Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 66/2013 van 16 mei 2013 Rolnummer 5400 In zake : het beroep tot vernietiging betreffende de artikelen 7, 9 en 11 van de wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse bepalingen, ingesteld door de vzw « Liga van Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechter(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 66/2013 van 16 mei 2013 Rolnummer 5400 In zake : het beroep tot vernietiging betreffende de artikelen 7, 9 en 11 van de wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse bepalingen, ingesteld door de vzw « Liga van Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechter(...) Uittreksel uit arrest nr. 66/2013 van 16 mei 2013 Rolnummer 5400 In zake : het beroep tot vernietiging betreffende de artikelen 7, 9 en 11 van de wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse bepalingen, ingesteld door de vzw « Liga van Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de rechter(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 66/2013 van 16 mei 2013 Uittreksel uit arrest nr. 66/2013 van 16 mei 2013
Rolnummer 5400 Rolnummer 5400
In zake : het beroep tot vernietiging betreffende de artikelen 7, 9 en In zake : het beroep tot vernietiging betreffende de artikelen 7, 9 en
11 van de wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse 11 van de wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse
bepalingen, ingesteld door de vzw « Liga van belastingplichtigen » en bepalingen, ingesteld door de vzw « Liga van belastingplichtigen » en
anderen. anderen.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de samengesteld uit de voorzitters R. Henneuse en M. Bossuyt, en de
rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. rechters E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P.
Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul en F.
Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder Daoût, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder
voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse, voorzitterschap van voorzitter R. Henneuse,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 mei 2012 Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 10 mei 2012
ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 mei ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 mei
2012, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 7, 9 en 11 2012, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 7, 9 en 11
van de wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse bepalingen van de wet van 7 november 2011 houdende fiscale en diverse bepalingen
(bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 november 2011, derde (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 november 2011, derde
editie) door de vzw « Liga van belastingplichtigen », met editie) door de vzw « Liga van belastingplichtigen », met
maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Lensstraat 13, Alexis maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Lensstraat 13, Alexis
Chevalier, wonende te 5080 Rhisnes, rue D'Arthey 7, Olivier Laurent, Chevalier, wonende te 5080 Rhisnes, rue D'Arthey 7, Olivier Laurent,
wonende te 1050 Brussel, Scepterstraat 84, Frédéric Ledain, wonende te wonende te 1050 Brussel, Scepterstraat 84, Frédéric Ledain, wonende te
3740 Bilzen, Broekem 19A, en Pierre-Yves Novalet, wonende te 1380 3740 Bilzen, Broekem 19A, en Pierre-Yves Novalet, wonende te 1380
Lasne, route de l'Etat 5. Lasne, route de l'Etat 5.
(...) (...)
II. In rechte II. In rechte
(...) (...)
Ten aanzien van de bestreden bepalingen Ten aanzien van de bestreden bepalingen
B.1.1. De artikelen 7, 9 en 11 van de wet van 7 november 2011 houdende B.1.1. De artikelen 7, 9 en 11 van de wet van 7 november 2011 houdende
fiscale en diverse bepalingen bepalen : fiscale en diverse bepalingen bepalen :
«

Art. 7.In artikel 319bis, tweede lid, [van het Wetboek van de

«

Art. 7.In artikel 319bis, tweede lid, [van het Wetboek van de

inkomstenbelastingen 1992,] ingevoegd bij de wet van 27 december 2006, inkomstenbelastingen 1992,] ingevoegd bij de wet van 27 december 2006,
worden de woorden ' bedoeld in artikel 318. ' vervangen door de worden de woorden ' bedoeld in artikel 318. ' vervangen door de
woorden ' bedoeld in de artikelen 318, 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3. ' woorden ' bedoeld in de artikelen 318, 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3. '
». ».
«

Art. 9.In artikel 333/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet

«

Art. 9.In artikel 333/1 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet

van 14 april 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht : van 14 april 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt : 1° in § 1 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
' In de gevallen bedoeld in de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede ' In de gevallen bedoeld in de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede
lid, stelt de administratie de belastingplichtige in kennis van de lid, stelt de administratie de belastingplichtige in kennis van de
aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking of van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking of van de
gegevens op grond waarvan zij meent dat het gevoerde onderzoek tot een gegevens op grond waarvan zij meent dat het gevoerde onderzoek tot een
eventuele toepassing van artikel 341 leidt en die een vraag om eventuele toepassing van artikel 341 leidt en die een vraag om
inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze
kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief gelijktijdig met het kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief gelijktijdig met het
verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen. '; verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen. ';
2° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid luidende : 2° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid luidende :
' Het eerste lid is evenmin van toepassing op de vragen vanwege de in ' Het eerste lid is evenmin van toepassing op de vragen vanwege de in
artikel 322, § 4, bedoelde buitenlandse administraties. '; artikel 322, § 4, bedoelde buitenlandse administraties. ';
3° in § 2, 2°, worden de woorden ' artikel 322, § 2, ' vervangen door 3° in § 2, 2°, worden de woorden ' artikel 322, § 2, ' vervangen door
de woorden ' de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede lid, '; de woorden ' de artikelen 322, § 2, en 327, § 3, tweede lid, ';
4° in § 2, 5°, worden de woorden ' artikel 322, §§ 2 tot 4. ' 4° in § 2, 5°, worden de woorden ' artikel 322, §§ 2 tot 4. '
vervangen door de woorden ' de artikelen 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3, vervangen door de woorden ' de artikelen 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3,
tweede lid. ' ». tweede lid. ' ».
«

Art. 11.De artikelen 7 tot 9 hebben uitwerking met ingang van 1

«

Art. 11.De artikelen 7 tot 9 hebben uitwerking met ingang van 1

juli 2011 met uitzondering van artikel 9, 1°, dat in werking treedt op juli 2011 met uitzondering van artikel 9, 1°, dat in werking treedt op
de eerste dag van de maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in de eerste dag van de maand na die waarin deze wet is bekendgemaakt in
het Belgisch Staatsblad. het Belgisch Staatsblad.
Artikel 2 is van toepassing op de meerwaarden gerealiseerd vanaf het Artikel 2 is van toepassing op de meerwaarden gerealiseerd vanaf het
belastbare tijdperk dat aan aanslagjaar 2012 is verbonden ». belastbare tijdperk dat aan aanslagjaar 2012 is verbonden ».
B.1.2. Zoals zij zijn gewijzigd bij die bepalingen, bepalen de B.1.2. Zoals zij zijn gewijzigd bij die bepalingen, bepalen de
artikelen 319bis en 333/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen artikelen 319bis en 333/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen
1992 (WIB 1992) : 1992 (WIB 1992) :
«

Art. 319bis.De met de invordering belaste ambtenaren beschikken

«

Art. 319bis.De met de invordering belaste ambtenaren beschikken

over alle onderzoeksbevoegdheden bepaald in dit Wetboek teneinde de over alle onderzoeksbevoegdheden bepaald in dit Wetboek teneinde de
vermogenssituatie van de schuldenaar te bepalen met het oog op het vermogenssituatie van de schuldenaar te bepalen met het oog op het
invorderen van de belasting en de voorheffingen verschuldigd in invorderen van de belasting en de voorheffingen verschuldigd in
hoofdsom en opcentiemen, van de belastingverhogingen en hoofdsom en opcentiemen, van de belastingverhogingen en
administratieve boeten, van de interesten en van de kosten. administratieve boeten, van de interesten en van de kosten.
De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de ambtenaren belast De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de ambtenaren belast
met de invordering worden eveneens uitgeoefend zonder de beperkingen met de invordering worden eveneens uitgeoefend zonder de beperkingen
ten aanzien van de instellingen bedoeld in de artikelen 318, 322, §§ 2 ten aanzien van de instellingen bedoeld in de artikelen 318, 322, §§ 2
tot 4, en 327, § 3 ». tot 4, en 327, § 3 ».
«

