Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 30/2006 van 1 maart 2006 Rolnummer 3713 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 55 en 60, § 1, eerste lid, 3°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuu Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Mart(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 30/2006 van 1 maart 2006 Rolnummer 3713 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 55 en 60, § 1, eerste lid, 3°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuu Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Mart(...) Uittreksel uit arrest nr. 30/2006 van 1 maart 2006 Rolnummer 3713 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 55 en 60, § 1, eerste lid, 3°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuu Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Mart(...)
ARBITRAGEHOF ARBITRAGEHOF
Uittreksel uit arrest nr. 30/2006 van 1 maart 2006 Uittreksel uit arrest nr. 30/2006 van 1 maart 2006
Rolnummer 3713 Rolnummer 3713
In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 55 en 60, § In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 55 en 60, §
1, eerste lid, 3°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1 1, eerste lid, 3°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 1
februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde
personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en betreffende personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs en betreffende
artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het decreet van de Franse artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het decreet van de Franse
Gemeenschap van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van Gemeenschap van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van
de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd
onderwijs, gesteld door het Arbeidshof te Luik. onderwijs, gesteld door het Arbeidshof te Luik.
Het Arbitragehof, Het Arbitragehof,
samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters
P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A. P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. Lavrysen, A.
Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels,
bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van
voorzitter M. Melchior, voorzitter M. Melchior,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij arrest van 9 mei 2005 in zake J.-M. Kevelaer tegen de v.z.w. Les Bij arrest van 9 mei 2005 in zake J.-M. Kevelaer tegen de v.z.w. Les
écoles catholiques de Waremme et environs, waarvan de expeditie ter écoles catholiques de Waremme et environs, waarvan de expeditie ter
griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 2 juni 2005, heeft het griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 2 juni 2005, heeft het
Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : Arbeidshof te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Wordt artikel 24, § 4, van de Grondwet : « Wordt artikel 24, § 4, van de Grondwet :
rekening houdend met de vergelijking tussen : rekening houdend met de vergelijking tussen :
- de artikelen 55 en volgende van het decreet van de Franse - de artikelen 55 en volgende van het decreet van de Franse
Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuut van de Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuut van de
gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs,
- de artikelen 45 en volgende van het decreet van de Franse - de artikelen 45 en volgende van het decreet van de Franse
Gemeenschap van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van Gemeenschap van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van
de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd
onderwijs, onderwijs,
- de artikelen 92 en volgende van het koninklijk besluit van 22 maart - de artikelen 92 en volgende van het koninklijk besluit van 22 maart
1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs-
en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het
paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager,
buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de
Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en
van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op
deze inrichtingen, deze inrichtingen,
geschonden : geschonden :
1) door artikel 55 van het voormelde decreet van 1 februari 1993, in 1) door artikel 55 van het voormelde decreet van 1 februari 1993, in
die zin geïnterpreteerd dat de inrichtende macht, in beginsel, de die zin geïnterpreteerd dat de inrichtende macht, in beginsel, de
mogelijkheid, en niet de verplichting, heeft om over te gaan tot een mogelijkheid, en niet de verplichting, heeft om over te gaan tot een
aanwerving in vaste dienst (of, naar gelang van haar keuze, over te aanwerving in vaste dienst (of, naar gelang van haar keuze, over te
gaan tot een tijdelijke aanwerving) in een vacante betrekking van een gaan tot een tijdelijke aanwerving) in een vacante betrekking van een
bevorderingsambt, zodat de kandidaat die, op het ogenblik van zijn bevorderingsambt, zodat de kandidaat die, op het ogenblik van zijn
aanwerving, voldoet aan alle voorwaarden om in vaste dienst te kunnen aanwerving, voldoet aan alle voorwaarden om in vaste dienst te kunnen
worden aangeworven, enkel tijdelijk kan worden aangeworven, zonder worden aangeworven, enkel tijdelijk kan worden aangeworven, zonder
recht te hebben op een aanwerving in vaste dienst, terwijl : recht te hebben op een aanwerving in vaste dienst, terwijl :
a) krachtens artikel 45 van het voormelde decreet van 6 juni 1994 de a) krachtens artikel 45 van het voormelde decreet van 6 juni 1994 de
inrichtende macht, in beginsel, overgaat tot een benoeming in vaste inrichtende macht, in beginsel, overgaat tot een benoeming in vaste
dienst in een vacante betrekking van een bevorderingsambt, zodat de dienst in een vacante betrekking van een bevorderingsambt, zodat de
kandidaat die, op het ogenblik van zijn benoeming, voldoet aan alle kandidaat die, op het ogenblik van zijn benoeming, voldoet aan alle
voorwaarden om een vaste benoeming te krijgen, een dergelijke voorwaarden om een vaste benoeming te krijgen, een dergelijke
benoeming krijgt, benoeming krijgt,
b) krachtens de artikelen 92 en volgende van het voormelde koninklijk b) krachtens de artikelen 92 en volgende van het voormelde koninklijk
besluit van 22 maart 1969 de personeelsleden van de besluit van 22 maart 1969 de personeelsleden van de
onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap in vaste dienst worden onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap in vaste dienst worden
benoemd in een vacante betrekking van een bevorderingsambt; benoemd in een vacante betrekking van een bevorderingsambt;
2) door artikel 60, § 1, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet van 2) door artikel 60, § 1, eerste lid, 3°, van het voormelde decreet van
1 februari 1993 en door artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het 1 februari 1993 en door artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van het
voormelde decreet van 6 juni 1994, in die zin geïnterpreteerd dat de voormelde decreet van 6 juni 1994, in die zin geïnterpreteerd dat de
inrichtende macht de mogelijkheid heeft om tot een tijdelijke inrichtende macht de mogelijkheid heeft om tot een tijdelijke
aanwerving (of benoeming) in een vacante betrekking van een aanwerving (of benoeming) in een vacante betrekking van een
bevorderingsambt over te gaan en zulks in afwachting van een bevorderingsambt over te gaan en zulks in afwachting van een
aanwerving (of benoeming) in vaste dienst, ofwel van de begunstigde aanwerving (of benoeming) in vaste dienst, ofwel van de begunstigde
zelf van de tijdelijke aanwerving (of benoeming), hoewel hij, op het zelf van de tijdelijke aanwerving (of benoeming), hoewel hij, op het
ogenblik van die aanwerving (of die benoeming) aan alle voorwaarden ogenblik van die aanwerving (of die benoeming) aan alle voorwaarden
voldoet om een aanwerving (of benoeming) in vaste dienst te krijgen, voldoet om een aanwerving (of benoeming) in vaste dienst te krijgen,
ofwel van een andere kandidaat, ofwel van een andere kandidaat,
terwijl krachtens de artikelen 92 en volgende van het voormelde terwijl krachtens de artikelen 92 en volgende van het voormelde
koninklijk besluit van 22 maart 1969 de personeelsleden van de koninklijk besluit van 22 maart 1969 de personeelsleden van de
onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap steeds in vaste dienst onderwijsinrichtingen van de Franse Gemeenschap steeds in vaste dienst
worden benoemd in een vacante betrekking van een bevorderingsambt ? ». worden benoemd in een vacante betrekking van een bevorderingsambt ? ».
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
B.1. De artikelen 55 en 60, § 1, van het decreet van de Franse B.1. De artikelen 55 en 60, § 1, van het decreet van de Franse
Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuut van de Gemeenschap van 1 februari 1993 houdende het statuut van de
gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs
bepalen : bepalen :
«

