← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 161/2012 van 20 december 2012 Rolnummer : 5285 In zake :
de prejudiciële vragen betreffende artikel 53, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,
gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel."
Uittreksel uit arrest nr. 161/2012 van 20 december 2012 Rolnummer : 5285 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 53, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. | Uittreksel uit arrest nr. 161/2012 van 20 december 2012 Rolnummer : 5285 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 53, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | GRONDWETTELIJK HOF |
Uittreksel uit arrest nr. 161/2012 van 20 december 2012 | Uittreksel uit arrest nr. 161/2012 van 20 december 2012 |
Rolnummer : 5285 | Rolnummer : 5285 |
In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 53, 6°, van het | In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 53, 6°, van het |
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank | Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank |
van eerste aanleg te Brussel. | van eerste aanleg te Brussel. |
Het Grondwettelijk Hof, | Het Grondwettelijk Hof, |
samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter J.-P. Snappe, | samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter J.-P. Snappe, |
waarnemend voorzitter, en de rechters A. Alen, J.-P. Moerman, J. | waarnemend voorzitter, en de rechters A. Alen, J.-P. Moerman, J. |
Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier | Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier |
F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, | F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging | I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging |
Bij vonnis van 20 december 2011 in zake de nv « Tessenderlo Chemie » | Bij vonnis van 20 december 2011 in zake de nv « Tessenderlo Chemie » |
tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof | tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof |
is ingekomen op 6 januari 2012, heeft de Rechtbank van eerste aanleg | is ingekomen op 6 januari 2012, heeft de Rechtbank van eerste aanleg |
te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : | te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : |
« 1. Schendt de bepaling van artikel 53, 6° WIB 92 in die zin | « 1. Schendt de bepaling van artikel 53, 6° WIB 92 in die zin |
uitgelegd dat zij doelt op geldelijke sancties op basis van (al dan | uitgelegd dat zij doelt op geldelijke sancties op basis van (al dan |
niet bijzondere) strafwetgeving, doch niet op administratieve | niet bijzondere) strafwetgeving, doch niet op administratieve |
geldboeten, die hun oorsprong vinden in bepalingen van administratieve | geldboeten, die hun oorsprong vinden in bepalingen van administratieve |
aard, met name boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens | aard, met name boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens |
Verordening nr. 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de | Verordening nr. 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de |
artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de | artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de |
Europese Unie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de | Europese Unie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de |
straffen opgelegd door een strafwet niet en de bedoelde | straffen opgelegd door een strafwet niet en de bedoelde |
administratieve sancties wegens inbreuken op de communautaire | administratieve sancties wegens inbreuken op de communautaire |
mededingingsregels wel kunnen worden afgetrokken van de | mededingingsregels wel kunnen worden afgetrokken van de |
beroepsinkomsten van de belastingplichtige ? | beroepsinkomsten van de belastingplichtige ? |
2. Schendt de bepaling van artikel 53, 6° WIB 92 in die zin uitgelegd | 2. Schendt de bepaling van artikel 53, 6° WIB 92 in die zin uitgelegd |
dat zij doelt op straffen in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot | dat zij doelt op straffen in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot |
Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden | Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden |
zonder onderscheid naar gelang zij al dan niet hun oorsprong vinden in | zonder onderscheid naar gelang zij al dan niet hun oorsprong vinden in |
bepalingen van (al dan niet bijzonder) strafrecht naar Belgisch recht | bepalingen van (al dan niet bijzonder) strafrecht naar Belgisch recht |
dan wel bepalingen van administratieve aard, met name boeten opgelegd | dan wel bepalingen van administratieve aard, met name boeten opgelegd |
door de Europese Commissie krachtens Verordening nr. 1/2003 in het | door de Europese Commissie krachtens Verordening nr. 1/2003 in het |
kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en 102 van het Verdrag | kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en 102 van het Verdrag |
betreffende de werking van de Europese Unie, de artikelen 10 en 11 van | betreffende de werking van de Europese Unie, de artikelen 10 en 11 van |
de Grondwet ? ». | de Grondwet ? ». |
(...) | (...) |
III. In rechte | III. In rechte |
(...) | (...) |
Wat de in het geding zijnde bepaling betreft | Wat de in het geding zijnde bepaling betreft |
B.1.1. Artikel 48 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 | B.1.1. Artikel 48 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 |
(hierna : WIB 1992) bepaalt : | (hierna : WIB 1992) bepaalt : |
« Binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, | « Binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, |
worden vrijgesteld de waardeverminderingen en de voorzieningen voor | worden vrijgesteld de waardeverminderingen en de voorzieningen voor |
risico's en kosten die door ondernemingen worden geboekt om het hoofd | risico's en kosten die door ondernemingen worden geboekt om het hoofd |
te bieden aan scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan | te bieden aan scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan |
de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn. | de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn. |
[...] ». | [...] ». |
B.1.2. Artikel 24, 1°, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 | B.1.2. Artikel 24, 1°, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 |
tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 | tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 |
bepaalt : | bepaalt : |
« Uit de winst van het in artikel 22 vermelde tijdperk worden eveneens | « Uit de winst van het in artikel 22 vermelde tijdperk worden eveneens |
de voorzieningen voor risico's en kosten gesloten die bij het | de voorzieningen voor risico's en kosten gesloten die bij het |
verstrijken van dat tijdperk zijn aangelegd, wanneer : | verstrijken van dat tijdperk zijn aangelegd, wanneer : |
1° de kosten, ter bestrijding waarvan de voorzieningen bestemd zijn, | 1° de kosten, ter bestrijding waarvan de voorzieningen bestemd zijn, |
uiteraard aftrekbaar zijn als beroepskosten en geacht worden normaal | uiteraard aftrekbaar zijn als beroepskosten en geacht worden normaal |
op de uitslagen van dat tijdperk te drukken ». | op de uitslagen van dat tijdperk te drukken ». |
B.1.3. Artikel 53, 6°, van het WIB 1992 bepaalt : | B.1.3. Artikel 53, 6°, van het WIB 1992 bepaalt : |
« Als beroepskosten worden niet aangemerkt : | « Als beroepskosten worden niet aangemerkt : |
[...] | [...] |
6° geldboeten, met inbegrip van transactionele geldboeten, | 6° geldboeten, met inbegrip van transactionele geldboeten, |
verbeurdverklaringen en straffen van alle aard, zelfs indien die | verbeurdverklaringen en straffen van alle aard, zelfs indien die |
geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van de | geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van de |
belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in artikel 30 ». | belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in artikel 30 ». |
B.1.4. Uit de combinatie van de voormelde bepalingen vloeit voort dat | B.1.4. Uit de combinatie van de voormelde bepalingen vloeit voort dat |
voorzieningen niet worden vrijgesteld of uit de winst gesloten wanneer | voorzieningen niet worden vrijgesteld of uit de winst gesloten wanneer |
ze zijn aangelegd met het oog op de betaling van geldboeten in de zin | ze zijn aangelegd met het oog op de betaling van geldboeten in de zin |
van artikel 53, 6°, van het WIB 1992, vermits die geldboeten niet | van artikel 53, 6°, van het WIB 1992, vermits die geldboeten niet |
aftrekbaar zijn als beroepskosten. | aftrekbaar zijn als beroepskosten. |
