Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 161/2012 van 20 december 2012 Rolnummer : 5285 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 53, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel."
Uittreksel uit arrest nr. 161/2012 van 20 december 2012 Rolnummer : 5285 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 53, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Uittreksel uit arrest nr. 161/2012 van 20 december 2012 Rolnummer : 5285 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 53, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 161/2012 van 20 december 2012 Uittreksel uit arrest nr. 161/2012 van 20 december 2012
Rolnummer : 5285 Rolnummer : 5285
In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 53, 6°, van het In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 53, 6°, van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank
van eerste aanleg te Brussel. van eerste aanleg te Brussel.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter J.-P. Snappe, samengesteld uit voorzitter M. Bossuyt, rechter J.-P. Snappe,
waarnemend voorzitter, en de rechters A. Alen, J.-P. Moerman, J. waarnemend voorzitter, en de rechters A. Alen, J.-P. Moerman, J.
Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier Spreutels, T. Merckx-Van Goey en F. Daoût, bijgestaan door de griffier
F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
Bij vonnis van 20 december 2011 in zake de nv « Tessenderlo Chemie » Bij vonnis van 20 december 2011 in zake de nv « Tessenderlo Chemie »
tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof
is ingekomen op 6 januari 2012, heeft de Rechtbank van eerste aanleg is ingekomen op 6 januari 2012, heeft de Rechtbank van eerste aanleg
te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld :
« 1. Schendt de bepaling van artikel 53, 6° WIB 92 in die zin « 1. Schendt de bepaling van artikel 53, 6° WIB 92 in die zin
uitgelegd dat zij doelt op geldelijke sancties op basis van (al dan uitgelegd dat zij doelt op geldelijke sancties op basis van (al dan
niet bijzondere) strafwetgeving, doch niet op administratieve niet bijzondere) strafwetgeving, doch niet op administratieve
geldboeten, die hun oorsprong vinden in bepalingen van administratieve geldboeten, die hun oorsprong vinden in bepalingen van administratieve
aard, met name boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens aard, met name boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens
Verordening nr. 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de Verordening nr. 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de
artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de Europese Unie, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de
straffen opgelegd door een strafwet niet en de bedoelde straffen opgelegd door een strafwet niet en de bedoelde
administratieve sancties wegens inbreuken op de communautaire administratieve sancties wegens inbreuken op de communautaire
mededingingsregels wel kunnen worden afgetrokken van de mededingingsregels wel kunnen worden afgetrokken van de
beroepsinkomsten van de belastingplichtige ? beroepsinkomsten van de belastingplichtige ?
2. Schendt de bepaling van artikel 53, 6° WIB 92 in die zin uitgelegd 2. Schendt de bepaling van artikel 53, 6° WIB 92 in die zin uitgelegd
dat zij doelt op straffen in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot dat zij doelt op straffen in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot
Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden
zonder onderscheid naar gelang zij al dan niet hun oorsprong vinden in zonder onderscheid naar gelang zij al dan niet hun oorsprong vinden in
bepalingen van (al dan niet bijzonder) strafrecht naar Belgisch recht bepalingen van (al dan niet bijzonder) strafrecht naar Belgisch recht
dan wel bepalingen van administratieve aard, met name boeten opgelegd dan wel bepalingen van administratieve aard, met name boeten opgelegd
door de Europese Commissie krachtens Verordening nr. 1/2003 in het door de Europese Commissie krachtens Verordening nr. 1/2003 in het
kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en 102 van het Verdrag kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en 102 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie, de artikelen 10 en 11 van betreffende de werking van de Europese Unie, de artikelen 10 en 11 van
de Grondwet ? ». de Grondwet ? ».
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
Wat de in het geding zijnde bepaling betreft Wat de in het geding zijnde bepaling betreft
B.1.1. Artikel 48 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 B.1.1. Artikel 48 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
(hierna : WIB 1992) bepaalt : (hierna : WIB 1992) bepaalt :
« Binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt, « Binnen de grenzen en onder de voorwaarden die de Koning bepaalt,
worden vrijgesteld de waardeverminderingen en de voorzieningen voor worden vrijgesteld de waardeverminderingen en de voorzieningen voor
risico's en kosten die door ondernemingen worden geboekt om het hoofd risico's en kosten die door ondernemingen worden geboekt om het hoofd
te bieden aan scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan te bieden aan scherp omschreven verliezen of kosten die volgens de aan
de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn. de gang zijnde gebeurtenissen waarschijnlijk zijn.
[...] ». [...] ».
B.1.2. Artikel 24, 1°, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 B.1.2. Artikel 24, 1°, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993
tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
bepaalt : bepaalt :
« Uit de winst van het in artikel 22 vermelde tijdperk worden eveneens « Uit de winst van het in artikel 22 vermelde tijdperk worden eveneens
de voorzieningen voor risico's en kosten gesloten die bij het de voorzieningen voor risico's en kosten gesloten die bij het
verstrijken van dat tijdperk zijn aangelegd, wanneer : verstrijken van dat tijdperk zijn aangelegd, wanneer :
1° de kosten, ter bestrijding waarvan de voorzieningen bestemd zijn, 1° de kosten, ter bestrijding waarvan de voorzieningen bestemd zijn,
uiteraard aftrekbaar zijn als beroepskosten en geacht worden normaal uiteraard aftrekbaar zijn als beroepskosten en geacht worden normaal
op de uitslagen van dat tijdperk te drukken ». op de uitslagen van dat tijdperk te drukken ».
B.1.3. Artikel 53, 6°, van het WIB 1992 bepaalt : B.1.3. Artikel 53, 6°, van het WIB 1992 bepaalt :
« Als beroepskosten worden niet aangemerkt : « Als beroepskosten worden niet aangemerkt :
[...] [...]
6° geldboeten, met inbegrip van transactionele geldboeten, 6° geldboeten, met inbegrip van transactionele geldboeten,
verbeurdverklaringen en straffen van alle aard, zelfs indien die verbeurdverklaringen en straffen van alle aard, zelfs indien die
geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van de geldboeten of straffen worden opgelopen door een persoon die van de
belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in artikel 30 ». belastingplichtige bezoldigingen ontvangt als vermeld in artikel 30 ».
B.1.4. Uit de combinatie van de voormelde bepalingen vloeit voort dat B.1.4. Uit de combinatie van de voormelde bepalingen vloeit voort dat
voorzieningen niet worden vrijgesteld of uit de winst gesloten wanneer voorzieningen niet worden vrijgesteld of uit de winst gesloten wanneer
ze zijn aangelegd met het oog op de betaling van geldboeten in de zin ze zijn aangelegd met het oog op de betaling van geldboeten in de zin
van artikel 53, 6°, van het WIB 1992, vermits die geldboeten niet van artikel 53, 6°, van het WIB 1992, vermits die geldboeten niet
aftrekbaar zijn als beroepskosten. aftrekbaar zijn als beroepskosten.
Wat de ontvankelijkheid van de tussenkomsten betreft Wat de ontvankelijkheid van de tussenkomsten betreft
B.2.1. Artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op B.2.1. Artikel 87, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op
het Grondwettelijk Hof bepaalt : het Grondwettelijk Hof bepaalt :
« Wanneer het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële « Wanneer het Grondwettelijk Hof, bij wijze van prejudiciële
beslissing, uitspraak doet op vragen als bedoeld in artikel 26, kan beslissing, uitspraak doet op vragen als bedoeld in artikel 26, kan
ieder die van een belang doet blijken in de zaak voor de rechter die ieder die van een belang doet blijken in de zaak voor de rechter die
de verwijzing gelast, een memorie aan het Hof richten binnen dertig de verwijzing gelast, een memorie aan het Hof richten binnen dertig
dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74. Hij wordt dagen na de bekendmaking voorgeschreven in artikel 74. Hij wordt
daardoor geacht partij in het geding te zijn ». daardoor geacht partij in het geding te zijn ».