Art. 55.De inrichtende macht kan in een vacante betrekking van een

«

Art. 55.De inrichtende macht kan in een vacante betrekking van een

bevorderingsambt in vast verband aanwerven, behalve : bevorderingsambt in vast verband aanwerven, behalve :
1° indien ze door de van toepassing zijnde bepalingen op de 1° indien ze door de van toepassing zijnde bepalingen op de
reaffectatie of de wedertewerkstelling verplicht is voor deze reaffectatie of de wedertewerkstelling verplicht is voor deze
betrekking een personeelslid aan te werven dat wegens ontstentenis van betrekking een personeelslid aan te werven dat wegens ontstentenis van
betrekking ter beschikking werd gesteld, of betrekking ter beschikking werd gesteld, of
2° indien ze niet door deze bepalingen gebonden is, maar een 2° indien ze niet door deze bepalingen gebonden is, maar een
personeelslid toch in deze betrekking wordt aangeworven ingevolge een personeelslid toch in deze betrekking wordt aangeworven ingevolge een
mutatie overeenkomstig de in artikel 56 bepaalde voorwaarden ». mutatie overeenkomstig de in artikel 56 bepaalde voorwaarden ».
«

Art. 60.§ 1. Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden

«

Art. 60.§ 1. Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden

: :
1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is; 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;
2° in het in artikel 57 bedoeld geval; 2° in het in artikel 57 bedoeld geval;
3° in afwachting van een aanwerving in vast verband. 3° in afwachting van een aanwerving in vast verband.
In de in lid 1, 3°, bedoelde veronderstelling en uiterlijk twee jaar In de in lid 1, 3°, bedoelde veronderstelling en uiterlijk twee jaar
na zijn aanstelling, wordt het personeelslid in vast verband na zijn aanstelling, wordt het personeelslid in vast verband
aangeworven in het bevorderingsambt indien hij op dat ogenblik aan aangeworven in het bevorderingsambt indien hij op dat ogenblik aan
alle voorwaarden van artikel 59 voldoet en indien de inrichtende macht alle voorwaarden van artikel 59 voldoet en indien de inrichtende macht
hem niet uit dit bevorderingsambt heeft ontslagen volgens de hem niet uit dit bevorderingsambt heeft ontslagen volgens de
bepalingen van Hoofdstuk VIII. bepalingen van Hoofdstuk VIII.
Deze beperking tot twee jaar is niet van toepassing op een betrekking Deze beperking tot twee jaar is niet van toepassing op een betrekking
van een bevorderingsambt in een enige klas van het kleuter-, lager en van een bevorderingsambt in een enige klas van het kleuter-, lager en
basisonderwijs met één enkele betrekking in het lager onderwijs, basisonderwijs met één enkele betrekking in het lager onderwijs,
voorzover geen personeelslid van dezelfde inrichtende macht dat aan voorzover geen personeelslid van dezelfde inrichtende macht dat aan
deze voorwaarden voldoet, zich kandidaat heeft gesteld. deze voorwaarden voldoet, zich kandidaat heeft gesteld.
Tijdens deze wachttijd blijft het personeelslid titularis van de Tijdens deze wachttijd blijft het personeelslid titularis van de
betrekking waarvoor hij in vast verband werd aangeworven ». betrekking waarvoor hij in vast verband werd aangeworven ».
B.2. De artikelen 45 en 50, § 1, van het decreet van de Franse B.2. De artikelen 45 en 50, § 1, van het decreet van de Franse
Gemeenschap van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van Gemeenschap van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van
de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd
onderwijs bepalen : onderwijs bepalen :
«

Art. 45.De inrichtende macht [...] [lees : gaat over tot vaste

«

Art. 45.De inrichtende macht [...] [lees : gaat over tot vaste

benoeming] in een vacante betrekking van een bevorderingsambt [...], benoeming] in een vacante betrekking van een bevorderingsambt [...],
behalve : behalve :
1° indien ze door de van toepassing zijnde bepalingen op de 1° indien ze door de van toepassing zijnde bepalingen op de
reaffectatie en de ontstentenis van betrekking verplicht is voor deze reaffectatie en de ontstentenis van betrekking verplicht is voor deze
betrekking een personeelslid aan te werven dat ter beschikking werd betrekking een personeelslid aan te werven dat ter beschikking werd
gesteld, of gesteld, of
2° indien ze deze betrekking reeds toegewezen heeft door wijziging van 2° indien ze deze betrekking reeds toegewezen heeft door wijziging van
affectatie, overeenkomstig de in artikel 46 bepaalde voorwaarden ». affectatie, overeenkomstig de in artikel 46 bepaalde voorwaarden ».
«

Art. 50.§ 1. Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden

«

Art. 50.§ 1. Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden

: :
1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is; 1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;
2° in het in artikel 47 bedoeld geval; 2° in het in artikel 47 bedoeld geval;
3° in afwachting van een benoeming in vast verband. 3° in afwachting van een benoeming in vast verband.
In die periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking In die periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking
waarin hij vast benoemd is. In het geval bedoeld in lid 1, 3° en waarin hij vast benoemd is. In het geval bedoeld in lid 1, 3° en
uiterlijk tegen het einde van een periode van twee jaar, wordt het uiterlijk tegen het einde van een periode van twee jaar, wordt het
personeelslid in vast verband benoemd in het bevorderingsambt indien personeelslid in vast verband benoemd in het bevorderingsambt indien
hij op dat ogenblik aan alle voorwaarden van artikel 49 voldoet en hij op dat ogenblik aan alle voorwaarden van artikel 49 voldoet en
indien de inrichtende macht hem er niet van ontlast heeft ». indien de inrichtende macht hem er niet van ontlast heeft ».
B.3. De artikelen 92 tot 96 van het koninklijk besluit van 22 maart B.3. De artikelen 92 tot 96 van het koninklijk besluit van 22 maart
1969 « tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- 1969 « tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs-
en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het
paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager,
buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de
Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en
van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op
deze inrichtingen » bepalen : deze inrichtingen » bepalen :
«

Art. 92.Benoeming in een bevorderingsambt kan enkel geschieden

«

Art. 92.Benoeming in een bevorderingsambt kan enkel geschieden

indien de te begeven betrekking vacant is. indien de te begeven betrekking vacant is.
Een vacante betrekking in een bevorderingsambt kan slechts door Een vacante betrekking in een bevorderingsambt kan slechts door
bevordering worden toegewezen indien ze niet door reaffectatie werd bevordering worden toegewezen indien ze niet door reaffectatie werd
toegewezen aan de wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking toegewezen aan de wegens ontstentenis van betrekking ter beschikking
gestelde personeelsleden, die in het bevorderingsambt waartoe de te gestelde personeelsleden, die in het bevorderingsambt waartoe de te
begeven betrekking behoort, vast benoemd zijn. Een vacante betrekking begeven betrekking behoort, vast benoemd zijn. Een vacante betrekking
in een bevorderingsambt kan slechts door bevordering worden toegewezen in een bevorderingsambt kan slechts door bevordering worden toegewezen
indien ze niet door aanstellingsverandering werd toegewezen. indien ze niet door aanstellingsverandering werd toegewezen.
Er kan een einde gemaakt worden aan elke tijdelijke aanstelling in een Er kan een einde gemaakt worden aan elke tijdelijke aanstelling in een
bevorderingsambt ten einde de voorlopige terugroeping in actieve bevorderingsambt ten einde de voorlopige terugroeping in actieve
dienst van een in dit ambt vastbenoemd personeelslid, dat wegens dienst van een in dit ambt vastbenoemd personeelslid, dat wegens
ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld, mogelijk te ontstentenis van betrekking ter beschikking werd gesteld, mogelijk te
maken. maken.