Wat de ontvankelijkheid van de tussenkomsten betreft | Wat de ontvankelijkheid van de tussenkomsten betreft |
B.2.1. Artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op | B.2.1. Artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op |
het Grondwettelijk Hof bepaalt : | het Grondwettelijk Hof bepaalt : |
« Wanneer het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële | « Wanneer het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële |
beslissing, uitspraak doet op vragen als bedoeld in artikel 26, kan | beslissing, uitspraak doet op vragen als bedoeld in artikel 26, kan |
ieder die van een belang doet blijken in de zaak voor de rechter die | ieder die van een belang doet blijken in de zaak voor de rechter die |
de verwijzing gelast, een memorie aan het Hof richten binnen dertig | de verwijzing gelast, een memorie aan het Hof richten binnen dertig |
dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74. Hij wordt | dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74. Hij wordt |
daardoor geacht partij in het geding te zijn ». | daardoor geacht partij in het geding te zijn ». |
B.2.2. Om overeenkomstig het voormelde artikel 87, § 1, van een belang | B.2.2. Om overeenkomstig het voormelde artikel 87, § 1, van een belang |
te doen blijken, dienen personen die in een prejudiciële procedure | te doen blijken, dienen personen die in een prejudiciële procedure |
wensen tussen te komen, in hun memorie voldoende elementen aan te | wensen tussen te komen, in hun memorie voldoende elementen aan te |
reiken die aannemelijk maken dat het antwoord van het Hof op de | reiken die aannemelijk maken dat het antwoord van het Hof op de |
prejudiciële vragen een rechtstreekse weerslag kan hebben op hun | prejudiciële vragen een rechtstreekse weerslag kan hebben op hun |
persoonlijke situatie. | persoonlijke situatie. |
B.2.3. De nv « Schindler » zet uiteen dat zij, net als de eisende | B.2.3. De nv « Schindler » zet uiteen dat zij, net als de eisende |
partij voor de verwijzende rechter, bij de Rechtbank van eerste aanleg | partij voor de verwijzende rechter, bij de Rechtbank van eerste aanleg |
te Brussel beroep heeft ingesteld tegen de jegens haar gevestigde | te Brussel beroep heeft ingesteld tegen de jegens haar gevestigde |
aanslag in de vennootschapsbelasting omdat de belastingadministratie | aanslag in de vennootschapsbelasting omdat de belastingadministratie |
de voorzieningen die zij in 2006 heeft aangelegd om een Europese | de voorzieningen die zij in 2006 heeft aangelegd om een Europese |
kartelboete te betalen, als belastbaar beschouwt. | kartelboete te betalen, als belastbaar beschouwt. |
Aldus doet de nv « Schindler » blijken van een voldoende belang om | Aldus doet de nv « Schindler » blijken van een voldoende belang om |
tussen te komen. | tussen te komen. |
B.2.4.1. De Europese Commissie verwijst, enerzijds, naar artikel 15, | B.2.4.1. De Europese Commissie verwijst, enerzijds, naar artikel 15, |
lid 3, van de verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december | lid 3, van de verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december |
2002 « betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de | 2002 « betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de |
artikelen 81 en 82 van het [EG-]Verdrag [thans de artikelen 101 en 102 | artikelen 81 en 82 van het [EG-]Verdrag [thans de artikelen 101 en 102 |
van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie] » (hierna | van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie] » (hierna |
: de verordening nr. 1/2003) en voert, anderzijds, aan dat het | : de verordening nr. 1/2003) en voert, anderzijds, aan dat het |
antwoord op de prejudiciële vragen de doeltreffendheid kan beïnvloeden | antwoord op de prejudiciële vragen de doeltreffendheid kan beïnvloeden |
van de sancties die zij oplegt voor overtredingen van de artikelen 101 | van de sancties die zij oplegt voor overtredingen van de artikelen 101 |
en 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie | en 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie |
(hierna : VWEU). | (hierna : VWEU). |
B.2.4.2. Overweging 21 van de verordening nr. 1/2003 luidt : | B.2.4.2. Overweging 21 van de verordening nr. 1/2003 luidt : |
« Een samenhangende toepassing van de mededingingsregels vereist ook | « Een samenhangende toepassing van de mededingingsregels vereist ook |
een regeling van de samenwerking tussen de rechterlijke instanties van | een regeling van de samenwerking tussen de rechterlijke instanties van |
de lidstaten en de Commissie. Dit geldt voor alle rechterlijke | de lidstaten en de Commissie. Dit geldt voor alle rechterlijke |
instanties van de lidstaten die de artikelen 81 en 82 van het Verdrag | instanties van de lidstaten die de artikelen 81 en 82 van het Verdrag |
toepassen, ongeacht of zij dit doen in rechtszaken tussen | toepassen, ongeacht of zij dit doen in rechtszaken tussen |
particulieren, als openbare handhavingsinstanties of als | particulieren, als openbare handhavingsinstanties of als |
beroepsinstanties. Met name moeten de nationale rechterlijke | beroepsinstanties. Met name moeten de nationale rechterlijke |
instanties de mogelijkheid hebben zich tot de Commissie te wenden om | instanties de mogelijkheid hebben zich tot de Commissie te wenden om |
inlichtingen of adviezen over de toepassing van het communautaire | inlichtingen of adviezen over de toepassing van het communautaire |
mededingingsrecht te verkrijgen. Anderzijds moeten de Commissie en de | mededingingsrecht te verkrijgen. Anderzijds moeten de Commissie en de |
mededingingsautoriteiten van de lidstaten de bevoegdheid hebben | mededingingsautoriteiten van de lidstaten de bevoegdheid hebben |
schriftelijke of mondelinge opmerkingen voor de nationale rechterlijke | schriftelijke of mondelinge opmerkingen voor de nationale rechterlijke |
instanties te maken, wanneer hun verzocht wordt artikel 81 of artikel | instanties te maken, wanneer hun verzocht wordt artikel 81 of artikel |
82 van het Verdrag toe te passen. Deze opmerkingen moeten worden | 82 van het Verdrag toe te passen. Deze opmerkingen moeten worden |
ingediend binnen het kader van de nationale procedures en praktijken, | ingediend binnen het kader van de nationale procedures en praktijken, |
waaronder die welke de rechten van de partijen vrijwaren. Te dien | waaronder die welke de rechten van de partijen vrijwaren. Te dien |
einde moet ervoor worden gezorgd dat de Commissie en de | einde moet ervoor worden gezorgd dat de Commissie en de |
mededingingsautoriteiten van de lidstaten over voldoende gegevens | mededingingsautoriteiten van de lidstaten over voldoende gegevens |
inzake de voor de nationale rechterlijke instanties gevoerde | inzake de voor de nationale rechterlijke instanties gevoerde |
procedures kunnen beschikken ». | procedures kunnen beschikken ». |
B.2.4.3. Artikel 15, lid 3, van diezelfde verordening bepaalt : | B.2.4.3. Artikel 15, lid 3, van diezelfde verordening bepaalt : |
« De mededingingsautoriteiten van de lidstaten kunnen eigener beweging | « De mededingingsautoriteiten van de lidstaten kunnen eigener beweging |
voor de rechterlijke instanties in hun lidstaat schriftelijke | voor de rechterlijke instanties in hun lidstaat schriftelijke |
opmerkingen maken betreffende onderwerpen in verband met de toepassing | opmerkingen maken betreffende onderwerpen in verband met de toepassing |
van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag. Met de toestemming van | van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag. Met de toestemming van |
de betrokken rechterlijke instantie kunnen zij voor de nationale | de betrokken rechterlijke instantie kunnen zij voor de nationale |
rechterlijke instanties in hun lidstaat ook mondelinge opmerkingen | rechterlijke instanties in hun lidstaat ook mondelinge opmerkingen |
maken. Indien de coherente toepassing van artikel 81 of artikel 82 van | maken. Indien de coherente toepassing van artikel 81 of artikel 82 van |
het Verdrag zulks vereist, kan de Commissie, eigener beweging, | het Verdrag zulks vereist, kan de Commissie, eigener beweging, |
schriftelijke opmerkingen bij de rechterlijke instanties van de | schriftelijke opmerkingen bij de rechterlijke instanties van de |
lidstaten indienen. Met de toestemming van de betrokken rechterlijke | lidstaten indienen. Met de toestemming van de betrokken rechterlijke |
instantie kan zij ook mondelinge opmerkingen maken. | instantie kan zij ook mondelinge opmerkingen maken. |
[...] ». | [...] ». |
B.2.4.4. In antwoord op de vraag of de Europese Commissie op grond van | B.2.4.4. In antwoord op de vraag of de Europese Commissie op grond van |
voormelde bepaling bevoegd is om uit eigen beweging schriftelijke | voormelde bepaling bevoegd is om uit eigen beweging schriftelijke |
