Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 184/2005 van 7 december 2005 Rolnummer 3639 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van onder Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Mart(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 184/2005 van 7 december 2005 Rolnummer 3639 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van onder Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Mart(...) Uittreksel uit arrest nr. 184/2005 van 7 december 2005 Rolnummer 3639 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting van onder Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Mart(...)
ARBITRAGEHOF ARBITRAGEHOF
Uittreksel uit arrest nr. 184/2005 van 7 december 2005 Uittreksel uit arrest nr. 184/2005 van 7 december 2005
Rolnummer 3639 Rolnummer 3639
In zake : de prejudiciële vraag over artikel 2 van de wet van 28 juni In zake : de prejudiciële vraag over artikel 2 van de wet van 28 juni
1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen 1966 betreffende de schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen
worden bij sluiting van ondernemingen, gesteld door de worden bij sluiting van ondernemingen, gesteld door de
Arbeidsrechtbank te Antwerpen. Arbeidsrechtbank te Antwerpen.
Het Arbitragehof, Het Arbitragehof,
samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters
P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en L. Lavrysen, P. Martens, R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot en L. Lavrysen,
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van
voorzitter A. Arts, voorzitter A. Arts,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 24 februari 2005 in zake G. De Vos tegen het Fonds tot Bij vonnis van 24 februari 2005 in zake G. De Vos tegen het Fonds tot
vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen
werknemers, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is werknemers, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is
ingekomen op 2 maart 2005, heeft de Arbeidsrechtbank te Antwerpen de ingekomen op 2 maart 2005, heeft de Arbeidsrechtbank te Antwerpen de
volgende prejudiciële vraag gesteld : volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de « Schendt artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de
schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting
van ondernemingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door een van ondernemingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door een
onderscheid te maken tussen enerzijds werknemers die tewerkgesteld onderscheid te maken tussen enerzijds werknemers die tewerkgesteld
worden in België en in dienst zijn van een onderneming die geen zetel worden in België en in dienst zijn van een onderneming die geen zetel
of technische bedrijfseenheid in België heeft en anderzijds werknemers of technische bedrijfseenheid in België heeft en anderzijds werknemers
[die] in België tewerkgesteld worden en in dienst zijn van een [die] in België tewerkgesteld worden en in dienst zijn van een
onderneming die wel over een dergelijke zetel of bedrijfseenheid onderneming die wel over een dergelijke zetel of bedrijfseenheid
beschikt, waar enkel de werknemers van de tweede categorie aanspraak beschikt, waar enkel de werknemers van de tweede categorie aanspraak
kunnen maken op de vergoedingen krachtens deze wet, alhoewel in beide kunnen maken op de vergoedingen krachtens deze wet, alhoewel in beide
gevallen sociale bijdragen van het loon van de werknemers worden gevallen sociale bijdragen van het loon van de werknemers worden
afgehouden die ertoe strekken om ondermeer het Fonds tot vergoeding afgehouden die ertoe strekken om ondermeer het Fonds tot vergoeding
van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers, van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers,
te spijzen ? ». te spijzen ? ».
(...) (...)
III. In rechte III. In rechte
(...) (...)
B.1.1. Volgens artikel 1 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de B.1.1. Volgens artikel 1 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de
schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting
van ondernemingen, geldt de wet met betrekking tot de ondernemingen van ondernemingen, geldt de wet met betrekking tot de ondernemingen
waar gedurende het laatste verlopen kalenderjaar gemiddeld ten minste waar gedurende het laatste verlopen kalenderjaar gemiddeld ten minste
twintig werknemers waren tewerkgesteld. Luidens artikel 2 geldt voor twintig werknemers waren tewerkgesteld. Luidens artikel 2 geldt voor
de toepassing van de wet als onderneming « de technische de toepassing van de wet als onderneming « de technische
bedrijfseenheid bedoeld in artikel 14 van de wet van 20 september 1948 bedrijfseenheid bedoeld in artikel 14 van de wet van 20 september 1948
houdende organisatie van het bedrijfsleven ». houdende organisatie van het bedrijfsleven ».
Volgens die laatste bepaling is een onderneming « een technische Volgens die laatste bepaling is een onderneming « een technische
bedrijfseenheid, bepaald op grond van de economische en sociale bedrijfseenheid, bepaald op grond van de economische en sociale
criteria; ingeval van twijfel primeren de sociale criteria ». criteria; ingeval van twijfel primeren de sociale criteria ».
B.1.2. Doordat de wet van 28 juni 1966 haar toepassingsgebied afbakent B.1.2. Doordat de wet van 28 juni 1966 haar toepassingsgebied afbakent
met behulp van het begrip onderneming, is zij slechts van toepassing met behulp van het begrip onderneming, is zij slechts van toepassing
bij de sluiting van in België gevestigde ondernemingen. bij de sluiting van in België gevestigde ondernemingen.
