Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 36/2008 van 4 maart 2008 Rolnummers 4164 en 4195 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 22, tweede lid, en 39 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, art Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechter(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 36/2008 van 4 maart 2008 Rolnummers 4164 en 4195 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 22, tweede lid, en 39 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, art Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechter(...) Uittreksel uit arrest nr. 36/2008 van 4 maart 2008 Rolnummers 4164 en 4195 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 22, tweede lid, en 39 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, art Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de rechter(...)
GRONDWETTELIJK HOF GRONDWETTELIJK HOF
Uittreksel uit arrest nr. 36/2008 van 4 maart 2008 Uittreksel uit arrest nr. 36/2008 van 4 maart 2008
Rolnummers 4164 en 4195 Rolnummers 4164 en 4195
In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 22, tweede lid, en In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 22, tweede lid, en
39 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 28 juni 1985 betreffende 39 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 28 juni 1985 betreffende
de milieuvergunning, artikel 13, § 1, van het decreet van het Vlaamse de milieuvergunning, artikel 13, § 1, van het decreet van het Vlaamse
Gewest van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van Gewest van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van
afvalstoffen en de artikelen 1382, 1383 en 1251, 3°, van het afvalstoffen en de artikelen 1382, 1383 en 1251, 3°, van het
Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Gent en het Hof Burgerlijk Wetboek, gesteld door het Hof van Beroep te Gent en het Hof
van Cassatie. van Cassatie.
Het Grondwettelijk Hof, Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en M. Melchior, en de
rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, rechters P. Martens, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen,
J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier
P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
a. Bij arrest van 16 februari 2007 in zake het openbaar ministerie en a. Bij arrest van 16 februari 2007 in zake het openbaar ministerie en
anderen tegen J.-M. L. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie anderen tegen J.-M. L. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie
van het Hof is ingekomen op 9 maart 2007, heeft het Hof van Beroep te van het Hof is ingekomen op 9 maart 2007, heeft het Hof van Beroep te
Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld : Gent de volgende prejudiciële vragen gesteld :
1. « Schendt artikel 22, tweede lid, van het decreet van 28 juni 1985 1. « Schendt artikel 22, tweede lid, van het decreet van 28 juni 1985
betreffende de milieuvergunning de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, betreffende de milieuvergunning de artikelen 12 en 14 van de Grondwet,
al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet en met artikel 7 EVRM en artikel 15 van het BUPO-verdrag, Grondwet en met artikel 7 EVRM en artikel 15 van het BUPO-verdrag,
doordat de omschrijving ' de nodige maatregelen treffen om schade, doordat de omschrijving ' de nodige maatregelen treffen om schade,
hinder en zware ongevallen te voorkomen en, om bij ongeval de gevolgen hinder en zware ongevallen te voorkomen en, om bij ongeval de gevolgen
ervan voor de mens en het leefmilieu zo beperkt mogelijk te houden ' ervan voor de mens en het leefmilieu zo beperkt mogelijk te houden '
geen voldoende normatieve inhoud heeft om een misdrijf te kunnen geen voldoende normatieve inhoud heeft om een misdrijf te kunnen
definiëren ? »; definiëren ? »;
2. « Schendt artikel 13, § 1, van het decreet van 2 juli 1981 2. « Schendt artikel 13, § 1, van het decreet van 2 juli 1981
betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen de artikelen betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen de artikelen
12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met artikel 7 EVRM en artikel 15 artikelen 10 en 11 van de Grondwet en met artikel 7 EVRM en artikel 15
van het BUPO-verdrag, doordat de omschrijving ' alle maatregelen te van het BUPO-verdrag, doordat de omschrijving ' alle maatregelen te
nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om gevaar voor nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om gevaar voor
de gezondheid van de mens of voor het leefmilieu, meer bepaald risico de gezondheid van de mens of voor het leefmilieu, meer bepaald risico
voor water, lucht, bodem, fauna en flora, geluids- of stankhinder, voor water, lucht, bodem, fauna en flora, geluids- of stankhinder,
schade aan natuur- en landschapsschoon te voorkomen of zoveel mogelijk schade aan natuur- en landschapsschoon te voorkomen of zoveel mogelijk
te beperken ' geen voldoende normatieve inhoud heeft om een misdrijf te beperken ' geen voldoende normatieve inhoud heeft om een misdrijf
te kunnen definiëren ? »; te kunnen definiëren ? »;
3. « Schenden de artikelen 1382, 1383 en 1251, 3°, van het Burgerlijk 3. « Schenden de artikelen 1382, 1383 en 1251, 3°, van het Burgerlijk
Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij de Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre zij de
derden-schadelijders van bedieningshandelingen van derden-schadelijders van bedieningshandelingen van
vennootschapsorganen die geen bedrog, zware schuld of regelmatig vennootschapsorganen die geen bedrog, zware schuld of regelmatig
weerkerende schuld uitmaken, toelaten gezegde organen volledig weerkerende schuld uitmaken, toelaten gezegde organen volledig
aansprakelijk te stellen en de rechtspersoon toelaten volledig verhaal aansprakelijk te stellen en de rechtspersoon toelaten volledig verhaal
te nemen, terwijl artikel 18 van de wet betreffende de te nemen, terwijl artikel 18 van de wet betreffende de
arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978 en artikel 2 van de wet van 10 arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978 en artikel 2 van de wet van 10
februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor
personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen werknemers, personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen werknemers,
respectievelijk personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen, respectievelijk personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen,
wier toestand statutair is geregeld, slechts aansprakelijk stellen, wier toestand statutair is geregeld, slechts aansprakelijk stellen,
rechtstreeks of bij regres, in geval van bedrog, zware schuld of rechtstreeks of bij regres, in geval van bedrog, zware schuld of
eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomende lichte schuld ? ». eerder gewoonlijk dan toevallig voorkomende lichte schuld ? ».