opmerkingen bij een nationale rechterlijke instantie in te dienen in | opmerkingen bij een nationale rechterlijke instantie in te dienen in |
het kader van een procedure die betrekking heeft op de volledige of | het kader van een procedure die betrekking heeft op de volledige of |
gedeeltelijke aftrekbaarheid van de belastbare winst, van een door de | gedeeltelijke aftrekbaarheid van de belastbare winst, van een door de |
Commissie wegens schending van de artikelen 81 of 82 van het | Commissie wegens schending van de artikelen 81 of 82 van het |
EG-Verdrag (thans de artikelen 101 en 102 van het VWEU) opgelegde | EG-Verdrag (thans de artikelen 101 en 102 van het VWEU) opgelegde |
geldboete, heeft het Hof van Justitie als volgt geoordeeld : | geldboete, heeft het Hof van Justitie als volgt geoordeeld : |
« 26. Ingevolge artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1/2003 kunnen | « 26. Ingevolge artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1/2003 kunnen |
enerzijds [de] rechterlijke instanties [van de lidstaten] de Commissie | enerzijds [de] rechterlijke instanties [van de lidstaten] de Commissie |
verzoeken inlichtingen waarover zij beschikt, of haar advies | verzoeken inlichtingen waarover zij beschikt, of haar advies |
betreffende de toepassing van de communautaire mededingingsregels, aan | betreffende de toepassing van de communautaire mededingingsregels, aan |
hen te bezorgen. Artikel 15, lid 2, ervan bepaalt anderzijds dat de | hen te bezorgen. Artikel 15, lid 2, ervan bepaalt anderzijds dat de |
lidstaten de Commissie een afschrift toezenden van schriftelijke | lidstaten de Commissie een afschrift toezenden van schriftelijke |
beslissingen van nationale rechterlijke instanties met betrekking tot | beslissingen van nationale rechterlijke instanties met betrekking tot |
de toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG. | de toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG. |
27. Ingevolge artikel 15, lid 3, eerste alinea, eerste en tweede zin, | 27. Ingevolge artikel 15, lid 3, eerste alinea, eerste en tweede zin, |
van verordening nr. 1/2003 kunnen de mededingingsautoriteiten van de | van verordening nr. 1/2003 kunnen de mededingingsautoriteiten van de |
lidstaten eigener beweging voor de rechterlijke instanties in hun | lidstaten eigener beweging voor de rechterlijke instanties in hun |
lidstaat schriftelijke, en met de toestemming van de betrokken | lidstaat schriftelijke, en met de toestemming van de betrokken |
rechterlijke instantie ook mondelinge, opmerkingen maken betreffende | rechterlijke instantie ook mondelinge, opmerkingen maken betreffende |
onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81 EG of artikel | onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81 EG of artikel |
82 EG. Ingevolge de derde en de vierde zin van deze bepaling kan | 82 EG. Ingevolge de derde en de vierde zin van deze bepaling kan |
eveneens de Commissie eigener beweging schriftelijke, en met de | eveneens de Commissie eigener beweging schriftelijke, en met de |
toestemming van de betrokken rechterlijke instantie ook mondelinge, | toestemming van de betrokken rechterlijke instantie ook mondelinge, |
opmerkingen indienen bij de rechterlijke instanties van de lidstaten, | opmerkingen indienen bij de rechterlijke instanties van de lidstaten, |
indien de coherente toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG | indien de coherente toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG |
zulks vereist. | zulks vereist. |
28. Artikel 15, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1/2003 ziet | 28. Artikel 15, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1/2003 ziet |
dus op twee verschillende vormen van indiening van opmerkingen, met | dus op twee verschillende vormen van indiening van opmerkingen, met |
een verschillende werkingssfeer : indiening van opmerkingen door de | een verschillende werkingssfeer : indiening van opmerkingen door de |
nationale mededingingsautoriteiten, voor de rechterlijke instanties in | nationale mededingingsautoriteiten, voor de rechterlijke instanties in |
hun respectieve lidstaten, betreffende onderwerpen in verband met de | hun respectieve lidstaten, betreffende onderwerpen in verband met de |
toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG, en indiening van | toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG, en indiening van |
opmerkingen door de Commissie, voor de rechterlijke instanties van de | opmerkingen door de Commissie, voor de rechterlijke instanties van de |
lidstaten, indien de coherente toepassing van artikel 81 EG of artikel | lidstaten, indien de coherente toepassing van artikel 81 EG of artikel |
82 EG zulks vereist. | 82 EG zulks vereist. |
29. De vier zinnen van deze alinea, en vooral het feit dat de tweede | 29. De vier zinnen van deze alinea, en vooral het feit dat de tweede |
en de vierde zin ervan nagenoeg identiek zijn, onderstrepen dat de | en de vierde zin ervan nagenoeg identiek zijn, onderstrepen dat de |
communautaire wetgever deze twee situaties, ofschoon in dezelfde | communautaire wetgever deze twee situaties, ofschoon in dezelfde |
alinea genoemd, van elkaar wilde scheiden. | alinea genoemd, van elkaar wilde scheiden. |
30. Een letterlijke uitlegging van artikel 15, lid 3, eerste alinea, | 30. Een letterlijke uitlegging van artikel 15, lid 3, eerste alinea, |
van verordening nr. 1/2003 leidt bijgevolg tot de zienswijze dat de | van verordening nr. 1/2003 leidt bijgevolg tot de zienswijze dat de |
Commissie uit eigen beweging bij de rechterlijke instanties van de | Commissie uit eigen beweging bij de rechterlijke instanties van de |
lidstaten uitsluitend schriftelijke opmerkingen kan indienen indien de | lidstaten uitsluitend schriftelijke opmerkingen kan indienen indien de |
coherente toepassing van artikel 81 EG of 82 EG zulks vereist. Deze | coherente toepassing van artikel 81 EG of 82 EG zulks vereist. Deze |
voorwaarde kan zelfs worden vervuld in gevallen waarin de betrokken | voorwaarde kan zelfs worden vervuld in gevallen waarin de betrokken |
procedure niet onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81 | procedure niet onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81 |
of 82 van het Verdrag betreft » (HvJ, 11 juni 2009, C-429/07, | of 82 van het Verdrag betreft » (HvJ, 11 juni 2009, C-429/07, |
Inspecteur van de Belastingdienst tegen X BV, punten 26-30). | Inspecteur van de Belastingdienst tegen X BV, punten 26-30). |
Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de Commissie vermag schriftelijke | Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de Commissie vermag schriftelijke |
opmerkingen in te dienen bij de rechterlijke instanties van een | opmerkingen in te dienen bij de rechterlijke instanties van een |
lidstaat indien de coherente toepassing van de artikelen 101 of 102 | lidstaat indien de coherente toepassing van de artikelen 101 of 102 |
van het VWEU dat vereist, zelfs indien de rechterlijke instantie in | van het VWEU dat vereist, zelfs indien de rechterlijke instantie in |
kwestie die bepalingen niet toepast. | kwestie die bepalingen niet toepast. |
B.2.4.5. Het Hof van Justitie overweegt nog dat, in zoverre de | B.2.4.5. Het Hof van Justitie overweegt nog dat, in zoverre de |
uitkomst van een geding inzake de fiscale aftrekbaarheid van een door | uitkomst van een geding inzake de fiscale aftrekbaarheid van een door |
de Commissie opgelegde geldboete kan raken aan de doeltreffendheid van | de Commissie opgelegde geldboete kan raken aan de doeltreffendheid van |
de door de communautaire mededingingsautoriteit opgelegde sanctie, | de door de communautaire mededingingsautoriteit opgelegde sanctie, |
artikel 15, lid 3, van de verordening nr. 1/2003 aldus moet worden | artikel 15, lid 3, van de verordening nr. 1/2003 aldus moet worden |
uitgelegd dat de Commissie op grond van die bepaling bevoegd is om uit | uitgelegd dat de Commissie op grond van die bepaling bevoegd is om uit |
eigen beweging bij een rechterlijke instantie van een lidstaat | eigen beweging bij een rechterlijke instantie van een lidstaat |
schriftelijke opmerkingen in te dienen in een procedure die betrekking | schriftelijke opmerkingen in te dienen in een procedure die betrekking |
heeft op de volledige of gedeeltelijke aftrekbaarheid, van de | heeft op de volledige of gedeeltelijke aftrekbaarheid, van de |
belastbare winst, van een door haar wegens schending van de artikelen | belastbare winst, van een door haar wegens schending van de artikelen |
101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboete (ibid., punten 39-40). | 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboete (ibid., punten 39-40). |
