Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 133/2009 van 24 juli 2009 Rolnummers 4710, 4711 en 4712 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bij Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechter(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 133/2009 van 24 juli 2009 Rolnummers 4710, 4711 en 4712 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bij Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechter(...) Uittreksel uit arrest nr. 133/2009 van 24 juli 2009 Rolnummers 4710, 4711 en 4712 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bij Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechter(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 133/2009 van 24 juli 2009 Uittreksel uit arrest nr. 133/2009 van 24 juli 2009
Rolnummers 4710, 4711 en 4712 Rolnummers 4710, 4711 en 4712
In zake : de prejudiciële vragen over artikel 13 van de wet van 21 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 13 van de wet van 21
april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten
verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de verbonden aan de bijstand van een advocaat, gesteld door de
Arbeidsrechtbank te Nijvel. Arbeidsrechtbank te Nijvel.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de
rechters P. Martens, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en T. rechters P. Martens, L. Lavrysen, J.-P. Moerman, E. Derycke en T.
Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder
voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, voorzitterschap van voorzitter M. Melchior,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
a) Bij vonnis van 11 september 2008 in zake Brigitte Lefevre tegen de a) Bij vonnis van 11 september 2008 in zake Brigitte Lefevre tegen de
vzw « Enfance Brabant-Wallon », waarvan de expeditie ter griffie van vzw « Enfance Brabant-Wallon », waarvan de expeditie ter griffie van
het Hof is ingekomen op 20 mei 2009, heeft de Arbeidsrechtbank te het Hof is ingekomen op 20 mei 2009, heeft de Arbeidsrechtbank te
Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld : Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de « Schendt artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de
verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand
van een advocaat, in zoverre het bepaalt dat de artikelen 2 tot 12 van van een advocaat, in zoverre het bepaalt dat de artikelen 2 tot 12 van
die wet van toepassing zijn op de zaken die hangende zijn op het die wet van toepassing zijn op de zaken die hangende zijn op het
moment dat ze in werking treden, het met name in de artikelen 10 en 11 moment dat ze in werking treden, het met name in de artikelen 10 en 11
van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en
niet-discriminatie, doordat de rechtzoekenden die een procedure hebben niet-discriminatie, doordat de rechtzoekenden die een procedure hebben
ingesteld vóór 26 oktober 2007 (afkondigingsdatum van het koninklijk ingesteld vóór 26 oktober 2007 (afkondigingsdatum van het koninklijk
besluit waarin het nieuwe tarief van de kosten is vastgesteld dat besluit waarin het nieuwe tarief van de kosten is vastgesteld dat
vanaf 1 januari 2008 van kracht is), het financiële risico in het vanaf 1 januari 2008 van kracht is), het financiële risico in het
geval dat zij in het ongelijk worden gesteld, niet konden voorzien, geval dat zij in het ongelijk worden gesteld, niet konden voorzien,
wat niet het geval is bij de rechtzoekenden die hun procedure hebben wat niet het geval is bij de rechtzoekenden die hun procedure hebben
ingesteld na de bekendmaking van de nieuwe tarieven, wetende dat het ingesteld na de bekendmaking van de nieuwe tarieven, wetende dat het
bedrag van de kosten na de hervorming ingevolge de voormelde wet, in bedrag van de kosten na de hervorming ingevolge de voormelde wet, in
geen verhouding staat tot het bedrag dat vóór de hervorming van kracht geen verhouding staat tot het bedrag dat vóór de hervorming van kracht
was, waarbij het basisbedrag dat uit het nieuwe tarief voortvloeit, in was, waarbij het basisbedrag dat uit het nieuwe tarief voortvloeit, in
de onderhavige zaak overeenstemt met een bedrag dat meer dan elf keer de onderhavige zaak overeenstemt met een bedrag dat meer dan elf keer
hoger is dan dat onder de vroegere wetgeving ? ». hoger is dan dat onder de vroegere wetgeving ? ».