B.2.2. Om overeenkomstig het voormelde artikel 87, § 1, van een belang B.2.2. Om overeenkomstig het voormelde artikel 87, § 1, van een belang
te doen blijken, dienen personen die in een prejudiciële procedure te doen blijken, dienen personen die in een prejudiciële procedure
wensen tussen te komen, in hun memorie voldoende elementen aan te wensen tussen te komen, in hun memorie voldoende elementen aan te
reiken die aannemelijk maken dat het antwoord van het Hof op de reiken die aannemelijk maken dat het antwoord van het Hof op de
prejudiciële vragen een rechtstreekse weerslag kan hebben op hun prejudiciële vragen een rechtstreekse weerslag kan hebben op hun
persoonlijke situatie. persoonlijke situatie.
B.2.3. De nv « Schindler » zet uiteen dat zij, net als de eisende B.2.3. De nv « Schindler » zet uiteen dat zij, net als de eisende
partij voor de verwijzende rechter, bij de Rechtbank van eerste aanleg partij voor de verwijzende rechter, bij de Rechtbank van eerste aanleg
te Brussel beroep heeft ingesteld tegen de jegens haar gevestigde te Brussel beroep heeft ingesteld tegen de jegens haar gevestigde
aanslag in de vennootschapsbelasting omdat de belastingadministratie aanslag in de vennootschapsbelasting omdat de belastingadministratie
de voorzieningen die zij in 2006 heeft aangelegd om een Europese de voorzieningen die zij in 2006 heeft aangelegd om een Europese
kartelboete te betalen, als belastbaar beschouwt. kartelboete te betalen, als belastbaar beschouwt.
Aldus doet de nv « Schindler » blijken van een voldoende belang om Aldus doet de nv « Schindler » blijken van een voldoende belang om
tussen te komen. tussen te komen.
B.2.4.1. De Europese Commissie verwijst, enerzijds, naar artikel 15, B.2.4.1. De Europese Commissie verwijst, enerzijds, naar artikel 15,
lid 3, van de verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december lid 3, van de verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december
2002 « betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de 2002 « betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de
artikelen 81 en 82 van het [EG-]Verdrag [thans de artikelen 101 en 102 artikelen 81 en 82 van het [EG-]Verdrag [thans de artikelen 101 en 102
van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie] » (hierna van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie] » (hierna
: de verordening nr. 1/2003) en voert, anderzijds, aan dat het : de verordening nr. 1/2003) en voert, anderzijds, aan dat het
antwoord op de prejudiciële vragen de doeltreffendheid kan beïnvloeden antwoord op de prejudiciële vragen de doeltreffendheid kan beïnvloeden
van de sancties die zij oplegt voor overtredingen van de artikelen 101 van de sancties die zij oplegt voor overtredingen van de artikelen 101
en 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie
(hierna : VWEU). (hierna : VWEU).
B.2.4.2. Overweging 21 van de verordening nr. 1/2003 luidt : B.2.4.2. Overweging 21 van de verordening nr. 1/2003 luidt :
« Een samenhangende toepassing van de mededingingsregels vereist ook « Een samenhangende toepassing van de mededingingsregels vereist ook
een regeling van de samenwerking tussen de rechterlijke instanties van een regeling van de samenwerking tussen de rechterlijke instanties van
de lidstaten en de Commissie. Dit geldt voor alle rechterlijke de lidstaten en de Commissie. Dit geldt voor alle rechterlijke
instanties van de lidstaten die de artikelen 81 en 82 van het Verdrag instanties van de lidstaten die de artikelen 81 en 82 van het Verdrag
toepassen, ongeacht of zij dit doen in rechtszaken tussen toepassen, ongeacht of zij dit doen in rechtszaken tussen
particulieren, als openbare handhavingsinstanties of als particulieren, als openbare handhavingsinstanties of als
beroepsinstanties. Met name moeten de nationale rechterlijke beroepsinstanties. Met name moeten de nationale rechterlijke
instanties de mogelijkheid hebben zich tot de Commissie te wenden om instanties de mogelijkheid hebben zich tot de Commissie te wenden om
inlichtingen of adviezen over de toepassing van het communautaire inlichtingen of adviezen over de toepassing van het communautaire
mededingingsrecht te verkrijgen. Anderzijds moeten de Commissie en de mededingingsrecht te verkrijgen. Anderzijds moeten de Commissie en de
mededingingsautoriteiten van de lidstaten de bevoegdheid hebben mededingingsautoriteiten van de lidstaten de bevoegdheid hebben
schriftelijke of mondelinge opmerkingen voor de nationale rechterlijke schriftelijke of mondelinge opmerkingen voor de nationale rechterlijke
instanties te maken, wanneer hun verzocht wordt artikel 81 of artikel instanties te maken, wanneer hun verzocht wordt artikel 81 of artikel
82 van het Verdrag toe te passen. Deze opmerkingen moeten worden 82 van het Verdrag toe te passen. Deze opmerkingen moeten worden
ingediend binnen het kader van de nationale procedures en praktijken, ingediend binnen het kader van de nationale procedures en praktijken,
waaronder die welke de rechten van de partijen vrijwaren. Te dien waaronder die welke de rechten van de partijen vrijwaren. Te dien
einde moet ervoor worden gezorgd dat de Commissie en de einde moet ervoor worden gezorgd dat de Commissie en de
mededingingsautoriteiten van de lidstaten over voldoende gegevens mededingingsautoriteiten van de lidstaten over voldoende gegevens
inzake de voor de nationale rechterlijke instanties gevoerde inzake de voor de nationale rechterlijke instanties gevoerde
procedures kunnen beschikken ». procedures kunnen beschikken ».
B.2.4.3. Artikel 15, lid 3, van diezelfde verordening bepaalt : B.2.4.3. Artikel 15, lid 3, van diezelfde verordening bepaalt :
« De mededingingsautoriteiten van de lidstaten kunnen eigener beweging « De mededingingsautoriteiten van de lidstaten kunnen eigener beweging
voor de rechterlijke instanties in hun lidstaat schriftelijke voor de rechterlijke instanties in hun lidstaat schriftelijke
opmerkingen maken betreffende onderwerpen in verband met de toepassing opmerkingen maken betreffende onderwerpen in verband met de toepassing
van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag. Met de toestemming van van artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag. Met de toestemming van
de betrokken rechterlijke instantie kunnen zij voor de nationale de betrokken rechterlijke instantie kunnen zij voor de nationale
rechterlijke instanties in hun lidstaat ook mondelinge opmerkingen rechterlijke instanties in hun lidstaat ook mondelinge opmerkingen
maken. Indien de coherente toepassing van artikel 81 of artikel 82 van maken. Indien de coherente toepassing van artikel 81 of artikel 82 van
het Verdrag zulks vereist, kan de Commissie, eigener beweging, het Verdrag zulks vereist, kan de Commissie, eigener beweging,
schriftelijke opmerkingen bij de rechterlijke instanties van de schriftelijke opmerkingen bij de rechterlijke instanties van de
lidstaten indienen. Met de toestemming van de betrokken rechterlijke lidstaten indienen. Met de toestemming van de betrokken rechterlijke
instantie kan zij ook mondelinge opmerkingen maken. instantie kan zij ook mondelinge opmerkingen maken.
[...] ». [...] ».