Art. 93.De openstaande betrekking van het toe te kennen

Art. 93.De openstaande betrekking van het toe te kennen

bevorderingsambt wordt meegedeeld aan de personeelsleden middels een bevorderingsambt wordt meegedeeld aan de personeelsleden middels een
bericht in het Belgisch Staatsblad . bericht in het Belgisch Staatsblad .
In dit bericht worden de voorwaarden vermeld waaraan de kandidaten In dit bericht worden de voorwaarden vermeld waaraan de kandidaten
voor het ambt moeten voldoen, alsook de vorm en termijn waarbinnen de voor het ambt moeten voldoen, alsook de vorm en termijn waarbinnen de
kandidaatstellingen dienen te gebeuren. kandidaatstellingen dienen te gebeuren.

Art. 94.§ 1. Elk personeelslid dat vast benoemd is in een

Art. 94.§ 1. Elk personeelslid dat vast benoemd is in een

bevorderingsambt mag op eigen verzoek een aanstellingsverandering in bevorderingsambt mag op eigen verzoek een aanstellingsverandering in
een andere vacante betrekking van zijn ambt bekomen. een andere vacante betrekking van zijn ambt bekomen.
Deze aanstellingsverandering heeft uitwerking op de daaropvolgende 1 Deze aanstellingsverandering heeft uitwerking op de daaropvolgende 1
januari, behalve in het onderwijs voor sociale promotie waar ze januari, behalve in het onderwijs voor sociale promotie waar ze
uitwerking heeft vanaf de daaropvolgende 1 september. uitwerking heeft vanaf de daaropvolgende 1 september.
§ 2. Het personeelslid dat een aanstellingsverandering in een andere § 2. Het personeelslid dat een aanstellingsverandering in een andere
inrichting van dezelfde zone of in een andere zone wenst te bekomen inrichting van dezelfde zone of in een andere zone wenst te bekomen
dient in de loop van de maand oktober of, wat betreft het onderwijs dient in de loop van de maand oktober of, wat betreft het onderwijs
voor sociale promotie, in de loop van de eerste veertien dagen van de voor sociale promotie, in de loop van de eerste veertien dagen van de
maand maart per aangetekende brief een door uitzonderlijke maand maart per aangetekende brief een door uitzonderlijke
omstandigheden gemotiveerde aanvraag in bij de Minister. Binnen omstandigheden gemotiveerde aanvraag in bij de Minister. Binnen
dezelfde termijn stuurt hij een afschrift ervan naar de voorzitter van dezelfde termijn stuurt hij een afschrift ervan naar de voorzitter van
de interzonale aanstellingscommissie. de interzonale aanstellingscommissie.
De Minister verleent de aanstellingsverandering indien bovenvermelde De Minister verleent de aanstellingsverandering indien bovenvermelde
commissie een gunstig advies uitbrengt. commissie een gunstig advies uitbrengt.
§ 3. Behalve in het onderwijs voor sociale promotie, mag een § 3. Behalve in het onderwijs voor sociale promotie, mag een
aanstellingsverandering voorlopig in een niet-vacante betrekking aanstellingsverandering voorlopig in een niet-vacante betrekking
gebeuren indien deze betrekking voor ten minste een schooljaar gebeuren indien deze betrekking voor ten minste een schooljaar
vrijgemaakt wordt. De aanstellingsverandering in een niet-vacante vrijgemaakt wordt. De aanstellingsverandering in een niet-vacante
betrekking gebeurt volgens de in § 2 omschreven voorwaarden. betrekking gebeurt volgens de in § 2 omschreven voorwaarden.
§ 4. Het personeelslid dat op grond van § 3 een § 4. Het personeelslid dat op grond van § 3 een
aanstellingsverandering heeft verkregen, wordt definitief in de aanstellingsverandering heeft verkregen, wordt definitief in de
betrekking aangesteld die hij bezet, op de eerste dag van de maand die betrekking aangesteld die hij bezet, op de eerste dag van de maand die
op de vacature van deze betrekking volgt. op de vacature van deze betrekking volgt.
§ 5. De betrekking waarvan een personeelslid, aangesteld § 5. De betrekking waarvan een personeelslid, aangesteld
overeenkomstig § 3, titularis was, is vacant indien hij na twee overeenkomstig § 3, titularis was, is vacant indien hij na twee
achtereenvolgende schooljaren deze betrekking niet weer opneemt. achtereenvolgende schooljaren deze betrekking niet weer opneemt.
§ 6. Paragraaf 2 is niet van toepassing op het personeel van de § 6. Paragraaf 2 is niet van toepassing op het personeel van de
inspectiedienst. inspectiedienst.

Art. 95.De benoeming in een bevorderingsambt wordt door Ons gedaan.

Art. 95.De benoeming in een bevorderingsambt wordt door Ons gedaan.