b) Bij vonnis van 11 september 2008 in zake Anne Grotard tegen de vzw b) Bij vonnis van 11 september 2008 in zake Anne Grotard tegen de vzw
« Enfance Brabant-Wallon », waarvan de expeditie ter griffie van het « Enfance Brabant-Wallon », waarvan de expeditie ter griffie van het
Hof is ingekomen op 20 mei 2009, heeft de Arbeidsrechtbank te Nijvel Hof is ingekomen op 20 mei 2009, heeft de Arbeidsrechtbank te Nijvel
de volgende prejudiciële vraag gesteld : de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de « Schendt artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de
verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand
van een advocaat, in zoverre het bepaalt dat de artikelen 2 tot 12 van van een advocaat, in zoverre het bepaalt dat de artikelen 2 tot 12 van
die wet van toepassing zijn op de zaken die hangende zijn op het die wet van toepassing zijn op de zaken die hangende zijn op het
moment dat ze in werking treden, het met name in de artikelen 10 en 11 moment dat ze in werking treden, het met name in de artikelen 10 en 11
van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en
niet-discriminatie, doordat de rechtzoekenden die een procedure hebben niet-discriminatie, doordat de rechtzoekenden die een procedure hebben
ingesteld vóór 26 oktober 2007 (afkondigingsdatum van het koninklijk ingesteld vóór 26 oktober 2007 (afkondigingsdatum van het koninklijk
besluit waarin het nieuwe tarief van de kosten is vastgesteld dat besluit waarin het nieuwe tarief van de kosten is vastgesteld dat
vanaf 1 januari 2008 van kracht is), het financiële risico in het vanaf 1 januari 2008 van kracht is), het financiële risico in het
geval dat zij in het ongelijk worden gesteld, niet konden voorzien, geval dat zij in het ongelijk worden gesteld, niet konden voorzien,
wat niet het geval is bij de rechtzoekenden die hun procedure hebben wat niet het geval is bij de rechtzoekenden die hun procedure hebben
ingesteld na de bekendmaking van de nieuwe tarieven, wetende dat het ingesteld na de bekendmaking van de nieuwe tarieven, wetende dat het
bedrag van de kosten na de hervorming ingevolge de voormelde wet, in bedrag van de kosten na de hervorming ingevolge de voormelde wet, in
geen verhouding staat tot het bedrag dat vóór de hervorming van kracht geen verhouding staat tot het bedrag dat vóór de hervorming van kracht
was, waarbij het basisbedrag dat uit het nieuwe tarief voortvloeit, in was, waarbij het basisbedrag dat uit het nieuwe tarief voortvloeit, in
de onderhavige zaak overeenstemt met een bedrag dat meer dan negen de onderhavige zaak overeenstemt met een bedrag dat meer dan negen
keer hoger is dan dat onder de vroegere wetgeving ? ». keer hoger is dan dat onder de vroegere wetgeving ? ».
c) Bij vonnis van 11 september 2008 in zake Marie-France Leurquin c) Bij vonnis van 11 september 2008 in zake Marie-France Leurquin
tegen de vzw « Enfance Brabant-Wallon », waarvan de expeditie ter tegen de vzw « Enfance Brabant-Wallon », waarvan de expeditie ter
griffie van het Hof is ingekomen op 20 mei 2009, heeft de griffie van het Hof is ingekomen op 20 mei 2009, heeft de
Arbeidsrechtbank te Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld : Arbeidsrechtbank te Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de « Schendt artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de
verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand
van een advocaat, in zoverre het bepaalt dat de artikelen 2 tot 12 van van een advocaat, in zoverre het bepaalt dat de artikelen 2 tot 12 van
die wet van toepassing zijn op de zaken die hangende zijn op het die wet van toepassing zijn op de zaken die hangende zijn op het
moment dat ze in werking treden, het met name in de artikelen 10 en 11 moment dat ze in werking treden, het met name in de artikelen 10 en 11
van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en van de Grondwet vervatte beginsel van gelijkheid en
niet-discriminatie, doordat de rechtzoekenden die een procedure hebben niet-discriminatie, doordat de rechtzoekenden die een procedure hebben
ingesteld vóór 26 oktober 2007 (afkondigingsdatum van het koninklijk ingesteld vóór 26 oktober 2007 (afkondigingsdatum van het koninklijk
besluit waarin het nieuwe tarief van de kosten is vastgesteld dat besluit waarin het nieuwe tarief van de kosten is vastgesteld dat
vanaf 1 januari 2008 van kracht is), het financiële risico in het vanaf 1 januari 2008 van kracht is), het financiële risico in het
geval dat zij in het ongelijk worden gesteld, niet konden voorzien, geval dat zij in het ongelijk worden gesteld, niet konden voorzien,
wat niet het geval is bij de rechtzoekenden die hun procedure hebben wat niet het geval is bij de rechtzoekenden die hun procedure hebben
ingesteld na de bekendmaking van de nieuwe tarieven, wetende dat het ingesteld na de bekendmaking van de nieuwe tarieven, wetende dat het
bedrag van de kosten na de hervorming ingevolge de voormelde wet, in bedrag van de kosten na de hervorming ingevolge de voormelde wet, in
geen verhouding staat tot het bedrag dat vóór de hervorming van kracht geen verhouding staat tot het bedrag dat vóór de hervorming van kracht
was, waarbij het basisbedrag dat uit het nieuwe tarief voortvloeit, in was, waarbij het basisbedrag dat uit het nieuwe tarief voortvloeit, in
de onderhavige zaak overeenstemt met een bedrag dat meer dan elf keer de onderhavige zaak overeenstemt met een bedrag dat meer dan elf keer
hoger is dan dat onder de vroegere wetgeving ? ». hoger is dan dat onder de vroegere wetgeving ? ».
