← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 80/2009 van 14 mei 2009 Rolnummers 4498 en 4512 In zake
: de prejudiciële vragen betreffende artikel 127bis van de programmawet van 30 december 1988, zoals
ingevoegd bij artikel 165 van de wet van 29 december 1990 Het
Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechter(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 80/2009 van 14 mei 2009 Rolnummers 4498 en 4512 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 127bis van de programmawet van 30 december 1988, zoals ingevoegd bij artikel 165 van de wet van 29 december 1990 Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechter(...) | Uittreksel uit arrest nr. 80/2009 van 14 mei 2009 Rolnummers 4498 en 4512 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 127bis van de programmawet van 30 december 1988, zoals ingevoegd bij artikel 165 van de wet van 29 december 1990 Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechter(...) |
---|---|
GRONDWETTELIJK HOF | GRONDWETTELIJK HOF |
Uittreksel uit arrest nr. 80/2009 van 14 mei 2009 | Uittreksel uit arrest nr. 80/2009 van 14 mei 2009 |
Rolnummers 4498 en 4512 | Rolnummers 4498 en 4512 |
In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 127bis van de | In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 127bis van de |
programmawet van 30 december 1988, zoals ingevoegd bij artikel 165 van | programmawet van 30 december 1988, zoals ingevoegd bij artikel 165 van |
de wet van 29 december 1990, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen. | de wet van 29 december 1990, gesteld door het Arbeidshof te Antwerpen. |
Het Grondwettelijk Hof, | Het Grondwettelijk Hof, |
samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de | samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de |
rechters P. Martens, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en T. | rechters P. Martens, J.-P. Snappe, E. Derycke, J. Spreutels en T. |
Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder | Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder |
voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, | voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging | I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging |
Bij arresten van 27 juni 2008 en 11 september 2008 in zake | Bij arresten van 27 juni 2008 en 11 september 2008 in zake |
respectievelijk de nv « Feestverlichting » tegen de Rijksdienst voor | respectievelijk de nv « Feestverlichting » tegen de Rijksdienst voor |
Sociale Zekerheid (RSZ) en de nv « Jefrema » tegen de Rijksdienst voor | Sociale Zekerheid (RSZ) en de nv « Jefrema » tegen de Rijksdienst voor |
Sociale Zekerheid (RSZ), waarvan de expedities ter griffie van het Hof | Sociale Zekerheid (RSZ), waarvan de expedities ter griffie van het Hof |
zijn ingekomen op 9 juli 2008 en 18 september 2008, heeft het | zijn ingekomen op 9 juli 2008 en 18 september 2008, heeft het |
Arbeidshof te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld : | Arbeidshof te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld : |
1. « Schendt artikel 127bis van de Programmawet van 30 december 1988, | 1. « Schendt artikel 127bis van de Programmawet van 30 december 1988, |
zoals ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, de artikelen 10 en 11 | zoals ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, de artikelen 10 en 11 |
van de Grondwet voor zover in deze wettelijke bepaling vanwege de | van de Grondwet voor zover in deze wettelijke bepaling vanwege de |
werkgever wordt vereist dat hij binnen een bepaalde termijn van het | werkgever wordt vereist dat hij binnen een bepaalde termijn van het |
bevoegde gewestelijke bureau van de Rijksdienst voor | bevoegde gewestelijke bureau van de Rijksdienst voor |
Arbeidsvoorziening een getuigschrift verkrijgt waaruit blijkt dat de | Arbeidsvoorziening een getuigschrift verkrijgt waaruit blijkt dat de |
door hem in dienst genomen werknemer voldoet aan de voorwaarden | door hem in dienst genomen werknemer voldoet aan de voorwaarden |
gesteld in de wet om aanspraak te kunnen maken op de daarin voorziene | gesteld in de wet om aanspraak te kunnen maken op de daarin voorziene |
