet voorziet. |
Die bepaling, die het briefgeheim waarborgt, verbiedt in beginsel dat | Die bepaling, die het briefgeheim waarborgt, verbiedt in beginsel dat |
de briefwisseling kan worden onderschept en geopend. | de briefwisseling kan worden onderschept en geopend. |
De bestreden bepalingen, die de belastingadministratie niet toestaan | De bestreden bepalingen, die de belastingadministratie niet toestaan |
de briefwisseling tussen de financiële instellingen en hun cliënten te | de briefwisseling tussen de financiële instellingen en hun cliënten te |
onderscheppen, schenden derhalve artikel 29 van de Grondwet niet. | onderscheppen, schenden derhalve artikel 29 van de Grondwet niet. |
B.8.1. Artikel 22 van de Grondwet heeft tot doel de personen te | B.8.1. Artikel 22 van de Grondwet heeft tot doel de personen te |
beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en gezinsleven. | beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en gezinsleven. |
Het Hof moet bijgevolg nog nagaan of de verplichting voor de | Het Hof moet bijgevolg nog nagaan of de verplichting voor de |
financiële instellingen om aan de belastingadministratie de | financiële instellingen om aan de belastingadministratie de |
briefwisseling vrij te geven die zij met hun cliënten hebben gehad, | briefwisseling vrij te geven die zij met hun cliënten hebben gehad, |
bestaanbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven. | bestaanbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven. |
B.8.2. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de | B.8.2. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de |
Grondwet blijkt dat de Grondwetgever « een zo groot mogelijke | Grondwet blijkt dat de Grondwetgever « een zo groot mogelijke |
concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees | concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees |
Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele | Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele |
vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit | vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit |
Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden » | Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden » |
(Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). | (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). |
B.8.3. De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 | B.8.3. De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 |
van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden | van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden |
gewaarborgd, zijn niet absoluut. Hoewel artikel 22 van de Grondwet aan | gewaarborgd, zijn niet absoluut. Hoewel artikel 22 van de Grondwet aan |
eenieder het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn | eenieder het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn |
gezinsleven toekent, voegt die bepaling daaraan immers onmiddellijk | gezinsleven toekent, voegt die bepaling daaraan immers onmiddellijk |
toe : « behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet | toe : « behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet |
bepaald ». | bepaald ». |
Die grondwetsbepaling waarborgt derhalve dat geen enkele | Die grondwetsbepaling waarborgt derhalve dat geen enkele |
overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en | overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en |
het gezinsleven kan plaatsvinden dan krachtens voldoende precieze | het gezinsleven kan plaatsvinden dan krachtens voldoende precieze |
regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende | regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende |
vergadering, waarbij elke inmenging in dat recht dient te beantwoorden | vergadering, waarbij elke inmenging in dat recht dient te beantwoorden |
aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig dient te zijn | aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig dient te zijn |
met de nagestreefde wettige doelstelling. | met de nagestreefde wettige doelstelling. |
B.9. Artikel 7 van de wet van 7 november 2011 streeft een doel van | B.9. Artikel 7 van de wet van 7 november 2011 streeft een doel van |
algemeen belang na in de zin van artikel 8.2 van het Europees Verdrag | algemeen belang na in de zin van artikel 8.2 van het Europees Verdrag |
voor de rechten van de mens, in zoverre de doeltreffende invordering | voor de rechten van de mens, in zoverre de doeltreffende invordering |
