Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 192/2006 van 5 december 2006 Rolnummers 3864, 3865, 3873 en 3885 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 33 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 juli 1991 betreffende de sociale integratie van de g Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Lavr(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 192/2006 van 5 december 2006 Rolnummers 3864, 3865, 3873 en 3885 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 33 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 juli 1991 betreffende de sociale integratie van de g Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Lavr(...) Uittreksel uit arrest nr. 192/2006 van 5 december 2006 Rolnummers 3864, 3865, 3873 en 3885 In zake : de prejudiciële vragen over artikel 33 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 juli 1991 betreffende de sociale integratie van de g Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters L. Lavr(...)
ARBITRAGEHOF ARBITRAGEHOF
Uittreksel uit arrest nr. 192/2006 van 5 december 2006 Uittreksel uit arrest nr. 192/2006 van 5 december 2006
Rolnummers 3864, 3865, 3873 en 3885 Rolnummers 3864, 3865, 3873 en 3885
In zake : de prejudiciële vragen over artikel 33 van het decreet van In zake : de prejudiciële vragen over artikel 33 van het decreet van
de Franse Gemeenschap van 3 juli 1991 betreffende de sociale de Franse Gemeenschap van 3 juli 1991 betreffende de sociale
integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het
arbeidsproces, gesteld door de Raad van State. arbeidsproces, gesteld door de Raad van State.
Het Arbitragehof, Het Arbitragehof,
samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters
L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels,
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van
voorzitter M. Melchior, voorzitter M. Melchior,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
Bij arresten nrs. 153.860, 153.862, 153.863 en 153.861 van 17 januari Bij arresten nrs. 153.860, 153.862, 153.863 en 153.861 van 17 januari
2006 in zake M.-M. Calay tegen het « Fonds communautaire pour 2006 in zake M.-M. Calay tegen het « Fonds communautaire pour
l'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées » l'intégration sociale et professionnelle des personnes handicapées »
en in zake verschillende tussenkomende partijen, waarvan de expedities en in zake verschillende tussenkomende partijen, waarvan de expedities
ter griffie van het Arbitragehof zijn ingekomen op 26 en 30 januari ter griffie van het Arbitragehof zijn ingekomen op 26 en 30 januari
2006, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld 2006, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld
: :
1. « Schendt artikel 33 van het decreet van 3 juli 1991 betreffende de 1. « Schendt artikel 33 van het decreet van 3 juli 1991 betreffende de
sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het sociale integratie van de gehandicapten en hun inschakeling in het
arbeidsproces, op grond waarvan, voor de eerste bezetting van de arbeidsproces, op grond waarvan, voor de eerste bezetting van de
personeelsformatie, regels kunnen worden bepaald die afwijken van het personeelsformatie, regels kunnen worden bepaald die afwijken van het
statuut, artikel 87, §§ 2 en 4, van de bijzondere wet van 8 augustus statuut, artikel 87, §§ 2 en 4, van de bijzondere wet van 8 augustus
1980 tot hervorming der instellingen, dat de bemiddeling van het VWS 1980 tot hervorming der instellingen, dat de bemiddeling van het VWS
oplegt, of op zijn minst de vereiste van een vergelijkend examen oplegt, of op zijn minst de vereiste van een vergelijkend examen
waarin is voorzien bij het koninklijk besluit van 26 september 1994 waarin is voorzien bij het koninklijk besluit van 26 september 1994
tot bepaling van de algemene principes, meer bepaald bij artikel 11, § tot bepaling van de algemene principes, meer bepaald bij artikel 11, §
1, ervan ? »; 1, ervan ? »;
2. « Schendt artikel 33 van het voormelde decreet van 3 juli 1991 de 2. « Schendt artikel 33 van het voormelde decreet van 3 juli 1991 de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre die bepaling het artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre die bepaling het
mogelijk maakt een objectief onderzoek van de kandidaturen via een mogelijk maakt een objectief onderzoek van de kandidaturen via een
vergelijkend examen of een examen te vermijden door afwijkende regels vergelijkend examen of een examen te vermijden door afwijkende regels
te bepalen ? ». te bepalen ? ».
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3864, 3865, 3873 en 3885 van Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3864, 3865, 3873 en 3885 van
de rol van het Hof, werden samengevoegd. de rol van het Hof, werden samengevoegd.