B.2.4.6. Vermits te dezen de aftrekbaarheid van een door de Commissie | B.2.4.6. Vermits te dezen de aftrekbaarheid van een door de Commissie |
wegens schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde | wegens schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde |
geldboete in het geding is, doet de Commissie blijken van een | geldboete in het geding is, doet de Commissie blijken van een |
voldoende belang om tussen te komen. | voldoende belang om tussen te komen. |
Wat de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen betreft | Wat de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen betreft |
B.3.1. De nv « Tessenderlo Chemie », eisende partij voor het | B.3.1. De nv « Tessenderlo Chemie », eisende partij voor het |
verwijzende rechtscollege, voert aan dat de prejudiciële vragen | verwijzende rechtscollege, voert aan dat de prejudiciële vragen |
onontvankelijk zijn, enerzijds, omdat beide vragen onduidelijk zouden | onontvankelijk zijn, enerzijds, omdat beide vragen onduidelijk zouden |
zijn en, anderzijds, omdat het antwoord op de tweede prejudiciële | zijn en, anderzijds, omdat het antwoord op de tweede prejudiciële |
vraag niet nuttig zou zijn voor het oplossen van het bodemgeschil. | vraag niet nuttig zou zijn voor het oplossen van het bodemgeschil. |
B.3.2. Uit de prejudiciële vragen blijkt dat het Hof wordt ondervraagd | B.3.2. Uit de prejudiciële vragen blijkt dat het Hof wordt ondervraagd |
over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de | over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de |
artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre voorzieningen voor een | artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre voorzieningen voor een |
strafrechtelijke geldboete fiscaal niet aftrekbaar zijn en | strafrechtelijke geldboete fiscaal niet aftrekbaar zijn en |
voorzieningen voor een administratieve geldboete fiscaal aftrekbaar | voorzieningen voor een administratieve geldboete fiscaal aftrekbaar |
(eerste prejudiciële vraag), dan wel fiscaal niet aftrekbaar (tweede | (eerste prejudiciële vraag), dan wel fiscaal niet aftrekbaar (tweede |
prejudiciële vraag) zijn. Bijgevolg bevatten de prejudiciële vragen de | prejudiciële vraag) zijn. Bijgevolg bevatten de prejudiciële vragen de |
vereiste elementen opdat het Hof zich erover kan uitspreken. | vereiste elementen opdat het Hof zich erover kan uitspreken. |
B.3.3.1. In beginsel komt het aan het verwijzende rechtscollege toe na | B.3.3.1. In beginsel komt het aan het verwijzende rechtscollege toe na |
te gaan of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is om het aan | te gaan of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is om het aan |
dat rechtscollege voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer | dat rechtscollege voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer |
dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat | dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat |
de vraag geen antwoord behoeft. | de vraag geen antwoord behoeft. |
B.3.3.2. Het geschil voor het verwijzende rechtscollege betreft de | B.3.3.2. Het geschil voor het verwijzende rechtscollege betreft de |
fiscale aftrek van voorzieningen om een administratieve geldboete, | fiscale aftrek van voorzieningen om een administratieve geldboete, |
namelijk een door de Europese Commissie wegens schending van de | namelijk een door de Europese Commissie wegens schending van de |
artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboete, te betalen. In | artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboete, te betalen. In |
tegenstelling tot wat de nv « Tessenderlo Chemie » beweert, behoeft de | tegenstelling tot wat de nv « Tessenderlo Chemie » beweert, behoeft de |
tweede prejudiciële vraag een antwoord voor het oplossen van het | tweede prejudiciële vraag een antwoord voor het oplossen van het |
geschil dat voor het verwijzende rechtscollege aanhangig is. | geschil dat voor het verwijzende rechtscollege aanhangig is. |
B.3.4. De exceptie wordt verworpen. | B.3.4. De exceptie wordt verworpen. |
Ten gronde | Ten gronde |
B.4. De aan het Hof gestelde prejudiciële vragen betreffen de fiscale | B.4. De aan het Hof gestelde prejudiciële vragen betreffen de fiscale |
aftrekbaarheid van voorzieningen voor administratieve geldboeten. Uit | aftrekbaarheid van voorzieningen voor administratieve geldboeten. Uit |
die vragen en uit het verwijzingsvonnis blijkt dat het bodemgeschil | die vragen en uit het verwijzingsvonnis blijkt dat het bodemgeschil |
betrekking heeft op voorzieningen voor een door de Europese Commissie | betrekking heeft op voorzieningen voor een door de Europese Commissie |
wegens schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde | wegens schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde |
geldboete. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval. | geldboete. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval. |
Wat de eerste prejudiciële vraag betreft | Wat de eerste prejudiciële vraag betreft |
B.5. Met de eerste prejudiciële vraag beoogt de verwijzende rechter te | B.5. Met de eerste prejudiciële vraag beoogt de verwijzende rechter te |
vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het | vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het |
beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in de interpretatie dat | beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in de interpretatie dat |
zij betrekking heeft op strafrechtelijke geldboeten, doch niet op | zij betrekking heeft op strafrechtelijke geldboeten, doch niet op |
boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens de verordening | boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens de verordening |
nr. 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en | nr. 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en |
102 van het VWEU. | 102 van het VWEU. |
B.6.1. Volgens de Ministerraad behoeft de eerste prejudiciële vraag | B.6.1. Volgens de Ministerraad behoeft de eerste prejudiciële vraag |
geen antwoord, aangezien ze uitgaat van een verkeerde interpretatie | geen antwoord, aangezien ze uitgaat van een verkeerde interpretatie |
van de in het geding zijnde bepaling. | van de in het geding zijnde bepaling. |
B.6.2. In dat verband vraagt de Ministerraad, alsook de Europese | B.6.2. In dat verband vraagt de Ministerraad, alsook de Europese |
Commissie, dat het Hof een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie | Commissie, dat het Hof een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie |
van de Europese Unie zou stellen indien het van mening zou zijn dat in | van de Europese Unie zou stellen indien het van mening zou zijn dat in |
die interpretatie twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de in | die interpretatie twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de in |
het geding zijnde bepaling met het VWEU. | het geding zijnde bepaling met het VWEU. |
B.7. Wanneer een vraag met betrekking tot de uitlegging van het | B.7. Wanneer een vraag met betrekking tot de uitlegging van het |
Unierecht wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale | Unierecht wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale |
rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale | rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale |
recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie, | recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie, |
overeenkomstig artikel 267, derde alinea, van het VWEU, gehouden die | overeenkomstig artikel 267, derde alinea, van het VWEU, gehouden die |
vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Die verwijzing is evenwel | vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Die verwijzing is evenwel |
niet nodig wanneer die rechterlijke instantie heeft vastgesteld « dat | niet nodig wanneer die rechterlijke instantie heeft vastgesteld « dat |
de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken | de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken |
gemeenschapsbepaling reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste | gemeenschapsbepaling reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste |
toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat | toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat |
redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan » (HvJ, 6 oktober | redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan » (HvJ, 6 oktober |
1982, C-283/81, CILFIT, punt 21). | 1982, C-283/81, CILFIT, punt 21). |
B.8. Bijgevolg dient het Hof eerst na te gaan of de in het geding | B.8. Bijgevolg dient het Hof eerst na te gaan of de in het geding |
zijnde bepaling, zoals geïnterpreteerd door de verwijzende rechter, | zijnde bepaling, zoals geïnterpreteerd door de verwijzende rechter, |