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4710, 4711 en 4712 van de rol Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4710, 4711 en 4712 van de rol
van het Hof, werden samengevoegd. van het Hof, werden samengevoegd.
Op 10 juni 2009 hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en T. Op 10 juni 2009 hebben de rechters-verslaggevers P. Martens en T.
Merckx-Van Goey, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de Merckx-Van Goey, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de
bijzondere wet van 6 januari 1989, het Hof ervan in kennis gesteld dat bijzondere wet van 6 januari 1989, het Hof ervan in kennis gesteld dat
zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen een arrest van
onmiddellijk antwoord te wijzen. onmiddellijk antwoord te wijzen.
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
B.1.1. Artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de B.1.1. Artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de
verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand
van een advocaat bepaalt : van een advocaat bepaalt :
« De artikelen 2 tot 12 zijn van toepassing op de zaken die hangende « De artikelen 2 tot 12 zijn van toepassing op de zaken die hangende
zijn op het moment dat ze in werking treden ». zijn op het moment dat ze in werking treden ».
B.1.2. De artikelen 2 tot 12 van de voormelde wet van 21 april 2007 B.1.2. De artikelen 2 tot 12 van de voormelde wet van 21 april 2007
wijzigen sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en van het wijzigen sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek en van het
Wetboek van strafvordering teneinde een forfaitaire tegemoetkoming in Wetboek van strafvordering teneinde een forfaitaire tegemoetkoming in
de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde
partij ten laste te leggen van de partij die in het ongelijk wordt partij ten laste te leggen van de partij die in het ongelijk wordt
gesteld. gesteld.
B.1.3. Krachtens het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot B.1.3. Krachtens het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot
vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding zijn de vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding zijn de
artikelen 1 tot en met 13 van de voormelde wet van 21 april 2007 in artikelen 1 tot en met 13 van de voormelde wet van 21 april 2007 in
werking getreden op 1 januari 2008, dit is de uiterste datum werking getreden op 1 januari 2008, dit is de uiterste datum
voorgeschreven bij artikel 14 van de wet van 21 april 2007. voorgeschreven bij artikel 14 van de wet van 21 april 2007.
B.2. Met de prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht de categorie B.2. Met de prejudiciële vragen wordt het Hof verzocht de categorie
van de rechtzoekenden die voor de arbeidsrechtbank een procedure van de rechtzoekenden die voor de arbeidsrechtbank een procedure
hebben ingesteld vóór de bekendmaking van het koninklijk besluit van hebben ingesteld vóór de bekendmaking van het koninklijk besluit van
26 oktober 2007, te vergelijken met de categorie van de rechtzoekenden 26 oktober 2007, te vergelijken met de categorie van de rechtzoekenden
die een soortgelijke procedure hebben ingesteld na de bekendmaking van die een soortgelijke procedure hebben ingesteld na de bekendmaking van
dat koninklijk besluit. dat koninklijk besluit.