b. Bij arrest van 3 april 2007 in zake A.D. tegen M.B. en anderen, b. Bij arrest van 3 april 2007 in zake A.D. tegen M.B. en anderen,
waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 april waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 april
2007, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag 2007, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag
gesteld : gesteld :
« Schenden de artikelen 22, tweede lid, en 39 van het decreet van de « Schenden de artikelen 22, tweede lid, en 39 van het decreet van de
Vlaamse Raad van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, de Vlaamse Raad van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, de
artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen
met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de omschrijving ' met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de omschrijving '
de nodige maatregelen treffen om hinder te voorkomen ' geen voldoende de nodige maatregelen treffen om hinder te voorkomen ' geen voldoende
nauwkeurige normatieve inhoud heeft om een misdrijf te kunnen nauwkeurige normatieve inhoud heeft om een misdrijf te kunnen
definiëren en doordat op deze manier een niet te verantwoorden definiëren en doordat op deze manier een niet te verantwoorden
verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen de verschil in behandeling in het leven wordt geroepen tussen de
rechtsonderhorigen die vervolgd worden voor andere misdrijven en rechtsonderhorigen die vervolgd worden voor andere misdrijven en
diegenen die vervolgd worden wegens het niet-nakomen van de diegenen die vervolgd worden wegens het niet-nakomen van de
zorgvuldigheidsplicht zoals omschreven in artikel 22, tweede lid, van zorgvuldigheidsplicht zoals omschreven in artikel 22, tweede lid, van
het Milieuvergunningsdecreet ? ». het Milieuvergunningsdecreet ? ».
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4164 en 4195 van de rol van Die zaken, ingeschreven onder de nummers 4164 en 4195 van de rol van
het Hof, werden samengevoegd. het Hof, werden samengevoegd.
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
Over de eerste en de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 4164 en Over de eerste en de tweede prejudiciële vraag in de zaak nr. 4164 en
over de prejudiciële vraag in de zaak nr. 4195 over de prejudiciële vraag in de zaak nr. 4195
B.1.1. In de zaak nr. 4164 vraagt het Hof van Beroep te Gent of B.1.1. In de zaak nr. 4164 vraagt het Hof van Beroep te Gent of
artikel 22, tweede lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 28 artikel 22, tweede lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 28
juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : het juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : het
milieuvergunningsdecreet), enerzijds, en artikel 13, § 1, van het milieuvergunningsdecreet), enerzijds, en artikel 13, § 1, van het
decreet van het Vlaamse Gewest van 2 juli 1981 betreffende de decreet van het Vlaamse Gewest van 2 juli 1981 betreffende de
voorkoming en het beheer van afvalstoffen (hierna : het voorkoming en het beheer van afvalstoffen (hierna : het
afvalstoffendecreet), anderzijds, een schending inhouden van het afvalstoffendecreet), anderzijds, een schending inhouden van het
wettigheidsbeginsel in strafzaken, al dan niet in samenhang gelezen wettigheidsbeginsel in strafzaken, al dan niet in samenhang gelezen
met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, doordat die met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, doordat die
bepalingen geen voldoende normatieve inhoud zouden hebben om een bepalingen geen voldoende normatieve inhoud zouden hebben om een
misdrijf te kunnen definiëren. misdrijf te kunnen definiëren.