bestaanbaar is met het recht van de Europese Unie en of het zich eraan | bestaanbaar is met het recht van de Europese Unie en of het zich eraan |
kan onttrekken een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te | kan onttrekken een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te |
stellen om reden dat dat Hof de bepaling van het Unierecht die te | stellen om reden dat dat Hof de bepaling van het Unierecht die te |
dezen moet worden toegepast, reeds heeft uitgelegd. | dezen moet worden toegepast, reeds heeft uitgelegd. |
B.9.1. Luidens artikel 101 van het VWEU zijn verboden « alle | B.9.1. Luidens artikel 101 van het VWEU zijn verboden « alle |
overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van | overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van |
ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke | ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke |
gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen | gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen |
beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging | beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging |
binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst ». | binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst ». |
Artikel 102 van het VWEU verbiedt dat één of meer ondernemingen | Artikel 102 van het VWEU verbiedt dat één of meer ondernemingen |
misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een | misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een |
wezenlijk deel daarvan, voor zover de handel tussen lidstaten daardoor | wezenlijk deel daarvan, voor zover de handel tussen lidstaten daardoor |
ongunstig kan worden beïnvloed. | ongunstig kan worden beïnvloed. |
B.9.2. Voor de toepassing van die bepalingen stelt de Raad | B.9.2. Voor de toepassing van die bepalingen stelt de Raad |
verordeningen of richtlijnen vast die met name tot doel hebben de « | verordeningen of richtlijnen vast die met name tot doel hebben de « |
nakoming van de in artikel 101, lid 1, en in artikel 102 bedoelde | nakoming van de in artikel 101, lid 1, en in artikel 102 bedoelde |
verbodsbepalingen te verzekeren door de instelling van geldboeten en | verbodsbepalingen te verzekeren door de instelling van geldboeten en |
dwangsommen » (artikel 103, lid 2, onder a), van het VWEU). | dwangsommen » (artikel 103, lid 2, onder a), van het VWEU). |
B.9.3. Ter uitvoering hiervan bepaalt artikel 23 van de verordening | B.9.3. Ter uitvoering hiervan bepaalt artikel 23 van de verordening |
nr. 1/2003 : | nr. 1/2003 : |
« 1. De Commissie kan bij beschikking aan ondernemingen en | « 1. De Commissie kan bij beschikking aan ondernemingen en |
ondernemersverenigingen geldboeten van ten hoogste 1 % van de in het | ondernemersverenigingen geldboeten van ten hoogste 1 % van de in het |
voorafgaande boekjaar behaalde totale omzet opleggen, wanneer zij | voorafgaande boekjaar behaalde totale omzet opleggen, wanneer zij |
opzettelijk of uit onachtzaamheid : | opzettelijk of uit onachtzaamheid : |
a) in antwoord op een verzoek overeenkomstig artikel 17 of artikel 18, | a) in antwoord op een verzoek overeenkomstig artikel 17 of artikel 18, |
lid 2, onjuiste of misleidende inlichtingen verstrekken; | lid 2, onjuiste of misleidende inlichtingen verstrekken; |
b) in antwoord op een verzoek bij een beschikking overeenkomstig | b) in antwoord op een verzoek bij een beschikking overeenkomstig |
artikel 17 of artikel 18, lid 3, onvolledige, onjuiste of misleidende | artikel 17 of artikel 18, lid 3, onvolledige, onjuiste of misleidende |
inlichtingen verstrekken, dan wel de inlichtingen niet verstrekken | inlichtingen verstrekken, dan wel de inlichtingen niet verstrekken |
binnen de vastgestelde termijn; | binnen de vastgestelde termijn; |
c) tijdens een inspectie overeenkomstig artikel 20 geen volledige | c) tijdens een inspectie overeenkomstig artikel 20 geen volledige |
inzage geven in de daartoe gevraagde boeken of andere bescheiden in | inzage geven in de daartoe gevraagde boeken of andere bescheiden in |
verband met het bedrijf, dan wel zich niet aan een overeenkomstig | verband met het bedrijf, dan wel zich niet aan een overeenkomstig |
artikel 20, lid 4, bij beschikking gelaste inspectie onderwerpen; | artikel 20, lid 4, bij beschikking gelaste inspectie onderwerpen; |
d) in antwoord op een overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder e), | d) in antwoord op een overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder e), |
gestelde vraag | gestelde vraag |
- een onjuist of misleidend antwoord geven, dan wel | - een onjuist of misleidend antwoord geven, dan wel |
- nalaten binnen de door de Commissie vastgestelde termijn een door | - nalaten binnen de door de Commissie vastgestelde termijn een door |
een personeelslid gegeven onjuist, onvolledig of misleidend antwoord | een personeelslid gegeven onjuist, onvolledig of misleidend antwoord |
te corrigeren, of | te corrigeren, of |
- nalaten of weigeren een volledig antwoord te geven met betrekking | - nalaten of weigeren een volledig antwoord te geven met betrekking |
tot feiten in verband met het voorwerp en het doel van een inspectie | tot feiten in verband met het voorwerp en het doel van een inspectie |
waartoe opdracht is gegeven bij wege van een beschikking | waartoe opdracht is gegeven bij wege van een beschikking |
overeenkomstig artikel 20, lid 4; | overeenkomstig artikel 20, lid 4; |
e) zegels die door de door de Commissie gemachtigde functionarissen of | e) zegels die door de door de Commissie gemachtigde functionarissen of |
andere begeleidende personen overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder | andere begeleidende personen overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder |
d), zijn aangebracht, verbreken. | d), zijn aangebracht, verbreken. |
2. De Commissie kan bij beschikking geldboetes opleggen aan | 2. De Commissie kan bij beschikking geldboetes opleggen aan |
ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of | ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of |
uit onachtzaamheid : | uit onachtzaamheid : |
a) inbreuk maken op artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag; of | a) inbreuk maken op artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag; of |
b) in strijd handelen met een beschikking waarbij uit hoofde van | b) in strijd handelen met een beschikking waarbij uit hoofde van |
artikel 8 voorlopige maatregelen gelast worden; of | artikel 8 voorlopige maatregelen gelast worden; of |
c) een toezegging waaraan overeenkomstig artikel 9 bij beschikking een | c) een toezegging waaraan overeenkomstig artikel 9 bij beschikking een |
verbindend karakter is verleend, niet nakomen. | verbindend karakter is verleend, niet nakomen. |
Voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en | Voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en |
ondernemersvereniging is de geldboete niet groter dan 10 % van de | ondernemersvereniging is de geldboete niet groter dan 10 % van de |
totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald. | totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald. |
Wanneer de inbreuk van een vereniging betrekking heeft op de | Wanneer de inbreuk van een vereniging betrekking heeft op de |
activiteiten van haar leden is de geldboete niet groter dan 10 % van | activiteiten van haar leden is de geldboete niet groter dan 10 % van |
de som van de totale omzet van elk lid dat actief is op de markt die | de som van de totale omzet van elk lid dat actief is op de markt die |
door de inbreuk van de vereniging geraakt wordt. | door de inbreuk van de vereniging geraakt wordt. |
3. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt zowel met | 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt zowel met |
de ernst, als met de duur van de inbreuk rekening gehouden. | de ernst, als met de duur van de inbreuk rekening gehouden. |
4. Wanneer aan een ondernemersvereniging een geldboete is opgelegd | 4. Wanneer aan een ondernemersvereniging een geldboete is opgelegd |
rekening houdend met de totale omzet van haar leden en deze vereniging | rekening houdend met de totale omzet van haar leden en deze vereniging |
insolvent is, is de vereniging verplicht om van haar leden bijdragen | insolvent is, is de vereniging verplicht om van haar leden bijdragen |
te vragen om de geldboete te kunnen betalen. | te vragen om de geldboete te kunnen betalen. |
Wanneer die bijdragen niet binnen een door de Commissie vastgestelde | Wanneer die bijdragen niet binnen een door de Commissie vastgestelde |
termijn aan de vereniging zijn betaald, kan de Commissie elke | termijn aan de vereniging zijn betaald, kan de Commissie elke |