bijdrageverminderingen, vermits door het creëren van deze formele | bijdrageverminderingen, vermits door het creëren van deze formele |
vereiste om van de bijdragevermindering te kunnen genieten een | vereiste om van de bijdragevermindering te kunnen genieten een |
verschil in behandeling tot stand wordt gebracht tussen de werkgevers | verschil in behandeling tot stand wordt gebracht tussen de werkgevers |
die voldoen aan alle inhoudelijke of materiële voorwaarden van de wet | die voldoen aan alle inhoudelijke of materiële voorwaarden van de wet |
om aanspraak te maken op deze bijdragevermindering en die het bewuste | om aanspraak te maken op deze bijdragevermindering en die het bewuste |
getuigschrift (het zogenaamde formulier C63) binnen de termijn hebben | getuigschrift (het zogenaamde formulier C63) binnen de termijn hebben |
aangevraagd en de werkgevers, die eveneens voldoen aan alle | aangevraagd en de werkgevers, die eveneens voldoen aan alle |
inhoudelijke of materiële voorwaarden van de wet om aanspraak te maken | inhoudelijke of materiële voorwaarden van de wet om aanspraak te maken |
op deze bijdragevermindering (en dit ook kunnen bewijzen), maar die | op deze bijdragevermindering (en dit ook kunnen bewijzen), maar die |
hetzelfde getuigschrift niet binnen de termijn hebben aangevraagd ? »; | hetzelfde getuigschrift niet binnen de termijn hebben aangevraagd ? »; |
2. « Schendt artikel 127bis van de Programmawet van 30 december 1988, | 2. « Schendt artikel 127bis van de Programmawet van 30 december 1988, |
zoals ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, artikel 13 van de | zoals ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, artikel 13 van de |
Grondwet voor zover in deze wettelijke bepaling het recht op de daarin | Grondwet voor zover in deze wettelijke bepaling het recht op de daarin |
voorziene bijdrageverminderingen louter afhankelijk wordt gesteld van | voorziene bijdrageverminderingen louter afhankelijk wordt gesteld van |
het bekomen van een getuigschrift van de Directeur van | het bekomen van een getuigschrift van de Directeur van |
Werkloosheidbureau waarbij bevestigd wordt dat de in dienst genomen | Werkloosheidbureau waarbij bevestigd wordt dat de in dienst genomen |
werknemer beantwoordt aan de wettelijke voorwaarden, zodat aldus een | werknemer beantwoordt aan de wettelijke voorwaarden, zodat aldus een |
belangrijk en essentieel aspect omtrent de beoordeling inzake de | belangrijk en essentieel aspect omtrent de beoordeling inzake de |
verplichting tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen door de | verplichting tot betaling van sociale zekerheidsbijdragen door de |
werkgever onttrokken wordt aan de rechter die de wet, meer in het | werkgever onttrokken wordt aan de rechter die de wet, meer in het |
bijzonder artikel 580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, aan de | bijzonder artikel 580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, aan de |
rechtzoekende toekent ? ». | rechtzoekende toekent ? ». |
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4498 en 4512 van de rol van | Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4498 en 4512 van de rol van |
het Hof, werden samengevoegd. | het Hof, werden samengevoegd. |
(...) | (...) |
III. In rechte | III. In rechte |
(...) | (...) |
B.1.1. De artikelen 114 tot 131 van de programmawet van 30 december | B.1.1. De artikelen 114 tot 131 van de programmawet van 30 december |
1988 (hierna : de programmawet) bepaalden de voorwaarden waaronder | 1988 (hierna : de programmawet) bepaalden de voorwaarden waaronder |
private werkgevers recht hadden op een tijdelijke vermindering van de | private werkgevers recht hadden op een tijdelijke vermindering van de |
werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid. Het gaat krachtens | werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid. Het gaat krachtens |
artikel 115, § 2, van de programmawet om de bijdragen bedoeld in | artikel 115, § 2, van de programmawet om de bijdragen bedoeld in |
artikel 38, § 3, 1° tot 7° en 9°, en artikel 38, § 3bis, van de wet | artikel 38, § 3, 1° tot 7° en 9°, en artikel 38, § 3bis, van de wet |