Art. 96.Kunnen alleen in een bevorderingsambt benoemd worden de

Art. 96.Kunnen alleen in een bevorderingsambt benoemd worden de

personeelsleden die hun kandidatuur hebben ingediend in de vorm en personeelsleden die hun kandidatuur hebben ingediend in de vorm en
binnen de termijn bepaald in de oproep tot de kandidaten ». binnen de termijn bepaald in de oproep tot de kandidaten ».
Ten aanzien van artikel 55 van het decreet van 1 februari 1993 (eerste Ten aanzien van artikel 55 van het decreet van 1 februari 1993 (eerste
deel van de prejudiciële vraag) deel van de prejudiciële vraag)
B.4. Door, in de interpretatie van de verwijzende rechter, te bepalen B.4. Door, in de interpretatie van de verwijzende rechter, te bepalen
dat de inrichtende macht in het gesubsidieerd vrij onderwijs ervoor dat de inrichtende macht in het gesubsidieerd vrij onderwijs ervoor
kan kiezen om in een vacante betrekking in een bevorderingsambt kan kiezen om in een vacante betrekking in een bevorderingsambt
(zoals, te dezen, een ambt van schooldirecteur) te voorzien bij wege (zoals, te dezen, een ambt van schooldirecteur) te voorzien bij wege
van een aanwerving in vast verband of bij wege van een tijdelijke van een aanwerving in vast verband of bij wege van een tijdelijke
aanwerving, brengt artikel 55 van het decreet van 1 februari 1993 een aanwerving, brengt artikel 55 van het decreet van 1 februari 1993 een
verschil in behandeling teweeg onder de kandidaten voor een dergelijke verschil in behandeling teweeg onder de kandidaten voor een dergelijke
betrekking naargelang die betrekking openstaat in het gesubsidieerd betrekking naargelang die betrekking openstaat in het gesubsidieerd
vrij onderwijs, enerzijds, of in het gesubsidieerd officieel onderwijs vrij onderwijs, enerzijds, of in het gesubsidieerd officieel onderwijs
of het gemeenschapsonderwijs, anderzijds, aangezien de overheid in die of het gemeenschapsonderwijs, anderzijds, aangezien de overheid in die
gevallen niet een dergelijke keuze heeft : de aanwerving gebeurt in gevallen niet een dergelijke keuze heeft : de aanwerving gebeurt in
vast verband, krachtens artikel 45 van het decreet van 6 juni 1994 en vast verband, krachtens artikel 45 van het decreet van 6 juni 1994 en
de artikelen 92 en volgende van het koninklijk besluit van 22 maart de artikelen 92 en volgende van het koninklijk besluit van 22 maart
1969, respectievelijk, en onder de bij die bepalingen vastgestelde 1969, respectievelijk, en onder de bij die bepalingen vastgestelde
voorwaarden. voorwaarden.
Het eerste deel van de prejudiciële vraag heeft betrekking op de Het eerste deel van de prejudiciële vraag heeft betrekking op de
bestaanbaarheid van dat verschil in behandeling met artikel 24, § 4, bestaanbaarheid van dat verschil in behandeling met artikel 24, § 4,
van de Grondwet. van de Grondwet.
In beginsel staat het aan de verwijzende rechter de normen te In beginsel staat het aan de verwijzende rechter de normen te
interpreteren die op het aan hem voorgelegde geschil van toepassing interpreteren die op het aan hem voorgelegde geschil van toepassing
zijn. Het Hof houdt derhalve in zijn antwoord op de prejudiciële zijn. Het Hof houdt derhalve in zijn antwoord op de prejudiciële
vragen met die interpretatie rekening. vragen met die interpretatie rekening.
B.5. Hoewel de gelijke behandeling van onderwijsinstellingen en B.5. Hoewel de gelijke behandeling van onderwijsinstellingen en
personeelsleden het beginsel is, sluit artikel 24, § 4, van de personeelsleden het beginsel is, sluit artikel 24, § 4, van de
Grondwet een verschil in behandeling niet uit op voorwaarde dat het Grondwet een verschil in behandeling niet uit op voorwaarde dat het
gegrond is op « de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht gegrond is op « de eigen karakteristieken van iedere inrichtende macht
». Om ten aanzien van het beginsel van gelijkheid en ». Om ten aanzien van het beginsel van gelijkheid en
niet-discriminatie een verschil in behandeling tussen de niet-discriminatie een verschil in behandeling tussen de
onderwijsinstellingen en tussen de personeelsleden van de onderwijsinstellingen en tussen de personeelsleden van de
onderwijsnetten te verantwoorden, is het evenwel niet voldoende te onderwijsnetten te verantwoorden, is het evenwel niet voldoende te
wijzen op het bestaan van objectieve verschillen tussen die wijzen op het bestaan van objectieve verschillen tussen die
instellingen en personeelsleden. Er moet worden aangetoond dat, ten instellingen en personeelsleden. Er moet worden aangetoond dat, ten
aanzien van de geregelde aangelegenheid, het in het geding zijnde aanzien van de geregelde aangelegenheid, het in het geding zijnde
onderscheid relevant is om een verschil in behandeling in redelijkheid onderscheid relevant is om een verschil in behandeling in redelijkheid
te verantwoorden. Bovendien kan het gelijkheidsbeginsel inzake te verantwoorden. Bovendien kan het gelijkheidsbeginsel inzake
onderwijs niet los worden gezien van de andere in artikel 24 van de onderwijs niet los worden gezien van de andere in artikel 24 van de
Grondwet vervatte waarborgen, inzonderheid de vrijheid van onderwijs. Grondwet vervatte waarborgen, inzonderheid de vrijheid van onderwijs.
B.6. Te dezen blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de B.6. Te dezen blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de
decreten van 1 februari 1993 en 6 juni 1994 dat de decreetgever voor decreten van 1 februari 1993 en 6 juni 1994 dat de decreetgever voor
de twee onderwijsnetten heeft willen voorzien in bepalingen tot de twee onderwijsnetten heeft willen voorzien in bepalingen tot
vaststelling van de rechtssituatie van het personeel die voor de beide vaststelling van de rechtssituatie van het personeel die voor de beide
netten zo dicht mogelijk bij elkaar zouden liggen en ook zo dicht netten zo dicht mogelijk bij elkaar zouden liggen en ook zo dicht
mogelijk bij die welke van toepassing zijn in het mogelijk bij die welke van toepassing zijn in het
gemeenschapsonderwijs (Parl. St., Franse Gemeenschapsraad, 1992, nr. gemeenschapsonderwijs (Parl. St., Franse Gemeenschapsraad, 1992, nr.
61/1, p. 3; ibid., 1993-1994, nr. 156/1, p. 2, en nr. 156/2, p. 1), 61/1, p. 3; ibid., 1993-1994, nr. 156/1, p. 2, en nr. 156/2, p. 1),
daarbij rekening houdend met het feit, zoals de Raad van State daarbij rekening houdend met het feit, zoals de Raad van State
opmerkte in zijn advies voorafgaand aan het decreet van 1 februari opmerkte in zijn advies voorafgaand aan het decreet van 1 februari
1993, dat er, wanneer men het vrij onderwijs vergelijkt met het 1993, dat er, wanneer men het vrij onderwijs vergelijkt met het
officieel onderwijs, « een fundamenteel verschil [bestaat] tussen een officieel onderwijs, « een fundamenteel verschil [bestaat] tussen een
situatie van administratief recht en een privaatrechtelijke situatie van administratief recht en een privaatrechtelijke
arbeidsrelatie » (Parl. St., Franse Gemeenschapsraad, 1992, nr. 61/1, arbeidsrelatie » (Parl. St., Franse Gemeenschapsraad, 1992, nr. 61/1,
p. 60). p. 60).
B.7. Het verschil in formulering tussen artikel 55 van het decreet van B.7. Het verschil in formulering tussen artikel 55 van het decreet van
1 februari 1993 (« De inrichtende macht kan [...] in vast verband 1 februari 1993 (« De inrichtende macht kan [...] in vast verband
aanwerven [...] ») en artikel 45 van het decreet van 6 juni 1994 (« De aanwerven [...] ») en artikel 45 van het decreet van 6 juni 1994 (« De
inrichtende macht [gaat over tot vaste benoeming] [...] »), waarop de inrichtende macht [gaat over tot vaste benoeming] [...] »), waarop de
verwijzende rechter het in het geding zijnde verschil in behandeling verwijzende rechter het in het geding zijnde verschil in behandeling
grondt, volgens hetwelk enkel in het vrij onderwijs de inrichtende grondt, volgens hetwelk enkel in het vrij onderwijs de inrichtende
macht de mogelijkheid heeft een kandidaat tijdelijk aan te werven in macht de mogelijkheid heeft een kandidaat tijdelijk aan te werven in
een bevorderingsambt, is tijdens de parlementaire voorbereiding van de een bevorderingsambt, is tijdens de parlementaire voorbereiding van de
in het geding zijnde normen niet opgeworpen. Bij het onderzoek van in het geding zijnde normen niet opgeworpen. Bij het onderzoek van
artikel 40 van het decreet van 1 februari 1993 (thans opgeheven bij artikel 40 van het decreet van 1 februari 1993 (thans opgeheven bij
het decreet van 19 december 2002), dat in een analoge regel voorzag het decreet van 19 december 2002), dat in een analoge regel voorzag
inzake wervingsambten, werd de vraag gesteld « of aan de inrichtende inzake wervingsambten, werd de vraag gesteld « of aan de inrichtende
macht de mogelijkheid is gelaten om in een vacante betrekking van een macht de mogelijkheid is gelaten om in een vacante betrekking van een
wervingsambt in vast verband aan te werven » (Parl. St., Franse wervingsambt in vast verband aan te werven » (Parl. St., Franse
Gemeenschapsraad, 1992, nr. 61/2, p. 24). De minister gaf de volgende Gemeenschapsraad, 1992, nr. 61/2, p. 24). De minister gaf de volgende
precisering : precisering :
« [...] wanneer een betrekking vacant is, kan de inrichtende macht, « [...] wanneer een betrekking vacant is, kan de inrichtende macht,
net zoals de minister zelf, in die betrekking een lid in vast verband net zoals de minister zelf, in die betrekking een lid in vast verband
aanwijzen. Met andere woorden, in dat artikel worden de voorwaarden aanwijzen. Met andere woorden, in dat artikel worden de voorwaarden
vastgesteld waaronder een inrichtende macht een betrekking in vast vastgesteld waaronder een inrichtende macht een betrekking in vast
verband kan toewijzen, zonder dat de duur wordt geregeld waarbinnen verband kan toewijzen, zonder dat de duur wordt geregeld waarbinnen
dat ambt werkelijk moet worden toegekend. Wanneer niet aan de criteria dat ambt werkelijk moet worden toegekend. Wanneer niet aan de criteria
van de artikelen 40 en 41 wordt voldaan, zal artikel 43 worden van de artikelen 40 en 41 wordt voldaan, zal artikel 43 worden
toegepast » (ibid., p. 25). toegepast » (ibid., p. 25).
Met betrekking tot het gesubsidieerd officieel onderwijs bepaalde Met betrekking tot het gesubsidieerd officieel onderwijs bepaalde
artikel 46 van het voorontwerp van decreet dat voor advies aan de Raad artikel 46 van het voorontwerp van decreet dat voor advies aan de Raad
van State was voorgelegd (en dat het in het geding zijnde artikel 45 van State was voorgelegd (en dat het in het geding zijnde artikel 45
is geworden), het volgende : is geworden), het volgende :
« Een inrichtende macht kan bij wege van benoeming in vast verband een « Een inrichtende macht kan bij wege van benoeming in vast verband een
vacante betrekking van een bevorderingsambt slechts toewijzen op vacante betrekking van een bevorderingsambt slechts toewijzen op
voorwaarde : voorwaarde :
1° dat zij, overeenkomstig de terzake van kracht zijnde bepalingen, 1° dat zij, overeenkomstig de terzake van kracht zijnde bepalingen,
niet ertoe gehouden is die betrekking door reaffectatie of niet ertoe gehouden is die betrekking door reaffectatie of
wedertewerkstelling toe te kennen aan een personeelslid dat in wedertewerkstelling toe te kennen aan een personeelslid dat in
disponibiliteit werd gesteld bij ontstentenis van betrekking; disponibiliteit werd gesteld bij ontstentenis van betrekking;
2° dat de betrekking niet reeds is toegewezen door wijziging van 2° dat de betrekking niet reeds is toegewezen door wijziging van
affectatie aan een personeelslid dat beantwoordt aan de in artikel 47 affectatie aan een personeelslid dat beantwoordt aan de in artikel 47
voorgeschreven voorwaarden » (Parl. St., Franse Gemeenschapsraad, voorgeschreven voorwaarden » (Parl. St., Franse Gemeenschapsraad,
1993-1994, nr. 156/1, p. 47). 1993-1994, nr. 156/1, p. 47).
Een identieke formulering werd gebruikt met betrekking tot artikel 26 Een identieke formulering werd gebruikt met betrekking tot artikel 26
(wervingsambten) en artikel 38 (selectieambten) (ibid., pp. 44 en 46). (wervingsambten) en artikel 38 (selectieambten) (ibid., pp. 44 en 46).
De Raad van State stelde een andere formulering voor met betrekking De Raad van State stelde een andere formulering voor met betrekking
tot de wervingsambten en deed het volgende opmerken : tot de wervingsambten en deed het volgende opmerken :
«