Art. 333/1.§ 1. In de gevallen bedoeld in de artikelen 322, § 2, en

«

Art. 333/1.§ 1. In de gevallen bedoeld in de artikelen 322, § 2, en

327, § 3, tweede lid, stelt de administratie de belastingplichtige in 327, § 3, tweede lid, stelt de administratie de belastingplichtige in
kennis van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking of kennis van de aanwijzing of de aanwijzingen van belastingontduiking of
van de gegevens op grond waarvan zij meent dat het gevoerde onderzoek van de gegevens op grond waarvan zij meent dat het gevoerde onderzoek
tot een eventuele toepassing van artikel 341 leidt en die een vraag om tot een eventuele toepassing van artikel 341 leidt en die een vraag om
inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze inlichtingen bij een financiële instelling rechtvaardigen. Deze
kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief gelijktijdig met het kennisgeving gebeurt bij aangetekende brief gelijktijdig met het
verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen. verzenden van de voormelde vraag om inlichtingen.
Het eerste lid is niet van toepassing als de rechten van de Schatkist Het eerste lid is niet van toepassing als de rechten van de Schatkist
in gevaar zijn. De kennisgeving gebeurt desgevallend post factum bij in gevaar zijn. De kennisgeving gebeurt desgevallend post factum bij
een ter post aangetekende brief, uiterlijk 30 dagen na het verzenden een ter post aangetekende brief, uiterlijk 30 dagen na het verzenden
van de in het eerste lid vermelde vraag om inlichtingen. van de in het eerste lid vermelde vraag om inlichtingen.
Het eerste lid is evenmin van toepassing op de vragen vanwege de in Het eerste lid is evenmin van toepassing op de vragen vanwege de in
artikel 322, § 4, bedoelde buitenlandse administraties. artikel 322, § 4, bedoelde buitenlandse administraties.
§ 2. De belastingadministratie bezorgt de minister eenmaal per jaar § 2. De belastingadministratie bezorgt de minister eenmaal per jaar
een verslag dat onder meer volgende informatie bevat : een verslag dat onder meer volgende informatie bevat :
1° het aantal keer dat in overeenstemming met artikel 318, tweede lid, 1° het aantal keer dat in overeenstemming met artikel 318, tweede lid,
een onderzoek is gevoerd bij financiële instellingen en gegevens zijn een onderzoek is gevoerd bij financiële instellingen en gegevens zijn
gebruikt met het oog op het belasten van hun cliënten; gebruikt met het oog op het belasten van hun cliënten;
2° het aantal keren dat in overeenstemming met de artikelen 322, § 2, 2° het aantal keren dat in overeenstemming met de artikelen 322, § 2,
en 327, § 3, tweede lid, een onderzoek is gevoerd en gegevens zijn en 327, § 3, tweede lid, een onderzoek is gevoerd en gegevens zijn
opgevraagd bij financiële instellingen; opgevraagd bij financiële instellingen;
3° de concrete aanwijzingen, opgedeeld in categorieën, waardoor de 3° de concrete aanwijzingen, opgedeeld in categorieën, waardoor de
personen bedoeld in artikel 322, § 2, tweede lid, zich hebben laten personen bedoeld in artikel 322, § 2, tweede lid, zich hebben laten
leiden bij hun beslissing om een machtiging te verlenen; leiden bij hun beslissing om een machtiging te verlenen;
4° het aantal positieve en negatieve beslissingen van de directeuren; 4° het aantal positieve en negatieve beslissingen van de directeuren;
5° een globale evaluatie, zowel op technisch vlak als op juridisch 5° een globale evaluatie, zowel op technisch vlak als op juridisch
vlak van de wijze waarop de procedure volgens de artikelen 322, §§ 2 vlak van de wijze waarop de procedure volgens de artikelen 322, §§ 2
tot 4, en 327, § 3, tweede lid is gevoerd. tot 4, en 327, § 3, tweede lid is gevoerd.
Dit verslag wordt openbaar gemaakt door de Minister van Financiën en Dit verslag wordt openbaar gemaakt door de Minister van Financiën en
overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ». overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ».
B.1.3. Artikel 318, waarnaar in de bestreden bepalingen wordt B.1.3. Artikel 318, waarnaar in de bestreden bepalingen wordt
verwezen, luidt : verwezen, luidt :
« In afwijking van de bepalingen van artikel 317, en onverminderd de « In afwijking van de bepalingen van artikel 317, en onverminderd de
toepassing van de artikelen 315, 315bis en 316, is de administratie toepassing van de artikelen 315, 315bis en 316, is de administratie
niet gemachtigd om in de rekeningen, boeken en documenten van de niet gemachtigd om in de rekeningen, boeken en documenten van de
bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te bank-, wissel-, krediet- en spaarinstellingen inlichtingen in te
zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten. zamelen met het oog op het belasten van hun cliënten.
Indien evenwel, het op basis van de artikelen 315, 315bis en 316 Indien evenwel, het op basis van de artikelen 315, 315bis en 316
uitgevoerd onderzoek concrete elementen aan het licht brengt die het uitgevoerd onderzoek concrete elementen aan het licht brengt die het
bestaan of de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking bestaan of de voorbereiding van een mechanisme van belastingontduiking
kunnen doen vermoeden, kan de ambtenaar die hiertoe wordt aangesteld kunnen doen vermoeden, kan de ambtenaar die hiertoe wordt aangesteld
door de Minister van Financiën een ambtenaar met de graad van ten door de Minister van Financiën een ambtenaar met de graad van ten
minste inspecteur ermee belasten uit de rekeningen, boeken en minste inspecteur ermee belasten uit de rekeningen, boeken en
documenten van de instelling inlichtingen te putten die het mogelijk documenten van de instelling inlichtingen te putten die het mogelijk
maken het onderzoek te voltooien en de door deze cliënt verschuldigde maken het onderzoek te voltooien en de door deze cliënt verschuldigde
belastingen te bepalen ». belastingen te bepalen ».
Vóór de wijziging ervan bij artikel 166 van de programmawet (I) van 29 Vóór de wijziging ervan bij artikel 166 van de programmawet (I) van 29
maart 2012, in werking getreden op 16 april 2012, luidde artikel 322 maart 2012, in werking getreden op 16 april 2012, luidde artikel 322
van het WIB 1992, waarnaar in de bestreden bepalingen wordt verwezen van het WIB 1992, waarnaar in de bestreden bepalingen wordt verwezen
als volgt : als volgt :
« § 1. De administratie mag, wat een bepaalde belastingplichtige « § 1. De administratie mag, wat een bepaalde belastingplichtige
betreft, geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek betreft, geschreven attesten inzamelen, derden horen, een onderzoek
instellen, en binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens instellen, en binnen de door haar bepaalde termijn, welke wegens
wettige redenen kan worden verlengd, van natuurlijke of wettige redenen kan worden verlengd, van natuurlijke of
rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid rechtspersonen, alsook van verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid
alle inlichtingen vorderen die zij nodig acht om de juiste heffing van alle inlichtingen vorderen die zij nodig acht om de juiste heffing van
de belasting te verzekeren. de belasting te verzekeren.
Nochtans mag het recht om derden te horen en om een onderzoek in te Nochtans mag het recht om derden te horen en om een onderzoek in te
stellen slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere stellen slechts worden uitgeoefend door een ambtenaar met een hogere
graad dan die van controleur. graad dan die van controleur.
§ 2. Wanneer de administratie bij het onderzoek over één of meer § 2. Wanneer de administratie bij het onderzoek over één of meer
aanwijzingen van belastingontduiking beschikt of wanneer de aanwijzingen van belastingontduiking beschikt of wanneer de
administratie zich voorneemt om de belastbare grondslag te bepalen administratie zich voorneemt om de belastbare grondslag te bepalen
overeenkomstig artikel 341, wordt een bank-, wissel-, krediet- of overeenkomstig artikel 341, wordt een bank-, wissel-, krediet- of
spaarinstelling als een derde beschouwd waarop de bepalingen van spaarinstelling als een derde beschouwd waarop de bepalingen van
paragraaf 1 onverminderd van toepassing zijn. paragraaf 1 onverminderd van toepassing zijn.
In voorkomend geval kan een ambtenaar met minstens de graad van In voorkomend geval kan een ambtenaar met minstens de graad van
directeur, die hiertoe werd aangesteld door de Minister van Financiën, directeur, die hiertoe werd aangesteld door de Minister van Financiën,
een ambtenaar met de graad van ten minste inspecteur ermee belasten om een ambtenaar met de graad van ten minste inspecteur ermee belasten om
bij een bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling elke inlichting op bij een bank-, wissel-, krediet- en spaarinstelling elke inlichting op