onderneming waarvan de vertegenwoordigers lid waren van de betrokken | onderneming waarvan de vertegenwoordigers lid waren van de betrokken |
besluitvormende organen van de vereniging, rechtstreeks tot betaling | besluitvormende organen van de vereniging, rechtstreeks tot betaling |
van de boete aanspreken. | van de boete aanspreken. |
Nadat de Commissie betaling heeft geëist op grond van de tweede | Nadat de Commissie betaling heeft geëist op grond van de tweede |
alinea, kan de Commissie, indien dat nodig is om de volledige betaling | alinea, kan de Commissie, indien dat nodig is om de volledige betaling |
van de boete te waarborgen elk lid van de vereniging dat actief was op | van de boete te waarborgen elk lid van de vereniging dat actief was op |
de markt waarop de inbreuk heeft plaatsgevonden, tot betaling van het | de markt waarop de inbreuk heeft plaatsgevonden, tot betaling van het |
saldo aanspreken. | saldo aanspreken. |
De Commissie mag echter geen betaling uit hoofde van de tweede en | De Commissie mag echter geen betaling uit hoofde van de tweede en |
derde alinea eisen van ondernemingen die aantonen dat zij de | derde alinea eisen van ondernemingen die aantonen dat zij de |
inbreukmakende beslissing van de vereniging niet hebben uitgevoerd en | inbreukmakende beslissing van de vereniging niet hebben uitgevoerd en |
hetzij niet op de hoogte waren van het bestaan ervan, hetzij er actief | hetzij niet op de hoogte waren van het bestaan ervan, hetzij er actief |
afstand van hebben genomen vóór de aanvang van het onderzoek van de | afstand van hebben genomen vóór de aanvang van het onderzoek van de |
Commissie naar de zaak. | Commissie naar de zaak. |
De financiële aansprakelijkheid van elke onderneming met betrekking | De financiële aansprakelijkheid van elke onderneming met betrekking |
tot de betaling van de boete bedraagt niet meer dan 10 % van haar | tot de betaling van de boete bedraagt niet meer dan 10 % van haar |
totale omzet in het vorige boekjaar. | totale omzet in het vorige boekjaar. |
5. De op grond van lid 1 of lid 2 gegeven beschikkingen hebben geen | 5. De op grond van lid 1 of lid 2 gegeven beschikkingen hebben geen |
strafrechtelijk karakter ». | strafrechtelijk karakter ». |
B.10.1. Volgens de Europese Commissie omvat haar taak « niet alleen de | B.10.1. Volgens de Europese Commissie omvat haar taak « niet alleen de |
verplichting om individuele inbreuken op te sporen en te bestraffen, | verplichting om individuele inbreuken op te sporen en te bestraffen, |
maar ook de verplichting om een algemeen beleid te voeren dat erop is | maar ook de verplichting om een algemeen beleid te voeren dat erop is |
gericht om op het gebied van de mededinging toepassing te geven aan de | gericht om op het gebied van de mededinging toepassing te geven aan de |
door het Verdrag vastgelegde beginselen en het gedrag van de | door het Verdrag vastgelegde beginselen en het gedrag van de |
ondernemingen in overeenstemming met deze beginselen te sturen » | ondernemingen in overeenstemming met deze beginselen te sturen » |
(Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van | (Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van |
artikel 23, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1/2003 worden | artikel 23, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1/2003 worden |
opgelegd, PB C 210 van 1 september 2006, p. 2, punt 4). Het bedrag van | opgelegd, PB C 210 van 1 september 2006, p. 2, punt 4). Het bedrag van |
de geldboete moet « op een zodanig niveau worden gesteld dat daarvan | de geldboete moet « op een zodanig niveau worden gesteld dat daarvan |
een voldoende afschrikkende werking uitgaat, niet alleen om de | een voldoende afschrikkende werking uitgaat, niet alleen om de |
betrokken ondernemingen te bestraffen (specifieke afschrikkende | betrokken ondernemingen te bestraffen (specifieke afschrikkende |
werking), maar ook om andere ondernemingen ervan te weerhouden over te | werking), maar ook om andere ondernemingen ervan te weerhouden over te |
gaan tot gedragingen die in strijd zijn met de artikelen 81 en 82 van | gaan tot gedragingen die in strijd zijn met de artikelen 81 en 82 van |
het Verdrag of dergelijke gedragingen voort te zetten (algemene | het Verdrag of dergelijke gedragingen voort te zetten (algemene |
afschrikkende werking) » (ibid.). | afschrikkende werking) » (ibid.). |
B.10.2. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de door de Europese | B.10.2. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de door de Europese |
Commissie opgelegde geldboeten tot doel hebben « onwettige handelingen | Commissie opgelegde geldboeten tot doel hebben « onwettige handelingen |
van de betrokken ondernemingen te bestraffen en zowel die | van de betrokken ondernemingen te bestraffen en zowel die |
ondernemingen als andere deelnemers aan het economisch verkeer ervan | ondernemingen als andere deelnemers aan het economisch verkeer ervan |
te weerhouden om in de toekomst de communautaire mededingingsregels te | te weerhouden om in de toekomst de communautaire mededingingsregels te |
schenden » (HvJ, 29 juni 2006, C-289/04 P, Showa Denko KK t. | schenden » (HvJ, 29 juni 2006, C-289/04 P, Showa Denko KK t. |
Commissie, punt 16). | Commissie, punt 16). |
B.11. Wat de fiscale aftrekbaarheid van de door de Europese Commissie | B.11. Wat de fiscale aftrekbaarheid van de door de Europese Commissie |
opgelegde geldboeten betreft, heeft het Hof van Justitie in het | opgelegde geldboeten betreft, heeft het Hof van Justitie in het |
voormelde arrest van 11 juni 2009 het volgende geoordeeld : | voormelde arrest van 11 juni 2009 het volgende geoordeeld : |
« 35. De bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen aan | « 35. De bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen aan |
ondernemingen die opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op | ondernemingen die opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op |
artikel 81, lid 1, EG of artikel 82 EG, is één van de middelen die de | artikel 81, lid 1, EG of artikel 82 EG, is één van de middelen die de |
Commissie ter beschikking zijn gesteld om de haar door het | Commissie ter beschikking zijn gesteld om de haar door het |
gemeenschapsrecht toevertrouwde toezichthoudende taak te kunnen | gemeenschapsrecht toevertrouwde toezichthoudende taak te kunnen |
uitoefenen (zie in die zin arresten van 7 juni 1983, Musique Diffusion | uitoefenen (zie in die zin arresten van 7 juni 1983, Musique Diffusion |
française e.a./Commissie, 100/80-103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 105, | française e.a./Commissie, 100/80-103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 105, |
en 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, C-76/06 P, | en 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, C-76/06 P, |
Jurispr. blz. I-4405, punt 22). | Jurispr. blz. I-4405, punt 22). |
36. Zou het principiële verbod van mededingingsverstorende praktijken | 36. Zou het principiële verbod van mededingingsverstorende praktijken |
worden losgekoppeld van de voor niet-eerbiediging hiervan voorziene | worden losgekoppeld van de voor niet-eerbiediging hiervan voorziene |
sancties, dan zou dus de doeltreffendheid worden ontnomen aan het | sancties, dan zou dus de doeltreffendheid worden ontnomen aan het |
handelen van de autoriteiten die zijn belast met het toezicht op de | handelen van de autoriteiten die zijn belast met het toezicht op de |
naleving van dit verbod en met het opleggen van sancties voor | naleving van dit verbod en met het opleggen van sancties voor |
dergelijke praktijken. De artikelen 81 EG en 82 EG zouden dus | dergelijke praktijken. De artikelen 81 EG en 82 EG zouden dus |
onwerkzaam zijn indien zij niet met de in artikel 83, lid 2, sub a, EG | onwerkzaam zijn indien zij niet met de in artikel 83, lid 2, sub a, EG |
voorziene dwangmaatregelen gepaard zouden gaan. Zoals de | voorziene dwangmaatregelen gepaard zouden gaan. Zoals de |
advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie heeft uiteengezet, | advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie heeft uiteengezet, |
bestaat er tussen de geldboeten en de toepassing van de artikelen 81 | bestaat er tussen de geldboeten en de toepassing van de artikelen 81 |
EG en 82 EG een wezenlijk verband. | EG en 82 EG een wezenlijk verband. |
37. De doeltreffendheid van de krachtens artikel 83, lid 2, sub a, EG | 37. De doeltreffendheid van de krachtens artikel 83, lid 2, sub a, EG |
door de nationale of communautaire mededingingsautoriteiten opgelegde | door de nationale of communautaire mededingingsautoriteiten opgelegde |
sancties is dus een voorwaarde voor de coherente toepassing van de | sancties is dus een voorwaarde voor de coherente toepassing van de |