Die vraag kan in die zin worden begrepen dat zij kritiek uit op het Die vraag kan in die zin worden begrepen dat zij kritiek uit op het
feit dat de nieuwe wetgeving toepasselijk is gemaakt op de zaken die feit dat de nieuwe wetgeving toepasselijk is gemaakt op de zaken die
hangende waren op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan, terwijl hangende waren op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan, terwijl
de in die zaken betrokken partijen, bij de inleiding ervan, onmogelijk de in die zaken betrokken partijen, bij de inleiding ervan, onmogelijk
het bedrag konden voorzien van de kosten die zij zouden moeten dragen het bedrag konden voorzien van de kosten die zij zouden moeten dragen
wanneer zij in het ongelijk zouden worden gesteld. wanneer zij in het ongelijk zouden worden gesteld.
B.3.1. Die kritiek is reeds geuit in de in de zaken nrs. 4313 en B.3.1. Die kritiek is reeds geuit in de in de zaken nrs. 4313 en
andere ingestelde beroepen tot vernietiging van, onder meer, artikel andere ingestelde beroepen tot vernietiging van, onder meer, artikel
13 van de wet van 21 april 2007. 13 van de wet van 21 april 2007.
B.3.2. Het Hof heeft in zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008, B.3.2. Het Hof heeft in zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008,
waarbij de beroepen werden verworpen onder voorbehoud van een element waarbij de beroepen werden verworpen onder voorbehoud van een element
dat in casu niet pertinent is, geoordeeld : dat in casu niet pertinent is, geoordeeld :
« B.20.2. De middelen [het tweede en het vierde middel in de zaak nr. « B.20.2. De middelen [het tweede en het vierde middel in de zaak nr.
4354 en het derde middel in de zaak nr. 4370, gericht tegen artikel 13 4354 en het derde middel in de zaak nr. 4370, gericht tegen artikel 13
van de wet van 21 april 2007] zijn afgeleid uit de schending van de van de wet van 21 april 2007] zijn afgeleid uit de schending van de
artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang
gelezen met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de gelezen met de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de
rechten van de mens, met artikel 14 van het Internationaal Verdrag rechten van de mens, met artikel 14 van het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 2 van het inzake burgerrechten en politieke rechten, met artikel 2 van het
Burgerlijk Wetboek en met het algemeen beginsel van de Burgerlijk Wetboek en met het algemeen beginsel van de
niet-retroactiviteit van de wetten. niet-retroactiviteit van de wetten.
De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepaling dat zij een De verzoekende partijen verwijten de bestreden bepaling dat zij een
terugwerkende kracht zou toekennen aan de wet, waardoor de terugwerkende kracht zou toekennen aan de wet, waardoor de
rechtzoekende zou worden misleid die partij is bij een vóór 1 januari rechtzoekende zou worden misleid die partij is bij een vóór 1 januari
2008 aangevat proces en die het risico van zijn procedure aldus niet 2008 aangevat proces en die het risico van zijn procedure aldus niet
correct heeft kunnen inschatten. correct heeft kunnen inschatten.
B.20.3. De verantwoording voor het amendement dat de bestreden B.20.3. De verantwoording voor het amendement dat de bestreden
bepaling heeft ingevoerd in het wetsontwerp, luidt : bepaling heeft ingevoerd in het wetsontwerp, luidt :
' Er wordt voorgesteld om de toekomstige wet van toepassing te maken ' Er wordt voorgesteld om de toekomstige wet van toepassing te maken
op de lopende zaken, zodra zij in werking treedt. Het arrest van het op de lopende zaken, zodra zij in werking treedt. Het arrest van het
Hof van Cassatie van 2 september 2004 heeft immers een belangrijke Hof van Cassatie van 2 september 2004 heeft immers een belangrijke
rechtsonzekerheid geschapen, zowel voor de nieuwe zaken als voor de rechtsonzekerheid geschapen, zowel voor de nieuwe zaken als voor de
zaken die lopende waren op het moment dat het arrest uitgesproken zaken die lopende waren op het moment dat het arrest uitgesproken
werd. Sedertdien vragen de partijen systematisch het toepassen van de werd. Sedertdien vragen de partijen systematisch het toepassen van de
verhaalbaarheid aan de rechter, zonder dat die (noch de partijen) ter verhaalbaarheid aan de rechter, zonder dat die (noch de partijen) ter
zake over duidelijke en precieze regels beschikt. Dat is precies het zake over duidelijke en precieze regels beschikt. Dat is precies het
voorwerp van dit voorstel. Het lijkt derhalve uit het oogpunt van voorwerp van dit voorstel. Het lijkt derhalve uit het oogpunt van
gelijkheid en non-discriminatie opportuun om te voorzien dat de gelijkheid en non-discriminatie opportuun om te voorzien dat de
partijen op een identieke manier zullen behandeld worden bij de vraag partijen op een identieke manier zullen behandeld worden bij de vraag
over de verhaalbaarheid, onafhankelijk van de datum waarop de zaak over de verhaalbaarheid, onafhankelijk van de datum waarop de zaak
werd ingeleid. Het is in ieder geval van belang dat er zo snel werd ingeleid. Het is in ieder geval van belang dat er zo snel
mogelijk een einde wordt gemaakt aan de rechtsonzekerheid die mogelijk een einde wordt gemaakt aan de rechtsonzekerheid die
veroorzaakt werd door het arrest van september 2004 ' (Parl. St., veroorzaakt werd door het arrest van september 2004 ' (Parl. St.,
Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 7). Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/4, p. 7).