B.1.3. De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 2 van de wet B.1.3. De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 2 van de wet
van 28 juni 1966 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt door van 28 juni 1966 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt door
een onderscheid te maken tussen, enerzijds, werknemers die worden een onderscheid te maken tussen, enerzijds, werknemers die worden
tewerkgesteld in België en in dienst zijn van een onderneming die geen tewerkgesteld in België en in dienst zijn van een onderneming die geen
zetel of technische bedrijfseenheid in België heeft en, anderzijds, zetel of technische bedrijfseenheid in België heeft en, anderzijds,
werknemers die in België worden tewerkgesteld en in dienst zijn van werknemers die in België worden tewerkgesteld en in dienst zijn van
een onderneming die wel over een dergelijke zetel of bedrijfseenheid een onderneming die wel over een dergelijke zetel of bedrijfseenheid
beschikt, waarbij enkel de werknemers van de tweede categorie beschikt, waarbij enkel de werknemers van de tweede categorie
aanspraak kunnen maken op de vergoedingen waarin de wet voorziet. aanspraak kunnen maken op de vergoedingen waarin de wet voorziet.
B.2.1. De wet van 28 juni 1966 beoogt de bescherming van de werknemers B.2.1. De wet van 28 juni 1966 beoogt de bescherming van de werknemers
bij de sluiting van een onderneming. Ze geeft de paritaire comités, bij de sluiting van een onderneming. Ze geeft de paritaire comités,
enerzijds, de opdracht om de aan de sluiting voorafgaande enerzijds, de opdracht om de aan de sluiting voorafgaande
informatieverplichtingen te regelen en verleent aan de ontslagen informatieverplichtingen te regelen en verleent aan de ontslagen
werknemers, anderzijds, het recht op een vergoeding ten laste van de werknemers, anderzijds, het recht op een vergoeding ten laste van de
werkgever. werkgever.
De wet voorziet in de oprichting, bij de Rijksdienst voor De wet voorziet in de oprichting, bij de Rijksdienst voor
Arbeidsvoorziening, van het Fonds tot vergoeding van de in geval van Arbeidsvoorziening, van het Fonds tot vergoeding van de in geval van
sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers. Het Fonds heeft tot sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers. Het Fonds heeft tot
opdracht aan de betrokken werknemers de sluitingsvergoeding uit te opdracht aan de betrokken werknemers de sluitingsvergoeding uit te
betalen indien de werkgever zijn verplichtingen niet nakomt (artikel betalen indien de werkgever zijn verplichtingen niet nakomt (artikel
9). De werkgever die zijn onderneming sluit, moet aan het Fonds het 9). De werkgever die zijn onderneming sluit, moet aan het Fonds het
bedrag der vergoedingen terugbetalen die dit laatste heeft uitgekeerd bedrag der vergoedingen terugbetalen die dit laatste heeft uitgekeerd
(artikel 18). (artikel 18).
B.2.2. Alleen de werkgevers die onder de toepassing van de wet vallen, B.2.2. Alleen de werkgevers die onder de toepassing van de wet vallen,
en niet de werknemers, worden verplicht een jaarlijkse bijdrage aan en niet de werknemers, worden verplicht een jaarlijkse bijdrage aan
het Fonds te betalen. Die werkgeversbijdrage wordt vastgesteld bij het Fonds te betalen. Die werkgeversbijdrage wordt vastgesteld bij
koninklijk besluit en wordt geïnd door de Rijksdienst voor Sociale koninklijk besluit en wordt geïnd door de Rijksdienst voor Sociale
Zekerheid (R.S.Z.) (artikelen 14 en 15). Zekerheid (R.S.Z.) (artikelen 14 en 15).
B.3.1. De territoriale gelding van de wet verhindert de Belgische B.3.1. De territoriale gelding van de wet verhindert de Belgische
wetgever om op het vlak van de sociale bescherming bij ontslag ten wetgever om op het vlak van de sociale bescherming bij ontslag ten
gevolge van de sluiting van een onderneming eenzijdig verplichtingen gevolge van de sluiting van een onderneming eenzijdig verplichtingen
op te leggen aan buitenlandse ondernemingen die in België werknemers op te leggen aan buitenlandse ondernemingen die in België werknemers
tewerkstellen, maar hier geen zetel of technische bedrijfseenheid tewerkstellen, maar hier geen zetel of technische bedrijfseenheid
hebben. hebben.