B.1.2. In de zaak nr. 4195 vraagt het Hof van Cassatie of de artikelen B.1.2. In de zaak nr. 4195 vraagt het Hof van Cassatie of de artikelen
22, tweede lid, en 39 van het milieuvergunningsdecreet een schending 22, tweede lid, en 39 van het milieuvergunningsdecreet een schending
inhouden van de artikelen 12 en 14, al dan niet in samenhang gelezen inhouden van de artikelen 12 en 14, al dan niet in samenhang gelezen
met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet, doordat de omschrijving « met de artikelen 10 en 11, van de Grondwet, doordat de omschrijving «
de nodige maatregelen treffen om hinder te voorkomen » geen voldoende de nodige maatregelen treffen om hinder te voorkomen » geen voldoende
normatieve inhoud zou hebben om een misdrijf te kunnen definiëren. normatieve inhoud zou hebben om een misdrijf te kunnen definiëren.
B.2.1. Artikel 22 van het milieuvergunningsdecreet bepaalt : B.2.1. Artikel 22 van het milieuvergunningsdecreet bepaalt :
« De exploitant van een inrichting is verplicht de « De exploitant van een inrichting is verplicht de
exploitatievoorwaarden na te leven. exploitatievoorwaarden na te leven.
Ongeacht de verleende vergunning moet hij steeds de nodige maatregelen Ongeacht de verleende vergunning moet hij steeds de nodige maatregelen
treffen om schade, hinder en zware ongevallen te voorkomen en, om bij treffen om schade, hinder en zware ongevallen te voorkomen en, om bij
ongeval, de gevolgen ervan voor de mens en het leefmilieu zo beperkt ongeval, de gevolgen ervan voor de mens en het leefmilieu zo beperkt
mogelijk te houden. mogelijk te houden.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast in verband met de De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast in verband met de
verplichtingen van de exploitant ». verplichtingen van de exploitant ».
Op grond van artikel 39 van het decreet is de niet-naleving van die Op grond van artikel 39 van het decreet is de niet-naleving van die
bepaling strafbaar. bepaling strafbaar.
B.2.2. Artikel 13, § 1, van het afvalstoffendecreet bepaalt : B.2.2. Artikel 13, § 1, van het afvalstoffendecreet bepaalt :
« Onverminderd de toepassing van andere bepalingen van dit decreet en « Onverminderd de toepassing van andere bepalingen van dit decreet en
zijn uitvoeringsbesluiten is de natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn uitvoeringsbesluiten is de natuurlijke persoon of rechtspersoon
die afvalstoffen beheert of verwijdert, verplicht alle maatregelen te die afvalstoffen beheert of verwijdert, verplicht alle maatregelen te
nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om gevaar voor nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om gevaar voor
de gezondheid van de mens of voor het leefmilieu, meer bepaald risico de gezondheid van de mens of voor het leefmilieu, meer bepaald risico
voor water, lucht, bodem, fauna en flora, geluids- of stankhinder, voor water, lucht, bodem, fauna en flora, geluids- of stankhinder,
schade aan natuur- en landschapsschoon te voorkomen of zoveel mogelijk schade aan natuur- en landschapsschoon te voorkomen of zoveel mogelijk
te beperken. De Vlaamse regering kan deze maatregelen nader te beperken. De Vlaamse regering kan deze maatregelen nader
omschrijven ». omschrijven ».
Op grond van artikel 56, 1°, van het voormelde decreet is de Op grond van artikel 56, 1°, van het voormelde decreet is de
niet-naleving van die bepaling strafbaar. niet-naleving van die bepaling strafbaar.
B.3. Zowel het milieuvergunningsdecreet als het afvalstoffendecreet en B.3. Zowel het milieuvergunningsdecreet als het afvalstoffendecreet en
hun uitvoeringsbesluiten leggen de onderworpen personen en hun uitvoeringsbesluiten leggen de onderworpen personen en
inrichtingen gedetailleerde verplichtingen op. inrichtingen gedetailleerde verplichtingen op.
Naast de verplichting om de wettelijke voorschriften en de Naast de verplichting om de wettelijke voorschriften en de
vergunningsvoorwaarden na te leven, heeft de decreetgever het vergunningsvoorwaarden na te leven, heeft de decreetgever het
noodzakelijk geacht de betrokkenen een algemene zorgvuldigheidsplicht noodzakelijk geacht de betrokkenen een algemene zorgvuldigheidsplicht
op te leggen ter voorkoming en beperking van schade voor de gezondheid op te leggen ter voorkoming en beperking van schade voor de gezondheid
van de mens en het milieu. Strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van de mens en het milieu. Strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond
van die bepaling is mogelijk, ook indien de wettelijke en van die bepaling is mogelijk, ook indien de wettelijke en
administratieve regelingen strikt worden nageleefd. administratieve regelingen strikt worden nageleefd.