B.20.4. De bestreden bepaling heeft niet tot gevolg de wet B.20.4. De bestreden bepaling heeft niet tot gevolg de wet
toepasselijk te maken op de zaken die met een definitieve toepasselijk te maken op de zaken die met een definitieve
gerechtelijke beslissing zijn afgesloten. Zij heeft dus geen gerechtelijke beslissing zijn afgesloten. Zij heeft dus geen
retroactieve werking. Zij leidt evenmin ertoe de afloop van de retroactieve werking. Zij leidt evenmin ertoe de afloop van de
hangende gedingen te beïnvloeden. Het is daarentegen juist dat zij, hangende gedingen te beïnvloeden. Het is daarentegen juist dat zij,
door de onmiddellijke toepassing van de wet op de hangende zaken op te door de onmiddellijke toepassing van de wet op de hangende zaken op te
leggen, tot gevolg kan hebben de financiële last van de in het leggen, tot gevolg kan hebben de financiële last van de in het
ongelijk gestelde partijen te verzwaren, terwijl zij bij de aanvang ongelijk gestelde partijen te verzwaren, terwijl zij bij de aanvang
van het proces niet konden voorzien dat zij dat risico liepen. van het proces niet konden voorzien dat zij dat risico liepen.
B.20.5. Het staat in beginsel aan de wetgever de inwerkingtreding van B.20.5. Het staat in beginsel aan de wetgever de inwerkingtreding van
een nieuwe wet te regelen en te beslissen of er overgangsmaatregelen een nieuwe wet te regelen en te beslissen of er overgangsmaatregelen
moeten worden genomen. Uit de hiervoor geciteerde uittreksels van de moeten worden genomen. Uit de hiervoor geciteerde uittreksels van de
parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever ter zake snel wilde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever ter zake snel wilde
optreden om een einde te maken aan de onzekerheden die zijn ontstaan optreden om een einde te maken aan de onzekerheden die zijn ontstaan
na de rechtspraak van het Hof van Cassatie. In die context is de na de rechtspraak van het Hof van Cassatie. In die context is de
onmiddellijke toepassing van de bestreden wet een pertinente maatregel onmiddellijke toepassing van de bestreden wet een pertinente maatregel
om, ten aanzien van alle rechtzoekenden, een einde te maken aan de om, ten aanzien van alle rechtzoekenden, een einde te maken aan de
ontwikkeling van een uiteenlopende rechtspraak die derhalve ontwikkeling van een uiteenlopende rechtspraak die derhalve
ongelijkheden inhield ten aanzien van het beginsel van de ongelijkheden inhield ten aanzien van het beginsel van de
verhaalbaarheid en de bedragen die konden worden toegewezen. verhaalbaarheid en de bedragen die konden worden toegewezen.
