Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 86/2006 van 24 mei 2006 Rolnummer 3757 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 143, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel. Het Ar samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. (...)"
Uittreksel uit arrest nr. 86/2006 van 24 mei 2006 Rolnummer 3757 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 143, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel. Het Ar samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. (...) Uittreksel uit arrest nr. 86/2006 van 24 mei 2006 Rolnummer 3757 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 143, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Nijvel. Het Ar samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Martens, R. Henneuse, M. (...)
ARBITRAGEHOF ARBITRAGEHOF
Uittreksel uit arrest nr. 86/2006 van 24 mei 2006 Uittreksel uit arrest nr. 86/2006 van 24 mei 2006
Rolnummer 3757 Rolnummer 3757
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 143, 2°, van het In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 143, 2°, van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank
van eerste aanleg te Nijvel. van eerste aanleg te Nijvel.
Het Arbitragehof, Het Arbitragehof,
samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters
P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A.
Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels,
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van
voorzitter M. Melchior, voorzitter M. Melchior,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 11 juli 2005 in zake G. Forget en A. Paul tegen de Bij vonnis van 11 juli 2005 in zake G. Forget en A. Paul tegen de
Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof
is ingekomen op 25 juli 2005, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te is ingekomen op 25 juli 2005, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te
Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld : Nijvel de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt de bepaling van artikel 143, 2°, van het Wetboek van de « Schendt de bepaling van artikel 143, 2°, van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat inkomstenbelastingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat
zij, voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen zij, voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen
van een persoon die kan worden aangemerkt als ten laste van een van een persoon die kan worden aangemerkt als ten laste van een
belastingplichtige, uitsluitend het integrale bedrag van de belastingplichtige, uitsluitend het integrale bedrag van de
tegemoetkomingen die ten laste van de Schatkist worden toegekend aan tegemoetkomingen die ten laste van de Schatkist worden toegekend aan
gehandicapten, niet in aanmerking neemt, terwijl de toekenning van die gehandicapten, niet in aanmerking neemt, terwijl de toekenning van die
tegemoetkomingen kan zijn geweigerd wegens de uitbetaling van tegemoetkomingen kan zijn geweigerd wegens de uitbetaling van
wettelijke uitkeringen, zoals die welke door een ziekenfonds wettelijke uitkeringen, zoals die welke door een ziekenfonds
verschuldigd zijn, waarvan het bedrag niet wordt uitgesloten van het verschuldigd zijn, waarvan het bedrag niet wordt uitgesloten van het
bedrag van de nettobestaansmiddelen van de rechthebbende ervan voor de bedrag van de nettobestaansmiddelen van de rechthebbende ervan voor de
toepassing van artikel 136 van het Wetboek van de toepassing van artikel 136 van het Wetboek van de
inkomstenbelastingen, of het bedrag van die tegemoetkomingen in inkomstenbelastingen, of het bedrag van die tegemoetkomingen in
voorkomend geval werd verminderd met dat van die wettelijke voorkomend geval werd verminderd met dat van die wettelijke
uitkeringen, dat hoe dan ook in aanmerking wordt genomen voor het uitkeringen, dat hoe dan ook in aanmerking wordt genomen voor het
vaststellen van de omvang van de bestaansmiddelen van de rechthebbende vaststellen van de omvang van de bestaansmiddelen van de rechthebbende
ervan ? ». ervan ? ».
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
B.1.1. De verwijzende rechter stelt het Hof een prejudiciële vraag B.1.1. De verwijzende rechter stelt het Hof een prejudiciële vraag
over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,
van artikel 143, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. van artikel 143, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
De in het geding zijnde bepaling heeft betrekking op de berekening van De in het geding zijnde bepaling heeft betrekking op de berekening van
de belastingvrije som, die wordt verhoogd op basis van het aantal de belastingvrije som, die wordt verhoogd op basis van het aantal
personen ten laste van de belastingplichtige (artikel 132 van het personen ten laste van de belastingplichtige (artikel 132 van het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992). Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).
Volgens artikel 136 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Volgens artikel 136 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
worden de kinderen van de belastingplichtigen aangemerkt als te hunnen worden de kinderen van de belastingplichtigen aangemerkt als te hunnen
laste mits zij deel uitmaken van hun gezin op 1 januari van het laste mits zij deel uitmaken van hun gezin op 1 januari van het
aanslagjaar en op voorwaarde dat het nettobedrag van hun persoonlijke aanslagjaar en op voorwaarde dat het nettobedrag van hun persoonlijke
bestaansmiddelen in het belastbare tijdperk niet hoger is dan een bestaansmiddelen in het belastbare tijdperk niet hoger is dan een
bepaald grensbedrag. bepaald grensbedrag.