Art. 26.1. In tegenstelling met wat is voorgeschreven voor de

«

Art. 26.1. In tegenstelling met wat is voorgeschreven voor de

benoeming in een vacante betrekking van een bevorderingsambt, vermeldt benoeming in een vacante betrekking van een bevorderingsambt, vermeldt
1° niet de wedertewerkstelling als een van de procedures die moeten 1° niet de wedertewerkstelling als een van de procedures die moeten
worden uitgeput alvorens te voorzien in een vacante betrekking van een worden uitgeput alvorens te voorzien in een vacante betrekking van een
wervingsambt bij wege van een benoeming in vast verband; die weglating wervingsambt bij wege van een benoeming in vast verband; die weglating
moet worden hersteld of, indien zij gewild is, dient zij in de memorie moet worden hersteld of, indien zij gewild is, dient zij in de memorie
van toelichting behoorlijk te worden verantwoord. van toelichting behoorlijk te worden verantwoord.
2. In 1° hebben de woorden ' overeenkomstig de terzake van kracht 2. In 1° hebben de woorden ' overeenkomstig de terzake van kracht
zijnde bepalingen ' geen zin en moeten zij worden weggelaten. zijnde bepalingen ' geen zin en moeten zij worden weggelaten.
3. Teneinde inzake de externe mobiliteit de transponering van de regel 3. Teneinde inzake de externe mobiliteit de transponering van de regel
die is ingeschreven in artikel 40, 2°, van het decreet van 1 februari die is ingeschreven in artikel 40, 2°, van het decreet van 1 februari
1993 naar het gesubsidieerd officieel onderwijs te verzekeren, dienen 1993 naar het gesubsidieerd officieel onderwijs te verzekeren, dienen
de woorden ' door wijziging van affectatie ', vermeld in 2°, te worden de woorden ' door wijziging van affectatie ', vermeld in 2°, te worden
vervangen door de woorden ' door mutatie of door wijziging van vervangen door de woorden ' door mutatie of door wijziging van
affectatie '. affectatie '.
Onder voorbehoud van aanpassing aan de opmerkingen 1 tot 3, wordt de Onder voorbehoud van aanpassing aan de opmerkingen 1 tot 3, wordt de
volgende tekst voorgesteld : volgende tekst voorgesteld :
'

Art. 26.De inrichtende macht kan in vast verband benoemen in een

'