van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale | van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale |
zekerheid voor werknemers. | zekerheid voor werknemers. |
Die vermindering geldt voor de werkgeversbijdrage voor de « nieuw in | Die vermindering geldt voor de werkgeversbijdrage voor de « nieuw in |
dienst genomen werknemer ». De artikelen 118 tot 121 van de | dienst genomen werknemer ». De artikelen 118 tot 121 van de |
programmawet preciseren dat hieronder voornamelijk bepaalde | programmawet preciseren dat hieronder voornamelijk bepaalde |
categorieën van langdurig werklozen dienen te worden begrepen. De | categorieën van langdurig werklozen dienen te worden begrepen. De |
werkgever geniet in dat geval die vermindering indien hij voldoet aan | werkgever geniet in dat geval die vermindering indien hij voldoet aan |
één van de in artikel 117, § 1, van de programmawet bedoelde | één van de in artikel 117, § 1, van de programmawet bedoelde |
voorwaarden en indien, krachtens artikel 115, § 1, van de | voorwaarden en indien, krachtens artikel 115, § 1, van de |
programmawet, de nieuw in dienst genomen werknemer vanaf 1 januari | programmawet, de nieuw in dienst genomen werknemer vanaf 1 januari |
1989 met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangenomen en | 1989 met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangenomen en |
indien die werknemer een nettoaangroei van het personeelsbestand | indien die werknemer een nettoaangroei van het personeelsbestand |
uitmaakt. | uitmaakt. |
B.1.2. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over artikel | B.1.2. De verwijzende rechter stelt het Hof een vraag over artikel |
127bis van de programmawet, dat bepaalde : | 127bis van de programmawet, dat bepaalde : |
« Om de voordelen van dit hoofdstuk te genieten, moet de werkgever | « Om de voordelen van dit hoofdstuk te genieten, moet de werkgever |
voor de werknemers bedoeld in de artikelen 118, § 1, 1°, 2°, 3° en 6° | voor de werknemers bedoeld in de artikelen 118, § 1, 1°, 2°, 3° en 6° |
en 119, a), c), e) en f), bij het bevoegd gewestelijk bureau van de | en 119, a), c), e) en f), bij het bevoegd gewestelijk bureau van de |
Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, een getuigschrift verkrijgen | Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, een getuigschrift verkrijgen |
waaruit blijkt dat deze werknemer voldoet aan de voorwaarden vereist | waaruit blijkt dat deze werknemer voldoet aan de voorwaarden vereist |
voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk. | voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk. |
De Koning bepaalt de voorwaarden, de nadere regelen en de termijnen | De Koning bepaalt de voorwaarden, de nadere regelen en de termijnen |
binnen welke de werkgevers dit getuigschrift moeten aanvragen ». | binnen welke de werkgevers dit getuigschrift moeten aanvragen ». |
B.1.3. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot | B.1.3. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot |
uitvoering van artikel 127bis van de programmawet van 30 december 1988 | uitvoering van artikel 127bis van de programmawet van 30 december 1988 |
bepaalt de termijn waarbinnen het in artikel 127bis van die | bepaalt de termijn waarbinnen het in artikel 127bis van die |
programmawet bedoelde getuigschrift dient te worden aangevraagd op | programmawet bedoelde getuigschrift dient te worden aangevraagd op |
dertig dagen, te rekenen vanaf de dag die volgt op het begin van de | dertig dagen, te rekenen vanaf de dag die volgt op het begin van de |
tewerkstelling. | tewerkstelling. |
In afwijking daarvan voorziet artikel 2 van hetzelfde koninklijk | In afwijking daarvan voorziet artikel 2 van hetzelfde koninklijk |
besluit in een termijn van negen maanden, die een aanvang neemt de | besluit in een termijn van negen maanden, die een aanvang neemt de |
eerste dag van de maand volgend op die van de indienstneming van de | eerste dag van de maand volgend op die van de indienstneming van de |
werknemer, wanneer de werkgever aantoont dat vóór die indienstneming | werknemer, wanneer de werkgever aantoont dat vóór die indienstneming |