B.1.2. De in het geding zijnde bepaling luidt : B.1.2. De in het geding zijnde bepaling luidt :
« Voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen « Voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen
komen niet in aanmerking : komen niet in aanmerking :
[...] [...]
2° tegemoetkomingen die ten laste van de Schatkist worden toegekend 2° tegemoetkomingen die ten laste van de Schatkist worden toegekend
aan gehandicapten. aan gehandicapten.
[...] ». [...] ».
B.1.3. Luidens de artikelen 1 en 2 van de wet van 27 februari 1987 B.1.3. Luidens de artikelen 1 en 2 van de wet van 27 februari 1987
betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, kunnen betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, kunnen
personen met een handicap drie types van tegemoetkoming krijgen : de personen met een handicap drie types van tegemoetkoming krijgen : de
inkomensvervangende tegemoetkoming, die wordt toegekend aan diegene inkomensvervangende tegemoetkoming, die wordt toegekend aan diegene
die in principe 21 tot 65 jaar oud is, wiens lichamelijke of die in principe 21 tot 65 jaar oud is, wiens lichamelijke of
psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd; de psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd; de
integratietegemoetkoming, die wordt toegekend aan de persoon die in integratietegemoetkoming, die wordt toegekend aan de persoon die in
principe 21 tot 65 jaar oud is, bij wie een gebrek aan of een principe 21 tot 65 jaar oud is, bij wie een gebrek aan of een
vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld; de tegemoetkoming vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld; de tegemoetkoming
voor hulp aan bejaarden, die in de regel wordt toegekend aan de voor hulp aan bejaarden, die in de regel wordt toegekend aan de
gehandicapte die ten minste 65 jaar oud is en bij wie een gebrek aan gehandicapte die ten minste 65 jaar oud is en bij wie een gebrek aan
of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld. of een vermindering van zelfredzaamheid is vastgesteld.
Het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming verschilt naar Het bedrag van de inkomensvervangende tegemoetkoming verschilt naar
gelang van de gezinssituatie van de rechthebbende en was, in het gelang van de gezinssituatie van de rechthebbende en was, in het
geschil voor de verwijzende rechter, ten minste gelijk aan het bedrag geschil voor de verwijzende rechter, ten minste gelijk aan het bedrag
van het bestaansminimum dat in een soortgelijke situatie wordt van het bestaansminimum dat in een soortgelijke situatie wordt
toegekend (artikel 6, § 2). Het bedrag van de integratietegemoetkoming toegekend (artikel 6, § 2). Het bedrag van de integratietegemoetkoming
was een vast bedrag dat varieerde volgens de graad van zelfredzaamheid was een vast bedrag dat varieerde volgens de graad van zelfredzaamheid
van de rechthebbende (artikel 6, § 3). van de rechthebbende (artikel 6, § 3).
B.2.1. Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling B.2.1. Het Hof wordt ondervraagd over het verschil in behandeling
tussen, enerzijds, de belastingplichtige wiens gehandicapt kind tussen, enerzijds, de belastingplichtige wiens gehandicapt kind
tegemoetkomingen geniet die worden toegekend met toepassing van de tegemoetkomingen geniet die worden toegekend met toepassing van de
voormelde wet van 27 februari 1987 en, anderzijds, de voormelde wet van 27 februari 1987 en, anderzijds, de
belastingplichtige wiens gehandicapt kind ziekte- en belastingplichtige wiens gehandicapt kind ziekte- en
invaliditeitsuitkeringen ontvangt wegens een vroegere activiteit als invaliditeitsuitkeringen ontvangt wegens een vroegere activiteit als
zelfstandige. zelfstandige.
Volgens de verwijzende rechter zouden de ziekte- en Volgens de verwijzende rechter zouden de ziekte- en
invaliditeitsuitkeringen niet door de in het geding zijnde bepaling invaliditeitsuitkeringen niet door de in het geding zijnde bepaling
worden beoogd. Zij zouden dus integraal in aanmerking worden genomen worden beoogd. Zij zouden dus integraal in aanmerking worden genomen
bij de berekening van de eigen bestaansmiddelen van de persoon ten bij de berekening van de eigen bestaansmiddelen van de persoon ten
laste, terwijl het bedrag ervan in mindering kan worden gebracht van laste, terwijl het bedrag ervan in mindering kan worden gebracht van
de tegemoetkomingen die met toepassing van de voormelde wet van 27 de tegemoetkomingen die met toepassing van de voormelde wet van 27
februari 1987 worden toegekend aan personen met een handicap. februari 1987 worden toegekend aan personen met een handicap.