te vragen die nuttig kan zijn om het bedrag van de belastbare te vragen die nuttig kan zijn om het bedrag van de belastbare
inkomsten van de belastingplichtige te bepalen. inkomsten van de belastingplichtige te bepalen.
De door de minister aangestelde ambtenaar mag de machtiging slechts De door de minister aangestelde ambtenaar mag de machtiging slechts
verlenen : verlenen :
1° nadat de ambtenaar die het onderzoek voert, de inlichtingen en 1° nadat de ambtenaar die het onderzoek voert, de inlichtingen en
gegevens met betrekking tot de rekeningen tijdens het onderzoek gegevens met betrekking tot de rekeningen tijdens het onderzoek
middels een vraag om inlichtingen als bedoeld in artikel 316 heeft middels een vraag om inlichtingen als bedoeld in artikel 316 heeft
gevraagd en bij die vraag duidelijk heeft aangegeven dat hij de gevraagd en bij die vraag duidelijk heeft aangegeven dat hij de
toepassing van artikel 322, § 2, kan vragen indien de toepassing van artikel 322, § 2, kan vragen indien de
belastingplichtige de gevraagde gegevens verborgen houdt of ze weigert belastingplichtige de gevraagde gegevens verborgen houdt of ze weigert
te verschaffen. De opdracht bedoeld in het tweede lid kan pas te verschaffen. De opdracht bedoeld in het tweede lid kan pas
aanvangen wanneer de termijn bepaald in artikel 316 is verlopen; aanvangen wanneer de termijn bepaald in artikel 316 is verlopen;
2° nadat hij heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek een 2° nadat hij heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek een
eventuele toepassing van artikel 341 uitwijst of één of meer eventuele toepassing van artikel 341 uitwijst of één of meer
aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd en dat er aanwijzingen van belastingontduiking heeft opgeleverd en dat er
vermoedens zijn dat de belastingplichtige gegevens daarover bij een in vermoedens zijn dat de belastingplichtige gegevens daarover bij een in
het tweede lid bedoelde instelling verborgen houdt of dat de het tweede lid bedoelde instelling verborgen houdt of dat de
belastingplichtige weigert om die gegevens zelf te verschaffen. belastingplichtige weigert om die gegevens zelf te verschaffen.
§ 3. Iedere bank- wissel-, krediet- en spaarinstelling is er toe § 3. Iedere bank- wissel-, krediet- en spaarinstelling is er toe
gehouden om volgende gegevens kenbaar te maken bij een centraal gehouden om volgende gegevens kenbaar te maken bij een centraal
aanspreekpunt dat door de Nationale Bank van België wordt gehouden : aanspreekpunt dat door de Nationale Bank van België wordt gehouden :
de identiteit van de cliënten en de nummers van hun rekeningen en de identiteit van de cliënten en de nummers van hun rekeningen en
contracten. contracten.
Wanneer de door de minister aangestelde ambtenaar bedoeld in paragraaf Wanneer de door de minister aangestelde ambtenaar bedoeld in paragraaf
2, derde lid, heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek bedoeld in 2, derde lid, heeft vastgesteld dat het gevoerde onderzoek bedoeld in
paragraaf 2, één of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft paragraaf 2, één of meer aanwijzingen van belastingontduiking heeft
opgeleverd, kan hij de beschikbare gegevens over die opgeleverd, kan hij de beschikbare gegevens over die
belastingplichtige opvragen bij dat centraal aanspreekpunt. belastingplichtige opvragen bij dat centraal aanspreekpunt.
De Koning bepaalt de werking van het centraal aanspreekpunt. De Koning bepaalt de werking van het centraal aanspreekpunt.
§ 4. De paragrafen 2 en 3 zijn eveneens van toepassing wanneer een § 4. De paragrafen 2 en 3 zijn eveneens van toepassing wanneer een
inlichting wordt gevraagd door een buitenlandse Staat : inlichting wordt gevraagd door een buitenlandse Staat :
1° hetzij in het geval bedoeld in artikel 338, § 5; 1° hetzij in het geval bedoeld in artikel 338, § 5;
2° hetzij overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de 2° hetzij overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de
uitwisseling van inlichtingen in een van toepassing zijnde uitwisseling van inlichtingen in een van toepassing zijnde
overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting of een andere overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting of een andere
internationale overeenkomst in het kader waarvan de wederkerigheid is internationale overeenkomst in het kader waarvan de wederkerigheid is
gewaarborgd. gewaarborgd.
De vraag van de buitenlandse Staat wordt gelijkgesteld met een De vraag van de buitenlandse Staat wordt gelijkgesteld met een
aanwijzing als bedoeld in paragraaf 2. In dat geval verleent de door aanwijzing als bedoeld in paragraaf 2. In dat geval verleent de door
de minister aangestelde ambtenaar, in afwijking van paragraaf 2, de de minister aangestelde ambtenaar, in afwijking van paragraaf 2, de
machtiging op basis van de vraag gesteld door de buitenlandse Staat ». machtiging op basis van de vraag gesteld door de buitenlandse Staat ».
Ten aanzien van de ontvankelijkheid Ten aanzien van de ontvankelijkheid
Wat het belang betreft Wat het belang betreft
B.2.1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen B.2.1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen
om in rechte op te treden tegen artikel 9 van de wet van 7 november om in rechte op te treden tegen artikel 9 van de wet van 7 november
2011, dat alleen betrekking zou hebben op de buitenlandse 2011, dat alleen betrekking zou hebben op de buitenlandse
belastingplichtigen. belastingplichtigen.
B.2.2. Aangezien de vragen om inlichtingen die uitgaan van B.2.2. Aangezien de vragen om inlichtingen die uitgaan van
buitenlandse administraties bedoeld in artikel 322, § 4, van het WIB buitenlandse administraties bedoeld in artikel 322, § 4, van het WIB
1992, betrekking kunnen hebben op belastingplichtigen wier bescherming 1992, betrekking kunnen hebben op belastingplichtigen wier bescherming
valt onder het maatschappelijk doel van de vzw « Liga van valt onder het maatschappelijk doel van de vzw « Liga van
belastingplichtigen », doet die rechtspersoon blijken van het vereiste belastingplichtigen », doet die rechtspersoon blijken van het vereiste
belang om in rechte op te treden tegen artikel 9 van de wet van 7 belang om in rechte op te treden tegen artikel 9 van de wet van 7
november 2011. november 2011.
B.2.3. Aangezien het belang van minstens een van de verzoekende B.2.3. Aangezien het belang van minstens een van de verzoekende
partijen is aangetoond, dient het belang van de andere partijen die partijen is aangetoond, dient het belang van de andere partijen die
het verzoekschrift in die zaak gezamenlijk hebben ingediend, niet te het verzoekschrift in die zaak gezamenlijk hebben ingediend, niet te
worden onderzocht. worden onderzocht.
De exceptie wordt verworpen. De exceptie wordt verworpen.
Wat het onderwerp van het beroep betreft Wat het onderwerp van het beroep betreft
B.3.1. De Ministerraad is van mening dat het Hof het onderwerp van het B.3.1. De Ministerraad is van mening dat het Hof het onderwerp van het
beroep tot vernietiging moet beperken tot artikel 9, 2°, van de wet beroep tot vernietiging moet beperken tot artikel 9, 2°, van de wet
van 7 november 2011 en tot artikel 11, eerste lid, ervan, in zoverre van 7 november 2011 en tot artikel 11, eerste lid, ervan, in zoverre
daarin de inwerkingtreding van de artikelen 7 en 9 van die wet wordt daarin de inwerkingtreding van de artikelen 7 en 9 van die wet wordt
vastgesteld. vastgesteld.
B.3.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere B.3.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere
wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen
van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het
Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de
bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in
welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn
geschonden. geschonden.
Die bepaling vereist derhalve dat de verzoekende partijen aangeven Die bepaling vereist derhalve dat de verzoekende partijen aangeven
welke de artikelen zijn die volgens hen een schending uitmaken van de welke de artikelen zijn die volgens hen een schending uitmaken van de
in de middelen uiteengezette normen waarvan het Hof de naleving in de middelen uiteengezette normen waarvan het Hof de naleving
verzekert. verzekert.
Het Hof dient de omvang van het beroep tot vernietiging te bepalen aan Het Hof dient de omvang van het beroep tot vernietiging te bepalen aan
de hand van de inhoud van het verzoekschrift, inzonderheid op basis de hand van de inhoud van het verzoekschrift, inzonderheid op basis
van de uiteenzetting van de middelen. Het beperkt zijn onderzoek tot van de uiteenzetting van de middelen. Het beperkt zijn onderzoek tot