B.3.2. Dat ook het Belgische Sluitingsfonds niet gehouden is om B.3.2. Dat ook het Belgische Sluitingsfonds niet gehouden is om
tegemoet te komen bij de sluiting van een dergelijke onderneming is tegemoet te komen bij de sluiting van een dergelijke onderneming is
redelijkerwijze verantwoord door de wijze waarop de werking van die redelijkerwijze verantwoord door de wijze waarop de werking van die
overheidsinstelling wordt georganiseerd. overheidsinstelling wordt georganiseerd.
Er bestaat een rechtstreekse en noodzakelijke band tussen de op het Er bestaat een rechtstreekse en noodzakelijke band tussen de op het
Fonds rustende verplichting tot betaling in de plaats van de werkgever Fonds rustende verplichting tot betaling in de plaats van de werkgever
en de plaats van vestiging van de werkgever die ertoe verplicht kan en de plaats van vestiging van de werkgever die ertoe verplicht kan
worden in de financiering van het Fonds bij te dragen. Het financiële worden in de financiering van het Fonds bij te dragen. Het financiële
evenwicht van het Fonds zou worden verstoord indien het tegemoet zou evenwicht van het Fonds zou worden verstoord indien het tegemoet zou
moeten komen bij de sluiting van in het buitenland gevestigde moeten komen bij de sluiting van in het buitenland gevestigde
ondernemingen die in België personeel tewerkstellen, terwijl het zich ondernemingen die in België personeel tewerkstellen, terwijl het zich
tegen dat risico niet heeft kunnen indekken met de wettelijk tegen dat risico niet heeft kunnen indekken met de wettelijk
voorgeschreven bijdragen van de werkgever. voorgeschreven bijdragen van de werkgever.
B.4.1. De eiser voor de Arbeidsrechtbank verwijst ter ondersteuning B.4.1. De eiser voor de Arbeidsrechtbank verwijst ter ondersteuning
van zijn vordering tegen het Belgische Sluitingsfonds naar de Europese van zijn vordering tegen het Belgische Sluitingsfonds naar de Europese
richtlijn 80/987/EEG van 20 oktober 1980, gewijzigd bij de richtlijn richtlijn 80/987/EEG van 20 oktober 1980, gewijzigd bij de richtlijn
2002/74/EG van 23 september 2002. 2002/74/EG van 23 september 2002.
B.4.2. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de B.4.2. De verwijzende rechter ondervraagt het Hof over de
grondwettigheid van de wet van 28 juni 1966 zoals zij van toepassing grondwettigheid van de wet van 28 juni 1966 zoals zij van toepassing
is op de feiten in het bodemgeschil, die dateren van 1996. Men zou de is op de feiten in het bodemgeschil, die dateren van 1996. Men zou de
wetgever niet kunnen verwijten geen rekening te hebben gehouden met de wetgever niet kunnen verwijten geen rekening te hebben gehouden met de
Europese richtlijn 2002/74/EG, die volgens artikel 2 slechts Europese richtlijn 2002/74/EG, die volgens artikel 2 slechts
verplichtingen oplegt bij insolventie van een werkgever, die na de verplichtingen oplegt bij insolventie van een werkgever, die na de
datum van inwerkingtreding van de wetgeving tot omzetting van die datum van inwerkingtreding van de wetgeving tot omzetting van die
richtlijn intreedt. richtlijn intreedt.
B.4.3. De richtlijn 80/987/EEG van 20 oktober 1980 betreffende de B.4.3. De richtlijn 80/987/EEG van 20 oktober 1980 betreffende de
onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de
bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever beoogt bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever beoogt
de werknemers een minimumbescherming te bieden bij sluiting van de werknemers een minimumbescherming te bieden bij sluiting van
ondernemingen. Ze verplicht de lidstaten ertoe een instelling op te ondernemingen. Ze verplicht de lidstaten ertoe een instelling op te
richten die bij insolventie van de werkgever de betaling van richten die bij insolventie van de werkgever de betaling van
onvervulde aanspraken van de werknemers waarborgt. Het Belgische onvervulde aanspraken van de werknemers waarborgt. Het Belgische
Fonds, bedoeld in artikel 9 van de wet van 28 juni 1966, is een Fonds, bedoeld in artikel 9 van de wet van 28 juni 1966, is een
waarborgfonds in de zin van de richtlijn. waarborgfonds in de zin van de richtlijn.
B.4.4. De vermelde richtlijn regelt niet welk waarborgfonds bij B.4.4. De vermelde richtlijn regelt niet welk waarborgfonds bij
sluiting van ondernemingen verplicht is de aanspraken te voldoen van sluiting van ondernemingen verplicht is de aanspraken te voldoen van
werknemers die in de ene lidstaat wonen en werken, jegens een werknemers die in de ene lidstaat wonen en werken, jegens een
werkgever die in een andere lidstaat is gevestigd. werkgever die in een andere lidstaat is gevestigd.