Art. 26.De inrichtende macht kan in vast verband benoemen in een

vacante betrekking van een wervingsambt, behoudens : vacante betrekking van een wervingsambt, behoudens :
1° indien zij verplicht is ... toe te wijzen; 1° indien zij verplicht is ... toe te wijzen;
2° indien de betrekking niet reeds door mutatie is toegewezen ... ' » 2° indien de betrekking niet reeds door mutatie is toegewezen ... ' »
(ibid., p. 60). (ibid., p. 60).
Via verwijzing werd dezelfde opmerking gemaakt voor de artikelen 38 en Via verwijzing werd dezelfde opmerking gemaakt voor de artikelen 38 en
46 (ibid., pp. 64 en 65). De tekst van het ontwerp dat aan de Franse 46 (ibid., pp. 64 en 65). De tekst van het ontwerp dat aan de Franse
Gemeenschapsraad werd voorgelegd, was evenwel niet die welke door de Gemeenschapsraad werd voorgelegd, was evenwel niet die welke door de
Raad van State werd voorgesteld, maar een anders geformuleerde tekst, Raad van State werd voorgesteld, maar een anders geformuleerde tekst,
die artikel 5 van het decreet van 6 juni 1994 werd (ibid., p. 28). De die artikel 5 van het decreet van 6 juni 1994 werd (ibid., p. 28). De
reden waarom de Regering afweek van de tekst die door de Raad van reden waarom de Regering afweek van de tekst die door de Raad van
State was voorgesteld, werd niet in de memorie van toelichting vermeld State was voorgesteld, werd niet in de memorie van toelichting vermeld
en evenmin in het verslag van de Commissie voor onderwijs, vorming en en evenmin in het verslag van de Commissie voor onderwijs, vorming en
onderzoek. onderzoek.
B.8.1. Rekening houdend met het gelijkheidsvereiste dat in artikel 24, B.8.1. Rekening houdend met het gelijkheidsvereiste dat in artikel 24,
§ 4, van de Grondwet is ingeschreven, zou de omstandigheid dat de band § 4, van de Grondwet is ingeschreven, zou de omstandigheid dat de band
met de leerkracht van contractuele aard zou zijn in het vrij onderwijs met de leerkracht van contractuele aard zou zijn in het vrij onderwijs
en van statutaire aard in het gesubsidieerd officieel onderwijs en het en van statutaire aard in het gesubsidieerd officieel onderwijs en het
gemeenschapsonderwijs, bij ontstentenis van een andere verantwoording, gemeenschapsonderwijs, bij ontstentenis van een andere verantwoording,
niet voldoende zijn om het in het geding zijnde verschil in niet voldoende zijn om het in het geding zijnde verschil in
behandeling toelaatbaar te maken, zelfs al kan, krachtens artikel 97, behandeling toelaatbaar te maken, zelfs al kan, krachtens artikel 97,
eerste lid, 8°, van het koninklijk besluit van 22 maart 1969, niemand eerste lid, 8°, van het koninklijk besluit van 22 maart 1969, niemand
worden benoemd in een bevorderingsambt van de categorie bestuurs- en worden benoemd in een bevorderingsambt van de categorie bestuurs- en
onderwijzend personeel, indien hij geen houder is van het onderwijzend personeel, indien hij geen houder is van het
bevorderingsbrevet dat overeenstemt met het te begeven ambt en zelfs bevorderingsbrevet dat overeenstemt met het te begeven ambt en zelfs
al moet, krachtens artikel 49, 5°, van het decreet van 6 juni 1994, de al moet, krachtens artikel 49, 5°, van het decreet van 6 juni 1994, de
kandidaat voor een bevorderingsambt in het gesubsidieerd officieel kandidaat voor een bevorderingsambt in het gesubsidieerd officieel
onderwijs een specifieke opleiding hebben gevolgd. onderwijs een specifieke opleiding hebben gevolgd.
B.8.2. Het Hof stelt evenwel vast dat aan de in het geding zijnde B.8.2. Het Hof stelt evenwel vast dat aan de in het geding zijnde
bepalingen een andere interpretatie kan worden gegeven dan die welke bepalingen een andere interpretatie kan worden gegeven dan die welke
de verwijzende rechter eraan geeft. Uit de parlementaire voorbereiding de verwijzende rechter eraan geeft. Uit de parlementaire voorbereiding
van de decreten blijkt immers dat de decreetgever in de beide gevallen van de decreten blijkt immers dat de decreetgever in de beide gevallen
de vacante betrekkingen bij voorrang heeft willen toewijzen aan de de vacante betrekkingen bij voorrang heeft willen toewijzen aan de
leerkrachten voor wie reaffectatiemaatregelen gelden of die in leerkrachten voor wie reaffectatiemaatregelen gelden of die in
disponibiliteit zijn gesteld bij ontstentenis van betrekking, ongeacht disponibiliteit zijn gesteld bij ontstentenis van betrekking, ongeacht
of het gaat om wervings-, selectie- of bevorderingsambten (Parl. St., of het gaat om wervings-, selectie- of bevorderingsambten (Parl. St.,
Franse Gemeenschapsraad, 1992, nr. 61/1, pp. 11, 13 en 54, en nr. Franse Gemeenschapsraad, 1992, nr. 61/1, pp. 11, 13 en 54, en nr.
61/2, p. 23; ibid., 1993-1994, nr. 156/1, pp. 9, 11 en 13, en nr. 61/2, p. 23; ibid., 1993-1994, nr. 156/1, pp. 9, 11 en 13, en nr.
156/2, p. 20). In het verslag dat aan het decreet van 6 juni 1994 156/2, p. 20). In het verslag dat aan het decreet van 6 juni 1994
voorafgaat, is het volgende vermeld : voorafgaat, is het volgende vermeld :
« Dat artikel preciseert dat een inrichtende macht slechts tot een « Dat artikel preciseert dat een inrichtende macht slechts tot een
benoeming in vast verband kan overgaan na te hebben voldaan aan haar benoeming in vast verband kan overgaan na te hebben voldaan aan haar
verplichtingen inzake reaffectatie. Alvorens te benoemen heeft de verplichtingen inzake reaffectatie. Alvorens te benoemen heeft de
inrichtende macht ook de mogelijkheid om een wijziging van affectatie inrichtende macht ook de mogelijkheid om een wijziging van affectatie
toe te kennen aan een van haar personeelsleden die in vast verband is toe te kennen aan een van haar personeelsleden die in vast verband is
benoemd, of een mutatie toe te kennen aan een personeelslid dat onder benoemd, of een mutatie toe te kennen aan een personeelslid dat onder
een andere inrichtende macht ressorteerde. een andere inrichtende macht ressorteerde.
Aldus [...] is de inrichtende macht werkelijk verplicht in de eerste Aldus [...] is de inrichtende macht werkelijk verplicht in de eerste
plaats haar personeelsleden te reaffecteren, alvorens tot een plaats haar personeelsleden te reaffecteren, alvorens tot een
benoeming in vast verband over te gaan. Zij heeft ook de mogelijkheid benoeming in vast verband over te gaan. Zij heeft ook de mogelijkheid
om een wijziging van affectatie door te voeren. om een wijziging van affectatie door te voeren.
Indien men vergelijkt met andere statuten, stelt men in dat verband Indien men vergelijkt met andere statuten, stelt men in dat verband
vast dat een dergelijke bepaling ook bestaat in het personeelsstatuut vast dat een dergelijke bepaling ook bestaat in het personeelsstatuut
van het gesubsidieerd vrij onderwijs, waar men in dat opzicht spreekt van het gesubsidieerd vrij onderwijs, waar men in dat opzicht spreekt
van ' interne mutatie ' (namelijk een interne wijziging van affectatie van ' interne mutatie ' (namelijk een interne wijziging van affectatie
binnen eenzelfde inrichtende macht) » (ibid., p. 20). binnen eenzelfde inrichtende macht) » (ibid., p. 20).
B.8.3. Die overwegingen, die aan beide decreten gemeenschappelijk B.8.3. Die overwegingen, die aan beide decreten gemeenschappelijk
zijn, wijzen erop dat die bepalingen - en met name artikel 55 van het zijn, wijzen erop dat die bepalingen - en met name artikel 55 van het
decreet van 1 februari 1993 en artikel 45 van het decreet van 6 juni decreet van 1 februari 1993 en artikel 45 van het decreet van 6 juni
1994, die hier in het geding zijn - niet tot doel hebben te bepalen 1994, die hier in het geding zijn - niet tot doel hebben te bepalen