artikelen 81 EG en 82 EG. | artikelen 81 EG en 82 EG. |
38. In het kader van een procedure betreffende in artikel 83, lid 2, | 38. In het kader van een procedure betreffende in artikel 83, lid 2, |
sub a, EG voorziene sancties op het gebied van mededingingsverstorende | sub a, EG voorziene sancties op het gebied van mededingingsverstorende |
praktijken, kan de beslissing die moet worden genomen door de | praktijken, kan de beslissing die moet worden genomen door de |
rechterlijke instantie waarbij de zaak aanhangig is, raken aan de | rechterlijke instantie waarbij de zaak aanhangig is, raken aan de |
doeltreffendheid van deze sancties, en dreigt die dus de coherente | doeltreffendheid van deze sancties, en dreigt die dus de coherente |
toepassing van de artikelen 81 EG of 82 EG te ondermijnen. | toepassing van de artikelen 81 EG of 82 EG te ondermijnen. |
39. In de omstandigheden van het hoofdgeding is het duidelijk dat de | 39. In de omstandigheden van het hoofdgeding is het duidelijk dat de |
uitkomst van het geding inzake de fiscale aftrekbaarheid van een | uitkomst van het geding inzake de fiscale aftrekbaarheid van een |
gedeelte van een door de Commissie opgelegde geldboete kan raken aan | gedeelte van een door de Commissie opgelegde geldboete kan raken aan |
de doeltreffendheid van de door de communautaire | de doeltreffendheid van de door de communautaire |
mededingingsautoriteit opgelegde sanctie. De beschikking van de | mededingingsautoriteit opgelegde sanctie. De beschikking van de |
Commissie waarbij zij aan een vennootschap een geldboete heeft | Commissie waarbij zij aan een vennootschap een geldboete heeft |
opgelegd, zou namelijk aanzienlijk aan doeltreffendheid inboeten | opgelegd, zou namelijk aanzienlijk aan doeltreffendheid inboeten |
indien deze boete voor de betrokken vennootschap, althans voor een aan | indien deze boete voor de betrokken vennootschap, althans voor een aan |
haar gelieerde vennootschap, volledig of gedeeltelijk aftrekbaar zou | haar gelieerde vennootschap, volledig of gedeeltelijk aftrekbaar zou |
zijn van haar belastbare winst, aangezien een dergelijke mogelijkheid | zijn van haar belastbare winst, aangezien een dergelijke mogelijkheid |
tot gevolg zou hebben dat de last van de betrokken boete door een | tot gevolg zou hebben dat de last van de betrokken boete door een |
verlaging van de belastingdruk gedeeltelijk zou worden gecompenseerd » | verlaging van de belastingdruk gedeeltelijk zou worden gecompenseerd » |
(HvJ, 11 juni 2009, C-429/07, Inspecteur van de Belastingdienst tegen | (HvJ, 11 juni 2009, C-429/07, Inspecteur van de Belastingdienst tegen |
X BV, punten 35-39). | X BV, punten 35-39). |
B.12. Het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Unie heeft | B.12. Het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Unie heeft |
eveneens geoordeeld : | eveneens geoordeeld : |
« 368. Verzoekster verklaart, dat zij de boete van 19,3 miljoen DM | « 368. Verzoekster verklaart, dat zij de boete van 19,3 miljoen DM |
moet betalen uit haar winst na belasting. Daardoor vormt die boete | moet betalen uit haar winst na belasting. Daardoor vormt die boete |
voor de bedrijfsresultaten van de onderneming in feite een last van | voor de bedrijfsresultaten van de onderneming in feite een last van |
ongeveer 55 miljoen DM; die komen bovenop het verlies van 250 miljoen | ongeveer 55 miljoen DM; die komen bovenop het verlies van 250 miljoen |
DM dat verzoekster in de polypropyleensector heeft geleden. | DM dat verzoekster in de polypropyleensector heeft geleden. |
369. Het Gerecht is van oordeel, dat de Commissie bij de vaststelling | 369. Het Gerecht is van oordeel, dat de Commissie bij de vaststelling |
van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete ongetwijfeld | van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete ongetwijfeld |
rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat die geldboete uit de | rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat die geldboete uit de |
winst na belasting moest worden betaald. Indien de boete uit de winst | winst na belasting moest worden betaald. Indien de boete uit de winst |
vóór belasting moest worden betaald, zou in feite een deel van de | vóór belasting moest worden betaald, zou in feite een deel van de |
boete zijn gedragen door de Lid-Staat waaronder de onderneming | boete zijn gedragen door de Lid-Staat waaronder de onderneming |
fiscaalrechtelijk ressorteert, aangezien daardoor voor de onderneming | fiscaalrechtelijk ressorteert, aangezien daardoor voor de onderneming |
de maatstaf van heffing zou zijn verminderd. Bij de vaststelling van | de maatstaf van heffing zou zijn verminderd. Bij de vaststelling van |
het bedrag van de aan Hoechst opgelegde geldboete kan de Commissie | het bedrag van de aan Hoechst opgelegde geldboete kan de Commissie |
evenwel onmogelijk van die hypothese zijn uitgegaan » (Ger., 10 maart | evenwel onmogelijk van die hypothese zijn uitgegaan » (Ger., 10 maart |
1992, T-10/89, Hoechst AG t. Commissie, Jur., 1992, p. II-629, punten | 1992, T-10/89, Hoechst AG t. Commissie, Jur., 1992, p. II-629, punten |
368-369). | 368-369). |
B.13. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de door de Europese | B.13. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de door de Europese |
Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU | Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU |
opgelegde geldboeten zowel een bestraffend als een afschrikkend doel | opgelegde geldboeten zowel een bestraffend als een afschrikkend doel |
hebben. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie en | hebben. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie en |
van het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Unie kan de | van het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Unie kan de |
mogelijkheid om die geldboeten fiscaal af te trekken raken aan hun | mogelijkheid om die geldboeten fiscaal af te trekken raken aan hun |
doeltreffendheid en aan de coherente toepassing van de | doeltreffendheid en aan de coherente toepassing van de |
verbodsbepalingen van het mededingingsrecht, in zoverre ze tot gevolg | verbodsbepalingen van het mededingingsrecht, in zoverre ze tot gevolg |
heeft dat de onderneming in kwestie de financiële last van de | heeft dat de onderneming in kwestie de financiële last van de |
geldboete ten dele kan afwentelen op de lidstaat. Op dat punt laat de | geldboete ten dele kan afwentelen op de lidstaat. Op dat punt laat de |
voormelde rechtspraak bij het Hof geen twijfel bestaan over de | voormelde rechtspraak bij het Hof geen twijfel bestaan over de |
interpretatie van het op de zaak van toepassing zijnde Unierecht die | interpretatie van het op de zaak van toepassing zijnde Unierecht die |
zou vereisen dat een nieuwe prejudiciële vraag aan het Hof van | zou vereisen dat een nieuwe prejudiciële vraag aan het Hof van |
Justitie wordt gesteld, zoals de Ministerraad en de Europese Commissie | Justitie wordt gesteld, zoals de Ministerraad en de Europese Commissie |
vragen. | vragen. |
B.14.1. Artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie | B.14.1. Artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie |
(hierna : VEU) bepaalt : | (hierna : VEU) bepaalt : |
« Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie | « Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie |
en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de | en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de |
taken die uit de Verdragen voortvloeien. | taken die uit de Verdragen voortvloeien. |
[...] ». | [...] ». |
Die bepaling, die voor alle met overheidsgezag beklede instanties van | Die bepaling, die voor alle met overheidsgezag beklede instanties van |
de lidstaten geldt, dus ook - in het kader van hun bevoegdheden - voor | de lidstaten geldt, dus ook - in het kader van hun bevoegdheden - voor |
de rechterlijke instanties, verplicht de nationale rechter om de | de rechterlijke instanties, verplicht de nationale rechter om de |
nationale bepalingen die hij moet toepassen, zoveel mogelijk in | nationale bepalingen die hij moet toepassen, zoveel mogelijk in |
overeenstemming met de eisen van het Unierecht uit te leggen (HvJ, 27 | overeenstemming met de eisen van het Unierecht uit te leggen (HvJ, 27 |
oktober 2009, C-115/08, Land Oberösterreich t. CEZ as, punt 138). De | oktober 2009, C-115/08, Land Oberösterreich t. CEZ as, punt 138). De |
nationale rechter, die in het kader van zijn bevoegdheid is belast met | nationale rechter, die in het kader van zijn bevoegdheid is belast met |
de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, is verplicht zorg | de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, is verplicht zorg |