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
B.1. Artikel 33 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 juli B.1. Artikel 33 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 juli
1991 betreffende de sociale integratie van de gehandicapten en hun 1991 betreffende de sociale integratie van de gehandicapten en hun
inschakeling in het arbeidsproces bepaalt : inschakeling in het arbeidsproces bepaalt :
« § 1. Ten einde te voorzien in de eerste bezetting van de « § 1. Ten einde te voorzien in de eerste bezetting van de
betrekkingen opgenomen in de personeelsformatie van het Fonds, betrekkingen opgenomen in de personeelsformatie van het Fonds,
waarvoor overgedragen personeelsleden uit het Rijksfonds voor sociale waarvoor overgedragen personeelsleden uit het Rijksfonds voor sociale
reclassering van de minder-validen die de overeenstemmende graden reclassering van de minder-validen die de overeenstemmende graden
bezitten, niet aangewezen zijn, kan de Executieve regels bepalen die bezitten, niet aangewezen zijn, kan de Executieve regels bepalen die
afwijken van het statuut van het personeel voor de eerste afwijken van het statuut van het personeel voor de eerste
aanstellingen, die in voornoemde ambten doorgevoerd worden. aanstellingen, die in voornoemde ambten doorgevoerd worden.
§ 2. Worden als ' eerste benoemingen ' beschouwd, de aanstellingen in § 2. Worden als ' eerste benoemingen ' beschouwd, de aanstellingen in
elk ambt opgenomen in de personeelsformatie waarvan sprake in § 1 van elk ambt opgenomen in de personeelsformatie waarvan sprake in § 1 van
dit artikel, die doorgevoerd worden binnen een termijn van zes maanden dit artikel, die doorgevoerd worden binnen een termijn van zes maanden
te rekenen vanaf de datum waarop het besluit van de Executieve van de te rekenen vanaf de datum waarop het besluit van de Executieve van de
Franse Gemeenschap tot vaststelling van de personeelsformatie van het Franse Gemeenschap tot vaststelling van de personeelsformatie van het
Fonds in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt ». Fonds in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt ».
Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag
B.2. De Raad van State vraagt in de eerste plaats aan het Hof of de B.2. De Raad van State vraagt in de eerste plaats aan het Hof of de
voormelde bepaling artikel 87, §§ 2 en 4, van de bijzondere wet van 8 voormelde bepaling artikel 87, §§ 2 en 4, van de bijzondere wet van 8
augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat de bemiddeling van augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat de bemiddeling van
het Vast Wervingssecretariaat oplegt, schendt, of op zijn minst de het Vast Wervingssecretariaat oplegt, schendt, of op zijn minst de
vereiste van een vergelijkend examen waarin is voorzien bij het vereiste van een vergelijkend examen waarin is voorzien bij het
koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene koninklijk besluit van 26 september 1994 tot bepaling van de algemene
principes, meer bepaald bij artikel 11, § 1, ervan. principes, meer bepaald bij artikel 11, § 1, ervan.
B.3. Toen artikel 33 van het voormelde decreet werd aangenomen, luidde B.3. Toen artikel 33 van het voormelde decreet werd aangenomen, luidde
artikel 87, §§ 2 en 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot artikel 87, §§ 2 en 4, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot
hervorming der instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 hervorming der instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wet van 8
augustus 1988, als volgt : augustus 1988, als volgt :
« § 2. Iedere Executieve stelt de personeelsformatie vast van haar « § 2. Iedere Executieve stelt de personeelsformatie vast van haar
administratie en doet de benoemingen. Dit personeel wordt aangeworven administratie en doet de benoemingen. Dit personeel wordt aangeworven
door bemiddeling van het Vast Secretariaat voor werving van het door bemiddeling van het Vast Secretariaat voor werving van het
Rijkspersoneel. Rijkspersoneel.
Het legt de eed af overeenkomstig de wettelijke bepalingen, in handen Het legt de eed af overeenkomstig de wettelijke bepalingen, in handen
van de overheid die de Executieve daartoe aanwijst. van de overheid die de Executieve daartoe aanwijst.
[...] [...]
§ 4. Een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen na § 4. Een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, genomen na
advies van de Executieven, wijst die algemene principes van het advies van de Executieven, wijst die algemene principes van het
administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel aan, welke administratief en geldelijk statuut van het Rijkspersoneel aan, welke
van rechtswege van toepassing zullen zijn op het personeel van de van rechtswege van toepassing zullen zijn op het personeel van de
Gemeenschappen en de Gewesten, evenals op het personeel van de Gemeenschappen en de Gewesten, evenals op het personeel van de
publiekrechtelijke rechtspersonen, die afhangen van de Gemeenschappen publiekrechtelijke rechtspersonen, die afhangen van de Gemeenschappen
en de Gewesten, met uitzondering van het personeel bedoeld in artikel en de Gewesten, met uitzondering van het personeel bedoeld in artikel
17 van de Grondwet ». 17 van de Grondwet ».