de bepalingen waarvan wordt uiteengezet in welk opzicht zij de in de de bepalingen waarvan wordt uiteengezet in welk opzicht zij de in de
middelen aangevoerde bepalingen zouden schenden. middelen aangevoerde bepalingen zouden schenden.
B.3.3. Uit het verzoekschrift blijkt dat alleen artikel 7, artikel 9, B.3.3. Uit het verzoekschrift blijkt dat alleen artikel 7, artikel 9,
2°, en artikel 11, eerste lid, in zoverre het de inwerkingtreding van 2°, en artikel 11, eerste lid, in zoverre het de inwerkingtreding van
de artikelen 7 en 9 vaststelt, van de wet van 7 november 2011 door de de artikelen 7 en 9 vaststelt, van de wet van 7 november 2011 door de
verzoekende partijen worden bekritiseerd. verzoekende partijen worden bekritiseerd.
B.3.4. Het beroep is derhalve niet ontvankelijk in zoverre het is B.3.4. Het beroep is derhalve niet ontvankelijk in zoverre het is
gericht tegen de wijzigingen die in artikel 333/1 van het WIB 1992 gericht tegen de wijzigingen die in artikel 333/1 van het WIB 1992
zijn aangebracht bij artikel 9, 1°, 3° en 4°, van de wet van 7 zijn aangebracht bij artikel 9, 1°, 3° en 4°, van de wet van 7
november 2011. november 2011.
Het is eveneens niet ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen het Het is eveneens niet ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen het
tweede lid van artikel 11 van de wet van 7 november 2011, alsook tegen tweede lid van artikel 11 van de wet van 7 november 2011, alsook tegen
het eerste lid van dat artikel, in zoverre het de inwerkingtreding het eerste lid van dat artikel, in zoverre het de inwerkingtreding
vaststelt van andere artikelen dan de artikelen 7 en 9, 2°, van die vaststelt van andere artikelen dan de artikelen 7 en 9, 2°, van die
wet. wet.
Ten gronde Ten gronde
Wat artikel 7 van de wet van 7 november 2011 betreft Wat artikel 7 van de wet van 7 november 2011 betreft
B.4.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending B.4.1. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending
van de artikelen 10, 11, 22 en 29 van de Grondwet, in samenhang van de artikelen 10, 11, 22 en 29 van de Grondwet, in samenhang
gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de
mens. Zij zijn van mening dat artikel 7 van de wet van 7 november 2011 mens. Zij zijn van mening dat artikel 7 van de wet van 7 november 2011
een einde maakt aan elke beperking van de onderzoeksbevoegdheid van de een einde maakt aan elke beperking van de onderzoeksbevoegdheid van de
met de invordering belaste ambtenaren, met andere woorden de met de invordering belaste ambtenaren, met andere woorden de
ontvangers, wat betreft de bankrekeningen van hun schuldenaars, de ontvangers, wat betreft de bankrekeningen van hun schuldenaars, de
belastingplichtigen. Daarnaast voeren zij aan dat, indien de wijziging belastingplichtigen. Daarnaast voeren zij aan dat, indien de wijziging
die is aangebracht in artikel 319bis van het WIB 1992 bij artikel 7 die is aangebracht in artikel 319bis van het WIB 1992 bij artikel 7
van de wet van 7 november 2011 in die zin moet begrepen dat zij het de van de wet van 7 november 2011 in die zin moet begrepen dat zij het de
ontvangers eveneens mogelijk maakt toegang te hebben tot het centraal ontvangers eveneens mogelijk maakt toegang te hebben tot het centraal
aanspreekpunt dat is opgericht bij artikel 322, § 3, hetgeen zij aanspreekpunt dat is opgericht bij artikel 322, § 3, hetgeen zij
betwisten, die bepaling in strijd is met de aangevoerde betwisten, die bepaling in strijd is met de aangevoerde
grondwetsbepalingen. grondwetsbepalingen.
B.4.2. De Ministerraad is van mening dat het middel onontvankelijk B.4.2. De Ministerraad is van mening dat het middel onontvankelijk
moet worden verklaard in zoverre het de schending aanvoert van de moet worden verklaard in zoverre het de schending aanvoert van de
artikelen 22 en 29 van de Grondwet door artikel 7 van de wet van 7 artikelen 22 en 29 van de Grondwet door artikel 7 van de wet van 7
november 2011 door het feit dat de door de ontvanger verkregen november 2011 door het feit dat de door de ontvanger verkregen
inlichtingen zouden kunnen worden meegedeeld aan de aanslagambtenaar, inlichtingen zouden kunnen worden meegedeeld aan de aanslagambtenaar,
omdat de partijen in hun verzoekschrift niet preciseren hoe de omdat de partijen in hun verzoekschrift niet preciseren hoe de
gegevens kunnen worden meegedeeld. gegevens kunnen worden meegedeeld.
Luidens het verzoekschrift kunnen de inlichtingen die worden verkregen Luidens het verzoekschrift kunnen de inlichtingen die worden verkregen
door de met de invordering belaste ambtenaren, aan alle andere door de met de invordering belaste ambtenaren, aan alle andere
ambtenaren van de belastingadministratie, met inbegrip van diegenen ambtenaren van de belastingadministratie, met inbegrip van diegenen
die zijn belast met het vaststellen van de belastbare grondslag en met die zijn belast met het vaststellen van de belastbare grondslag en met
de vestiging van de belasting, worden meegedeeld. In hun memorie van de vestiging van de belasting, worden meegedeeld. In hun memorie van
antwoord verwijzen de verzoekende partijen in dat opzicht naar de antwoord verwijzen de verzoekende partijen in dat opzicht naar de
artikelen 335 en 336 van het WIB 1992 en naar een arrest van het Hof artikelen 335 en 336 van het WIB 1992 en naar een arrest van het Hof
van Cassatie van 18 november 2010 (Arr. Cass., 2010, nr. 683). van Cassatie van 18 november 2010 (Arr. Cass., 2010, nr. 683).
B.4.3. De grief in verband met de overdracht van de gegevens die de B.4.3. De grief in verband met de overdracht van de gegevens die de
met de invordering belaste ambtenaren hebben verkregen, aan de andere met de invordering belaste ambtenaren hebben verkregen, aan de andere
ambtenaren van de belastingadministratie blijkt voldoende uit het ambtenaren van de belastingadministratie blijkt voldoende uit het
verzoekschrift. verzoekschrift.
De exceptie wordt verworpen. De exceptie wordt verworpen.
B.5.1. Artikel 319bis, tweede lid, van het WIB 1992 vindt zijn B.5.1. Artikel 319bis, tweede lid, van het WIB 1992 vindt zijn
oorsprong in artikel 8 van de programmawet (I) van 27 december 2006 en oorsprong in artikel 8 van de programmawet (I) van 27 december 2006 en
bepaalde, tot de wijziging ervan bij artikel 7 van de wet van 7 bepaalde, tot de wijziging ervan bij artikel 7 van de wet van 7
november 2011 : november 2011 :
« De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de ambtenaren belast « De in het eerste lid bedoelde bevoegdheden van de ambtenaren belast
met de invordering worden eveneens uitgeoefend zonder de beperkingen met de invordering worden eveneens uitgeoefend zonder de beperkingen
ten aanzien van de instellingen bedoeld in artikel 318 ». ten aanzien van de instellingen bedoeld in artikel 318 ».
Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de wetgever Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat de wetgever
de bevoegdheden van de met de invordering van de belasting belaste de bevoegdheden van de met de invordering van de belasting belaste
ambtenaren heeft willen uitbreiden : ambtenaren heeft willen uitbreiden :
« Dit impliceert dus dat de ambtenaren belast met de invordering, « Dit impliceert dus dat de ambtenaren belast met de invordering,
zonder dat de beperkingen van bevoegdheid voorzien in artikel 318, WIB zonder dat de beperkingen van bevoegdheid voorzien in artikel 318, WIB
92 op hen van toepassing zijn, kennis kunnen nemen van alle gegevens 92 op hen van toepassing zijn, kennis kunnen nemen van alle gegevens
met betrekking tot de vaststelling van de vermogenstoestand van een met betrekking tot de vaststelling van de vermogenstoestand van een
belastingschuldige die worden bijgehouden door een of verschillende belastingschuldige die worden bijgehouden door een of verschillende
instellingen bepaald bij artikel 318, WIB 92, waarbij wordt instellingen bepaald bij artikel 318, WIB 92, waarbij wordt
uitgesloten dat de aldus medegedeelde gegevens met het oog op de uitgesloten dat de aldus medegedeelde gegevens met het oog op de
vestiging van de door deze schuldenaar verschuldigde belasting worden vestiging van de door deze schuldenaar verschuldigde belasting worden
gebruikt » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2773/001, p. 18). gebruikt » (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2773/001, p. 18).
B.5.2. Naar aanleiding van de wijzigingen die in artikel 322 van het B.5.2. Naar aanleiding van de wijzigingen die in artikel 322 van het
WIB 1992 zijn aangebracht en van de invoeging van een artikel 333/1 in WIB 1992 zijn aangebracht en van de invoeging van een artikel 333/1 in