B.2.4.4. In antwoord op de vraag of de Europese Commissie op grond van B.2.4.4. In antwoord op de vraag of de Europese Commissie op grond van
voormelde bepaling bevoegd is om uit eigen beweging schriftelijke voormelde bepaling bevoegd is om uit eigen beweging schriftelijke
opmerkingen bij een nationale rechterlijke instantie in te dienen in opmerkingen bij een nationale rechterlijke instantie in te dienen in
het kader van een procedure die betrekking heeft op de volledige of het kader van een procedure die betrekking heeft op de volledige of
gedeeltelijke aftrekbaarheid van de belastbare winst, van een door de gedeeltelijke aftrekbaarheid van de belastbare winst, van een door de
Commissie wegens schending van de artikelen 81 of 82 van het Commissie wegens schending van de artikelen 81 of 82 van het
EG-Verdrag (thans de artikelen 101 en 102 van het VWEU) opgelegde EG-Verdrag (thans de artikelen 101 en 102 van het VWEU) opgelegde
geldboete, heeft het Hof van Justitie als volgt geoordeeld : geldboete, heeft het Hof van Justitie als volgt geoordeeld :
« 26. Ingevolge artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1/2003 kunnen « 26. Ingevolge artikel 15, lid 1, van verordening nr. 1/2003 kunnen
enerzijds [de] rechterlijke instanties [van de lidstaten] de Commissie enerzijds [de] rechterlijke instanties [van de lidstaten] de Commissie
verzoeken inlichtingen waarover zij beschikt, of haar advies verzoeken inlichtingen waarover zij beschikt, of haar advies
betreffende de toepassing van de communautaire mededingingsregels, aan betreffende de toepassing van de communautaire mededingingsregels, aan
hen te bezorgen. Artikel 15, lid 2, ervan bepaalt anderzijds dat de hen te bezorgen. Artikel 15, lid 2, ervan bepaalt anderzijds dat de
lidstaten de Commissie een afschrift toezenden van schriftelijke lidstaten de Commissie een afschrift toezenden van schriftelijke
beslissingen van nationale rechterlijke instanties met betrekking tot beslissingen van nationale rechterlijke instanties met betrekking tot
de toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG. de toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG.
27. Ingevolge artikel 15, lid 3, eerste alinea, eerste en tweede zin, 27. Ingevolge artikel 15, lid 3, eerste alinea, eerste en tweede zin,
van verordening nr. 1/2003 kunnen de mededingingsautoriteiten van de van verordening nr. 1/2003 kunnen de mededingingsautoriteiten van de
lidstaten eigener beweging voor de rechterlijke instanties in hun lidstaten eigener beweging voor de rechterlijke instanties in hun
lidstaat schriftelijke, en met de toestemming van de betrokken lidstaat schriftelijke, en met de toestemming van de betrokken
rechterlijke instantie ook mondelinge, opmerkingen maken betreffende rechterlijke instantie ook mondelinge, opmerkingen maken betreffende
onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81 EG of artikel onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81 EG of artikel
82 EG. Ingevolge de derde en de vierde zin van deze bepaling kan 82 EG. Ingevolge de derde en de vierde zin van deze bepaling kan
eveneens de Commissie eigener beweging schriftelijke, en met de eveneens de Commissie eigener beweging schriftelijke, en met de
toestemming van de betrokken rechterlijke instantie ook mondelinge, toestemming van de betrokken rechterlijke instantie ook mondelinge,
opmerkingen indienen bij de rechterlijke instanties van de lidstaten, opmerkingen indienen bij de rechterlijke instanties van de lidstaten,
indien de coherente toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG indien de coherente toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG
zulks vereist. zulks vereist.
28. Artikel 15, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1/2003 ziet 28. Artikel 15, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1/2003 ziet
dus op twee verschillende vormen van indiening van opmerkingen, met dus op twee verschillende vormen van indiening van opmerkingen, met
een verschillende werkingssfeer : indiening van opmerkingen door de een verschillende werkingssfeer : indiening van opmerkingen door de
nationale mededingingsautoriteiten, voor de rechterlijke instanties in nationale mededingingsautoriteiten, voor de rechterlijke instanties in
hun respectieve lidstaten, betreffende onderwerpen in verband met de hun respectieve lidstaten, betreffende onderwerpen in verband met de
toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG, en indiening van toepassing van artikel 81 EG of artikel 82 EG, en indiening van
opmerkingen door de Commissie, voor de rechterlijke instanties van de opmerkingen door de Commissie, voor de rechterlijke instanties van de
lidstaten, indien de coherente toepassing van artikel 81 EG of artikel lidstaten, indien de coherente toepassing van artikel 81 EG of artikel
82 EG zulks vereist. 82 EG zulks vereist.
29. De vier zinnen van deze alinea, en vooral het feit dat de tweede 29. De vier zinnen van deze alinea, en vooral het feit dat de tweede
en de vierde zin ervan nagenoeg identiek zijn, onderstrepen dat de en de vierde zin ervan nagenoeg identiek zijn, onderstrepen dat de
communautaire wetgever deze twee situaties, ofschoon in dezelfde communautaire wetgever deze twee situaties, ofschoon in dezelfde
alinea genoemd, van elkaar wilde scheiden. alinea genoemd, van elkaar wilde scheiden.
30. Een letterlijke uitlegging van artikel 15, lid 3, eerste alinea, 30. Een letterlijke uitlegging van artikel 15, lid 3, eerste alinea,
van verordening nr. 1/2003 leidt bijgevolg tot de zienswijze dat de van verordening nr. 1/2003 leidt bijgevolg tot de zienswijze dat de
Commissie uit eigen beweging bij de rechterlijke instanties van de Commissie uit eigen beweging bij de rechterlijke instanties van de
lidstaten uitsluitend schriftelijke opmerkingen kan indienen indien de lidstaten uitsluitend schriftelijke opmerkingen kan indienen indien de
coherente toepassing van artikel 81 EG of 82 EG zulks vereist. Deze coherente toepassing van artikel 81 EG of 82 EG zulks vereist. Deze
voorwaarde kan zelfs worden vervuld in gevallen waarin de betrokken voorwaarde kan zelfs worden vervuld in gevallen waarin de betrokken
procedure niet onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81 procedure niet onderwerpen in verband met de toepassing van artikel 81
of 82 van het Verdrag betreft » (HvJ, 11 juni 2009, C-429/07, of 82 van het Verdrag betreft » (HvJ, 11 juni 2009, C-429/07,
Inspecteur van de Belastingdienst tegen X BV, punten 26-30). Inspecteur van de Belastingdienst tegen X BV, punten 26-30).
Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de Commissie vermag schriftelijke Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de Commissie vermag schriftelijke
opmerkingen in te dienen bij de rechterlijke instanties van een opmerkingen in te dienen bij de rechterlijke instanties van een
lidstaat indien de coherente toepassing van de artikelen 101 of 102 lidstaat indien de coherente toepassing van de artikelen 101 of 102
van het VWEU dat vereist, zelfs indien de rechterlijke instantie in van het VWEU dat vereist, zelfs indien de rechterlijke instantie in
kwestie die bepalingen niet toepast. kwestie die bepalingen niet toepast.
B.2.4.5. Het Hof van Justitie overweegt nog dat, in zoverre de B.2.4.5. Het Hof van Justitie overweegt nog dat, in zoverre de
uitkomst van een geding inzake de fiscale aftrekbaarheid van een door uitkomst van een geding inzake de fiscale aftrekbaarheid van een door
de Commissie opgelegde geldboete kan raken aan de doeltreffendheid van de Commissie opgelegde geldboete kan raken aan de doeltreffendheid van
de door de communautaire mededingingsautoriteit opgelegde sanctie, de door de communautaire mededingingsautoriteit opgelegde sanctie,
artikel 15, lid 3, van de verordening nr. 1/2003 aldus moet worden artikel 15, lid 3, van de verordening nr. 1/2003 aldus moet worden
uitgelegd dat de Commissie op grond van die bepaling bevoegd is om uit uitgelegd dat de Commissie op grond van die bepaling bevoegd is om uit
eigen beweging bij een rechterlijke instantie van een lidstaat eigen beweging bij een rechterlijke instantie van een lidstaat
schriftelijke opmerkingen in te dienen in een procedure die betrekking schriftelijke opmerkingen in te dienen in een procedure die betrekking
heeft op de volledige of gedeeltelijke aftrekbaarheid, van de heeft op de volledige of gedeeltelijke aftrekbaarheid, van de
belastbare winst, van een door haar wegens schending van de artikelen belastbare winst, van een door haar wegens schending van de artikelen
101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboete (ibid., punten 39-40). 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboete (ibid., punten 39-40).