B.4. Het opleggen van een algemene zorgvuldigheidsplicht zoals vervat B.4. Het opleggen van een algemene zorgvuldigheidsplicht zoals vervat
in de in het geding zijnde bepalingen draagt bij tot de in de in het geding zijnde bepalingen draagt bij tot de
verwezenlijking van het recht op de bescherming van een gezond verwezenlijking van het recht op de bescherming van een gezond
leefmilieu, dat door artikel 23 van de Grondwet wordt gewaarborgd. Dit leefmilieu, dat door artikel 23 van de Grondwet wordt gewaarborgd. Dit
neemt niet weg dat, indien de niet-naleving van die verplichting neemt niet weg dat, indien de niet-naleving van die verplichting
strafrechtelijk wordt gestraft, ze moet voldoen aan de eisen van het strafrechtelijk wordt gestraft, ze moet voldoen aan de eisen van het
wettigheidsbeginsel in strafzaken. wettigheidsbeginsel in strafzaken.
B.5.1. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen, B.5.1. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen,
enerzijds, om te bepalen in welke gevallen en in welke vorm enerzijds, om te bepalen in welke gevallen en in welke vorm
strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, om een wet aan te nemen op strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, om een wet aan te nemen op
grond waarvan een straf kan worden bepaald en toegepast, waarborgen de grond waarvan een straf kan worden bepaald en toegepast, waarborgen de
artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke burger dat artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke burger dat
geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen enkele geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen enkele
straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een
democratisch verkozen beraadslagende vergadering. democratisch verkozen beraadslagende vergadering.
B.5.2. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat bovendien uit van de B.5.2. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat bovendien uit van de
idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond
waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan
uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de
wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid
biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld,
zodat, enerzijds, degene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende zodat, enerzijds, degene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende
wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag
kan zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote kan zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote
beoordelingsvrijheid wordt gelaten. beoordelingsvrijheid wordt gelaten.
B.5.3. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan B.5.3. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan
in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid in de weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid
toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene
karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van karakter van de wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van
toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen.
Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in
de wet, is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de de wet, is voldaan wanneer de rechtzoekende, op basis van de
bewoordingen van de relevante bepaling, en in voorkomend geval, met bewoordingen van de relevante bepaling, en in voorkomend geval, met
behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten behulp van de interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten
welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke
aansprakelijkheid meebrengen. aansprakelijkheid meebrengen.
B.5.4. Het is slechts bij het onderzoek van een specifieke B.5.4. Het is slechts bij het onderzoek van een specifieke
strafbepaling dat het mogelijk is om, rekening houdend met de strafbepaling dat het mogelijk is om, rekening houdend met de
elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen elementen eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen
of de door de wetgever gehanteerde bewoordingen zo vaag zijn dat ze of de door de wetgever gehanteerde bewoordingen zo vaag zijn dat ze
het door artikel 12, tweede lid, van de Grondwet gewaarborgde het door artikel 12, tweede lid, van de Grondwet gewaarborgde
wettigheidsbeginsel zouden schenden. wettigheidsbeginsel zouden schenden.
B.6.1. Volgens artikel 22, tweede lid, van het B.6.1. Volgens artikel 22, tweede lid, van het
milieuvergunningsdecreet moet de exploitant van een inrichting, « milieuvergunningsdecreet moet de exploitant van een inrichting, «
ongeacht de verleende vergunning, [...] steeds de nodige maatregelen ongeacht de verleende vergunning, [...] steeds de nodige maatregelen
treffen om schade, hinder en zware ongevallen te voorkomen en, om bij treffen om schade, hinder en zware ongevallen te voorkomen en, om bij
ongeval, de gevolgen ervan voor de mens en het leefmilieu zo beperkt ongeval, de gevolgen ervan voor de mens en het leefmilieu zo beperkt
mogelijk te houden ». mogelijk te houden ».