te dragen voor de volle werking van die normen, en daarbij zo nodig, | te dragen voor de volle werking van die normen, en daarbij zo nodig, |
op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de nationale wetgeving | op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de nationale wetgeving |
buiten toepassing te laten (HvJ, 22 juni 2010, C-188/10 en C-189/10, | buiten toepassing te laten (HvJ, 22 juni 2010, C-188/10 en C-189/10, |
Melki en Abdeli, punt 43). | Melki en Abdeli, punt 43). |
B.14.2. Krachtens de voormelde bepaling van het VEU dienen de | B.14.2. Krachtens de voormelde bepaling van het VEU dienen de |
lidstaten van de Europese Unie zich te onthouden van alle maatregelen | lidstaten van de Europese Unie zich te onthouden van alle maatregelen |
die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar | die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar |
kunnen brengen. De mogelijkheid om de door de Europese Commissie | kunnen brengen. De mogelijkheid om de door de Europese Commissie |
wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde | wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde |
geldboeten fiscaal af te trekken, zou een dergelijke maatregel zijn. | geldboeten fiscaal af te trekken, zou een dergelijke maatregel zijn. |
Bijgevolg is die mogelijkheid niet verenigbaar met het Unierecht. | Bijgevolg is die mogelijkheid niet verenigbaar met het Unierecht. |
B.14.3. De in het geding zijnde bepaling dient bijgevolg aldus te | B.14.3. De in het geding zijnde bepaling dient bijgevolg aldus te |
worden geïnterpreteerd dat de geldboeten die de Europese Commissie | worden geïnterpreteerd dat de geldboeten die de Europese Commissie |
oplegt wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU, | oplegt wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU, |
niet aftrekbaar zijn als beroepskosten. | niet aftrekbaar zijn als beroepskosten. |
B.15. Vermits de in het geding zijnde bepaling, zoals geïnterpreteerd | B.15. Vermits de in het geding zijnde bepaling, zoals geïnterpreteerd |
door de verwijzende rechter in de eerste prejudiciële vraag, niet | door de verwijzende rechter in de eerste prejudiciële vraag, niet |
bestaanbaar is met het recht van de Europese Unie, behoeft die vraag | bestaanbaar is met het recht van de Europese Unie, behoeft die vraag |
geen antwoord. | geen antwoord. |
Wat de tweede prejudiciële vraag betreft | Wat de tweede prejudiciële vraag betreft |
B.16. Met de tweede prejudiciële vraag beoogt de verwijzende rechter | B.16. Met de tweede prejudiciële vraag beoogt de verwijzende rechter |
te vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het | te vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het |
beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in de interpretatie dat | beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in de interpretatie dat |
zij betrekking heeft op alle straffen in de zin van artikel 6 van het | zij betrekking heeft op alle straffen in de zin van artikel 6 van het |
Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met inbegrip van boeten | Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met inbegrip van boeten |
opgelegd door de Europese Commissie krachtens de verordening nr. | opgelegd door de Europese Commissie krachtens de verordening nr. |
1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en 102 | 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en 102 |
van het VWEU, die fiscaal bijgevolg niet als beroepskosten aftrekbaar | van het VWEU, die fiscaal bijgevolg niet als beroepskosten aftrekbaar |
zouden zijn. | zouden zijn. |
In die interpretatie heeft de in het geding zijnde bepaling tot gevolg | In die interpretatie heeft de in het geding zijnde bepaling tot gevolg |
dat twee categorieën van belastingplichtigen op identieke wijze worden | dat twee categorieën van belastingplichtigen op identieke wijze worden |
behandeld : enerzijds, de belastingplichtigen aan wie de Europese | behandeld : enerzijds, de belastingplichtigen aan wie de Europese |
Commissie een geldboete oplegt wegens de schending van de artikelen | Commissie een geldboete oplegt wegens de schending van de artikelen |
101 of 102 van het VWEU en, anderzijds, de belastingplichtigen aan wie | 101 of 102 van het VWEU en, anderzijds, de belastingplichtigen aan wie |
de rechter een strafrechtelijke geldboete oplegt. | de rechter een strafrechtelijke geldboete oplegt. |
B.17. Het Hof mag een gelijke behandeling slechts afkeuren wanneer | B.17. Het Hof mag een gelijke behandeling slechts afkeuren wanneer |
twee categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste | twee categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste |
maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke | maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke |
wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke | wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke |
verantwoording bestaat. | verantwoording bestaat. |
B.18. Om de in B.13 en B.14 uiteengezette redenen, zou de mogelijkheid | B.18. Om de in B.13 en B.14 uiteengezette redenen, zou de mogelijkheid |
om de door de Europese Commissie wegens de schending van de artikelen | om de door de Europese Commissie wegens de schending van de artikelen |
101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboeten fiscaal af te trekken, | 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboeten fiscaal af te trekken, |
raken aan hun doeltreffendheid en aan de coherente toepassing van de | raken aan hun doeltreffendheid en aan de coherente toepassing van de |
verbodsbepalingen van het mededingingsrecht, en niet verenigbaar zijn | verbodsbepalingen van het mededingingsrecht, en niet verenigbaar zijn |
met het Unierecht. | met het Unierecht. |
B.19. Aangezien het Unierecht verhindert dat de door de Europese | B.19. Aangezien het Unierecht verhindert dat de door de Europese |
Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU | Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU |
opgelegde geldboeten fiscaal aftrekbaar zijn, is het redelijk | opgelegde geldboeten fiscaal aftrekbaar zijn, is het redelijk |
verantwoord dat de in het geding zijnde bepaling een dergelijke | verantwoord dat de in het geding zijnde bepaling een dergelijke |
aftrekbaarheid niet toestaat, net zoals die aftrekbaarheid niet wordt | aftrekbaarheid niet toestaat, net zoals die aftrekbaarheid niet wordt |
toegestaan voor de strafrechtelijke geldboeten. | toegestaan voor de strafrechtelijke geldboeten. |
B.20. Daaruit vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling, | B.20. Daaruit vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling, |
geïnterpreteerd in overeenstemming met het Unierecht, in zoverre zij | geïnterpreteerd in overeenstemming met het Unierecht, in zoverre zij |
de twee in B.16 vermelde categorieën van belastingplichtigen op | de twee in B.16 vermelde categorieën van belastingplichtigen op |
identieke wijze behandelt, niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 | identieke wijze behandelt, niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 |
en 11 van de Grondwet. | en 11 van de Grondwet. |
B.21. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden | B.21. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden |
beantwoord. | beantwoord. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
zegt voor recht : | zegt voor recht : |
- De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. | - De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. |
- Artikel 53, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 | - Artikel 53, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 |
schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de interpretatie | schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de interpretatie |
dat boeten opgelegd door de Europese Commissie wegens inbreuken op de | dat boeten opgelegd door de Europese Commissie wegens inbreuken op de |
artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de | artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de |
Europese Unie niet als beroepskosten worden aangemerkt. | Europese Unie niet als beroepskosten worden aangemerkt. |
Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig | Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig |
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het | artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het |
Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 december | Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 december |
2012. | 2012. |
De griffier, | De griffier, |
F. Meersschaut | F. Meersschaut |
De voorzitter, | De voorzitter, |
M. Bossuyt | M. Bossuyt |