dat Wetboek bij de artikelen 55 en 56 van de wet van 14 april 2011 dat Wetboek bij de artikelen 55 en 56 van de wet van 14 april 2011
houdende diverse bepalingen, heeft de wetgever, met artikel 7 van de houdende diverse bepalingen, heeft de wetgever, met artikel 7 van de
wet van 7 november 2011, artikel 319bis, tweede lid, van het WIB 1992 wet van 7 november 2011, artikel 319bis, tweede lid, van het WIB 1992
willen aanpassen opdat de met de invordering van de belasting belaste willen aanpassen opdat de met de invordering van de belasting belaste
ambtenaren niet ertoe gehouden zouden zijn dezelfde regels als de ambtenaren niet ertoe gehouden zouden zijn dezelfde regels als de
aanslagambtenaren te volgen. De memorie van toelichting vermeldt aanslagambtenaren te volgen. De memorie van toelichting vermeldt
dienaangaande : dienaangaande :
« Teneinde de invorderingsambtenaren toe te laten om in het kader van « Teneinde de invorderingsambtenaren toe te laten om in het kader van
hun specifieke opdracht aan bank-, wissel-, krediet- en hun specifieke opdracht aan bank-, wissel-, krediet- en
spaarinstellingen te kunnen blijven inlichtingen vragen betreffende spaarinstellingen te kunnen blijven inlichtingen vragen betreffende
hun cliënten met het oog op het vaststellen van hun vermogenstoestand, hun cliënten met het oog op het vaststellen van hun vermogenstoestand,
zonder de in de artikelen 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3, WIB 92, zonder de in de artikelen 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3, WIB 92,
vermelde voorwaarden te moeten naleven, zoals dit nu al het geval is vermelde voorwaarden te moeten naleven, zoals dit nu al het geval is
met betrekking tot de inlichtingen die worden gevraagd bij toepassing met betrekking tot de inlichtingen die worden gevraagd bij toepassing
van artikel 318, WIB 92, wordt artikel 319bis, WIB 92 aangepast. van artikel 318, WIB 92, wordt artikel 319bis, WIB 92 aangepast.
Het centraal aanspreekpunt bedoeld in artikel 322, § 3, WIB 92 zal Het centraal aanspreekpunt bedoeld in artikel 322, § 3, WIB 92 zal
overeenkomstig artikel 322, § 1, WIB 92 door de ontvangers als een overeenkomstig artikel 322, § 1, WIB 92 door de ontvangers als een
derde beschouwd worden » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC derde beschouwd worden » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC
53-1737/001, p. 6). 53-1737/001, p. 6).
B.6. Het inwinnen en het verwerken van gegevens in verband met B.6. Het inwinnen en het verwerken van gegevens in verband met
rekeningen en financiële transacties vormen een inmenging in het rekeningen en financiële transacties vormen een inmenging in het
privéleven van de betrokken personen, alsook van de personen met wie privéleven van de betrokken personen, alsook van de personen met wie
zij die financiële verrichtingen hebben gedaan. zij die financiële verrichtingen hebben gedaan.
Ook al maken het inwinnen en het verwerken van dergelijke gegevens het Ook al maken het inwinnen en het verwerken van dergelijke gegevens het
niet altijd mogelijk rechtstreeks binnen te dringen in de niet altijd mogelijk rechtstreeks binnen te dringen in de
communicaties die betrekking kunnen hebben op het privéleven in zijn communicaties die betrekking kunnen hebben op het privéleven in zijn
meest intieme vorm, toch kunnen die onderzoeksmaatregelen min of meer meest intieme vorm, toch kunnen die onderzoeksmaatregelen min of meer
nauwkeurige en eensluidende gegevens aan het licht brengen over « het nauwkeurige en eensluidende gegevens aan het licht brengen over « het
gedrag, de meningen of de gevoelens » van de persoon die daarvan het gedrag, de meningen of de gevoelens » van de persoon die daarvan het
voorwerp uitmaakt (zie mutatis mutandis, EHRM, 2 september 2010, Uzun voorwerp uitmaakt (zie mutatis mutandis, EHRM, 2 september 2010, Uzun
t. Duitsland, § 52). t. Duitsland, § 52).
Het Hof moet bijgevolg erover waken dat de wetgever, wanneer hij voor Het Hof moet bijgevolg erover waken dat de wetgever, wanneer hij voor
de belastingadministratie mogelijkheden creëert om inzage te hebben de belastingadministratie mogelijkheden creëert om inzage te hebben
van gegevens met betrekking tot rekeningen en financiële transacties, van gegevens met betrekking tot rekeningen en financiële transacties,
de voorwaarden naleeft waaronder een dergelijke inmenging in het recht de voorwaarden naleeft waaronder een dergelijke inmenging in het recht
op de bescherming van het privéleven en, in voorkomend geval, van het op de bescherming van het privéleven en, in voorkomend geval, van het
gezinsleven toelaatbaar is in het licht van artikel 22 van de gezinsleven toelaatbaar is in het licht van artikel 22 van de
Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag
voor de rechten van de mens. voor de rechten van de mens.
B.7. Volgens de verzoekende partijen zouden de bestreden bepalingen B.7. Volgens de verzoekende partijen zouden de bestreden bepalingen
ook moeten worden getoetst in het licht van de waarborgen waarin ook moeten worden getoetst in het licht van de waarborgen waarin
artikel 29 van de Grondwet voorziet. artikel 29 van de Grondwet voorziet.
Die bepaling, die het briefgeheim waarborgt, verbiedt in beginsel dat Die bepaling, die het briefgeheim waarborgt, verbiedt in beginsel dat
de briefwisseling kan worden onderschept en geopend. de briefwisseling kan worden onderschept en geopend.
De bestreden bepalingen, die de belastingadministratie niet toestaan De bestreden bepalingen, die de belastingadministratie niet toestaan
de briefwisseling tussen de financiële instellingen en hun cliënten te de briefwisseling tussen de financiële instellingen en hun cliënten te
onderscheppen, schenden derhalve artikel 29 van de Grondwet niet. onderscheppen, schenden derhalve artikel 29 van de Grondwet niet.
B.8.1. Artikel 22 van de Grondwet heeft tot doel de personen te B.8.1. Artikel 22 van de Grondwet heeft tot doel de personen te
beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en gezinsleven. beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en gezinsleven.
Het Hof moet bijgevolg nog nagaan of de verplichting voor de Het Hof moet bijgevolg nog nagaan of de verplichting voor de
financiële instellingen om aan de belastingadministratie de financiële instellingen om aan de belastingadministratie de
briefwisseling vrij te geven die zij met hun cliënten hebben gehad, briefwisseling vrij te geven die zij met hun cliënten hebben gehad,
bestaanbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven. bestaanbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven.
B.8.2. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de B.8.2. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van de
Grondwet blijkt dat de Grondwetgever « een zo groot mogelijke Grondwet blijkt dat de Grondwetgever « een zo groot mogelijke
concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees concordantie [heeft willen nastreven] met artikel 8 van het Europees
Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele Verdrag tot Bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele
vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit vrijheden (EVRM), teneinde betwistingen over de inhoud van dit
Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden » Grondwetsartikel respectievelijk art. 8 van het EVRM te vermijden »
(Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).
B.8.3. De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 B.8.3. De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8
van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden
gewaarborgd, zijn niet absoluut. Hoewel artikel 22 van de Grondwet aan gewaarborgd, zijn niet absoluut. Hoewel artikel 22 van de Grondwet aan
eenieder het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn eenieder het recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn
gezinsleven toekent, voegt die bepaling daaraan immers onmiddellijk gezinsleven toekent, voegt die bepaling daaraan immers onmiddellijk
toe : « behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet toe : « behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet
bepaald ». bepaald ».
Die grondwetsbepaling waarborgt derhalve dat geen enkele Die grondwetsbepaling waarborgt derhalve dat geen enkele
overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en
het gezinsleven kan plaatsvinden dan krachtens voldoende precieze het gezinsleven kan plaatsvinden dan krachtens voldoende precieze
regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende
vergadering, waarbij elke inmenging in dat recht dient te beantwoorden vergadering, waarbij elke inmenging in dat recht dient te beantwoorden
aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig dient te zijn aan een dwingende maatschappelijke behoefte en evenredig dient te zijn