B.6.2. De decreetgever kan, zonder het wettigheidsbeginsel te B.6.2. De decreetgever kan, zonder het wettigheidsbeginsel te
schenden, de rechter ermee belasten de graad van ernst te beoordelen schenden, de rechter ermee belasten de graad van ernst te beoordelen
vanaf welke een gedraging strafbaar is. De rechter zal, in de vanaf welke een gedraging strafbaar is. De rechter zal, in de
uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid, rekening kunnen houden uitoefening van zijn beoordelingsbevoegdheid, rekening kunnen houden
met de aanwijzingen vermeld in de regels in verband met de met de aanwijzingen vermeld in de regels in verband met de
verplichtingen van de exploitant, die worden gepreciseerd in de verplichtingen van de exploitant, die worden gepreciseerd in de
uitvoeringsbesluiten van het milieuvergunningsdecreet, meer bepaald in uitvoeringsbesluiten van het milieuvergunningsdecreet, meer bepaald in
artikel 1, 24°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari artikel 1, 24°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari
1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de
milieuvergunning. milieuvergunning.
B.6.3. Vermits de begrippen « schade » en « hinder » in het B.6.3. Vermits de begrippen « schade » en « hinder » in het
milieuvergunningsdecreet niet worden gedefinieerd, dient men om de milieuvergunningsdecreet niet worden gedefinieerd, dient men om de
inhoud ervan te bepalen, zich te richten naar de gangbare betekenis inhoud ervan te bepalen, zich te richten naar de gangbare betekenis
ervan. ervan.
B.6.4 Bovendien blijkt uit de rechtspraak, inzonderheid van het Hof B.6.4 Bovendien blijkt uit de rechtspraak, inzonderheid van het Hof
van Beroep te Gent - het verwijzende rechtscollege in de zaak nr. van Beroep te Gent - het verwijzende rechtscollege in de zaak nr.
4164, waarvan een arrest het voorwerp uitmaakt van een voorziening bij 4164, waarvan een arrest het voorwerp uitmaakt van een voorziening bij
het Hof van Cassatie, dat een prejudiciële vraag heeft gesteld in de het Hof van Cassatie, dat een prejudiciële vraag heeft gesteld in de
zaak nr. 4195 - dat niet elke schade of hinder de strafrechtelijke zaak nr. 4195 - dat niet elke schade of hinder de strafrechtelijke
aansprakelijkheid van de overtreders in het gedrang kan brengen. In aansprakelijkheid van de overtreders in het gedrang kan brengen. In
die rechtspraak wordt immers geoordeeld dat artikel 22, tweede lid, die rechtspraak wordt immers geoordeeld dat artikel 22, tweede lid,
eerste zinsdeel, van het milieuvergunningsdecreet een algemene eerste zinsdeel, van het milieuvergunningsdecreet een algemene
zorgvuldigheidsplicht oplegt bij de uitbating met het oog op, wat de zorgvuldigheidsplicht oplegt bij de uitbating met het oog op, wat de
omgeving betreft, het vermijden van abnormale hinder, dit is hinder omgeving betreft, het vermijden van abnormale hinder, dit is hinder
die niet valt binnen de grenzen van wat een redelijk mens in dezelfde die niet valt binnen de grenzen van wat een redelijk mens in dezelfde
omstandigheden dient te aanvaarden, als normale hinder ten gevolge van omstandigheden dient te aanvaarden, als normale hinder ten gevolge van
de ligging ten opzichte van de inrichting die aan de oorsprong van die de ligging ten opzichte van de inrichting die aan de oorsprong van die
hinder ligt. hinder ligt.
Die interpretatie steunt op volgende redengeving : Die interpretatie steunt op volgende redengeving :
« In de context van het vergunningssysteem, met niet ingedeelde « In de context van het vergunningssysteem, met niet ingedeelde
inrichtingen en als hinderlijk beschouwde inrichtingen ingedeeld in inrichtingen en als hinderlijk beschouwde inrichtingen ingedeeld in
drie klassen naar gelang de graad waarin zij geacht worden belastend drie klassen naar gelang de graad waarin zij geacht worden belastend
te zijn voor de mens en het leefmilieu door de decreetgever in het te zijn voor de mens en het leefmilieu door de decreetgever in het
Milieuvergunningsdecreet tot stand gebracht, moet immers worden Milieuvergunningsdecreet tot stand gebracht, moet immers worden
aanvaard dat het hierbij niet kan gaan om elke hinder, hoe gering aanvaard dat het hierbij niet kan gaan om elke hinder, hoe gering
desgevallend ook. Tussen eigendommen in een bepaalde omgeving bestaat desgevallend ook. Tussen eigendommen in een bepaalde omgeving bestaat
verder een soort evenwicht waarbij elke eigenaar of gebruiker van een verder een soort evenwicht waarbij elke eigenaar of gebruiker van een
eigendom een zekere hinder moet dulden die nu eenmaal eigen is aan het eigendom een zekere hinder moet dulden die nu eenmaal eigen is aan het
samenleven, a fortiori wanneer hierbij sprake is van de uitbating van samenleven, a fortiori wanneer hierbij sprake is van de uitbating van
een bedrijf » (Gent, 15 september 2006). een bedrijf » (Gent, 15 september 2006).