B.20.6. Ermee rekening houdend dat de wetgever de verhaalbaarheid B.20.6. Ermee rekening houdend dat de wetgever de verhaalbaarheid
heeft omlijnd en dat de rechter op verzoek van de partijen de heeft omlijnd en dat de rechter op verzoek van de partijen de
rechtsplegingsvergoeding kan verminderen, met name wanneer hij van rechtsplegingsvergoeding kan verminderen, met name wanneer hij van
oordeel is dat de situatie ' kennelijk onredelijk ' is, heeft de oordeel is dat de situatie ' kennelijk onredelijk ' is, heeft de
onmiddellijke toepassing van de in het geding zijnde wetgeving geen onmiddellijke toepassing van de in het geding zijnde wetgeving geen
onevenredige gevolgen voor de partijen die op het ogenblik van de onevenredige gevolgen voor de partijen die op het ogenblik van de
inwerkingtreding ervan bij gerechtelijke procedures betrokken zijn. inwerkingtreding ervan bij gerechtelijke procedures betrokken zijn.
[...] [...]
B.21.4. De middelen zijn niet gegrond ». B.21.4. De middelen zijn niet gegrond ».
B.4.1. Bij vonnis van 7 november 2008 heeft de Rechtbank van eerste B.4.1. Bij vonnis van 7 november 2008 heeft de Rechtbank van eerste
aanleg te Brugge het Hof een prejudiciële vraag gesteld over de in het aanleg te Brugge het Hof een prejudiciële vraag gesteld over de in het
geding zijnde bepaling, die als volgt was geformuleerd : geding zijnde bepaling, die als volgt was geformuleerd :
« Schendt artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de « Schendt artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de
verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand
van een advocaat (B.S. 31 mei 2007) al dan niet de artikelen 10 en 11 van een advocaat (B.S. 31 mei 2007) al dan niet de artikelen 10 en 11
van de Grondwet door een verschil in behandeling tussen de volgende van de Grondwet door een verschil in behandeling tussen de volgende
categorieën personen in te stellen, dat niet op een objectief categorieën personen in te stellen, dat niet op een objectief
criterium berust en dat niet redelijk verantwoord is, meer bepaald : criterium berust en dat niet redelijk verantwoord is, meer bepaald :
een onderscheid tussen die categorie personen in wiens een onderscheid tussen die categorie personen in wiens
strafrechtelijke procedure de debatten werden gesloten vóór de strafrechtelijke procedure de debatten werden gesloten vóór de
inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007, de zaak voor definitief inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007, de zaak voor definitief
vonnis was gesteld vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 april vonnis was gesteld vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 april
2007 en anderzijds definitief vonnis tussenkomt vóór de 2007 en anderzijds definitief vonnis tussenkomt vóór de
inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 en die categorie van inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007 en die categorie van
personen in wiens strafrechtelijke procedure de debatten ook gesloten personen in wiens strafrechtelijke procedure de debatten ook gesloten
werden vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007, de zaak werden vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 april 2007, de zaak
tevens voor definitief vonnis was gesteld vóór de inwerkingtreding van tevens voor definitief vonnis was gesteld vóór de inwerkingtreding van
de wet van 21 april 2007 doch, onafhankelijk van deze categorie van de wet van 21 april 2007 doch, onafhankelijk van deze categorie van
personen pas definitief vonnis tussenkomt na de inwerkingtreding van personen pas definitief vonnis tussenkomt na de inwerkingtreding van
de wet van 21 april 2007 ? ». de wet van 21 april 2007 ? ».
B.4.2. Bij zijn arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 heeft het Hof, B.4.2. Bij zijn arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 heeft het Hof,
in antwoord op die prejudiciële vraag, voor recht gezegd dat artikel in antwoord op die prejudiciële vraag, voor recht gezegd dat artikel
13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de
erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt. artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt.
B.5. Om dezelfde redenen als die welke in de twee voormelde arresten B.5. Om dezelfde redenen als die welke in de twee voormelde arresten
zijn aangevoerd, dienen de prejudiciële vragen ontkennend te worden zijn aangevoerd, dienen de prejudiciële vragen ontkennend te worden
beantwoord. beantwoord.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
Artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid Artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid
van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een
advocaat schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. advocaat schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare
terechtzitting van 24 juli 2009. terechtzitting van 24 juli 2009.
De griffier, De griffier,
P.-Y. Dutilleux. P.-Y. Dutilleux.
De voorzitter, De voorzitter,
M. Melchior. M. Melchior.
^