een uitbetalingsinstelling van werkloosheidsuitkeringen een | een uitbetalingsinstelling van werkloosheidsuitkeringen een |
getuigschrift heeft afgegeven dat bevestigt dat die werknemer op dat | getuigschrift heeft afgegeven dat bevestigt dat die werknemer op dat |
ogenblik volledig uitkeringsgerechtigde werkloze was en dat hij dat | ogenblik volledig uitkeringsgerechtigde werkloze was en dat hij dat |
getuigschrift overgezonden heeft aan de Rijksdienst voor Sociale | getuigschrift overgezonden heeft aan de Rijksdienst voor Sociale |
Zekerheid met toepassing van artikel 127 van voormelde programmawet. | Zekerheid met toepassing van artikel 127 van voormelde programmawet. |
Wat de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen betreft | Wat de ontvankelijkheid van de prejudiciële vragen betreft |
B.2. In beginsel komt het de verwijzende rechter toe de normen vast te | B.2. In beginsel komt het de verwijzende rechter toe de normen vast te |
stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil. | stellen die toepasselijk zijn op het hem voorgelegde geschil. |
Wanneer aan het Hof evenwel bepalingen worden voorgelegd die kennelijk | Wanneer aan het Hof evenwel bepalingen worden voorgelegd die kennelijk |
niet op het bodemgeschil kunnen worden toegepast, staat het niet aan | niet op het bodemgeschil kunnen worden toegepast, staat het niet aan |
het Hof de grondwettigheid van zulke bepalingen te onderzoeken. | het Hof de grondwettigheid van zulke bepalingen te onderzoeken. |
De zaak nr. 4498 | De zaak nr. 4498 |
B.3.1. De Ministerraad betwist de pertinentie van de prejudiciële | B.3.1. De Ministerraad betwist de pertinentie van de prejudiciële |
vragen gesteld in de zaak nr. 4498 omdat de in het geding zijnde | vragen gesteld in de zaak nr. 4498 omdat de in het geding zijnde |
bepaling niet van toepassing zou zijn op het bodemgeschil. Het | bepaling niet van toepassing zou zijn op het bodemgeschil. Het |
bodemgeschil zou immers betrekking hebben op het « plus-twee-plan », | bodemgeschil zou immers betrekking hebben op het « plus-twee-plan », |
terwijl de in het geding zijnde bepaling enkel van toepassing is op | terwijl de in het geding zijnde bepaling enkel van toepassing is op |
het « plus-één-plan ». | het « plus-één-plan ». |
B.3.2. De in het geding zijnde bepaling maakte deel uit van hoofdstuk | B.3.2. De in het geding zijnde bepaling maakte deel uit van hoofdstuk |
VII van de programmawet met betrekking tot het « plus-één-plan », dat | VII van de programmawet met betrekking tot het « plus-één-plan », dat |
slechts in verminderingen van de werkgeversbijdrage voorzag voor de | slechts in verminderingen van de werkgeversbijdrage voorzag voor de |
eerste in dienst genomen langdurig werkloze. Het bodemgeschil in de | eerste in dienst genomen langdurig werkloze. Het bodemgeschil in de |
zaak nr. 4498 betreft daarentegen de bijdragevermindering voor een | zaak nr. 4498 betreft daarentegen de bijdragevermindering voor een |
tweede in dienst genomen langdurig werkloze in het kader van het « | tweede in dienst genomen langdurig werkloze in het kader van het « |
plus-twee-plan ». | plus-twee-plan ». |
De in het kader van dat plan te vervullen formaliteiten werden bepaald | De in het kader van dat plan te vervullen formaliteiten werden bepaald |
door artikel 11 van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 « | door artikel 11 van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 « |
houdende de specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de | houdende de specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de |
kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, | kleine en middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, |
van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en | van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en |
tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen » en door | tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen » en door |
artikel 5 van het koninklijk besluit van 24 april 1997 « tot | artikel 5 van het koninklijk besluit van 24 april 1997 « tot |