Krachtens de artikelen 7 en 13 van die wet, zoals zij van toepassing Krachtens de artikelen 7 en 13 van die wet, zoals zij van toepassing
waren op het geschil voor de verwijzende rechter, werden die waren op het geschil voor de verwijzende rechter, werden die
tegemoetkomingen immers geweigerd of verminderd wanneer de persoon met tegemoetkomingen immers geweigerd of verminderd wanneer de persoon met
een handicap bestaansmiddelen had die hoger waren dan een bepaald een handicap bestaansmiddelen had die hoger waren dan een bepaald
grensbedrag of wanneer hij recht had op andere sociale uitkeringen. grensbedrag of wanneer hij recht had op andere sociale uitkeringen.
Zo werd de inkomensvervangende tegemoetkoming verminderd ten belope Zo werd de inkomensvervangende tegemoetkoming verminderd ten belope
van het integrale bedrag van de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen van het integrale bedrag van de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen
die aan de persoon met een handicap werden gestort. De die aan de persoon met een handicap werden gestort. De
integratietegemoetkoming werd verminderd, onder de door de Koning integratietegemoetkoming werd verminderd, onder de door de Koning
bepaalde voorwaarden, met het bedrag van die ziekte- en bepaalde voorwaarden, met het bedrag van die ziekte- en
invaliditeitsuitkeringen. invaliditeitsuitkeringen.
Daaruit volgt dat de belastingplichtige die een persoon met een Daaruit volgt dat de belastingplichtige die een persoon met een
handicap ten laste heeft, verschillend wordt behandeld naargelang die handicap ten laste heeft, verschillend wordt behandeld naargelang die
persoon al dan niet recht heeft op ziekte- en persoon al dan niet recht heeft op ziekte- en
invaliditeitsuitkeringen. invaliditeitsuitkeringen.
B.2.2. In hun memorie betwisten de eisende partijen voor de B.2.2. In hun memorie betwisten de eisende partijen voor de
verwijzende rechter die interpretatie. Zij zijn van mening dat de verwijzende rechter die interpretatie. Zij zijn van mening dat de
ziekte- en invaliditeitsuitkeringen tegemoetkomingen vormen die ten ziekte- en invaliditeitsuitkeringen tegemoetkomingen vormen die ten
laste van de Schatkist worden toegekend aan personen met een handicap, laste van de Schatkist worden toegekend aan personen met een handicap,
in de betekenis die het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 eraan in de betekenis die het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 eraan
geeft, en zij beschouwen in elk geval als dusdanig de uitkeringen die geeft, en zij beschouwen in elk geval als dusdanig de uitkeringen die
zijn gestort door de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. zijn gestort door de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.
Het Hof onderzoekt in de regel een norm in de interpretatie die de Het Hof onderzoekt in de regel een norm in de interpretatie die de
verwijzende rechter eraan geeft. verwijzende rechter eraan geeft.
B.2.3. Voor het Hof vermogen de partijen evenmin de inhoud van de B.2.3. Voor het Hof vermogen de partijen evenmin de inhoud van de
prejudiciële vragen te wijzigen of te laten wijzigen. Er dient prejudiciële vragen te wijzigen of te laten wijzigen. Er dient
bijgevolg niet te worden ingegaan op het verzoek van de eisende bijgevolg niet te worden ingegaan op het verzoek van de eisende
partijen voor de verwijzende rechter om na te gaan of de in het geding partijen voor de verwijzende rechter om na te gaan of de in het geding
zijnde bepaling een verschil in behandeling doet ontstaan tussen de zijnde bepaling een verschil in behandeling doet ontstaan tussen de
belastingplichtigen naargelang hun kind ziekte- en belastingplichtigen naargelang hun kind ziekte- en
invaliditeitsuitkeringen ontvangt dan wel een bezoldiging ingevolge invaliditeitsuitkeringen ontvangt dan wel een bezoldiging ingevolge
zijn beroepsactiviteit in een beschutte werkplaats. zijn beroepsactiviteit in een beschutte werkplaats.