van de belasting ertoe strekt de gelijkheid van de burgers voor de | van de belasting ertoe strekt de gelijkheid van de burgers voor de |
fiscale wet te waarborgen en de belangen van de Schatkist te | fiscale wet te waarborgen en de belangen van de Schatkist te |
vrijwaren, wat noodzakelijk is om « het economisch welzijn van het | vrijwaren, wat noodzakelijk is om « het economisch welzijn van het |
land » te verzekeren. | land » te verzekeren. |
B.10. Het Hof moet voorts nagaan of die inmenging voldoet aan het | B.10. Het Hof moet voorts nagaan of die inmenging voldoet aan het |
wettigheidsbeginsel en of zij redelijk is verantwoord. | wettigheidsbeginsel en of zij redelijk is verantwoord. |
B.11.1. Door aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voor te behouden | B.11.1. Door aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voor te behouden |
om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden het recht | om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden het recht |
op eerbiediging van het privéleven kan worden aangetast, waarborgt | op eerbiediging van het privéleven kan worden aangetast, waarborgt |
artikel 22 van de Grondwet iedere burger dat geen enkele inmenging in | artikel 22 van de Grondwet iedere burger dat geen enkele inmenging in |
dat recht toegelaten is dan krachtens de regels die zijn aangenomen | dat recht toegelaten is dan krachtens de regels die zijn aangenomen |
door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. | door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. |
Naast die formele wettigheidsvereiste legt artikel 22 van de Grondwet | Naast die formele wettigheidsvereiste legt artikel 22 van de Grondwet |
eveneens de verplichting op dat de inmenging in het recht op | eveneens de verplichting op dat de inmenging in het recht op |
eerbiediging van het privéleven in duidelijke en voldoende nauwkeurige | eerbiediging van het privéleven in duidelijke en voldoende nauwkeurige |
bewoordingen wordt geformuleerd die het mogelijk maken de hypothesen | bewoordingen wordt geformuleerd die het mogelijk maken de hypothesen |
te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging in het recht | te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging in het recht |
op eerbiediging van het privéleven toestaat. | op eerbiediging van het privéleven toestaat. |
Evenzo houdt de vereiste van voorzienbaarheid waaraan de wet moet | Evenzo houdt de vereiste van voorzienbaarheid waaraan de wet moet |
voldoen om in overeenstemming te worden bevonden met artikel 8 van het | voldoen om in overeenstemming te worden bevonden met artikel 8 van het |
Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in dat de formulering | Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in dat de formulering |
ervan voldoende precies is zodat elk individu in de gegeven | ervan voldoende precies is zodat elk individu in de gegeven |
omstandigheden in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde | omstandigheden in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde |
handeling kan voorzien (EHRM, 17 februari 2004, Maestri t. Italië, § | handeling kan voorzien (EHRM, 17 februari 2004, Maestri t. Italië, § |
30). | 30). |
De wet moet waarborgen bieden tegen willekeurige aantastingen door de | De wet moet waarborgen bieden tegen willekeurige aantastingen door de |
overheid van het recht op eerbiediging van het privéleven, namelijk | overheid van het recht op eerbiediging van het privéleven, namelijk |
door de beoordelingsbevoegdheid van de betrokken overheden op | door de beoordelingsbevoegdheid van de betrokken overheden op |
voldoende duidelijke wijze af te bakenen, enerzijds, en door in een | voldoende duidelijke wijze af te bakenen, enerzijds, en door in een |
effectief jurisdictioneel toezicht te voorzien, anderzijds (zie, onder | effectief jurisdictioneel toezicht te voorzien, anderzijds (zie, onder |
andere, EHRM, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, § 55; 6 juni 2006, | andere, EHRM, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, § 55; 6 juni 2006, |
Segerstedt-Wiberg t. Zweden, § 76; 4 juli 2006, Lupsa t. Roemenië, § | Segerstedt-Wiberg t. Zweden, § 76; 4 juli 2006, Lupsa t. Roemenië, § |
34). | 34). |
B.11.2. Artikel 7 van de wet van 7 november 2011 staat een inmenging, | B.11.2. Artikel 7 van de wet van 7 november 2011 staat een inmenging, |
door de administratie, toe in het privéleven van de belastingplichtige | door de administratie, toe in het privéleven van de belastingplichtige |