met de nagestreefde wettige doelstelling. met de nagestreefde wettige doelstelling.
B.9. Artikel 7 van de wet van 7 november 2011 streeft een doel van B.9. Artikel 7 van de wet van 7 november 2011 streeft een doel van
algemeen belang na in de zin van artikel 8.2 van het Europees Verdrag algemeen belang na in de zin van artikel 8.2 van het Europees Verdrag
voor de rechten van de mens, in zoverre de doeltreffende invordering voor de rechten van de mens, in zoverre de doeltreffende invordering
van de belasting ertoe strekt de gelijkheid van de burgers voor de van de belasting ertoe strekt de gelijkheid van de burgers voor de
fiscale wet te waarborgen en de belangen van de Schatkist te fiscale wet te waarborgen en de belangen van de Schatkist te
vrijwaren, wat noodzakelijk is om « het economisch welzijn van het vrijwaren, wat noodzakelijk is om « het economisch welzijn van het
land » te verzekeren. land » te verzekeren.
B.10. Het Hof moet voorts nagaan of die inmenging voldoet aan het B.10. Het Hof moet voorts nagaan of die inmenging voldoet aan het
wettigheidsbeginsel en of zij redelijk is verantwoord. wettigheidsbeginsel en of zij redelijk is verantwoord.
B.11.1. Door aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voor te behouden B.11.1. Door aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voor te behouden
om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden het recht om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden het recht
op eerbiediging van het privéleven kan worden aangetast, waarborgt op eerbiediging van het privéleven kan worden aangetast, waarborgt
artikel 22 van de Grondwet iedere burger dat geen enkele inmenging in artikel 22 van de Grondwet iedere burger dat geen enkele inmenging in
dat recht toegelaten is dan krachtens de regels die zijn aangenomen dat recht toegelaten is dan krachtens de regels die zijn aangenomen
door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.
Naast die formele wettigheidsvereiste legt artikel 22 van de Grondwet Naast die formele wettigheidsvereiste legt artikel 22 van de Grondwet
eveneens de verplichting op dat de inmenging in het recht op eveneens de verplichting op dat de inmenging in het recht op
eerbiediging van het privéleven in duidelijke en voldoende nauwkeurige eerbiediging van het privéleven in duidelijke en voldoende nauwkeurige
bewoordingen wordt geformuleerd die het mogelijk maken de hypothesen bewoordingen wordt geformuleerd die het mogelijk maken de hypothesen
te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging in het recht te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging in het recht
op eerbiediging van het privéleven toestaat. op eerbiediging van het privéleven toestaat.
Evenzo houdt de vereiste van voorzienbaarheid waaraan de wet moet Evenzo houdt de vereiste van voorzienbaarheid waaraan de wet moet
voldoen om in overeenstemming te worden bevonden met artikel 8 van het voldoen om in overeenstemming te worden bevonden met artikel 8 van het
Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in dat de formulering Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in dat de formulering
ervan voldoende precies is zodat elk individu in de gegeven ervan voldoende precies is zodat elk individu in de gegeven
omstandigheden in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde omstandigheden in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde
handeling kan voorzien (EHRM, 17 februari 2004, Maestri t. Italië, § handeling kan voorzien (EHRM, 17 februari 2004, Maestri t. Italië, §
30). 30).
De wet moet waarborgen bieden tegen willekeurige aantastingen door de De wet moet waarborgen bieden tegen willekeurige aantastingen door de
overheid van het recht op eerbiediging van het privéleven, namelijk overheid van het recht op eerbiediging van het privéleven, namelijk
door de beoordelingsbevoegdheid van de betrokken overheden op door de beoordelingsbevoegdheid van de betrokken overheden op
voldoende duidelijke wijze af te bakenen, enerzijds, en door in een voldoende duidelijke wijze af te bakenen, enerzijds, en door in een
effectief jurisdictioneel toezicht te voorzien, anderzijds (zie, onder effectief jurisdictioneel toezicht te voorzien, anderzijds (zie, onder
andere, EHRM, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, § 55; 6 juni 2006, andere, EHRM, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, § 55; 6 juni 2006,
Segerstedt-Wiberg t. Zweden, § 76; 4 juli 2006, Lupsa t. Roemenië, § Segerstedt-Wiberg t. Zweden, § 76; 4 juli 2006, Lupsa t. Roemenië, §
34). 34).
B.11.2. Artikel 7 van de wet van 7 november 2011 staat een inmenging, B.11.2. Artikel 7 van de wet van 7 november 2011 staat een inmenging,
door de administratie, toe in het privéleven van de belastingplichtige door de administratie, toe in het privéleven van de belastingplichtige
teneinde zijn vermogenssituatie vast te stellen om de invordering van teneinde zijn vermogenssituatie vast te stellen om de invordering van
de belasting te verzekeren, zonder haar ertoe te verplichten te de belasting te verzekeren, zonder haar ertoe te verplichten te
voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 322, §§ 2 tot 4, en voldoen aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 322, §§ 2 tot 4, en
327, § 3, van het WIB 1992. 327, § 3, van het WIB 1992.
De invordering van de belasting gebeurt op een ogenblik dat de De invordering van de belasting gebeurt op een ogenblik dat de
belastingschuld is vastgesteld en in de hypothese dat zij niet is belastingschuld is vastgesteld en in de hypothese dat zij niet is
betaald door de belastingplichtige. betaald door de belastingplichtige.
De bestreden bepaling voldoet dus aan het wettigheidsbeginsel. De bestreden bepaling voldoet dus aan het wettigheidsbeginsel.
B.12. Het Hof moet voorts nagaan of de inmenging in het recht op B.12. Het Hof moet voorts nagaan of de inmenging in het recht op
eerbiediging van het privéleven van de belastingplichtige en van de eerbiediging van het privéleven van de belastingplichtige en van de
personen met wie hij financiële verrichtingen heeft gedaan, redelijk personen met wie hij financiële verrichtingen heeft gedaan, redelijk
is verantwoord. Daartoe dient te worden nagegaan of de motieven die is verantwoord. Daartoe dient te worden nagegaan of de motieven die
zijn aangevoerd om die inmenging te verantwoorden, relevant en zijn aangevoerd om die inmenging te verantwoorden, relevant en
toereikend zijn, alsook of het evenredigheidsbeginsel is nageleefd. toereikend zijn, alsook of het evenredigheidsbeginsel is nageleefd.
B.13. Door de administratie toe te staan zich te mengen in het B.13. Door de administratie toe te staan zich te mengen in het
privéleven van de belastingplichtige teneinde zijn vermogenssituatie privéleven van de belastingplichtige teneinde zijn vermogenssituatie
vast te stellen om de invordering van de belasting te verzekeren, vast te stellen om de invordering van de belasting te verzekeren,
zonder haar ertoe te verplichten de voorwaarden bepaald in de zonder haar ertoe te verplichten de voorwaarden bepaald in de
artikelen 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3, van het WIB 1992 na te leven, artikelen 322, §§ 2 tot 4, en 327, § 3, van het WIB 1992 na te leven,
behandelt artikel 7 van de wet van 7 november 2011 de behandelt artikel 7 van de wet van 7 november 2011 de
belastingplichtigen op een verschillende manier naargelang hun belastingplichtigen op een verschillende manier naargelang hun
privéleven wordt aangetast op het ogenblik van de vestiging van de privéleven wordt aangetast op het ogenblik van de vestiging van de
belasting dan wel op het ogenblik van de invordering ervan. belasting dan wel op het ogenblik van de invordering ervan.
In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, gaat het om In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, gaat het om
vergelijkbare categorieën. vergelijkbare categorieën.
Het verschil in behandeling kan evenwel objectief en redelijk worden Het verschil in behandeling kan evenwel objectief en redelijk worden
verantwoord door het feit dat de aantasting van het recht op het verantwoord door het feit dat de aantasting van het recht op het
privéleven met het oog op de invordering van de belasting niet privéleven met het oog op de invordering van de belasting niet
evenveel opzoekingen vergt als het vaststellen van het bedrag van de evenveel opzoekingen vergt als het vaststellen van het bedrag van de
belastbare inkomsten van de belastingplichtige. De belastbare inkomsten van de belastingplichtige. De
onderzoeksbevoegdheden waarover de met de invordering belaste onderzoeksbevoegdheden waarover de met de invordering belaste
ambtenaren beschikken, beogen uitsluitend de vaststelling van de ambtenaren beschikken, beogen uitsluitend de vaststelling van de