B.2.4.6. Vermits te dezen de aftrekbaarheid van een door de Commissie B.2.4.6. Vermits te dezen de aftrekbaarheid van een door de Commissie
wegens schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde wegens schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde
geldboete in het geding is, doet de Commissie blijken van een geldboete in het geding is, doet de Commissie blijken van een
voldoende belang om tussen te komen. voldoende belang om tussen te komen.
Wat de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen betreft Wat de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen betreft
B.3.1. De nv « Tessenderlo Chemie », eisende partij voor het B.3.1. De nv « Tessenderlo Chemie », eisende partij voor het
verwijzende rechtscollege, voert aan dat de prejudiciële vragen verwijzende rechtscollege, voert aan dat de prejudiciële vragen
onontvankelijk zijn, enerzijds, omdat beide vragen onduidelijk zouden onontvankelijk zijn, enerzijds, omdat beide vragen onduidelijk zouden
zijn en, anderzijds, omdat het antwoord op de tweede prejudiciële zijn en, anderzijds, omdat het antwoord op de tweede prejudiciële
vraag niet nuttig zou zijn voor het oplossen van het bodemgeschil. vraag niet nuttig zou zijn voor het oplossen van het bodemgeschil.
B.3.2. Uit de prejudiciële vragen blijkt dat het Hof wordt ondervraagd B.3.2. Uit de prejudiciële vragen blijkt dat het Hof wordt ondervraagd
over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de over de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepaling met de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre voorzieningen voor een artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre voorzieningen voor een
strafrechtelijke geldboete fiscaal niet aftrekbaar zijn en strafrechtelijke geldboete fiscaal niet aftrekbaar zijn en
voorzieningen voor een administratieve geldboete fiscaal aftrekbaar voorzieningen voor een administratieve geldboete fiscaal aftrekbaar
(eerste prejudiciële vraag), dan wel fiscaal niet aftrekbaar (tweede (eerste prejudiciële vraag), dan wel fiscaal niet aftrekbaar (tweede
prejudiciële vraag) zijn. Bijgevolg bevatten de prejudiciële vragen de prejudiciële vraag) zijn. Bijgevolg bevatten de prejudiciële vragen de
vereiste elementen opdat het Hof zich erover kan uitspreken. vereiste elementen opdat het Hof zich erover kan uitspreken.
B.3.3.1. In beginsel komt het aan het verwijzende rechtscollege toe na B.3.3.1. In beginsel komt het aan het verwijzende rechtscollege toe na
te gaan of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is om het aan te gaan of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is om het aan
dat rechtscollege voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer dat rechtscollege voorgelegde geschil te beslechten. Slechts wanneer
dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat dat klaarblijkelijk niet het geval is, vermag het Hof te beslissen dat
de vraag geen antwoord behoeft. de vraag geen antwoord behoeft.
B.3.3.2. Het geschil voor het verwijzende rechtscollege betreft de B.3.3.2. Het geschil voor het verwijzende rechtscollege betreft de
fiscale aftrek van voorzieningen om een administratieve geldboete, fiscale aftrek van voorzieningen om een administratieve geldboete,
namelijk een door de Europese Commissie wegens schending van de namelijk een door de Europese Commissie wegens schending van de
artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboete, te betalen. In artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboete, te betalen. In
tegenstelling tot wat de nv « Tessenderlo Chemie » beweert, behoeft de tegenstelling tot wat de nv « Tessenderlo Chemie » beweert, behoeft de
tweede prejudiciële vraag een antwoord voor het oplossen van het tweede prejudiciële vraag een antwoord voor het oplossen van het
geschil dat voor het verwijzende rechtscollege aanhangig is. geschil dat voor het verwijzende rechtscollege aanhangig is.
B.3.4. De exceptie wordt verworpen. B.3.4. De exceptie wordt verworpen.
Ten gronde Ten gronde
B.4. De aan het Hof gestelde prejudiciële vragen betreffen de fiscale B.4. De aan het Hof gestelde prejudiciële vragen betreffen de fiscale
aftrekbaarheid van voorzieningen voor administratieve geldboeten. Uit aftrekbaarheid van voorzieningen voor administratieve geldboeten. Uit
die vragen en uit het verwijzingsvonnis blijkt dat het bodemgeschil die vragen en uit het verwijzingsvonnis blijkt dat het bodemgeschil
betrekking heeft op voorzieningen voor een door de Europese Commissie betrekking heeft op voorzieningen voor een door de Europese Commissie
wegens schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde wegens schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde
geldboete. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval. geldboete. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot dat geval.
Wat de eerste prejudiciële vraag betreft Wat de eerste prejudiciële vraag betreft
B.5. Met de eerste prejudiciële vraag beoogt de verwijzende rechter te B.5. Met de eerste prejudiciële vraag beoogt de verwijzende rechter te
vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het
beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in de interpretatie dat beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in de interpretatie dat
zij betrekking heeft op strafrechtelijke geldboeten, doch niet op zij betrekking heeft op strafrechtelijke geldboeten, doch niet op
boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens de verordening boeten opgelegd door de Europese Commissie krachtens de verordening
nr. 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en nr. 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en
102 van het VWEU. 102 van het VWEU.
B.6.1. Volgens de Ministerraad behoeft de eerste prejudiciële vraag B.6.1. Volgens de Ministerraad behoeft de eerste prejudiciële vraag
geen antwoord, aangezien ze uitgaat van een verkeerde interpretatie geen antwoord, aangezien ze uitgaat van een verkeerde interpretatie
van de in het geding zijnde bepaling. van de in het geding zijnde bepaling.
B.6.2. In dat verband vraagt de Ministerraad, alsook de Europese B.6.2. In dat verband vraagt de Ministerraad, alsook de Europese
Commissie, dat het Hof een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie Commissie, dat het Hof een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie
van de Europese Unie zou stellen indien het van mening zou zijn dat in van de Europese Unie zou stellen indien het van mening zou zijn dat in
die interpretatie twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de in die interpretatie twijfel bestaat over de verenigbaarheid van de in
het geding zijnde bepaling met het VWEU. het geding zijnde bepaling met het VWEU.
B.7. Wanneer een vraag met betrekking tot de uitlegging van het B.7. Wanneer een vraag met betrekking tot de uitlegging van het
Unierecht wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale Unierecht wordt opgeworpen in een zaak aanhangig bij een nationale
rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen volgens het nationale
recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie, recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep, is die instantie,
overeenkomstig artikel 267, derde alinea, van het VWEU, gehouden die overeenkomstig artikel 267, derde alinea, van het VWEU, gehouden die
vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Die verwijzing is evenwel vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Die verwijzing is evenwel
niet nodig wanneer die rechterlijke instantie heeft vastgesteld « dat niet nodig wanneer die rechterlijke instantie heeft vastgesteld « dat
de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken de opgeworpen vraag niet relevant is of dat de betrokken
gemeenschapsbepaling reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste gemeenschapsbepaling reeds door het Hof is uitgelegd of dat de juiste
toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat toepassing van het gemeenschapsrecht zo evident is, dat
redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan » (HvJ, 6 oktober redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan » (HvJ, 6 oktober
1982, C-283/81, CILFIT, punt 21). 1982, C-283/81, CILFIT, punt 21).
B.8. Bijgevolg dient het Hof eerst na te gaan of de in het geding B.8. Bijgevolg dient het Hof eerst na te gaan of de in het geding
zijnde bepaling, zoals geïnterpreteerd door de verwijzende rechter, zijnde bepaling, zoals geïnterpreteerd door de verwijzende rechter,
bestaanbaar is met het recht van de Europese Unie en of het zich eraan bestaanbaar is met het recht van de Europese Unie en of het zich eraan
kan onttrekken een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te kan onttrekken een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te
stellen om reden dat dat Hof de bepaling van het Unierecht die te stellen om reden dat dat Hof de bepaling van het Unierecht die te
dezen moet worden toegepast, reeds heeft uitgelegd. dezen moet worden toegepast, reeds heeft uitgelegd.