uitvoering van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende | uitvoering van het koninklijk besluit van 14 maart 1997 houdende |
specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en | specifieke tewerkstellingsbevorderende maatregelen voor de kleine en |
middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de | middelgrote ondernemingen met toepassing van artikel 7, § 2, van de |
wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot | wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot |
preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen ». | preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen ». |
B.3.3. Hieruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling kennelijk | B.3.3. Hieruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling kennelijk |
niet van toepassing is op het bodemgeschil in de zaak nr. 4498. | niet van toepassing is op het bodemgeschil in de zaak nr. 4498. |
B.3.4. In zoverre ze zijn gesteld in de zaak nr. 4498, behoeven de | B.3.4. In zoverre ze zijn gesteld in de zaak nr. 4498, behoeven de |
prejudiciële vragen geen antwoord. | prejudiciële vragen geen antwoord. |
De zaak nr. 4512 | De zaak nr. 4512 |
B.4.1. De Ministerraad betwist de pertinentie van de prejudiciële | B.4.1. De Ministerraad betwist de pertinentie van de prejudiciële |
vragen gesteld in de zaak nr. 4512 omdat de in het geding zijnde | vragen gesteld in de zaak nr. 4512 omdat de in het geding zijnde |
bepaling niet van toepassing zou zijn op het bodemgeschil. Dat geschil | bepaling niet van toepassing zou zijn op het bodemgeschil. Dat geschil |
zou immers geen betrekking hebben op artikel 127bis van de | zou immers geen betrekking hebben op artikel 127bis van de |
programmawet maar op artikel 127 van die programmawet. | programmawet maar op artikel 127 van die programmawet. |
B.4.2. Uit het verwijzende arrest blijkt dat de nv « Jefrema » wordt | B.4.2. Uit het verwijzende arrest blijkt dat de nv « Jefrema » wordt |
verweten het getuigschrift bedoeld in de in het geding zijnde bepaling | verweten het getuigschrift bedoeld in de in het geding zijnde bepaling |
niet binnen de termijn bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit | niet binnen de termijn bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit |
van 5 augustus 1991 tot uitvoering van artikel 127bis van de | van 5 augustus 1991 tot uitvoering van artikel 127bis van de |
programmawet te hebben aangevraagd. | programmawet te hebben aangevraagd. |
Bijgevolg blijkt niet dat de in het geding zijnde bepaling kennelijk | Bijgevolg blijkt niet dat de in het geding zijnde bepaling kennelijk |
niet kan worden toegepast op het bodemgeschil. | niet kan worden toegepast op het bodemgeschil. |
B.4.3. In zoverre zij betrekking heeft op de zaak nr. 4512, wordt de | B.4.3. In zoverre zij betrekking heeft op de zaak nr. 4512, wordt de |
exceptie verworpen. | exceptie verworpen. |
Wat de bevoegdheid van het Hof betreft | Wat de bevoegdheid van het Hof betreft |
B.5.1. Volgens de Ministerraad zou de verwijzende rechter in wezen een | B.5.1. Volgens de Ministerraad zou de verwijzende rechter in wezen een |
vraag stellen over het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot | vraag stellen over het koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot |
uitvoering van artikel 127bis van de programmawet van 30 december | uitvoering van artikel 127bis van de programmawet van 30 december |
1988. Het Hof zou bijgevolg niet bevoegd zijn zulk een vraag te | 1988. Het Hof zou bijgevolg niet bevoegd zijn zulk een vraag te |
beantwoorden, aangezien zij geen betrekking heeft op een wettelijke | beantwoorden, aangezien zij geen betrekking heeft op een wettelijke |
norm, zodat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk zou zijn. | norm, zodat de prejudiciële vraag niet ontvankelijk zou zijn. |
B.5.2. Om in aanmerking te komen voor de in hoofdstuk VII van de | B.5.2. Om in aanmerking te komen voor de in hoofdstuk VII van de |
programmawet bedoelde bijdrageverminderingen, dienden de werkgevers | programmawet bedoelde bijdrageverminderingen, dienden de werkgevers |
onder meer te voldoen aan de vereisten gesteld in de in het geding | onder meer te voldoen aan de vereisten gesteld in de in het geding |