dat de benoeming of de aanwerving van de leerkracht al dan niet in dat de benoeming of de aanwerving van de leerkracht al dan niet in
vast verband moet gebeuren, maar de inrichtende macht die aanwerft of vast verband moet gebeuren, maar de inrichtende macht die aanwerft of
benoemt te verplichten, alvorens te beslissen, de situatie in benoemt te verplichten, alvorens te beslissen, de situatie in
aanmerking te nemen van de leerkrachten op wie die bepalingen van aanmerking te nemen van de leerkrachten op wie die bepalingen van
toepassing zijn. De formuleringen, waarnaar in B.7 wordt verwezen, van toepassing zijn. De formuleringen, waarnaar in B.7 wordt verwezen, van
zowel het voorontwerp van decreet betreffende het gesubsidieerd zowel het voorontwerp van decreet betreffende het gesubsidieerd
officieel onderwijs (« een inrichtende macht kan bij wege van officieel onderwijs (« een inrichtende macht kan bij wege van
benoeming in vast verband [...] slechts toewijzen op voorwaarde dat benoeming in vast verband [...] slechts toewijzen op voorwaarde dat
[...] ») als van de door de Raad van State op 20 december 1993 [...] ») als van de door de Raad van State op 20 december 1993
voorgestelde tekst (« de inrichtende macht kan in vast verband voorgestelde tekst (« de inrichtende macht kan in vast verband
benoemen [...] behoudens [...] ») en de identieke formulering in het benoemen [...] behoudens [...] ») en de identieke formulering in het
decreet van 1 februari 1993 wijzen op eenzelfde opvatting, die niet decreet van 1 februari 1993 wijzen op eenzelfde opvatting, die niet
alleen wordt bevestigd in de parlementaire voorbereiding maar ook in alleen wordt bevestigd in de parlementaire voorbereiding maar ook in
de vergelijkende tabel van de drie onderwijsstelsels die is opgemaakt de vergelijkende tabel van de drie onderwijsstelsels die is opgemaakt
naar aanleiding van het verslag dat aan het decreet van 6 juni 1994 naar aanleiding van het verslag dat aan het decreet van 6 juni 1994
voorafgaat (Parl. St., Franse Gemeenschapsraad, 1993-1994, nr. 156/2, voorafgaat (Parl. St., Franse Gemeenschapsraad, 1993-1994, nr. 156/2,
pp. 74 en 75). pp. 74 en 75).
B.8.4. Wat het decreet van 6 juni 1994 betreft, volgt uit het gebruik B.8.4. Wat het decreet van 6 juni 1994 betreft, volgt uit het gebruik
van de woorden « De inrichtende macht [gaat over tot vaste benoeming] van de woorden « De inrichtende macht [gaat over tot vaste benoeming]
[...] » niet dat die inrichtende macht verplicht zou zijn over te gaan [...] » niet dat die inrichtende macht verplicht zou zijn over te gaan
tot een benoeming in vast verband zodra de in artikel 45 van het tot een benoeming in vast verband zodra de in artikel 45 van het
decreet van 6 juni 1994 bepaalde voorwaarden zijn vervuld - uit decreet van 6 juni 1994 bepaalde voorwaarden zijn vervuld - uit
artikel 52 van het decreet blijkt trouwens niet dat de benoeming die artikel 52 van het decreet blijkt trouwens niet dat de benoeming die
het beoogt, een benoeming in vast verband is - maar dat zij daartoe het beoogt, een benoeming in vast verband is - maar dat zij daartoe
slechts kan overgaan wanneer die voorwaarden vervuld zijn; in de slechts kan overgaan wanneer die voorwaarden vervuld zijn; in de
artikelen 92 en 96 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 worden artikelen 92 en 96 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 worden
verschillende bewoordingen gebruikt en daaruit blijkt evenmin dat de verschillende bewoordingen gebruikt en daaruit blijkt evenmin dat de
overheid verplicht zou zijn over te gaan tot een benoeming in vast overheid verplicht zou zijn over te gaan tot een benoeming in vast
verband; daaruit volgt dat het in het eerste deel van de prejudiciële verband; daaruit volgt dat het in het eerste deel van de prejudiciële
vraag opgeworpen verschil in behandeling niet bestaat. vraag opgeworpen verschil in behandeling niet bestaat.
B.9. In die interpretatie dient het eerste deel van de prejudiciële B.9. In die interpretatie dient het eerste deel van de prejudiciële
vraag ontkennend te worden beantwoord. vraag ontkennend te worden beantwoord.
Ten aanzien van artikel 60, § 1, van het decreet van 1 februari 1993 Ten aanzien van artikel 60, § 1, van het decreet van 1 februari 1993
(tweede deel van de prejudiciële vraag) (tweede deel van de prejudiciële vraag)
B.10. Door, in de interpretatie van de verwijzende rechter, te bepalen B.10. Door, in de interpretatie van de verwijzende rechter, te bepalen
dat de inrichtende macht in het gesubsidieerd vrij onderwijs (zoals in dat de inrichtende macht in het gesubsidieerd vrij onderwijs (zoals in
het gesubsidieerd officieel onderwijs) kan voorzien in een vacante het gesubsidieerd officieel onderwijs) kan voorzien in een vacante
betrekking in een bevorderingsambt door een voorlopige aanwerving (of betrekking in een bevorderingsambt door een voorlopige aanwerving (of
benoeming) in afwachting van een aanwerving (of een benoeming) in vast benoeming) in afwachting van een aanwerving (of een benoeming) in vast
verband van de aangewezen persoon of van een andere kandidaat (die, verband van de aangewezen persoon of van een andere kandidaat (die,
bijvoorbeeld, nog niet de vereiste anciënniteit zou hebben), brengt bijvoorbeeld, nog niet de vereiste anciënniteit zou hebben), brengt
artikel 60, § 1, van het decreet van 1 februari 1993 een verschil in artikel 60, § 1, van het decreet van 1 februari 1993 een verschil in
behandeling teweeg onder de kandidaten voor een dergelijke betrekking behandeling teweeg onder de kandidaten voor een dergelijke betrekking
naargelang die betrekking openstaat in het gesubsidieerd (vrij of naargelang die betrekking openstaat in het gesubsidieerd (vrij of
officieel) onderwijs of het gemeenschapsonderwijs, aangezien, in het officieel) onderwijs of het gemeenschapsonderwijs, aangezien, in het
tweede geval, de aanwerving in vast verband gebeurt krachtens de tweede geval, de aanwerving in vast verband gebeurt krachtens de
artikelen 92 en volgende van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 artikelen 92 en volgende van het koninklijk besluit van 22 maart 1969
en volgens de voorwaarden die in die bepalingen zijn vastgesteld. en volgens de voorwaarden die in die bepalingen zijn vastgesteld.
B.11. Het Hof onderzoekt het tweede deel van de vraag slechts in B.11. Het Hof onderzoekt het tweede deel van de vraag slechts in
zoverre het betrekking heeft op artikel 60, § 1, van het decreet van 1 zoverre het betrekking heeft op artikel 60, § 1, van het decreet van 1
februari 1993 en niet op artikel 50, § 1, van het decreet van 6 juni februari 1993 en niet op artikel 50, § 1, van het decreet van 6 juni
1994, aangezien dat laatstgenoemde decreet, dat van toepassing is op 1994, aangezien dat laatstgenoemde decreet, dat van toepassing is op
het gesubsidieerd personeel van het gesubsidieerd officieel onderwijs, het gesubsidieerd personeel van het gesubsidieerd officieel onderwijs,
geen deel uitmaakt van de bepalingen die van toepassing zijn op het geen deel uitmaakt van de bepalingen die van toepassing zijn op het
geschil dat voor de verwijzende rechter aanhangig is; een antwoord van geschil dat voor de verwijzende rechter aanhangig is; een antwoord van
het Hof in dat verband kan dus niet tot de oplossing van dat geschil het Hof in dat verband kan dus niet tot de oplossing van dat geschil
bijdragen. bijdragen.
B.12. Rekening houdend met het gelijkheidsvereiste dat is B.12. Rekening houdend met het gelijkheidsvereiste dat is
voorgeschreven bij artikel 24, § 4, van de Grondwet, is de voorgeschreven bij artikel 24, § 4, van de Grondwet, is de