B.9.1. Luidens artikel 101 van het VWEU zijn verboden « alle B.9.1. Luidens artikel 101 van het VWEU zijn verboden « alle
overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van
ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke
gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen
beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging
binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst ». binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst ».
Artikel 102 van het VWEU verbiedt dat één of meer ondernemingen Artikel 102 van het VWEU verbiedt dat één of meer ondernemingen
misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een misbruik maken van een machtspositie op de interne markt of op een
wezenlijk deel daarvan, voor zover de handel tussen lidstaten daardoor wezenlijk deel daarvan, voor zover de handel tussen lidstaten daardoor
ongunstig kan worden beïnvloed. ongunstig kan worden beïnvloed.
B.9.2. Voor de toepassing van die bepalingen stelt de Raad B.9.2. Voor de toepassing van die bepalingen stelt de Raad
verordeningen of richtlijnen vast die met name tot doel hebben de « verordeningen of richtlijnen vast die met name tot doel hebben de «
nakoming van de in artikel 101, lid 1, en in artikel 102 bedoelde nakoming van de in artikel 101, lid 1, en in artikel 102 bedoelde
verbodsbepalingen te verzekeren door de instelling van geldboeten en verbodsbepalingen te verzekeren door de instelling van geldboeten en
dwangsommen » (artikel 103, lid 2, onder a), van het VWEU). dwangsommen » (artikel 103, lid 2, onder a), van het VWEU).
B.9.3. Ter uitvoering hiervan bepaalt artikel 23 van de verordening B.9.3. Ter uitvoering hiervan bepaalt artikel 23 van de verordening
nr. 1/2003 : nr. 1/2003 :
« 1. De Commissie kan bij beschikking aan ondernemingen en « 1. De Commissie kan bij beschikking aan ondernemingen en
ondernemersverenigingen geldboeten van ten hoogste 1 % van de in het ondernemersverenigingen geldboeten van ten hoogste 1 % van de in het
voorafgaande boekjaar behaalde totale omzet opleggen, wanneer zij voorafgaande boekjaar behaalde totale omzet opleggen, wanneer zij
opzettelijk of uit onachtzaamheid : opzettelijk of uit onachtzaamheid :
a) in antwoord op een verzoek overeenkomstig artikel 17 of artikel 18, a) in antwoord op een verzoek overeenkomstig artikel 17 of artikel 18,
lid 2, onjuiste of misleidende inlichtingen verstrekken; lid 2, onjuiste of misleidende inlichtingen verstrekken;
b) in antwoord op een verzoek bij een beschikking overeenkomstig b) in antwoord op een verzoek bij een beschikking overeenkomstig
artikel 17 of artikel 18, lid 3, onvolledige, onjuiste of misleidende artikel 17 of artikel 18, lid 3, onvolledige, onjuiste of misleidende
inlichtingen verstrekken, dan wel de inlichtingen niet verstrekken inlichtingen verstrekken, dan wel de inlichtingen niet verstrekken
binnen de vastgestelde termijn; binnen de vastgestelde termijn;
c) tijdens een inspectie overeenkomstig artikel 20 geen volledige c) tijdens een inspectie overeenkomstig artikel 20 geen volledige
inzage geven in de daartoe gevraagde boeken of andere bescheiden in inzage geven in de daartoe gevraagde boeken of andere bescheiden in
verband met het bedrijf, dan wel zich niet aan een overeenkomstig verband met het bedrijf, dan wel zich niet aan een overeenkomstig
artikel 20, lid 4, bij beschikking gelaste inspectie onderwerpen; artikel 20, lid 4, bij beschikking gelaste inspectie onderwerpen;
d) in antwoord op een overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder e), d) in antwoord op een overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder e),
gestelde vraag gestelde vraag
- een onjuist of misleidend antwoord geven, dan wel - een onjuist of misleidend antwoord geven, dan wel
- nalaten binnen de door de Commissie vastgestelde termijn een door - nalaten binnen de door de Commissie vastgestelde termijn een door
een personeelslid gegeven onjuist, onvolledig of misleidend antwoord een personeelslid gegeven onjuist, onvolledig of misleidend antwoord
te corrigeren, of te corrigeren, of
- nalaten of weigeren een volledig antwoord te geven met betrekking - nalaten of weigeren een volledig antwoord te geven met betrekking
tot feiten in verband met het voorwerp en het doel van een inspectie tot feiten in verband met het voorwerp en het doel van een inspectie
waartoe opdracht is gegeven bij wege van een beschikking waartoe opdracht is gegeven bij wege van een beschikking
overeenkomstig artikel 20, lid 4; overeenkomstig artikel 20, lid 4;
e) zegels die door de door de Commissie gemachtigde functionarissen of e) zegels die door de door de Commissie gemachtigde functionarissen of
andere begeleidende personen overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder andere begeleidende personen overeenkomstig artikel 20, lid 2, onder
d), zijn aangebracht, verbreken. d), zijn aangebracht, verbreken.
2. De Commissie kan bij beschikking geldboetes opleggen aan 2. De Commissie kan bij beschikking geldboetes opleggen aan
ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of ondernemingen en ondernemersverenigingen wanneer zij opzettelijk of
uit onachtzaamheid : uit onachtzaamheid :
a) inbreuk maken op artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag; of a) inbreuk maken op artikel 81 of artikel 82 van het Verdrag; of
b) in strijd handelen met een beschikking waarbij uit hoofde van b) in strijd handelen met een beschikking waarbij uit hoofde van
artikel 8 voorlopige maatregelen gelast worden; of artikel 8 voorlopige maatregelen gelast worden; of
c) een toezegging waaraan overeenkomstig artikel 9 bij beschikking een c) een toezegging waaraan overeenkomstig artikel 9 bij beschikking een
verbindend karakter is verleend, niet nakomen. verbindend karakter is verleend, niet nakomen.
Voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en Voor elke bij de inbreuk betrokken onderneming en
ondernemersvereniging is de geldboete niet groter dan 10 % van de ondernemersvereniging is de geldboete niet groter dan 10 % van de
totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald. totale omzet die in het voorafgaande boekjaar is behaald.
Wanneer de inbreuk van een vereniging betrekking heeft op de Wanneer de inbreuk van een vereniging betrekking heeft op de
activiteiten van haar leden is de geldboete niet groter dan 10 % van activiteiten van haar leden is de geldboete niet groter dan 10 % van
de som van de totale omzet van elk lid dat actief is op de markt die de som van de totale omzet van elk lid dat actief is op de markt die
door de inbreuk van de vereniging geraakt wordt. door de inbreuk van de vereniging geraakt wordt.
3. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt zowel met 3. Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete wordt zowel met
de ernst, als met de duur van de inbreuk rekening gehouden. de ernst, als met de duur van de inbreuk rekening gehouden.
4. Wanneer aan een ondernemersvereniging een geldboete is opgelegd 4. Wanneer aan een ondernemersvereniging een geldboete is opgelegd
rekening houdend met de totale omzet van haar leden en deze vereniging rekening houdend met de totale omzet van haar leden en deze vereniging
insolvent is, is de vereniging verplicht om van haar leden bijdragen insolvent is, is de vereniging verplicht om van haar leden bijdragen
te vragen om de geldboete te kunnen betalen. te vragen om de geldboete te kunnen betalen.
Wanneer die bijdragen niet binnen een door de Commissie vastgestelde Wanneer die bijdragen niet binnen een door de Commissie vastgestelde
termijn aan de vereniging zijn betaald, kan de Commissie elke termijn aan de vereniging zijn betaald, kan de Commissie elke
onderneming waarvan de vertegenwoordigers lid waren van de betrokken onderneming waarvan de vertegenwoordigers lid waren van de betrokken
besluitvormende organen van de vereniging, rechtstreeks tot betaling besluitvormende organen van de vereniging, rechtstreeks tot betaling
van de boete aanspreken. van de boete aanspreken.