zijnde bepaling. | zijnde bepaling. |
B.5.3. In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, is de | B.5.3. In tegenstelling tot wat de Ministerraad beweert, is de |
prejudiciële vraag ontvankelijk en valt zij onder de bevoegdheid van | prejudiciële vraag ontvankelijk en valt zij onder de bevoegdheid van |
het Hof : hoewel het juist is dat het voormelde koninklijk besluit van | het Hof : hoewel het juist is dat het voormelde koninklijk besluit van |
5 augustus 1991 de precieze termijnen heeft bepaald, zijn het de in | 5 augustus 1991 de precieze termijnen heeft bepaald, zijn het de in |
het geding zijnde wetsbepalingen zelf die, door uitdrukkelijk te | het geding zijnde wetsbepalingen zelf die, door uitdrukkelijk te |
verwijzen naar die termijnen, het gewraakte verschil in behandeling | verwijzen naar die termijnen, het gewraakte verschil in behandeling |
invoeren. | invoeren. |
B.5.4. De exceptie wordt verworpen. | B.5.4. De exceptie wordt verworpen. |
Wat de eerste prejudiciële vraag betreft | Wat de eerste prejudiciële vraag betreft |
B.6. Met de eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te | B.6. Met de eerste prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te |
vernemen of de in het geding zijnde bepaling de werkgevers die niet | vernemen of de in het geding zijnde bepaling de werkgevers die niet |
tijdig het daarin beoogde getuigschrift hebben aangevraagd, | tijdig het daarin beoogde getuigschrift hebben aangevraagd, |
discrimineert ten opzichte van de werkgevers die dat getuigschrift wel | discrimineert ten opzichte van de werkgevers die dat getuigschrift wel |
tijdig hebben aangevraagd. | tijdig hebben aangevraagd. |
B.7. De in het geding zijnde bepaling heeft als gevolg dat werkgevers | B.7. De in het geding zijnde bepaling heeft als gevolg dat werkgevers |
die voldoen aan alle voorwaarden opgesomd in de artikelen 115 tot 121 | die voldoen aan alle voorwaarden opgesomd in de artikelen 115 tot 121 |
van de programmawet, maar niet binnen de door de Koning bepaalde | van de programmawet, maar niet binnen de door de Koning bepaalde |
termijn het getuigschrift bedoeld in de in het geding zijnde bepaling | termijn het getuigschrift bedoeld in de in het geding zijnde bepaling |
hebben aangevraagd, geen recht hebben op de in artikel 115, § 2, van | hebben aangevraagd, geen recht hebben op de in artikel 115, § 2, van |
de programmawet bedoelde vermindering. | de programmawet bedoelde vermindering. |
B.8. De in het geding zijnde bepaling beoogt een vlotte afhandeling | B.8. De in het geding zijnde bepaling beoogt een vlotte afhandeling |
van de dossiers, wat noodzakelijk is aangezien de bijdragevermindering | van de dossiers, wat noodzakelijk is aangezien de bijdragevermindering |
krachtens artikel 117, § 1, van de programmawet vanaf de aanvang van | krachtens artikel 117, § 1, van de programmawet vanaf de aanvang van |
de tewerkstelling wordt toegepast. | de tewerkstelling wordt toegepast. |
B.9. De in het geding zijnde bepaling is pertinent om dat doel te | B.9. De in het geding zijnde bepaling is pertinent om dat doel te |
bereiken, aangezien de gewestelijk directeur van de Rijksdienst voor | bereiken, aangezien de gewestelijk directeur van de Rijksdienst voor |
Arbeidsvoorziening de enige is die ten aanzien van de langdurig | Arbeidsvoorziening de enige is die ten aanzien van de langdurig |
werklozen bedoeld in artikel 118, § 1, 1° tot 3°, en artikel 119, a), | werklozen bedoeld in artikel 118, § 1, 1° tot 3°, en artikel 119, a), |
c), e), en f), van de programmawet over de juiste en volledige | c), e), en f), van de programmawet over de juiste en volledige |
gegevens beschikt om te attesteren dat zij aan die voorwaarden | gegevens beschikt om te attesteren dat zij aan die voorwaarden |
voldoen. | voldoen. |
B.10. Uit wat voorafgaat, blijkt dat het verschil in behandeling | B.10. Uit wat voorafgaat, blijkt dat het verschil in behandeling |
redelijk is verantwoord. | redelijk is verantwoord. |
B.11. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden | B.11. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden |
beantwoord. | beantwoord. |