B.4. Paragraaf 2 van artikel 87 heeft betrekking op het personeel van B.4. Paragraaf 2 van artikel 87 heeft betrekking op het personeel van
de administratie van de gemeenschappen en de gewesten, niet op dat van de administratie van de gemeenschappen en de gewesten, niet op dat van
de instellingen die zij gemachtigd zijn op te richten met toepassing de instellingen die zij gemachtigd zijn op te richten met toepassing
van artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. van artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.
B.5. Naar luid van artikel 5 van het decreet van 3 juli 1991 is het « B.5. Naar luid van artikel 5 van het decreet van 3 juli 1991 is het «
Fonds communautaire pour l'intégration sociale et professionnelle des Fonds communautaire pour l'intégration sociale et professionnelle des
personnes handicapées » (Gemeenschapsfonds voor de sociale integratie personnes handicapées » (Gemeenschapsfonds voor de sociale integratie
van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces) een van de gehandicapten en hun inschakeling in het arbeidsproces) een
instelling van openbaar nut, met rechtspersoonlijkheid. Artikel 87, § instelling van openbaar nut, met rechtspersoonlijkheid. Artikel 87, §
4, is erop van toepassing, doordat het bepaalt dat een in Ministerraad 4, is erop van toepassing, doordat het bepaalt dat een in Ministerraad
overlegd koninklijk besluit die algemene principes van het overlegd koninklijk besluit die algemene principes van het
administratief en geldelijk statuut van het rijkspersoneel aanwijst administratief en geldelijk statuut van het rijkspersoneel aanwijst
welke van rechtswege van toepassing zullen zijn op het personeel van welke van rechtswege van toepassing zullen zijn op het personeel van
de publiekrechtelijke rechtspersonen die van de gemeenschappen de publiekrechtelijke rechtspersonen die van de gemeenschappen
afhangen. afhangen.
B.6. Het is ten aanzien van de bepalingen die van kracht waren toen B.6. Het is ten aanzien van de bepalingen die van kracht waren toen
het betwiste decreet werd aangenomen dat de grondwettigheid ervan het betwiste decreet werd aangenomen dat de grondwettigheid ervan
dient te worden beoordeeld. dient te worden beoordeeld.
Krachtens artikel 18, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1988, Krachtens artikel 18, § 3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1988,
waarbij artikel 87, § 4, werd ingevoegd in de bijzondere wet van 8 waarbij artikel 87, § 4, werd ingevoegd in de bijzondere wet van 8
augustus 1980, is dat artikel 87, § 4, in werking getreden op dezelfde augustus 1980, is dat artikel 87, § 4, in werking getreden op dezelfde
datum als het koninklijk besluit dat erin is beoogd. datum als het koninklijk besluit dat erin is beoogd.
B.7. Het in artikel 87, § 4, beoogde koninklijk besluit werd een B.7. Het in artikel 87, § 4, beoogde koninklijk besluit werd een
eerste maal genomen op 22 november 1991 en, na de vernietiging ervan eerste maal genomen op 22 november 1991 en, na de vernietiging ervan
door de Raad van State, een tweede maal op 26 september 1994, waarbij door de Raad van State, een tweede maal op 26 september 1994, waarbij
de inwerkingtreding ervan op 7 maart 1992 werd vastgesteld. Toen het de inwerkingtreding ervan op 7 maart 1992 werd vastgesteld. Toen het
decreet van 3 juli 1991 werd aangenomen, bestond het koninklijk decreet van 3 juli 1991 werd aangenomen, bestond het koninklijk
besluit niet, zodat het decreet artikel 87, § 4, van de bijzondere wet besluit niet, zodat het decreet artikel 87, § 4, van de bijzondere wet
niet heeft kunnen schenden. niet heeft kunnen schenden.
B.8. Vooraleer artikel 87, § 4, in werking was getreden, waren de B.8. Vooraleer artikel 87, § 4, in werking was getreden, waren de
bepalingen waarvan de opheffing van die inwerkingtreding afhing, nog bepalingen waarvan de opheffing van die inwerkingtreding afhing, nog
steeds van toepassing. Dat is het geval voor artikel 13, § 6, van de steeds van toepassing. Dat is het geval voor artikel 13, § 6, van de
bijzondere wet van 8 augustus 1980 : in de opheffing ervan was bijzondere wet van 8 augustus 1980 : in de opheffing ervan was
voorzien bij artikel 16, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus voorzien bij artikel 16, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus
1988, maar de inwerkingtreding van die opheffingsbepaling was zelf 1988, maar de inwerkingtreding van die opheffingsbepaling was zelf
vastgesteld, bij artikel 18, § 3, van dezelfde bijzondere wet, « op vastgesteld, bij artikel 18, § 3, van dezelfde bijzondere wet, « op
dezelfde datum als het koninklijk besluit » bedoeld in artikel 87, § dezelfde datum als het koninklijk besluit » bedoeld in artikel 87, §
4. 4.