B.3.1. De in het geding zijnde bepaling gaat terug op artikel 83, 2°, B.3.1. De in het geding zijnde bepaling gaat terug op artikel 83, 2°,
van het op 26 februari 1964 gecoördineerde Wetboek van de van het op 26 februari 1964 gecoördineerde Wetboek van de
inkomstenbelastingen, zoals het werd gewijzigd bij de wet van 5 inkomstenbelastingen, zoals het werd gewijzigd bij de wet van 5
januari 1976 « betreffende de budgettaire voorstellen 1975-1976 », en januari 1976 « betreffende de budgettaire voorstellen 1975-1976 », en
zoals het werd vervangen bij de wet van 22 december 1989 houdende zoals het werd vervangen bij de wet van 22 december 1989 houdende
fiscale bepalingen. fiscale bepalingen.
B.3.2. Zoals het van kracht was vóór die wijzigingen, werd het Wetboek B.3.2. Zoals het van kracht was vóór die wijzigingen, werd het Wetboek
van de inkomstenbelastingen beschouwd als : van de inkomstenbelastingen beschouwd als :
« niet aangepast aan de socio-economische werkelijkheid, wat de « niet aangepast aan de socio-economische werkelijkheid, wat de
begrenzing betreft van de persoonlijke bestaansmiddelen waarboven een begrenzing betreft van de persoonlijke bestaansmiddelen waarboven een
minder-valide fiscaal niet meer als ten laste kan worden beschouwd van minder-valide fiscaal niet meer als ten laste kan worden beschouwd van
de belastingplichtige van wiens gezin hij deel uitmaakt, daar, door de de belastingplichtige van wiens gezin hij deel uitmaakt, daar, door de
verhoging en de binding van de sociale toelagen betaald aan de verhoging en de binding van de sociale toelagen betaald aan de
minder-validen aan de evolutie van het algemeen welzijn, de meeste minder-validen aan de evolutie van het algemeen welzijn, de meeste
minder-validen - en vooral die met de grootste invaliditeit - uit de minder-validen - en vooral die met de grootste invaliditeit - uit de
toepassing van de in hun voordeel genomen fiscale bepaling worden toepassing van de in hun voordeel genomen fiscale bepaling worden
gesloten (het bedrag van de toelagen aan de minder-validen overtreft gesloten (het bedrag van de toelagen aan de minder-validen overtreft
in de meeste gevallen ruim 50 000 F) » (Parl. St., Kamer, 1975-1976, in de meeste gevallen ruim 50 000 F) » (Parl. St., Kamer, 1975-1976,
nr. 680-1, p. 11). nr. 680-1, p. 11).
B.3.3. De tegemoetkomingen die aan personen met een handicap worden B.3.3. De tegemoetkomingen die aan personen met een handicap worden
toegekend, vormen een bijzondere regeling van maatschappelijke toegekend, vormen een bijzondere regeling van maatschappelijke
dienstverlening, die prioritair de bestaanszekerheid van de minst dienstverlening, die prioritair de bestaanszekerheid van de minst
gegoeden moet waarborgen (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 448-1, p. gegoeden moet waarborgen (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 448-1, p.
2). 2).
De wetgever wilde dus vermijden dat personen met een handicap zouden De wetgever wilde dus vermijden dat personen met een handicap zouden
worden uitgesloten van de categorie « personen ten laste », enkel worden uitgesloten van de categorie « personen ten laste », enkel
omdat zij een minimuminkomen, aangepast aan hun behoeften, zouden omdat zij een minimuminkomen, aangepast aan hun behoeften, zouden
ontvangen. ontvangen.
B.4.1. De Ministerraad is van mening dat de in het geding zijnde B.4.1. De Ministerraad is van mening dat de in het geding zijnde
bepaling verantwoord is wegens de verschillende aard van de bepaling verantwoord is wegens de verschillende aard van de
tegemoetkomingen die aan personen met een handicap worden toegekend, tegemoetkomingen die aan personen met een handicap worden toegekend,
en van de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen. en van de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen.
De eerstvermelde zouden ertoe strekken de personen met een handicap de De eerstvermelde zouden ertoe strekken de personen met een handicap de
nodige middelen te geven voor hun integratie, terwijl de ziekte- en nodige middelen te geven voor hun integratie, terwijl de ziekte- en
invaliditeitsuitkeringen zouden worden toegekend om een verlies aan invaliditeitsuitkeringen zouden worden toegekend om een verlies aan
verdienvermogen van de sociaal verzekerde te vergoeden, ongeacht of verdienvermogen van de sociaal verzekerde te vergoeden, ongeacht of
hij een handicap heeft of niet. hij een handicap heeft of niet.