Nadat de Commissie betaling heeft geëist op grond van de tweede Nadat de Commissie betaling heeft geëist op grond van de tweede
alinea, kan de Commissie, indien dat nodig is om de volledige betaling alinea, kan de Commissie, indien dat nodig is om de volledige betaling
van de boete te waarborgen elk lid van de vereniging dat actief was op van de boete te waarborgen elk lid van de vereniging dat actief was op
de markt waarop de inbreuk heeft plaatsgevonden, tot betaling van het de markt waarop de inbreuk heeft plaatsgevonden, tot betaling van het
saldo aanspreken. saldo aanspreken.
De Commissie mag echter geen betaling uit hoofde van de tweede en De Commissie mag echter geen betaling uit hoofde van de tweede en
derde alinea eisen van ondernemingen die aantonen dat zij de derde alinea eisen van ondernemingen die aantonen dat zij de
inbreukmakende beslissing van de vereniging niet hebben uitgevoerd en inbreukmakende beslissing van de vereniging niet hebben uitgevoerd en
hetzij niet op de hoogte waren van het bestaan ervan, hetzij er actief hetzij niet op de hoogte waren van het bestaan ervan, hetzij er actief
afstand van hebben genomen vóór de aanvang van het onderzoek van de afstand van hebben genomen vóór de aanvang van het onderzoek van de
Commissie naar de zaak. Commissie naar de zaak.
De financiële aansprakelijkheid van elke onderneming met betrekking De financiële aansprakelijkheid van elke onderneming met betrekking
tot de betaling van de boete bedraagt niet meer dan 10 % van haar tot de betaling van de boete bedraagt niet meer dan 10 % van haar
totale omzet in het vorige boekjaar. totale omzet in het vorige boekjaar.
5. De op grond van lid 1 of lid 2 gegeven beschikkingen hebben geen 5. De op grond van lid 1 of lid 2 gegeven beschikkingen hebben geen
strafrechtelijk karakter ». strafrechtelijk karakter ».
B.10.1. Volgens de Europese Commissie omvat haar taak « niet alleen de B.10.1. Volgens de Europese Commissie omvat haar taak « niet alleen de
verplichting om individuele inbreuken op te sporen en te bestraffen, verplichting om individuele inbreuken op te sporen en te bestraffen,
maar ook de verplichting om een algemeen beleid te voeren dat erop is maar ook de verplichting om een algemeen beleid te voeren dat erop is
gericht om op het gebied van de mededinging toepassing te geven aan de gericht om op het gebied van de mededinging toepassing te geven aan de
door het Verdrag vastgelegde beginselen en het gedrag van de door het Verdrag vastgelegde beginselen en het gedrag van de
ondernemingen in overeenstemming met deze beginselen te sturen » ondernemingen in overeenstemming met deze beginselen te sturen »
(Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van (Richtsnoeren voor de berekening van geldboeten die uit hoofde van
artikel 23, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1/2003 worden artikel 23, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1/2003 worden
opgelegd, PB C 210 van 1 september 2006, p. 2, punt 4). Het bedrag van opgelegd, PB C 210 van 1 september 2006, p. 2, punt 4). Het bedrag van
de geldboete moet « op een zodanig niveau worden gesteld dat daarvan de geldboete moet « op een zodanig niveau worden gesteld dat daarvan
een voldoende afschrikkende werking uitgaat, niet alleen om de een voldoende afschrikkende werking uitgaat, niet alleen om de
betrokken ondernemingen te bestraffen (specifieke afschrikkende betrokken ondernemingen te bestraffen (specifieke afschrikkende
werking), maar ook om andere ondernemingen ervan te weerhouden over te werking), maar ook om andere ondernemingen ervan te weerhouden over te
gaan tot gedragingen die in strijd zijn met de artikelen 81 en 82 van gaan tot gedragingen die in strijd zijn met de artikelen 81 en 82 van
het Verdrag of dergelijke gedragingen voort te zetten (algemene het Verdrag of dergelijke gedragingen voort te zetten (algemene
afschrikkende werking) » (ibid.). afschrikkende werking) » (ibid.).
B.10.2. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de door de Europese B.10.2. Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de door de Europese
Commissie opgelegde geldboeten tot doel hebben « onwettige handelingen Commissie opgelegde geldboeten tot doel hebben « onwettige handelingen
van de betrokken ondernemingen te bestraffen en zowel die van de betrokken ondernemingen te bestraffen en zowel die
ondernemingen als andere deelnemers aan het economisch verkeer ervan ondernemingen als andere deelnemers aan het economisch verkeer ervan
te weerhouden om in de toekomst de communautaire mededingingsregels te te weerhouden om in de toekomst de communautaire mededingingsregels te
schenden » (HvJ, 29 juni 2006, C-289/04 P, Showa Denko KK t. schenden » (HvJ, 29 juni 2006, C-289/04 P, Showa Denko KK t.
Commissie, punt 16). Commissie, punt 16).
B.11. Wat de fiscale aftrekbaarheid van de door de Europese Commissie B.11. Wat de fiscale aftrekbaarheid van de door de Europese Commissie
opgelegde geldboeten betreft, heeft het Hof van Justitie in het opgelegde geldboeten betreft, heeft het Hof van Justitie in het
voormelde arrest van 11 juni 2009 het volgende geoordeeld : voormelde arrest van 11 juni 2009 het volgende geoordeeld :
« 35. De bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen aan « 35. De bevoegdheid van de Commissie om geldboeten op te leggen aan
ondernemingen die opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op ondernemingen die opzettelijk of uit onachtzaamheid inbreuk maken op
artikel 81, lid 1, EG of artikel 82 EG, is één van de middelen die de artikel 81, lid 1, EG of artikel 82 EG, is één van de middelen die de
Commissie ter beschikking zijn gesteld om de haar door het Commissie ter beschikking zijn gesteld om de haar door het
gemeenschapsrecht toevertrouwde toezichthoudende taak te kunnen gemeenschapsrecht toevertrouwde toezichthoudende taak te kunnen
uitoefenen (zie in die zin arresten van 7 juni 1983, Musique Diffusion uitoefenen (zie in die zin arresten van 7 juni 1983, Musique Diffusion
française e.a./Commissie, 100/80-103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 105, française e.a./Commissie, 100/80-103/80, Jurispr. blz. 1825, punt 105,
en 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, C-76/06 P, en 7 juni 2007, Britannia Alloys & Chemicals/Commissie, C-76/06 P,
Jurispr. blz. I-4405, punt 22). Jurispr. blz. I-4405, punt 22).
36. Zou het principiële verbod van mededingingsverstorende praktijken 36. Zou het principiële verbod van mededingingsverstorende praktijken
worden losgekoppeld van de voor niet-eerbiediging hiervan voorziene worden losgekoppeld van de voor niet-eerbiediging hiervan voorziene
sancties, dan zou dus de doeltreffendheid worden ontnomen aan het sancties, dan zou dus de doeltreffendheid worden ontnomen aan het
handelen van de autoriteiten die zijn belast met het toezicht op de handelen van de autoriteiten die zijn belast met het toezicht op de
naleving van dit verbod en met het opleggen van sancties voor naleving van dit verbod en met het opleggen van sancties voor
dergelijke praktijken. De artikelen 81 EG en 82 EG zouden dus dergelijke praktijken. De artikelen 81 EG en 82 EG zouden dus
onwerkzaam zijn indien zij niet met de in artikel 83, lid 2, sub a, EG onwerkzaam zijn indien zij niet met de in artikel 83, lid 2, sub a, EG
voorziene dwangmaatregelen gepaard zouden gaan. Zoals de voorziene dwangmaatregelen gepaard zouden gaan. Zoals de
advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie heeft uiteengezet, advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie heeft uiteengezet,
bestaat er tussen de geldboeten en de toepassing van de artikelen 81 bestaat er tussen de geldboeten en de toepassing van de artikelen 81
EG en 82 EG een wezenlijk verband. EG en 82 EG een wezenlijk verband.