B.9. Op het ogenblik waarop het decreet van 3 juli 1991 is aangenomen, B.9. Op het ogenblik waarop het decreet van 3 juli 1991 is aangenomen,
was artikel 13, § 6, nog van kracht. Het vormt één van de regels was artikel 13, § 6, nog van kracht. Het vormt één van de regels
inzake de verdeling van de bevoegdheden bepaald in artikel 127 van de inzake de verdeling van de bevoegdheden bepaald in artikel 127 van de
Grondwet. Er dient dus te worden nagegaan of artikel 33 van het Grondwet. Er dient dus te worden nagegaan of artikel 33 van het
decreet artikel 13, § 6, van de bijzondere wet niet schendt. decreet artikel 13, § 6, van de bijzondere wet niet schendt.
B.10. Artikel 13, § 6, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 B.10. Artikel 13, § 6, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980
bepaalde : bepaalde :
« Met uitzondering van de vaststelling van het administratief en « Met uitzondering van de vaststelling van het administratief en
geldelijk statuut, worden de bevoegdheden die door de hierboven geldelijk statuut, worden de bevoegdheden die door de hierboven
vermelde wet van 16 maart 1954 worden toegekend aan de Minister tot vermelde wet van 16 maart 1954 worden toegekend aan de Minister tot
wiens bevoegdheid het Openbaar Ambt behoort, uitgeoefend door de wiens bevoegdheid het Openbaar Ambt behoort, uitgeoefend door de
overeenkomstige organen van de Gemeenschap of het Gewest ». overeenkomstige organen van de Gemeenschap of het Gewest ».
B.11. Door de Executieve ertoe te machtigen voor de eerste benoemingen B.11. Door de Executieve ertoe te machtigen voor de eerste benoemingen
regels vast te stellen die afwijken van het statuut van het personeel regels vast te stellen die afwijken van het statuut van het personeel
van het Fonds, heeft de decreetgever niet zelf de aard en de omvang van het Fonds, heeft de decreetgever niet zelf de aard en de omvang
van die afwijkingen gedefinieerd. Indien de Executieve die regels had van die afwijkingen gedefinieerd. Indien de Executieve die regels had
vastgesteld terwijl artikel 13, § 6, nog van kracht was, zou zij de vastgesteld terwijl artikel 13, § 6, nog van kracht was, zou zij de
instemming hebben moeten vragen van de federale Minister van instemming hebben moeten vragen van de federale Minister van
Ambtenarenzaken, die de bevoegdheid die hem bij artikel 11, § 1, van Ambtenarenzaken, die de bevoegdheid die hem bij artikel 11, § 1, van
de wet van 16 maart 1954 is verleend, zou hebben uitgeoefend. Artikel de wet van 16 maart 1954 is verleend, zou hebben uitgeoefend. Artikel
33 van het decreet van 3 juli 1991 had dus noch tot doel noch tot 33 van het decreet van 3 juli 1991 had dus noch tot doel noch tot
gevolg artikel 13, § 6, uit te hollen of de toepassing ervan te gevolg artikel 13, § 6, uit te hollen of de toepassing ervan te
verhinderen. verhinderen.
B.12. Daaruit volgt dat artikel 33 van het decreet van 3 juli 1991, B.12. Daaruit volgt dat artikel 33 van het decreet van 3 juli 1991,
toen het is aangenomen, de in artikel 127 van de Grondwet bedoelde toen het is aangenomen, de in artikel 127 van de Grondwet bedoelde
bevoegdheidsverdelende regels niet schond. bevoegdheidsverdelende regels niet schond.
B.13. Artikel 33 van het decreet zou echter niet in die zin kunnen B.13. Artikel 33 van het decreet zou echter niet in die zin kunnen
worden geïnterpreteerd dat het de Franse Gemeenschapsregering ertoe worden geïnterpreteerd dat het de Franse Gemeenschapsregering ertoe
machtigt de draagwijdte van artikel 87, § 4, na de inwerkingtreding machtigt de draagwijdte van artikel 87, § 4, na de inwerkingtreding
van dat artikel te miskennen. van dat artikel te miskennen.