teneinde zijn vermogenssituatie vast te stellen om de invordering van | teneinde zijn vermogenssituatie vast te stellen om de invordering van |
de belasting te verzekeren, zonder haar ertoe te verplichten te | de belasting te verzekeren, zonder haar ertoe te verplichten te |
voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 322, §§ 2 tot 4, en | voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 322, §§ 2 tot 4, en |
327, § 3, van het WIB 1992. | 327, § 3, van het WIB 1992. |
De invordering van de belasting gebeurt op een ogenblik dat de | De invordering van de belasting gebeurt op een ogenblik dat de |
belastingschuld is vastgesteld en in de hypothese dat zij niet is | belastingschuld is vastgesteld en in de hypothese dat zij niet is |
betaald door de belastingplichtige. | betaald door de belastingplichtige. |
De bestreden bepaling voldoet dus aan het wettigheidsbeginsel. | De bestreden bepaling voldoet dus aan het wettigheidsbeginsel. |
B.12. Het Hof moet voorts nagaan of de inmenging in het recht op | B.12. Het Hof moet voorts nagaan of de inmenging in het recht op |
eerbiediging van het privéleven van de belastingplichtige en van de | eerbiediging van het privéleven van de belastingplichtige en van de |
personen met wie hij financiële verrichtingen heeft gedaan, redelijk | personen met wie hij financiële verrichtingen heeft gedaan, redelijk |
is verantwoord. Daartoe dient te worden nagegaan of de motieven die | is verantwoord. Daartoe dient te worden nagegaan of de motieven die |
zijn aangevoerd om die inmenging te verantwoorden, relevant en | zijn aangevoerd om die inmenging te verantwoorden, relevant en |
toereikend zijn, alsook of het evenredigheidsbeginsel is nageleefd. | toereikend zijn, alsook of het evenredigheidsbeginsel is nageleefd. |
B.13. Door de administratie toe te staan zich te mengen in het | B.13. Door de administratie toe te staan zich te mengen in het |
privéleven van de belastingplichtige teneinde zijn vermogenssituatie | privéleven van de belastingplichtige teneinde zijn vermogenssituatie |
vast te stellen om de invordering van de belasting te verzekeren, | vast te stellen om de invordering van de belasting te verzekeren, |
zonder haar ertoe te verplichten de voorwaarden bepaald in de | zonder haar ertoe te verplichten de voorwaarden bepaald in de |
artikelen 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3, van het WIB 1992 na te leven, | artikelen 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3, van het WIB 1992 na te leven, |
behandelt artikel 7 van de wet van 7 november 2011 de | behandelt artikel 7 van de wet van 7 november 2011 de |
belastingplichtigen op een verschillende manier naargelang hun | belastingplichtigen op een verschillende manier naargelang hun |
privéleven wordt aangetast op het ogenblik van de vestiging van de | privéleven wordt aangetast op het ogenblik van de vestiging van de |
belasting dan wel op het ogenblik van de invordering ervan. | belasting dan wel op het ogenblik van de invordering ervan. |
In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, gaat het om | In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, gaat het om |
vergelijkbare categorieën. | vergelijkbare categorieën. |
Het verschil in behandeling kan evenwel objectief en redelijk worden | Het verschil in behandeling kan evenwel objectief en redelijk worden |
verantwoord door het feit dat de aantasting van het recht op het | verantwoord door het feit dat de aantasting van het recht op het |
privéleven met het oog op de invordering van de belasting niet | privéleven met het oog op de invordering van de belasting niet |
evenveel opzoekingen vergt als het vaststellen van het bedrag van de | evenveel opzoekingen vergt als het vaststellen van het bedrag van de |
belastbare inkomsten van de belastingplichtige. De | belastbare inkomsten van de belastingplichtige. De |
onderzoeksbevoegdheden waarover de met de invordering belaste | onderzoeksbevoegdheden waarover de met de invordering belaste |
ambtenaren beschikken, beogen uitsluitend de vaststelling van de | ambtenaren beschikken, beogen uitsluitend de vaststelling van de |
vermogenssituatie van de schuldenaar teneinde de invordering van de | vermogenssituatie van de schuldenaar teneinde de invordering van de |
belasting te verzekeren. De voorwaarden bepaald in de artikelen 322, | belasting te verzekeren. De voorwaarden bepaald in de artikelen 322, |