37. De doeltreffendheid van de krachtens artikel 83, lid 2, sub a, EG 37. De doeltreffendheid van de krachtens artikel 83, lid 2, sub a, EG
door de nationale of communautaire mededingingsautoriteiten opgelegde door de nationale of communautaire mededingingsautoriteiten opgelegde
sancties is dus een voorwaarde voor de coherente toepassing van de sancties is dus een voorwaarde voor de coherente toepassing van de
artikelen 81 EG en 82 EG. artikelen 81 EG en 82 EG.
38. In het kader van een procedure betreffende in artikel 83, lid 2, 38. In het kader van een procedure betreffende in artikel 83, lid 2,
sub a, EG voorziene sancties op het gebied van mededingingsverstorende sub a, EG voorziene sancties op het gebied van mededingingsverstorende
praktijken, kan de beslissing die moet worden genomen door de praktijken, kan de beslissing die moet worden genomen door de
rechterlijke instantie waarbij de zaak aanhangig is, raken aan de rechterlijke instantie waarbij de zaak aanhangig is, raken aan de
doeltreffendheid van deze sancties, en dreigt die dus de coherente doeltreffendheid van deze sancties, en dreigt die dus de coherente
toepassing van de artikelen 81 EG of 82 EG te ondermijnen. toepassing van de artikelen 81 EG of 82 EG te ondermijnen.
39. In de omstandigheden van het hoofdgeding is het duidelijk dat de 39. In de omstandigheden van het hoofdgeding is het duidelijk dat de
uitkomst van het geding inzake de fiscale aftrekbaarheid van een uitkomst van het geding inzake de fiscale aftrekbaarheid van een
gedeelte van een door de Commissie opgelegde geldboete kan raken aan gedeelte van een door de Commissie opgelegde geldboete kan raken aan
de doeltreffendheid van de door de communautaire de doeltreffendheid van de door de communautaire
mededingingsautoriteit opgelegde sanctie. De beschikking van de mededingingsautoriteit opgelegde sanctie. De beschikking van de
Commissie waarbij zij aan een vennootschap een geldboete heeft Commissie waarbij zij aan een vennootschap een geldboete heeft
opgelegd, zou namelijk aanzienlijk aan doeltreffendheid inboeten opgelegd, zou namelijk aanzienlijk aan doeltreffendheid inboeten
indien deze boete voor de betrokken vennootschap, althans voor een aan indien deze boete voor de betrokken vennootschap, althans voor een aan
haar gelieerde vennootschap, volledig of gedeeltelijk aftrekbaar zou haar gelieerde vennootschap, volledig of gedeeltelijk aftrekbaar zou
zijn van haar belastbare winst, aangezien een dergelijke mogelijkheid zijn van haar belastbare winst, aangezien een dergelijke mogelijkheid
tot gevolg zou hebben dat de last van de betrokken boete door een tot gevolg zou hebben dat de last van de betrokken boete door een
verlaging van de belastingdruk gedeeltelijk zou worden gecompenseerd » verlaging van de belastingdruk gedeeltelijk zou worden gecompenseerd »
(HvJ, 11 juni 2009, C-429/07, Inspecteur van de Belastingdienst tegen (HvJ, 11 juni 2009, C-429/07, Inspecteur van de Belastingdienst tegen
X BV, punten 35-39). X BV, punten 35-39).
B.12. Het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Unie heeft B.12. Het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Unie heeft
eveneens geoordeeld : eveneens geoordeeld :
« 368. Verzoekster verklaart, dat zij de boete van 19,3 miljoen DM « 368. Verzoekster verklaart, dat zij de boete van 19,3 miljoen DM
moet betalen uit haar winst na belasting. Daardoor vormt die boete moet betalen uit haar winst na belasting. Daardoor vormt die boete
voor de bedrijfsresultaten van de onderneming in feite een last van voor de bedrijfsresultaten van de onderneming in feite een last van
ongeveer 55 miljoen DM; die komen bovenop het verlies van 250 miljoen ongeveer 55 miljoen DM; die komen bovenop het verlies van 250 miljoen
DM dat verzoekster in de polypropyleensector heeft geleden. DM dat verzoekster in de polypropyleensector heeft geleden.
369. Het Gerecht is van oordeel, dat de Commissie bij de vaststelling 369. Het Gerecht is van oordeel, dat de Commissie bij de vaststelling
van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete ongetwijfeld van het bedrag van de aan verzoekster opgelegde geldboete ongetwijfeld
rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat die geldboete uit de rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat die geldboete uit de
winst na belasting moest worden betaald. Indien de boete uit de winst winst na belasting moest worden betaald. Indien de boete uit de winst
vóór belasting moest worden betaald, zou in feite een deel van de vóór belasting moest worden betaald, zou in feite een deel van de
boete zijn gedragen door de Lid-Staat waaronder de onderneming boete zijn gedragen door de Lid-Staat waaronder de onderneming
fiscaalrechtelijk ressorteert, aangezien daardoor voor de onderneming fiscaalrechtelijk ressorteert, aangezien daardoor voor de onderneming
de maatstaf van heffing zou zijn verminderd. Bij de vaststelling van de maatstaf van heffing zou zijn verminderd. Bij de vaststelling van
het bedrag van de aan Hoechst opgelegde geldboete kan de Commissie het bedrag van de aan Hoechst opgelegde geldboete kan de Commissie
evenwel onmogelijk van die hypothese zijn uitgegaan » (Ger., 10 maart evenwel onmogelijk van die hypothese zijn uitgegaan » (Ger., 10 maart
1992, T-10/89, Hoechst AG t. Commissie, Jur., 1992, p. II-629, punten 1992, T-10/89, Hoechst AG t. Commissie, Jur., 1992, p. II-629, punten
368-369). 368-369).
B.13. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de door de Europese B.13. Uit wat voorafgaat vloeit voort dat de door de Europese
Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU
opgelegde geldboeten zowel een bestraffend als een afschrikkend doel opgelegde geldboeten zowel een bestraffend als een afschrikkend doel
hebben. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie en hebben. Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie en
van het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Unie kan de van het Gerecht van Eerste Aanleg van de Europese Unie kan de
mogelijkheid om die geldboeten fiscaal af te trekken raken aan hun mogelijkheid om die geldboeten fiscaal af te trekken raken aan hun
doeltreffendheid en aan de coherente toepassing van de doeltreffendheid en aan de coherente toepassing van de
verbodsbepalingen van het mededingingsrecht, in zoverre ze tot gevolg verbodsbepalingen van het mededingingsrecht, in zoverre ze tot gevolg
heeft dat de onderneming in kwestie de financiële last van de heeft dat de onderneming in kwestie de financiële last van de
geldboete ten dele kan afwentelen op de lidstaat. Op dat punt laat de geldboete ten dele kan afwentelen op de lidstaat. Op dat punt laat de
voormelde rechtspraak bij het Hof geen twijfel bestaan over de voormelde rechtspraak bij het Hof geen twijfel bestaan over de
interpretatie van het op de zaak van toepassing zijnde Unierecht die interpretatie van het op de zaak van toepassing zijnde Unierecht die
zou vereisen dat een nieuwe prejudiciële vraag aan het Hof van zou vereisen dat een nieuwe prejudiciële vraag aan het Hof van
Justitie wordt gesteld, zoals de Ministerraad en de Europese Commissie Justitie wordt gesteld, zoals de Ministerraad en de Europese Commissie
vragen. vragen.
B.14.1. Artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie B.14.1. Artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie
(hierna : VEU) bepaalt : (hierna : VEU) bepaalt :
« Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie « Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren de Unie
en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de en de lidstaten elkaar en steunen zij elkaar bij de vervulling van de
taken die uit de Verdragen voortvloeien. taken die uit de Verdragen voortvloeien.
[...] ». [...] ».