Wat de tweede prejudiciële vraag betreft | Wat de tweede prejudiciële vraag betreft |
B.12. Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te | B.12. Met de tweede prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter te |
vernemen of de in het geding zijnde bepaling een schending van artikel | vernemen of de in het geding zijnde bepaling een schending van artikel |
13 van de Grondwet inhoudt, in zoverre werkgevers die niet voldoen aan | 13 van de Grondwet inhoudt, in zoverre werkgevers die niet voldoen aan |
de formaliteit bedoeld in de in het geding zijnde bepaling, het feit | de formaliteit bedoeld in de in het geding zijnde bepaling, het feit |
dat zij niettemin voldoen aan de overige voorwaarden opgesomd in de | dat zij niettemin voldoen aan de overige voorwaarden opgesomd in de |
artikelen 114 tot 131 van de programmawet niet door de bevoegde | artikelen 114 tot 131 van de programmawet niet door de bevoegde |
rechter kunnen laten beoordelen. | rechter kunnen laten beoordelen. |
B.13. Artikel 13 van de Grondwet waarborgt aan alle personen die zich | B.13. Artikel 13 van de Grondwet waarborgt aan alle personen die zich |
in dezelfde toestand bevinden het recht om volgens dezelfde regels te | in dezelfde toestand bevinden het recht om volgens dezelfde regels te |
worden berecht. | worden berecht. |
Aan dat recht wordt door de in het geding zijnde bepaling geen afbreuk | Aan dat recht wordt door de in het geding zijnde bepaling geen afbreuk |
gedaan. Zij verhindert de arbeidsrechtbanken, die op grond van artikel | gedaan. Zij verhindert de arbeidsrechtbanken, die op grond van artikel |
580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek kennis nemen van « geschillen | 580, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek kennis nemen van « geschillen |
betreffende de verplichtingen van de werkgevers en van de personen die | betreffende de verplichtingen van de werkgevers en van de personen die |
met hen hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de betaling van de | met hen hoofdelijk aansprakelijk zijn gesteld voor de betaling van de |
bijdragen, opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid », | bijdragen, opgelegd door de wetgeving inzake sociale zekerheid », |
immers niet om kennis te nemen van geschillen waarin een werkgever is | immers niet om kennis te nemen van geschillen waarin een werkgever is |
betrokken die het vereiste getuigschrift niet tijdig heeft | betrokken die het vereiste getuigschrift niet tijdig heeft |
aangevraagd. De arbeidsrechtbanken kunnen bijgevolg voor elke | aangevraagd. De arbeidsrechtbanken kunnen bijgevolg voor elke |
werkgever die de bijdragevermindering voorgeschreven in hoofdstuk VII | werkgever die de bijdragevermindering voorgeschreven in hoofdstuk VII |
van de programmawet toepast, nagaan of die voldoet aan de in dat | van de programmawet toepast, nagaan of die voldoet aan de in dat |
hoofdstuk bepaalde materiële en formele vereisten. | hoofdstuk bepaalde materiële en formele vereisten. |
B.14. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden | B.14. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden |
beantwoord. | beantwoord. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
zegt voor recht : | zegt voor recht : |
- De prejudiciële vragen in de zaak nr. 4498 behoeven geen antwoord. | - De prejudiciële vragen in de zaak nr. 4498 behoeven geen antwoord. |
- Artikel 127bis van de programmawet van 30 december 1988, zoals | - Artikel 127bis van de programmawet van 30 december 1988, zoals |
ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, schendt de artikelen 10, 11 | ingevoegd bij de wet van 29 december 1990, schendt de artikelen 10, 11 |
en 13 van de Grondwet niet. | en 13 van de Grondwet niet. |
Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig | Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig |
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare | artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare |
terechtzitting van 14 mei 2009. | terechtzitting van 14 mei 2009. |
De griffier, | De griffier, |
P.-Y. Dutilleux. | P.-Y. Dutilleux. |
De voorzitter, | De voorzitter, |
M. Bossuyt. | M. Bossuyt. |