Sinds die inwerkingtreding moet de bij artikel 33 van het decreet aan Sinds die inwerkingtreding moet de bij artikel 33 van het decreet aan
de Gemeenschapsregering verleende machtiging worden gelezen in het de Gemeenschapsregering verleende machtiging worden gelezen in het
licht van de regels vervat in het koninklijk besluit van 26 september licht van de regels vervat in het koninklijk besluit van 26 september
1994, die van toepassing zijn verklaard op de publiekrechtelijke 1994, die van toepassing zijn verklaard op de publiekrechtelijke
rechtspersonen afhangend van de gemeenschappen. Sinds 7 maart 1992, rechtspersonen afhangend van de gemeenschappen. Sinds 7 maart 1992,
datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 26 september datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 26 september
1994, kan de regering van de aan haar verleende machtiging om van het 1994, kan de regering van de aan haar verleende machtiging om van het
statuut van het personeel voor de eerste benoemingen af te wijken, statuut van het personeel voor de eerste benoemingen af te wijken,
slechts gebruik maken met inachtneming van de algemene principes slechts gebruik maken met inachtneming van de algemene principes
vervat in dat koninklijk besluit. vervat in dat koninklijk besluit.
B.14. Het staat te dezen aan de Raad van State om na te gaan of het B.14. Het staat te dezen aan de Raad van State om na te gaan of het
besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 17 september 1993 besluit van de Franse Gemeenschapsregering van 17 september 1993
verenigbaar is met de in het koninklijk besluit van 26 september 1994 verenigbaar is met de in het koninklijk besluit van 26 september 1994
vervatte algemene principes. Die vraag betreft immers de wettigheid vervatte algemene principes. Die vraag betreft immers de wettigheid
van een administratieve handeling. Zij ontsnapt aan de bevoegdheid van van een administratieve handeling. Zij ontsnapt aan de bevoegdheid van
het Hof. het Hof.
B.15. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden B.15. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden
beantwoord. beantwoord.
Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag
B.16. De Raad van State vraagt verder nog aan het Hof of artikel 33 B.16. De Raad van State vraagt verder nog aan het Hof of artikel 33
van het voormelde decreet van 3 juli 1991 de artikelen 10 en 11 van de van het voormelde decreet van 3 juli 1991 de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet schendt in zoverre die bepaling het mogelijk maakt een Grondwet schendt in zoverre die bepaling het mogelijk maakt een
objectief onderzoek van de kandidaturen via een vergelijkend examen of objectief onderzoek van de kandidaturen via een vergelijkend examen of
een examen te vermijden door afwijkende regels te bepalen. een examen te vermijden door afwijkende regels te bepalen.
B.17. Uit het antwoord op de eerste prejudiciële vraag en meer bepaald B.17. Uit het antwoord op de eerste prejudiciële vraag en meer bepaald
uit B.11 tot B.14 volgt dat artikel 33 van het in het geding zijnde uit B.11 tot B.14 volgt dat artikel 33 van het in het geding zijnde
decreet niet tot doel heeft de Franse Gemeenschapsregering ertoe te decreet niet tot doel heeft de Franse Gemeenschapsregering ertoe te
machtigen afwijkende regels te bepalen die strijdig zouden zijn met machtigen afwijkende regels te bepalen die strijdig zouden zijn met
het koninklijk besluit van 26 september 1994. het koninklijk besluit van 26 september 1994.
B.18. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden B.18. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden
beantwoord. beantwoord.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
Artikel 33 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 juli 1991 Artikel 33 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 3 juli 1991
betreffende de sociale integratie van de gehandicapten en hun betreffende de sociale integratie van de gehandicapten en hun
inschakeling in het arbeidsproces schendt niet de regels die de inschakeling in het arbeidsproces schendt niet de regels die de
bevoegdheid verdelen tussen de federale Staat en de gemeenschappen, bevoegdheid verdelen tussen de federale Staat en de gemeenschappen,
bedoeld in de artikelen 127 van de Grondwet en 87, §§ 2 en 4, van de bedoeld in de artikelen 127 van de Grondwet en 87, §§ 2 en 4, van de
bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen,
gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988. gewijzigd bij de bijzondere wet van 8 augustus 1988.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 5 december 2006. Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 5 december 2006.
De griffier, De griffier,
P.-Y. Dutilleux. P.-Y. Dutilleux.
De voorzitter, De voorzitter,
M. Melchior. M. Melchior.
^