Die bepaling, die voor alle met overheidsgezag beklede instanties van Die bepaling, die voor alle met overheidsgezag beklede instanties van
de lidstaten geldt, dus ook - in het kader van hun bevoegdheden - voor de lidstaten geldt, dus ook - in het kader van hun bevoegdheden - voor
de rechterlijke instanties, verplicht de nationale rechter om de de rechterlijke instanties, verplicht de nationale rechter om de
nationale bepalingen die hij moet toepassen, zoveel mogelijk in nationale bepalingen die hij moet toepassen, zoveel mogelijk in
overeenstemming met de eisen van het Unierecht uit te leggen (HvJ, 27 overeenstemming met de eisen van het Unierecht uit te leggen (HvJ, 27
oktober 2009, C-115/08, Land Oberösterreich t. CEZ as, punt 138). De oktober 2009, C-115/08, Land Oberösterreich t. CEZ as, punt 138). De
nationale rechter, die in het kader van zijn bevoegdheid is belast met nationale rechter, die in het kader van zijn bevoegdheid is belast met
de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, is verplicht zorg de toepassing van de bepalingen van het Unierecht, is verplicht zorg
te dragen voor de volle werking van die normen, en daarbij zo nodig, te dragen voor de volle werking van die normen, en daarbij zo nodig,
op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de nationale wetgeving op eigen gezag, elke strijdige bepaling van de nationale wetgeving
buiten toepassing te laten (HvJ, 22 juni 2010, C-188/10 en C-189/10, buiten toepassing te laten (HvJ, 22 juni 2010, C-188/10 en C-189/10,
Melki en Abdeli, punt 43). Melki en Abdeli, punt 43).
B.14.2. Krachtens de voormelde bepaling van het VEU dienen de B.14.2. Krachtens de voormelde bepaling van het VEU dienen de
lidstaten van de Europese Unie zich te onthouden van alle maatregelen lidstaten van de Europese Unie zich te onthouden van alle maatregelen
die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar
kunnen brengen. De mogelijkheid om de door de Europese Commissie kunnen brengen. De mogelijkheid om de door de Europese Commissie
wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU opgelegde
geldboeten fiscaal af te trekken, zou een dergelijke maatregel zijn. geldboeten fiscaal af te trekken, zou een dergelijke maatregel zijn.
Bijgevolg is die mogelijkheid niet verenigbaar met het Unierecht. Bijgevolg is die mogelijkheid niet verenigbaar met het Unierecht.
B.14.3. De in het geding zijnde bepaling dient bijgevolg aldus te B.14.3. De in het geding zijnde bepaling dient bijgevolg aldus te
worden geïnterpreteerd dat de geldboeten die de Europese Commissie worden geïnterpreteerd dat de geldboeten die de Europese Commissie
oplegt wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU, oplegt wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU,
niet aftrekbaar zijn als beroepskosten. niet aftrekbaar zijn als beroepskosten.
B.15. Vermits de in het geding zijnde bepaling, zoals geïnterpreteerd B.15. Vermits de in het geding zijnde bepaling, zoals geïnterpreteerd
door de verwijzende rechter in de eerste prejudiciële vraag, niet door de verwijzende rechter in de eerste prejudiciële vraag, niet
bestaanbaar is met het recht van de Europese Unie, behoeft die vraag bestaanbaar is met het recht van de Europese Unie, behoeft die vraag
geen antwoord. geen antwoord.
Wat de tweede prejudiciële vraag betreft Wat de tweede prejudiciële vraag betreft
B.16. Met de tweede prejudiciële vraag beoogt de verwijzende rechter B.16. Met de tweede prejudiciële vraag beoogt de verwijzende rechter
te vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het te vernemen of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met het
beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in de interpretatie dat beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in de interpretatie dat
zij betrekking heeft op alle straffen in de zin van artikel 6 van het zij betrekking heeft op alle straffen in de zin van artikel 6 van het
Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met inbegrip van boeten Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met inbegrip van boeten
opgelegd door de Europese Commissie krachtens de verordening nr. opgelegd door de Europese Commissie krachtens de verordening nr.
1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en 102 1/2003 in het kader van inbreuken begaan op de artikelen 101 en 102
van het VWEU, die fiscaal bijgevolg niet als beroepskosten aftrekbaar van het VWEU, die fiscaal bijgevolg niet als beroepskosten aftrekbaar
zouden zijn. zouden zijn.
In die interpretatie heeft de in het geding zijnde bepaling tot gevolg In die interpretatie heeft de in het geding zijnde bepaling tot gevolg
dat twee categorieën van belastingplichtigen op identieke wijze worden dat twee categorieën van belastingplichtigen op identieke wijze worden
behandeld : enerzijds, de belastingplichtigen aan wie de Europese behandeld : enerzijds, de belastingplichtigen aan wie de Europese
Commissie een geldboete oplegt wegens de schending van de artikelen Commissie een geldboete oplegt wegens de schending van de artikelen
101 of 102 van het VWEU en, anderzijds, de belastingplichtigen aan wie 101 of 102 van het VWEU en, anderzijds, de belastingplichtigen aan wie
de rechter een strafrechtelijke geldboete oplegt. de rechter een strafrechtelijke geldboete oplegt.
B.17. Het Hof mag een gelijke behandeling slechts afkeuren wanneer B.17. Het Hof mag een gelijke behandeling slechts afkeuren wanneer
twee categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste twee categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste
maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke
wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke
verantwoording bestaat. verantwoording bestaat.
B.18. Om de in B.13 en B.14 uiteengezette redenen, zou de mogelijkheid B.18. Om de in B.13 en B.14 uiteengezette redenen, zou de mogelijkheid
om de door de Europese Commissie wegens de schending van de artikelen om de door de Europese Commissie wegens de schending van de artikelen
101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboeten fiscaal af te trekken, 101 of 102 van het VWEU opgelegde geldboeten fiscaal af te trekken,
raken aan hun doeltreffendheid en aan de coherente toepassing van de raken aan hun doeltreffendheid en aan de coherente toepassing van de
verbodsbepalingen van het mededingingsrecht, en niet verenigbaar zijn verbodsbepalingen van het mededingingsrecht, en niet verenigbaar zijn
met het Unierecht. met het Unierecht.
B.19. Aangezien het Unierecht verhindert dat de door de Europese B.19. Aangezien het Unierecht verhindert dat de door de Europese
Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU Commissie wegens de schending van de artikelen 101 of 102 van het VWEU
opgelegde geldboeten fiscaal aftrekbaar zijn, is het redelijk opgelegde geldboeten fiscaal aftrekbaar zijn, is het redelijk
verantwoord dat de in het geding zijnde bepaling een dergelijke verantwoord dat de in het geding zijnde bepaling een dergelijke
aftrekbaarheid niet toestaat, net zoals die aftrekbaarheid niet wordt aftrekbaarheid niet toestaat, net zoals die aftrekbaarheid niet wordt
toegestaan voor de strafrechtelijke geldboeten. toegestaan voor de strafrechtelijke geldboeten.
B.20. Daaruit vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling, B.20. Daaruit vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling,
geïnterpreteerd in overeenstemming met het Unierecht, in zoverre zij geïnterpreteerd in overeenstemming met het Unierecht, in zoverre zij
de twee in B.16 vermelde categorieën van belastingplichtigen op de twee in B.16 vermelde categorieën van belastingplichtigen op
identieke wijze behandelt, niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 identieke wijze behandelt, niet onbestaanbaar is met de artikelen 10
en 11 van de Grondwet. en 11 van de Grondwet.
B.21. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden B.21. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden
beantwoord. beantwoord.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
- De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. - De eerste prejudiciële vraag behoeft geen antwoord.
- Artikel 53, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 - Artikel 53, 6°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de interpretatie schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in de interpretatie
dat boeten opgelegd door de Europese Commissie wegens inbreuken op de dat boeten opgelegd door de Europese Commissie wegens inbreuken op de
artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de artikelen 101 en 102 van het Verdrag betreffende de Werking van de
Europese Unie niet als beroepskosten worden aangemerkt. Europese Unie niet als beroepskosten worden aangemerkt.
Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 december Grondwettelijk Hof, op de openbare terechtzitting van 20 december
2012. 2012.
De griffier, De griffier,
F. Meersschaut F. Meersschaut
De voorzitter, De voorzitter,
M. Bossuyt M. Bossuyt
^