§§ 2 tot 4, en 327, § 3, van het WIB 1992 inzake het zoeken naar | §§ 2 tot 4, en 327, § 3, van het WIB 1992 inzake het zoeken naar |
gegevens aan de hand waarvan het bedrag van de belastbare inkomsten | gegevens aan de hand waarvan het bedrag van de belastbare inkomsten |
van de belastingplichtige kan worden vastgesteld, zijn relevant | van de belastingplichtige kan worden vastgesteld, zijn relevant |
wanneer het erom gaat de belasting te vestigen op basis van | wanneer het erom gaat de belasting te vestigen op basis van |
aanwijzingen van belastingontduiking of een vertekening tussen de | aanwijzingen van belastingontduiking of een vertekening tussen de |
aangegeven inkomsten en de gegoedheid van de belastingplichtige; zij | aangegeven inkomsten en de gegoedheid van de belastingplichtige; zij |
zijn dat niet wanneer het erom gaat een verschuldigde belasting in te | zijn dat niet wanneer het erom gaat een verschuldigde belasting in te |
vorderen. | vorderen. |
Overigens, alleen inlichtingen die noodzakelijk zijn om de | Overigens, alleen inlichtingen die noodzakelijk zijn om de |
vermogenssituatie van de schuldenaar vast te stellen met het oog op de | vermogenssituatie van de schuldenaar vast te stellen met het oog op de |
invordering van de belasting kunnen worden opgevraagd bij de | invordering van de belasting kunnen worden opgevraagd bij de |
financiële instellingen door de met de invordering belaste ambtenaren, | financiële instellingen door de met de invordering belaste ambtenaren, |
waarbij die ambtenaren bovendien ertoe zijn gehouden, bij de inwinning | waarbij die ambtenaren bovendien ertoe zijn gehouden, bij de inwinning |
en verwerking van die inlichtingen, de voorschriften na te leven van | en verwerking van die inlichtingen, de voorschriften na te leven van |
de wet van 8 december 1992 « tot bescherming van de persoonlijke | de wet van 8 december 1992 « tot bescherming van de persoonlijke |
levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens », | levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens », |
binnen de perken van het materiële toepassingsgebied ervan. | binnen de perken van het materiële toepassingsgebied ervan. |
Bovendien is « hij die, uit welken hoofde ook, optreedt bij de | Bovendien is « hij die, uit welken hoofde ook, optreedt bij de |
toepassing van de belastingwetten [...], buiten het uitoefenen van | toepassing van de belastingwetten [...], buiten het uitoefenen van |
zijn ambt, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande | zijn ambt, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande |
alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis | alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis |
heeft » (artikel 337, eerste lid, van het WIB 1992). De schending van | heeft » (artikel 337, eerste lid, van het WIB 1992). De schending van |
dat beroepsgeheim wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 van het | dat beroepsgeheim wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 van het |
Strafwetboek (artikel 453 van het WIB 1992). Die verplichting | Strafwetboek (artikel 453 van het WIB 1992). Die verplichting |
impliceert dat de belastingadministratie geen bij een financiële | impliceert dat de belastingadministratie geen bij een financiële |
instelling verkregen inlichtingen betreffende het privéleven van een | instelling verkregen inlichtingen betreffende het privéleven van een |
belastingplichtige die niet noodzakelijk zouden zijn om een juiste | belastingplichtige die niet noodzakelijk zouden zijn om een juiste |
inning van de belasting te waarborgen, mag gebruiken of aan derden mag | inning van de belasting te waarborgen, mag gebruiken of aan derden mag |
meedelen. | meedelen. |
Ten slotte blijkt uit de in B.5.1 en B.5.2 aangehaalde parlementaire | Ten slotte blijkt uit de in B.5.1 en B.5.2 aangehaalde parlementaire |
voorbereiding duidelijk dat de wetgever heeft uitgesloten dat de | voorbereiding duidelijk dat de wetgever heeft uitgesloten dat de |
inlichtingen die worden verkregen om de invordering van de belasting | inlichtingen die worden verkregen om de invordering van de belasting |
mogelijk te maken, zouden worden gebruikt voor de vestiging van de | mogelijk te maken, zouden worden gebruikt voor de vestiging van de |
belasting en dat het in artikel 322, § 3, van het WIB 1992 vermelde | belasting en dat het in artikel 322, § 3, van het WIB 1992 vermelde |
centraal aanspreekpunt, overeenkomstig artikel 322, § 1, van het WIB | centraal aanspreekpunt, overeenkomstig artikel 322, § 1, van het WIB |