B.7.1. Artikel 22, tweede lid, van het milieuvergunningsdecreet B.7.1. Artikel 22, tweede lid, van het milieuvergunningsdecreet
bepaalt verder dat de exploitant « de nodige maatregelen » moet nemen bepaalt verder dat de exploitant « de nodige maatregelen » moet nemen
om schade, hinder en zware ongevallen te voorkomen en bij ongeval de om schade, hinder en zware ongevallen te voorkomen en bij ongeval de
gevolgen ervan voor de mens en het leefmilieu « zo beperkt mogelijk te gevolgen ervan voor de mens en het leefmilieu « zo beperkt mogelijk te
houden ». houden ».
B.7.2. In soortgelijke zin verplicht artikel 13, § 1, van het B.7.2. In soortgelijke zin verplicht artikel 13, § 1, van het
afvalstoffendecreet de natuurlijke persoon of rechtspersoon die afvalstoffendecreet de natuurlijke persoon of rechtspersoon die
afvalstoffen beheert of verwijdert « alle maatregelen te nemen die afvalstoffen beheert of verwijdert « alle maatregelen te nemen die
redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om gevaar voor de redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om gevaar voor de
gezondheid van de mens of voor het leefmilieu [...] te voorkomen of gezondheid van de mens of voor het leefmilieu [...] te voorkomen of
zoveel mogelijk te beperken ». zoveel mogelijk te beperken ».
B.7.3. De aldus opgelegde zorgvuldigheidsplicht is niet beperkt tot B.7.3. De aldus opgelegde zorgvuldigheidsplicht is niet beperkt tot
het strikt naleven van de wettelijke en administratieve voorschriften, het strikt naleven van de wettelijke en administratieve voorschriften,
zij is algemeen en omvat aldus elke maatregel van voorzichtigheid of zij is algemeen en omvat aldus elke maatregel van voorzichtigheid of
voorzorg. voorzorg.
B.8. De aard van de te beschermen rechtsgoederen, met name de B.8. De aard van de te beschermen rechtsgoederen, met name de
gezondheid van de mens en het leefmilieu, kunnen de decreetgever ertoe gezondheid van de mens en het leefmilieu, kunnen de decreetgever ertoe
aanzetten deze maximaal te beschermen. Door de complexiteit van de aanzetten deze maximaal te beschermen. Door de complexiteit van de
milieuproblematiek kunnen specifieke wettelijke voorschriften en milieuproblematiek kunnen specifieke wettelijke voorschriften en
vergunningsvoorwaarden evenwel niet steeds een adequate bescherming vergunningsvoorwaarden evenwel niet steeds een adequate bescherming
waarborgen aangezien voor de overheid of de vergunningshouder op het waarborgen aangezien voor de overheid of de vergunningshouder op het
ogenblik van de afgifte van de vergunning zich steeds niet voorziene ogenblik van de afgifte van de vergunning zich steeds niet voorziene
gevaren kunnen voordoen en de voortschrijdende technische ontwikkeling gevaren kunnen voordoen en de voortschrijdende technische ontwikkeling
het niet mogelijk maakt alle te nemen maatregelen te preciseren. het niet mogelijk maakt alle te nemen maatregelen te preciseren.
B.9.1. Bij de beoordeling van die verplichting in het licht van het B.9.1. Bij de beoordeling van die verplichting in het licht van het
wettigheidsbeginsel in strafzaken moet voor ogen worden gehouden dat wettigheidsbeginsel in strafzaken moet voor ogen worden gehouden dat
ze gericht is tot personen die beroepsmatig handelen en over goede ze gericht is tot personen die beroepsmatig handelen en over goede
informatie beschikken of kunnen beschikken ten aanzien van de informatie beschikken of kunnen beschikken ten aanzien van de
wenselijkheid van hun gedragingen, zodat mag worden verwacht dat ze wenselijkheid van hun gedragingen, zodat mag worden verwacht dat ze
steeds de nodige waakzaamheid aan de dag leggen bij het onderkennen steeds de nodige waakzaamheid aan de dag leggen bij het onderkennen
van de gevaren die de exploitatie van hun onderneming met zich brengt. van de gevaren die de exploitatie van hun onderneming met zich brengt.