vermogenssituatie van de schuldenaar teneinde de invordering van de vermogenssituatie van de schuldenaar teneinde de invordering van de
belasting te verzekeren. De voorwaarden bepaald in de artikelen 322, belasting te verzekeren. De voorwaarden bepaald in de artikelen 322,
§§ 2 tot 4, en 327, § 3, van het WIB 1992 inzake het zoeken naar §§ 2 tot 4, en 327, § 3, van het WIB 1992 inzake het zoeken naar
gegevens aan de hand waarvan het bedrag van de belastbare inkomsten gegevens aan de hand waarvan het bedrag van de belastbare inkomsten
van de belastingplichtige kan worden vastgesteld, zijn relevant van de belastingplichtige kan worden vastgesteld, zijn relevant
wanneer het erom gaat de belasting te vestigen op basis van wanneer het erom gaat de belasting te vestigen op basis van
aanwijzingen van belastingontduiking of een vertekening tussen de aanwijzingen van belastingontduiking of een vertekening tussen de
aangegeven inkomsten en de gegoedheid van de belastingplichtige; zij aangegeven inkomsten en de gegoedheid van de belastingplichtige; zij
zijn dat niet wanneer het erom gaat een verschuldigde belasting in te zijn dat niet wanneer het erom gaat een verschuldigde belasting in te
vorderen. vorderen.
Overigens, alleen inlichtingen die noodzakelijk zijn om de Overigens, alleen inlichtingen die noodzakelijk zijn om de
vermogenssituatie van de schuldenaar vast te stellen met het oog op de vermogenssituatie van de schuldenaar vast te stellen met het oog op de
invordering van de belasting kunnen worden opgevraagd bij de invordering van de belasting kunnen worden opgevraagd bij de
financiële instellingen door de met de invordering belaste ambtenaren, financiële instellingen door de met de invordering belaste ambtenaren,
waarbij die ambtenaren bovendien ertoe zijn gehouden, bij de inwinning waarbij die ambtenaren bovendien ertoe zijn gehouden, bij de inwinning
en verwerking van die inlichtingen, de voorschriften na te leven van en verwerking van die inlichtingen, de voorschriften na te leven van
de wet van 8 december 1992 « tot bescherming van de persoonlijke de wet van 8 december 1992 « tot bescherming van de persoonlijke
levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens », levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens »,
binnen de perken van het materiële toepassingsgebied ervan. binnen de perken van het materiële toepassingsgebied ervan.
Bovendien is « hij die, uit welken hoofde ook, optreedt bij de Bovendien is « hij die, uit welken hoofde ook, optreedt bij de
toepassing van de belastingwetten [...], buiten het uitoefenen van toepassing van de belastingwetten [...], buiten het uitoefenen van
zijn ambt, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande zijn ambt, verplicht tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande
alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis
heeft » (artikel 337, eerste lid, van het WIB 1992). De schending van heeft » (artikel 337, eerste lid, van het WIB 1992). De schending van
dat beroepsgeheim wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 van het dat beroepsgeheim wordt bestraft overeenkomstig artikel 458 van het
Strafwetboek (artikel 453 van het WIB 1992). Die verplichting Strafwetboek (artikel 453 van het WIB 1992). Die verplichting
impliceert dat de belastingadministratie geen bij een financiële impliceert dat de belastingadministratie geen bij een financiële
instelling verkregen inlichtingen betreffende het privéleven van een instelling verkregen inlichtingen betreffende het privéleven van een
belastingplichtige die niet noodzakelijk zouden zijn om een juiste belastingplichtige die niet noodzakelijk zouden zijn om een juiste
inning van de belasting te waarborgen, mag gebruiken of aan derden mag inning van de belasting te waarborgen, mag gebruiken of aan derden mag
meedelen. meedelen.
Ten slotte blijkt uit de in B.5.1 en B.5.2 aangehaalde parlementaire Ten slotte blijkt uit de in B.5.1 en B.5.2 aangehaalde parlementaire
voorbereiding duidelijk dat de wetgever heeft uitgesloten dat de voorbereiding duidelijk dat de wetgever heeft uitgesloten dat de
inlichtingen die worden verkregen om de invordering van de belasting inlichtingen die worden verkregen om de invordering van de belasting
mogelijk te maken, zouden worden gebruikt voor de vestiging van de mogelijk te maken, zouden worden gebruikt voor de vestiging van de
belasting en dat het in artikel 322, § 3, van het WIB 1992 vermelde belasting en dat het in artikel 322, § 3, van het WIB 1992 vermelde
centraal aanspreekpunt, overeenkomstig artikel 322, § 1, van het WIB centraal aanspreekpunt, overeenkomstig artikel 322, § 1, van het WIB
1992, door de ontvangers wordt beschouwd als een derde. 1992, door de ontvangers wordt beschouwd als een derde.
B.14. Het middel is niet gegrond. B.14. Het middel is niet gegrond.
Wat artikel 9, 2°, van de wet van 7 november 2011 betreft Wat artikel 9, 2°, van de wet van 7 november 2011 betreft
B.15. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending B.15. De verzoekende partijen leiden een middel af uit de schending
van de artikelen 10, 11, 22 en 29 van de Grondwet, in samenhang van de artikelen 10, 11, 22 en 29 van de Grondwet, in samenhang
gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de
mens. Artikel 9 van de wet van 7 november 2011 heeft een einde gemaakt mens. Artikel 9 van de wet van 7 november 2011 heeft een einde gemaakt
aan de verplichting om de belastingplichtige in te lichten wanneer de aan de verplichting om de belastingplichtige in te lichten wanneer de
vraag om inlichtingen uitgaat van een buitenlandse Staat. De vraag om inlichtingen uitgaat van een buitenlandse Staat. De
verzoekende partijen zijn van mening dat die bepaling discriminerend verzoekende partijen zijn van mening dat die bepaling discriminerend
is en afbreuk doet aan het recht op het privéleven. is en afbreuk doet aan het recht op het privéleven.
B.16. Artikel 9, 2°, van de wet van 7 november 2011 voegt in artikel B.16. Artikel 9, 2°, van de wet van 7 november 2011 voegt in artikel
333/1, § 1, van het WIB 1992 een lid in dat bepaalt dat het eerste lid 333/1, § 1, van het WIB 1992 een lid in dat bepaalt dat het eerste lid
van paragraaf 1 niet van toepassing is op de vragen om inlichtingen van paragraaf 1 niet van toepassing is op de vragen om inlichtingen
uitgaande van buitenlandse administraties, bedoeld in artikel 322, § uitgaande van buitenlandse administraties, bedoeld in artikel 322, §
4. 4.
B.17. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 november B.17. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 november
2011 blijkt dat volgens de wetgever de informatieplicht onder de 2011 blijkt dat volgens de wetgever de informatieplicht onder de
verantwoordelijkheid van de buitenlandse administratie valt. De verantwoordelijkheid van de buitenlandse administratie valt. De
memorie van toelichting vermeldt : memorie van toelichting vermeldt :
« Wanneer een buitenlandse administratie een aanvraag doet, moet « Wanneer een buitenlandse administratie een aanvraag doet, moet
immers worden geacht, gelet op de bijzondere procedures voor immers worden geacht, gelet op de bijzondere procedures voor
dergelijke vragen, dat de buitenlandse administratie vooraf reeds de dergelijke vragen, dat de buitenlandse administratie vooraf reeds de
nodige onderzoeksverrichtingen bij de belastingplichtige zelf heeft nodige onderzoeksverrichtingen bij de belastingplichtige zelf heeft
verricht zodat de voorafgaande kennisgeving enkel kan leiden tot verricht zodat de voorafgaande kennisgeving enkel kan leiden tot
nutteloos tijdverlies » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1737/001, nutteloos tijdverlies » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1737/001,
p. 7). p. 7).
In haar advies heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State zich In haar advies heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State zich
afgevraagd of het verschil in behandeling, op het vlak van de afgevraagd of het verschil in behandeling, op het vlak van de
kennisgeving, tussen de vragen die uitgaan van België en die welke kennisgeving, tussen de vragen die uitgaan van België en die welke
uitgaan van het buitenland verantwoord is. Zij heeft twijfels geuit uitgaan van het buitenland verantwoord is. Zij heeft twijfels geuit
bij het aangevoerde tijdsverlies, aangezien het « in kennis stellen bij het aangevoerde tijdsverlies, aangezien het « in kennis stellen
van het verzoek van de buitenlandse Staat om het bankgeheim te van het verzoek van de buitenlandse Staat om het bankgeheim te
doorbreken [...] overeenkomstig artikel 331/1, § 1, eerste lid WIB 92 doorbreken [...] overeenkomstig artikel 331/1, § 1, eerste lid WIB 92