1992, door de ontvangers wordt beschouwd als een derde. | 1992, door de ontvangers wordt beschouwd als een derde. |
B.14. Het middel is niet gegrond. | B.14. Het middel is niet gegrond. |
Wat artikel 9, 2°, van de wet van 7 november 2011 betreft | Wat artikel 9, 2°, van de wet van 7 november 2011 betreft |
B.15. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending | B.15. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending |
van de artikelen 10, 11, 22 en 29 van de Grondwet, in samenhang | van de artikelen 10, 11, 22 en 29 van de Grondwet, in samenhang |
gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de | gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de |
mens. Artikel 9 van de wet van 7 november 2011 heeft een einde gemaakt | mens. Artikel 9 van de wet van 7 november 2011 heeft een einde gemaakt |
aan de verplichting om de belastingplichtige in te lichten wanneer de | aan de verplichting om de belastingplichtige in te lichten wanneer de |
vraag om inlichtingen uitgaat van een buitenlandse Staat. De | vraag om inlichtingen uitgaat van een buitenlandse Staat. De |
verzoekende partijen zijn van mening dat die bepaling discriminerend | verzoekende partijen zijn van mening dat die bepaling discriminerend |
is en afbreuk doet aan het recht op het privéleven. | is en afbreuk doet aan het recht op het privéleven. |
B.16. Artikel 9, 2°, van de wet van 7 november 2011 voegt in artikel | B.16. Artikel 9, 2°, van de wet van 7 november 2011 voegt in artikel |
333/1, § 1, van het WIB 1992 een lid in dat bepaalt dat het eerste lid | 333/1, § 1, van het WIB 1992 een lid in dat bepaalt dat het eerste lid |
van paragraaf 1 niet van toepassing is op de vragen om inlichtingen | van paragraaf 1 niet van toepassing is op de vragen om inlichtingen |
uitgaande van buitenlandse administraties, bedoeld in artikel 322, § | uitgaande van buitenlandse administraties, bedoeld in artikel 322, § |
4. | 4. |
B.17. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 november | B.17. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 november |
2011 blijkt dat volgens de wetgever de informatieplicht onder de | 2011 blijkt dat volgens de wetgever de informatieplicht onder de |
verantwoordelijkheid van de buitenlandse administratie valt. De | verantwoordelijkheid van de buitenlandse administratie valt. De |
memorie van toelichting vermeldt : | memorie van toelichting vermeldt : |
« Wanneer een buitenlandse administratie een aanvraag doet, moet | « Wanneer een buitenlandse administratie een aanvraag doet, moet |
immers worden geacht, gelet op de bijzondere procedures voor | immers worden geacht, gelet op de bijzondere procedures voor |
dergelijke vragen, dat de buitenlandse administratie vooraf reeds de | dergelijke vragen, dat de buitenlandse administratie vooraf reeds de |
nodige onderzoeksverrichtingen bij de belastingplichtige zelf heeft | nodige onderzoeksverrichtingen bij de belastingplichtige zelf heeft |
verricht zodat de voorafgaande kennisgeving enkel kan leiden tot | verricht zodat de voorafgaande kennisgeving enkel kan leiden tot |
nutteloos tijdverlies » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1737/001, | nutteloos tijdverlies » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1737/001, |
p. 7). | p. 7). |
In haar advies heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State zich | In haar advies heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State zich |
afgevraagd of het verschil in behandeling, op het vlak van de | afgevraagd of het verschil in behandeling, op het vlak van de |
kennisgeving, tussen de vragen die uitgaan van België en die welke | kennisgeving, tussen de vragen die uitgaan van België en die welke |
uitgaan van het buitenland verantwoord is. Zij heeft twijfels geuit | uitgaan van het buitenland verantwoord is. Zij heeft twijfels geuit |
bij het aangevoerde tijdsverlies, aangezien het « in kennis stellen | bij het aangevoerde tijdsverlies, aangezien het « in kennis stellen |
van het verzoek van de buitenlandse Staat om het bankgeheim te | van het verzoek van de buitenlandse Staat om het bankgeheim te |
doorbreken [...] overeenkomstig artikel 331/1, § 1, eerste lid WIB 92 | doorbreken [...] overeenkomstig artikel 331/1, § 1, eerste lid WIB 92 |
gelijktijdig gebeurt met het verzoek om inlichtingen bij de bank » | gelijktijdig gebeurt met het verzoek om inlichtingen bij de bank » |
(Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1737/001, p. 26). De afdeling | (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1737/001, p. 26). De afdeling |
wetgeving van de Raad van State heeft overigens een tegenstrijdigheid | wetgeving van de Raad van State heeft overigens een tegenstrijdigheid |
opgemerkt tussen de memorie van toelichting, waarin wordt uitgegaan | opgemerkt tussen de memorie van toelichting, waarin wordt uitgegaan |
van de idee dat de belastingplichtige is ingelicht door de | van de idee dat de belastingplichtige is ingelicht door de |
buitenlandse administratie, en de uitleg van de gemachtigde die stelt | buitenlandse administratie, en de uitleg van de gemachtigde die stelt |
dat de kennisgeving aan de belastingplichtige problemen kan doen | dat de kennisgeving aan de belastingplichtige problemen kan doen |
rijzen voor de buitenlandse administratie (ibid.). Het wetsontwerp | rijzen voor de buitenlandse administratie (ibid.). Het wetsontwerp |
heeft de bepaling behouden, ondanks het advies van de afdeling | heeft de bepaling behouden, ondanks het advies van de afdeling |
wetgeving. De memorie van toelichting vermeldt daaromtrent : | wetgeving. De memorie van toelichting vermeldt daaromtrent : |
« Daarentegen is de regering van mening dat het noodzakelijk is de | « Daarentegen is de regering van mening dat het noodzakelijk is de |
aanvulling aan artikel 333/1, § 1, WIB 92 met betrekking tot het niet | aanvulling aan artikel 333/1, § 1, WIB 92 met betrekking tot het niet |
moeten toesturen van een kennisgeving aan een buitenlandse | moeten toesturen van een kennisgeving aan een buitenlandse |
belastingplichtige te behouden. De Raad van State gaat er in het | belastingplichtige te behouden. De Raad van State gaat er in het |
advies nr. 49 856/1 blijkbaar van uit dat in de andere landen een | advies nr. 49 856/1 blijkbaar van uit dat in de andere landen een |
gelijkaardige regel bestaat inzake het vragen van inlichtingen aan | gelijkaardige regel bestaat inzake het vragen van inlichtingen aan |
financiële instellingen. Niets is echter minder waar. In de meeste | financiële instellingen. Niets is echter minder waar. In de meeste |
landen is er geen enkele beperking van de mogelijkheid om dergelijke | landen is er geen enkele beperking van de mogelijkheid om dergelijke |
inlichtingen te vragen. In die zin is het dan ook terecht dat de | inlichtingen te vragen. In die zin is het dan ook terecht dat de |
gedelegeerde ambtenaar in antwoord op een vraag vanwege de Raad van | gedelegeerde ambtenaar in antwoord op een vraag vanwege de Raad van |
State opmerkt dat een eventuele toezending van een kennisgeving door | State opmerkt dat een eventuele toezending van een kennisgeving door |
de Belgische administratie het onderzoek in de andere Staat in gevaar | de Belgische administratie het onderzoek in de andere Staat in gevaar |
kan brengen. De buitenlandse administratie moet immers effectief alle | kan brengen. De buitenlandse administratie moet immers effectief alle |
stappen ondernemen binnen haar eigen bevoegdheden om de vereiste | stappen ondernemen binnen haar eigen bevoegdheden om de vereiste |
inlichtingen te bekomen maar dit impliceert dus zelden dat er een | inlichtingen te bekomen maar dit impliceert dus zelden dat er een |
kennisgeving aan de buitenlandse belastingplichtige moet worden | kennisgeving aan de buitenlandse belastingplichtige moet worden |
verzonden. | verzonden. |
In het geval de buitenlandse administratie krachtens haar | In het geval de buitenlandse administratie krachtens haar |
internrechtelijke regels verplicht is een kennisgeving te doen, zal | internrechtelijke regels verplicht is een kennisgeving te doen, zal |
dat noodzakelijkerwijs moeten gebeuren op het ogenblik dat de vraag | dat noodzakelijkerwijs moeten gebeuren op het ogenblik dat de vraag |
aan de Belgische administratie wordt gesteld die op dat punt enkel een | aan de Belgische administratie wordt gesteld die op dat punt enkel een |
tussenpersoon is tussen de buitenlandse administratie en de Belgische | tussenpersoon is tussen de buitenlandse administratie en de Belgische |
financiële instelling. | financiële instelling. |
Om die redenen lijkt het niet opportuun om vanuit België een | Om die redenen lijkt het niet opportuun om vanuit België een |
kennisgeving toe te sturen » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC | kennisgeving toe te sturen » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC |
53-1737/001, pp. 7 en 8). | 53-1737/001, pp. 7 en 8). |