B.9.2. Bovendien staat de hun opgelegde algemene zorgvuldigheidsplicht B.9.2. Bovendien staat de hun opgelegde algemene zorgvuldigheidsplicht
niet op zich maar maakt zij deel uit van een bredere wettelijke en niet op zich maar maakt zij deel uit van een bredere wettelijke en
administratieve regeling waarin de verplichtingen van de exploitant administratieve regeling waarin de verplichtingen van de exploitant
nauwkeurig zijn omschreven en waardoor aan die algemene nauwkeurig zijn omschreven en waardoor aan die algemene
zorgvuldigheidsplicht een concrete omkadering wordt gegeven. zorgvuldigheidsplicht een concrete omkadering wordt gegeven.
B.10.1. Niet elke aantasting of dreigende aantasting van de menselijke B.10.1. Niet elke aantasting of dreigende aantasting van de menselijke
gezondheid of van het milieu brengt de strafrechtelijke gezondheid of van het milieu brengt de strafrechtelijke
aansprakelijkheid van de betrokkenen in het geding. Voor het bestaan aansprakelijkheid van de betrokkenen in het geding. Voor het bestaan
van een misdrijf is immers niet enkel een materieel element maar ook van een misdrijf is immers niet enkel een materieel element maar ook
een moreel element vereist, dat te dezen bestaat in een gebrek aan een moreel element vereist, dat te dezen bestaat in een gebrek aan
voorzichtigheid of voorzorg. voorzichtigheid of voorzorg.
B.10.2. Degenen tot wie de in het geding zijnde bepalingen zijn B.10.2. Degenen tot wie de in het geding zijnde bepalingen zijn
gericht, moeten maatregelen nemen zoals het een normaal zorgvuldige en gericht, moeten maatregelen nemen zoals het een normaal zorgvuldige en
vooruitziende persoon die zich in dezelfde omstandigheden bevindt, vooruitziende persoon die zich in dezelfde omstandigheden bevindt,
betaamt. betaamt.
B.10.3. Of de betrokkenen aan de algemene zorgvuldigheidsplicht zijn B.10.3. Of de betrokkenen aan de algemene zorgvuldigheidsplicht zijn
tekortgeschoten, hangt af van hun persoonlijke omstandigheden en zal tekortgeschoten, hangt af van hun persoonlijke omstandigheden en zal
door de rechter in concreto moeten worden beoordeeld, in voorkomend door de rechter in concreto moeten worden beoordeeld, in voorkomend
geval met behulp van adviezen van deskundigen, en rekening houdend geval met behulp van adviezen van deskundigen, en rekening houdend
met, naar gelang van het geval, de best beschikbare technieken of die met, naar gelang van het geval, de best beschikbare technieken of die
welke geen overmatig hoge kosten veroorzaken. Enkel wanneer welke geen overmatig hoge kosten veroorzaken. Enkel wanneer
onvoldoende maatregelen werden genomen, staat het morele element vast onvoldoende maatregelen werden genomen, staat het morele element vast
en kan een strafsanctie worden opgelegd. en kan een strafsanctie worden opgelegd.
B.11.1. De artikelen 22, tweede lid, en 39 van het B.11.1. De artikelen 22, tweede lid, en 39 van het
milieuvergunningsdecreet en de artikelen 13, § 1, en 56, 1°, van het milieuvergunningsdecreet en de artikelen 13, § 1, en 56, 1°, van het
afvalstoffendecreet laten derhalve toe, voor hen op wie die afvalstoffendecreet laten derhalve toe, voor hen op wie die
strafbepalingen toepasselijk zijn, de feiten en nalatigheden te kennen strafbepalingen toepasselijk zijn, de feiten en nalatigheden te kennen
die hun strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen. die hun strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen.
B.11.2. Uit wat voorafgaat volgt dat de in het geding zijnde B.11.2. Uit wat voorafgaat volgt dat de in het geding zijnde
bepalingen geen afbreuk doen aan het wettigheidsbeginsel in bepalingen geen afbreuk doen aan het wettigheidsbeginsel in
strafzaken. strafzaken.
B.12. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord. B.12. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.