gelijktijdig gebeurt met het verzoek om inlichtingen bij de bank » gelijktijdig gebeurt met het verzoek om inlichtingen bij de bank »
(Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1737/001, p. 26). De afdeling (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-1737/001, p. 26). De afdeling
wetgeving van de Raad van State heeft overigens een tegenstrijdigheid wetgeving van de Raad van State heeft overigens een tegenstrijdigheid
opgemerkt tussen de memorie van toelichting, waarin wordt uitgegaan opgemerkt tussen de memorie van toelichting, waarin wordt uitgegaan
van de idee dat de belastingplichtige is ingelicht door de van de idee dat de belastingplichtige is ingelicht door de
buitenlandse administratie, en de uitleg van de gemachtigde die stelt buitenlandse administratie, en de uitleg van de gemachtigde die stelt
dat de kennisgeving aan de belastingplichtige problemen kan doen dat de kennisgeving aan de belastingplichtige problemen kan doen
rijzen voor de buitenlandse administratie (ibid.). Het wetsontwerp rijzen voor de buitenlandse administratie (ibid.). Het wetsontwerp
heeft de bepaling behouden, ondanks het advies van de afdeling heeft de bepaling behouden, ondanks het advies van de afdeling
wetgeving. De memorie van toelichting vermeldt daaromtrent : wetgeving. De memorie van toelichting vermeldt daaromtrent :
« Daarentegen is de regering van mening dat het noodzakelijk is de « Daarentegen is de regering van mening dat het noodzakelijk is de
aanvulling aan artikel 333/1, § 1, WIB 92 met betrekking tot het niet aanvulling aan artikel 333/1, § 1, WIB 92 met betrekking tot het niet
moeten toesturen van een kennisgeving aan een buitenlandse moeten toesturen van een kennisgeving aan een buitenlandse
belastingplichtige te behouden. De Raad van State gaat er in het belastingplichtige te behouden. De Raad van State gaat er in het
advies nr. 49 856/1 blijkbaar van uit dat in de andere landen een advies nr. 49 856/1 blijkbaar van uit dat in de andere landen een
gelijkaardige regel bestaat inzake het vragen van inlichtingen aan gelijkaardige regel bestaat inzake het vragen van inlichtingen aan
financiële instellingen. Niets is echter minder waar. In de meeste financiële instellingen. Niets is echter minder waar. In de meeste
landen is er geen enkele beperking van de mogelijkheid om dergelijke landen is er geen enkele beperking van de mogelijkheid om dergelijke
inlichtingen te vragen. In die zin is het dan ook terecht dat de inlichtingen te vragen. In die zin is het dan ook terecht dat de
gedelegeerde ambtenaar in antwoord op een vraag vanwege de Raad van gedelegeerde ambtenaar in antwoord op een vraag vanwege de Raad van
State opmerkt dat een eventuele toezending van een kennisgeving door State opmerkt dat een eventuele toezending van een kennisgeving door
de Belgische administratie het onderzoek in de andere Staat in gevaar de Belgische administratie het onderzoek in de andere Staat in gevaar
kan brengen. De buitenlandse administratie moet immers effectief alle kan brengen. De buitenlandse administratie moet immers effectief alle
stappen ondernemen binnen haar eigen bevoegdheden om de vereiste stappen ondernemen binnen haar eigen bevoegdheden om de vereiste
inlichtingen te bekomen maar dit impliceert dus zelden dat er een inlichtingen te bekomen maar dit impliceert dus zelden dat er een
kennisgeving aan de buitenlandse belastingplichtige moet worden kennisgeving aan de buitenlandse belastingplichtige moet worden
verzonden. verzonden.
In het geval de buitenlandse administratie krachtens haar In het geval de buitenlandse administratie krachtens haar
internrechtelijke regels verplicht is een kennisgeving te doen, zal internrechtelijke regels verplicht is een kennisgeving te doen, zal
dat noodzakelijkerwijs moeten gebeuren op het ogenblik dat de vraag dat noodzakelijkerwijs moeten gebeuren op het ogenblik dat de vraag
aan de Belgische administratie wordt gesteld die op dat punt enkel een aan de Belgische administratie wordt gesteld die op dat punt enkel een
tussenpersoon is tussen de buitenlandse administratie en de Belgische tussenpersoon is tussen de buitenlandse administratie en de Belgische
financiële instelling. financiële instelling.
Om die redenen lijkt het niet opportuun om vanuit België een Om die redenen lijkt het niet opportuun om vanuit België een
kennisgeving toe te sturen » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC kennisgeving toe te sturen » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC
53-1737/001, pp. 7 en 8). 53-1737/001, pp. 7 en 8).
B.18. Zoals het Hof heeft gepreciseerd in zijn arrest nr. 6/2013 van B.18. Zoals het Hof heeft gepreciseerd in zijn arrest nr. 6/2013 van
14 februari 2013 vormen de procedurele vereisten « belangrijke 14 februari 2013 vormen de procedurele vereisten « belangrijke
waarborgen tegen willekeurige inmengingen in het privéleven van de waarborgen tegen willekeurige inmengingen in het privéleven van de
belastingplichtige en van de personen met wie hij financiële belastingplichtige en van de personen met wie hij financiële
verrichtingen heeft gedaan ». Het Hof heeft in dat arrest rekening verrichtingen heeft gedaan ». Het Hof heeft in dat arrest rekening
gehouden met de kennisgeving aan de belastingplichtige, zoals bepaald gehouden met de kennisgeving aan de belastingplichtige, zoals bepaald
in artikel 333/1, § 1, eerste lid, van het WIB 1992 om te besluiten in artikel 333/1, § 1, eerste lid, van het WIB 1992 om te besluiten
dat de verplichting voor de financiële instellingen om aan de dat de verplichting voor de financiële instellingen om aan de
belastingadministratie de briefwisseling vrij te geven die zij met hun belastingadministratie de briefwisseling vrij te geven die zij met hun
cliënten hebben gehad verenigbaar is met het recht op de eerbiediging cliënten hebben gehad verenigbaar is met het recht op de eerbiediging
van het privéleven onder de bij de wet bepaalde voorwaarden. van het privéleven onder de bij de wet bepaalde voorwaarden.
Het verschil in behandeling inzake de kennisgeving tussen de vragen Het verschil in behandeling inzake de kennisgeving tussen de vragen
van de administratie naargelang die al dan niet het gevolg zijn van van de administratie naargelang die al dan niet het gevolg zijn van
een verzoek van een buitenlandse Staat is niet redelijk verantwoord. een verzoek van een buitenlandse Staat is niet redelijk verantwoord.
Artikel 322, § 4, van het WIB 1992 bepaalt immers dat de vraag van de Artikel 322, § 4, van het WIB 1992 bepaalt immers dat de vraag van de
buitenlandse Staat wordt gelijkgesteld met een aanwijzing van buitenlandse Staat wordt gelijkgesteld met een aanwijzing van
belastingontduiking. De kennisgeving aan de belastingplichtige vormt belastingontduiking. De kennisgeving aan de belastingplichtige vormt
derhalve een belangrijke waarborg tegen de inmenging in zijn derhalve een belangrijke waarborg tegen de inmenging in zijn
privéleven. privéleven.
B.19. Het middel is gegrond. B.19. Het middel is gegrond.
B.20. Teneinde belangrijke administratieve moeilijkheden te vermijden B.20. Teneinde belangrijke administratieve moeilijkheden te vermijden
die de terugwerkende kracht van de vernietiging zou veroorzaken, die de terugwerkende kracht van de vernietiging zou veroorzaken,
dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling, met toepassing van dienen de gevolgen van de vernietigde bepaling, met toepassing van
artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het artikel 8, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
Grondwettelijk Hof, te worden gehandhaafd zoals aangegeven in het Grondwettelijk Hof, te worden gehandhaafd zoals aangegeven in het
beschikkend gedeelte. beschikkend gedeelte.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
- vernietigt artikel 9, 2°, van de wet van 7 november 2011 houdende - vernietigt artikel 9, 2°, van de wet van 7 november 2011 houdende
fiscale en diverse bepalingen; fiscale en diverse bepalingen;
- handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling ten aanzien van - handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling ten aanzien van
alle toepassingen die ervan zouden zijn gemaakt vóór de bekendmaking alle toepassingen die ervan zouden zijn gemaakt vóór de bekendmaking
van dit arrest in het Belgisch Staatsblad; van dit arrest in het Belgisch Staatsblad;
- verwerpt het beroep voor het overige. - verwerpt het beroep voor het overige.
Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits,
overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op
het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 mei 2013. het Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 16 mei 2013.
De griffier, De griffier,
P.-Y. Dutilleux P.-Y. Dutilleux
De voorzitter, De voorzitter,
R. Henneuse R. Henneuse
^