B.18. Zoals het Hof heeft gepreciseerd in zijn arrest nr. 6/2013 van | B.18. Zoals het Hof heeft gepreciseerd in zijn arrest nr. 6/2013 van |
14 februari 2013 vormen de procedurele vereisten « belangrijke | 14 februari 2013 vormen de procedurele vereisten « belangrijke |
waarborgen tegen willekeurige inmengingen in het privéleven van de | waarborgen tegen willekeurige inmengingen in het privéleven van de |
belastingplichtige en van de personen met wie hij financiële | belastingplichtige en van de personen met wie hij financiële |
verrichtingen heeft gedaan ». Het Hof heeft in dat arrest rekening | verrichtingen heeft gedaan ». Het Hof heeft in dat arrest rekening |
gehouden met de kennisgeving aan de belastingplichtige, zoals bepaald | gehouden met de kennisgeving aan de belastingplichtige, zoals bepaald |
in artikel 333/1, § 1, eerste lid, van het WIB 1992 om te besluiten | in artikel 333/1, § 1, eerste lid, van het WIB 1992 om te besluiten |
dat de verplichting voor de financiële instellingen om aan de | dat de verplichting voor de financiële instellingen om aan de |
belastingadministratie de briefwisseling vrij te geven die zij met hun | belastingadministratie de briefwisseling vrij te geven die zij met hun |
cliënten hebben gehad verenigbaar is met het recht op de eerbiediging | cliënten hebben gehad verenigbaar is met het recht op de eerbiediging |
van het privéleven onder de bij de wet bepaalde voorwaarden. | van het privéleven onder de bij de wet bepaalde voorwaarden. |
Het verschil in behandeling inzake de kennisgeving tussen de vragen | Het verschil in behandeling inzake de kennisgeving tussen de vragen |
van de administratie naargelang die al dan niet het gevolg zijn van | van de administratie naargelang die al dan niet het gevolg zijn van |
een verzoek van een buitenlandse Staat is niet redelijk verantwoord. | een verzoek van een buitenlandse Staat is niet redelijk verantwoord. |
Artikel 322, § 4, van het WIB 1992 bepaalt immers dat de vraag van de | Artikel 322, § 4, van het WIB 1992 bepaalt immers dat de vraag van de |
buitenlandse Staat wordt gelijkgesteld met een aanwijzing van | buitenlandse Staat wordt gelijkgesteld met een aanwijzing van |
belastingontduiking. De kennisgeving aan de belastingplichtige vormt | belastingontduiking. De kennisgeving aan de belastingplichtige vormt |
derhalve een belangrijke waarborg tegen de inmenging in zijn | derhalve een belangrijke waarborg tegen de inmenging in zijn |
privéleven. | privéleven. |
B.19. Het middel is gegrond. | B.19. Het middel is gegrond. |
B.20. Teneinde belangrijke administratieve moeilijkheden te vermijden | B.20. Teneinde belangrijke administratieve moeilijkheden te vermijden |
die de terugwerkende kracht van de vernietiging zou veroorzaken, | die de terugwerkende kracht van de vernietiging zou veroorzaken, |
dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling, met toepassing van | dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling, met toepassing van |
artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het | artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het |
Grondwettelijk Hof, te worden gehandhaafd zoals aangegeven in het | Grondwettelijk Hof, te worden gehandhaafd zoals aangegeven in het |
beschikkend gedeelte. | beschikkend gedeelte. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
- vernietigt artikel 9, 2°, van de wet van 7 november 2011 houdende | - vernietigt artikel 9, 2°, van de wet van 7 november 2011 houdende |
fiscale en diverse bepalingen; | fiscale en diverse bepalingen; |
- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling ten aanzien van | - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling ten aanzien van |
alle toepassingen die ervan zouden zijn gemaakt vóór de bekendmaking | alle toepassingen die ervan zouden zijn gemaakt vóór de bekendmaking |
van dit arrest in het Belgisch Staatsblad; | van dit arrest in het Belgisch Staatsblad; |
- verwerpt het beroep voor het overige. | - verwerpt het beroep voor het overige. |
Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, | Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, |
overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op | overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op |
het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 mei 2013. | het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 mei 2013. |
De griffier, | De griffier, |
P.-Y. Dutilleux | P.-Y. Dutilleux |
De voorzitter, | De voorzitter, |
R. Henneuse | R. Henneuse |