Over de derde prejudiciële vraag in de zaak nr. 4164 Over de derde prejudiciële vraag in de zaak nr. 4164
B.13. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de artikelen 1382, 1383 B.13. De verwijzende rechter vraagt het Hof of de artikelen 1382, 1383
en 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek een schending inhouden van de en 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek een schending inhouden van de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij ertoe leiden dat artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij ertoe leiden dat
vennootschapsorganen volledig aansprakelijk zijn voor een vennootschapsorganen volledig aansprakelijk zijn voor een
onrechtmatige daad begaan in de bedieningshandelingen van de onrechtmatige daad begaan in de bedieningshandelingen van de
rechtspersoon en deze laatste een volledig regresrecht heeft, terwijl rechtspersoon en deze laatste een volledig regresrecht heeft, terwijl
artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 en artikel artikel 18 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 en artikel
2 van de wet van 10 februari 2003 « betreffende de aansprakelijkheid 2 van de wet van 10 februari 2003 « betreffende de aansprakelijkheid
van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen » van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen »
wier toestand statutair is geregeld, de werknemers of ambtenaren wier toestand statutair is geregeld, de werknemers of ambtenaren
slechts aansprakelijk stellen, rechtstreeks of bij regres, in geval slechts aansprakelijk stellen, rechtstreeks of bij regres, in geval
van bedrog, zware schuld of eerder dan toevallig voorkomende lichte van bedrog, zware schuld of eerder dan toevallig voorkomende lichte
schuld. schuld.
B.14.1. Een vennootschapsorgaan kan zich op de B.14.1. Een vennootschapsorgaan kan zich op de
aansprakelijkheidsbeperking van artikel 18 van de aansprakelijkheidsbeperking van artikel 18 van de
arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 beroepen wanneer het arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 beroepen wanneer het
aansprakelijk wordt gesteld voor een handeling gesteld als werknemer. aansprakelijk wordt gesteld voor een handeling gesteld als werknemer.
Een cumulatie tussen een bestuursmandaat en een arbeidsovereenkomst is Een cumulatie tussen een bestuursmandaat en een arbeidsovereenkomst is
immers mogelijk, in zoverre de bestuurder effectief onder het gezag immers mogelijk, in zoverre de bestuurder effectief onder het gezag
van een vennootschapsorgaan staat en het gaat om een van zijn van een vennootschapsorgaan staat en het gaat om een van zijn
bestuursmandaat onderscheiden functie van werknemer. bestuursmandaat onderscheiden functie van werknemer.
B.14.2. De functie zelf van bestuurder kan niet onder gezag, en dus B.14.2. De functie zelf van bestuurder kan niet onder gezag, en dus
niet in het kader van een arbeidsovereenkomst, worden uitgeoefend en niet in het kader van een arbeidsovereenkomst, worden uitgeoefend en
voor de fouten die hij begaat kan geen beroep worden gedaan op de voor de fouten die hij begaat kan geen beroep worden gedaan op de
aansprakelijkheidsbeperking van artikel 18 van de voormelde aansprakelijkheidsbeperking van artikel 18 van de voormelde
arbeidsovereenkomstenwet. arbeidsovereenkomstenwet.
De afwezigheid van een gezagsverhouding biedt in dat geval een De afwezigheid van een gezagsverhouding biedt in dat geval een
objectieve en redelijke verantwoording voor het verschil in objectieve en redelijke verantwoording voor het verschil in
behandeling met werknemers en met ambtenaren die de behandeling met werknemers en met ambtenaren die de
aansprakelijkheidsbeperking genieten die is vervat in artikel 18 van aansprakelijkheidsbeperking genieten die is vervat in artikel 18 van
de arbeidsovereenkomstenwet en in artikel 2 van de voormelde wet van de arbeidsovereenkomstenwet en in artikel 2 van de voormelde wet van
10 februari 2003, en die zich in een dergelijke verhouding bevinden. 10 februari 2003, en die zich in een dergelijke verhouding bevinden.
B.15. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. B.15. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
- De artikelen 22, tweede lid, en 39 van het decreet van het Vlaamse - De artikelen 22, tweede lid, en 39 van het decreet van het Vlaamse
Gewest van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning schenden niet Gewest van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning schenden niet
de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, al dan niet in samenhang
gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de
mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten
en politieke rechten. en politieke rechten.
- De artikelen 13, § 1, en 56, 1°, van het decreet van het Vlaamse - De artikelen 13, § 1, en 56, 1°, van het decreet van het Vlaamse
Gewest van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van Gewest van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van
afvalstoffen schenden dezelfde bepalingen niet. afvalstoffen schenden dezelfde bepalingen niet.
- De artikelen 1382, 1383 en 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, in - De artikelen 1382, 1383 en 1251, 3°, van het Burgerlijk Wetboek, in
zoverre zij van toepassing zijn op vennootschapsorganen, schenden de zoverre zij van toepassing zijn op vennootschapsorganen, schenden de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare
terechtzitting van 4 maart 2008. terechtzitting van 4 maart 2008.
De griffier, De griffier,
P.-Y. Dutilleux. P.-Y. Dutilleux.
De voorzitter, De voorzitter,
M. Bossuyt. M. Bossuyt.
^