Rekening houdend met het doel van de wetgever, zoals het in B.3.3 is Rekening houdend met het doel van de wetgever, zoals het in B.3.3 is
uiteengezet, is het criterium dat is afgeleid uit de aard van de uiteengezet, is het criterium dat is afgeleid uit de aard van de
bestaansmiddelen van de persoon met een handicap niet pertinent om het bestaansmiddelen van de persoon met een handicap niet pertinent om het
nettobedrag van de bestaansmiddelen te bepalen dat in de in het geding nettobedrag van de bestaansmiddelen te bepalen dat in de in het geding
zijnde bepaling is beoogd. zijnde bepaling is beoogd.
Het heeft immers weinig belang dat de bestaansmiddelen die nodig Het heeft immers weinig belang dat de bestaansmiddelen die nodig
worden geacht voor de integratie van de persoon met een handicap, worden geacht voor de integratie van de persoon met een handicap,
bestaan uit tegemoetkomingen die krachtens de wet van 27 februari 1987 bestaan uit tegemoetkomingen die krachtens de wet van 27 februari 1987
zijn toegekend, of uit enig ander vervangingsinkomen. zijn toegekend, of uit enig ander vervangingsinkomen.
B.4.2. De omstandigheid dat de sociale bijdragen fiscaal aftrekbaar B.4.2. De omstandigheid dat de sociale bijdragen fiscaal aftrekbaar
zijn, verantwoordt evenmin het bekritiseerde verschil in behandeling. zijn, verantwoordt evenmin het bekritiseerde verschil in behandeling.
De tegemoetkomingen aan personen met een handicap worden immers De tegemoetkomingen aan personen met een handicap worden immers
toegekend los van enige voorafgaande bijdrage. toegekend los van enige voorafgaande bijdrage.
B.5.1. De wetgever heeft die tegemoetkomingen alleen willen toekennen B.5.1. De wetgever heeft die tegemoetkomingen alleen willen toekennen
aan de personen met een handicap wier inkomen niet hoger is dan een aan de personen met een handicap wier inkomen niet hoger is dan een
bepaald grensbedrag. bepaald grensbedrag.
Het is dus niet onredelijk dat de aftrek waarin de in het geding Het is dus niet onredelijk dat de aftrek waarin de in het geding
zijnde bepaling voorziet, niet wordt toegestaan aan de persoon met een zijnde bepaling voorziet, niet wordt toegestaan aan de persoon met een
handicap wiens ziekte- en invaliditeitsuitkering hoger is dan het handicap wiens ziekte- en invaliditeitsuitkering hoger is dan het
bedrag van de tegemoetkomingen waarop hij aanspraak had kunnen maken bedrag van de tegemoetkomingen waarop hij aanspraak had kunnen maken
indien hij die uitkering niet had ontvangen. indien hij die uitkering niet had ontvangen.
B.5.2. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling alleen B.5.2. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde bepaling alleen
discriminerend is in zoverre zij niet de ziekte- en discriminerend is in zoverre zij niet de ziekte- en
invaliditeitsuitkeringen aan gehandicapten beoogt die in mindering invaliditeitsuitkeringen aan gehandicapten beoogt die in mindering
komen van de krachtens de wet van 27 februari 1987 toegekende komen van de krachtens de wet van 27 februari 1987 toegekende
tegemoetkomingen, zonder dat het in aanmerking te nemen bedrag hoger tegemoetkomingen, zonder dat het in aanmerking te nemen bedrag hoger
mag zijn dan het bedrag van de tegemoetkomingen toegekend krachtens mag zijn dan het bedrag van de tegemoetkomingen toegekend krachtens
die wet. die wet.
B.6. In die mate dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden B.6. In die mate dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden
beantwoord. beantwoord.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
Artikel 143, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 Artikel 143, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992
schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet de schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het niet de
ziekte- en invaliditeitsuitkeringen aan gehandicapten beoogt die in ziekte- en invaliditeitsuitkeringen aan gehandicapten beoogt die in
mindering komen van de krachtens de wet van 27 februari 1987 mindering komen van de krachtens de wet van 27 februari 1987
toegekende tegemoetkomingen, zonder dat het in aanmerking te nemen toegekende tegemoetkomingen, zonder dat het in aanmerking te nemen
bedrag hoger mag zijn dan het bedrag van de tegemoetkomingen toegekend bedrag hoger mag zijn dan het bedrag van de tegemoetkomingen toegekend
krachtens die wet. krachtens die wet.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 24 mei 2006. Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 24 mei 2006.
De griffier, De griffier,
P.-Y. Dutilleux. P.-Y. Dutilleux.
De voorzitter, De voorzitter,
M. Melchior. M. Melchior.
^