omstandigheid dat de leerkracht van de Gemeenschap of van een omstandigheid dat de leerkracht van de Gemeenschap of van een
gesubsidieerde (vrije of officiële) inrichtende macht zou afhangen, gesubsidieerde (vrije of officiële) inrichtende macht zou afhangen,
niet voldoende om bij ontstentenis van een andere verantwoording het niet voldoende om bij ontstentenis van een andere verantwoording het
in het geding zijnde verschil in behandeling toelaatbaar te maken. in het geding zijnde verschil in behandeling toelaatbaar te maken.
B.13. Het Hof stelt evenwel vast dat aan de artikelen 92 en volgende B.13. Het Hof stelt evenwel vast dat aan de artikelen 92 en volgende
van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 een andere interpretatie van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 een andere interpretatie
kan worden gegeven dan die welke de feitenrechter eraan geeft, kan worden gegeven dan die welke de feitenrechter eraan geeft,
aangezien uit die bepalingen niet blijkt dat de overheid verplicht zou aangezien uit die bepalingen niet blijkt dat de overheid verplicht zou
zijn over te gaan tot een benoeming in vast verband. Het is weliswaar zijn over te gaan tot een benoeming in vast verband. Het is weliswaar
juist dat dat besluit geen bepaling bevat die analoog is met artikel juist dat dat besluit geen bepaling bevat die analoog is met artikel
60 van het decreet van 1 februari 1993 en met artikel 50 van het 60 van het decreet van 1 februari 1993 en met artikel 50 van het
decreet van 6 juni 1994. Artikel 92, derde lid, van het koninklijk decreet van 6 juni 1994. Artikel 92, derde lid, van het koninklijk
besluit van 22 maart 1969 beoogt evenwel de mogelijkheid van een besluit van 22 maart 1969 beoogt evenwel de mogelijkheid van een
tijdelijke aanwijzing. Bovendien blijkt uit de tabel die is opgesteld tijdelijke aanwijzing. Bovendien blijkt uit de tabel die is opgesteld
naar aanleiding van het verslag dat voorafgaat aan het decreet van 6 naar aanleiding van het verslag dat voorafgaat aan het decreet van 6
juni 1994 (Parl. St., Franse Gemeenschapsraad, 1993-1994, nr. 156/2, juni 1994 (Parl. St., Franse Gemeenschapsraad, 1993-1994, nr. 156/2,
p. 76) dat de bevoegde minister bevorderingsambten tijdelijk toewijst. p. 76) dat de bevoegde minister bevorderingsambten tijdelijk toewijst.
In die interpretatie is het in het tweede deel van de prejudiciële In die interpretatie is het in het tweede deel van de prejudiciële
vraag opgeworpen verschil in behandeling onbestaande. vraag opgeworpen verschil in behandeling onbestaande.
B.14. In die interpretatie dient het tweede deel van de prejudiciële B.14. In die interpretatie dient het tweede deel van de prejudiciële
vraag ontkennend te worden beantwoord. vraag ontkennend te worden beantwoord.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
1. - In de interpretatie volgens welke artikel 55 van het decreet van 1. - In de interpretatie volgens welke artikel 55 van het decreet van
de Franse Gemeenschap van 1 februari 1993 « houdende het statuut van de Franse Gemeenschap van 1 februari 1993 « houdende het statuut van
de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs
» de inrichtende macht toestaat ervoor te kiezen in een vacante » de inrichtende macht toestaat ervoor te kiezen in een vacante
betrekking in een bevorderingsambt te voorzien bij wege van een betrekking in een bevorderingsambt te voorzien bij wege van een
aanwerving in vast verband of via een tijdelijke aanwerving, terwijl aanwerving in vast verband of via een tijdelijke aanwerving, terwijl
artikel 45 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 6 juni 1994 « artikel 45 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 6 juni 1994 «
tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde
personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs » en de personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs » en de
artikelen 92 en volgende van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 artikelen 92 en volgende van het koninklijk besluit van 22 maart 1969
« tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en « tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en
onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het
paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager,
buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de
Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en
van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op
deze inrichtingen » voorzien in benoemingen in vast verband, schendt deze inrichtingen » voorzien in benoemingen in vast verband, schendt
het voormelde artikel 55 artikel 24, § 4, van de Grondwet. het voormelde artikel 55 artikel 24, § 4, van de Grondwet.
- In de interpretatie volgens welke de aanwervingen en benoemingen die - In de interpretatie volgens welke de aanwervingen en benoemingen die
zijn voorgeschreven bij artikel 55 van het voormelde decreet van 1 zijn voorgeschreven bij artikel 55 van het voormelde decreet van 1
februari 1993, bij artikel 45 van het voormelde decreet van 6 juni februari 1993, bij artikel 45 van het voormelde decreet van 6 juni
1994 en bij de artikelen 92 en volgende van het voormelde koninklijk 1994 en bij de artikelen 92 en volgende van het voormelde koninklijk
besluit van 22 maart 1969 op tijdelijke basis kunnen gebeuren, schendt besluit van 22 maart 1969 op tijdelijke basis kunnen gebeuren, schendt
het voormelde artikel 55 artikel 24, § 4, van de Grondwet niet. het voormelde artikel 55 artikel 24, § 4, van de Grondwet niet.
2. - In de interpretatie volgens welke artikel 60, § 1, van het 2. - In de interpretatie volgens welke artikel 60, § 1, van het
voormelde decreet van 1 februari 1993 de inrichtende macht van het voormelde decreet van 1 februari 1993 de inrichtende macht van het
gesubsidieerd vrij onderwijs toestaat in een vacante betrekking van gesubsidieerd vrij onderwijs toestaat in een vacante betrekking van
een bevorderingsambt te voorzien bij wege van een tijdelijke een bevorderingsambt te voorzien bij wege van een tijdelijke
aanwerving in afwachting van een aanwerving in vast verband van de aanwerving in afwachting van een aanwerving in vast verband van de
aangewezen persoon of van een andere kandidaat, terwijl artikel 92 van aangewezen persoon of van een andere kandidaat, terwijl artikel 92 van
het voormelde koninklijk besluit van 22 maart 1969 bepaalt dat de het voormelde koninklijk besluit van 22 maart 1969 bepaalt dat de
benoeming in vast verband gebeurt in het gemeenschapsonderwijs, benoeming in vast verband gebeurt in het gemeenschapsonderwijs,
schendt het voormelde artikel 60, § 1, artikel 24, § 4, van de schendt het voormelde artikel 60, § 1, artikel 24, § 4, van de
Grondwet. Grondwet.
- In de interpretatie volgens welke de aanwerving voorgeschreven bij - In de interpretatie volgens welke de aanwerving voorgeschreven bij
artikel 60, § 1, van het voormelde decreet van 1 februari 1993 en de artikel 60, § 1, van het voormelde decreet van 1 februari 1993 en de
benoeming voorgeschreven bij de artikelen 92 en volgende van het benoeming voorgeschreven bij de artikelen 92 en volgende van het
voormelde koninklijk besluit van 22 maart 1969 op tijdelijke basis voormelde koninklijk besluit van 22 maart 1969 op tijdelijke basis
kunnen gebeuren, schendt het voormelde artikel 60, § 1, artikel 24, § kunnen gebeuren, schendt het voormelde artikel 60, § 1, artikel 24, §
4, van de Grondwet niet. 4, van de Grondwet niet.
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 maart 2006. Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 1 maart 2006.
De griffier, De griffier,
L. Potoms. L. Potoms.
De voorzitter, De voorzitter,
M. Melchior. M. Melchior.
^