B.4.5. Ten aanzien van die richtlijn heeft het Hof van Justitie in B.4.5. Ten aanzien van die richtlijn heeft het Hof van Justitie in
zijn arrest Mosbaek (zaak nr. C-117/96) van 17 september 1997 gesteld zijn arrest Mosbaek (zaak nr. C-117/96) van 17 september 1997 gesteld
: :
« 24. Vervolgens zij opgemerkt, dat het garantiestelsel dat de « 24. Vervolgens zij opgemerkt, dat het garantiestelsel dat de
richtlijn beoogt in te voeren, ingevolge artikel 5, sub b, wordt richtlijn beoogt in te voeren, ingevolge artikel 5, sub b, wordt
gefinancierd door de werkgevers tenzij de overheid voor de volledige gefinancierd door de werkgevers tenzij de overheid voor de volledige
financiering zorgt. Bij gebreke van enige andersluidende bepaling in financiering zorgt. Bij gebreke van enige andersluidende bepaling in
de richtlijn, strookt het met het opzet van de richtlijn, dat het de richtlijn, strookt het met het opzet van de richtlijn, dat het
waarborgfonds dat de bijdragen van de insolvabele werkgever heeft waarborgfonds dat de bijdragen van de insolvabele werkgever heeft
geïnd of althans had moeten innen, ook bevoegd is voor de voldoening geïnd of althans had moeten innen, ook bevoegd is voor de voldoening
van onvervulde aanspraken van werknemers. Het fonds in de lid-Staat van onvervulde aanspraken van werknemers. Het fonds in de lid-Staat
waar de werknemer woont en heeft gewerkt, en waar de werkgever niet waar de werknemer woont en heeft gewerkt, en waar de werkgever niet
over enige vestiging of commerciële vertegenwoordiging beschikt, is over enige vestiging of commerciële vertegenwoordiging beschikt, is
dus niet bevoegd. dus niet bevoegd.
25. Artikel 5, sub b, van de richtlijn bevestigt dus, dat er een band 25. Artikel 5, sub b, van de richtlijn bevestigt dus, dat er een band
bestaat tussen de op het waarborgfonds rustende verplichting tot bestaat tussen de op het waarborgfonds rustende verplichting tot
betaling en de plaats van vestiging van de werkgever, die in de regel betaling en de plaats van vestiging van de werkgever, die in de regel
in de financiering van het fonds bijdraagt. Zoals in rechtsoverweging in de financiering van het fonds bijdraagt. Zoals in rechtsoverweging
23 van het onderhavige arrest reeds is beklemtoond, is de staat van 23 van het onderhavige arrest reeds is beklemtoond, is de staat van
vestiging van de werkgever in de meeste gevallen de staat waar om vestiging van de werkgever in de meeste gevallen de staat waar om
inleiding van de procedure wordt verzocht. inleiding van de procedure wordt verzocht.
26. Ten slotte lijkt ook het ontbreken in de richtlijn van een 26. Ten slotte lijkt ook het ontbreken in de richtlijn van een
onderlinge verrekenings- of terugbetalingsregeling tussen de onderlinge verrekenings- of terugbetalingsregeling tussen de
garantiefondsen van de verschillende lid-Staten te bevestigen dat de garantiefondsen van de verschillende lid-Staten te bevestigen dat de
gemeenschapswetgever bij insolventie van een werkgever de tussenkomst gemeenschapswetgever bij insolventie van een werkgever de tussenkomst
van het waarborgfonds van één enkele lid-Staat heeft gewenst, en wel van het waarborgfonds van één enkele lid-Staat heeft gewenst, en wel
ter voorkoming van nodeloze verwarring tussen de respectieve nationale ter voorkoming van nodeloze verwarring tussen de respectieve nationale
stelsels, en met name van situaties waarin een werknemer in stelsels, en met name van situaties waarin een werknemer in
verschillende lid-Staten een beroep op de richtlijn kan doen ». verschillende lid-Staten een beroep op de richtlijn kan doen ».
B.5. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de wetgever een objectief en B.5. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de wetgever een objectief en
pertinent criterium van onderscheid hanteert wanneer hij de pertinent criterium van onderscheid hanteert wanneer hij de
bescherming bij ontslag slechts waarborgt ten aanzien van werknemers bescherming bij ontslag slechts waarborgt ten aanzien van werknemers
die werkzaam zijn bij een in België gevestigde onderneming, nu enkel die werkzaam zijn bij een in België gevestigde onderneming, nu enkel
die ondernemingen tot bijdrage aan het Fonds kunnen worden verplicht. die ondernemingen tot bijdrage aan het Fonds kunnen worden verplicht.
Het onderscheid in behandeling dat daaruit voortvloeit, leidt niet Het onderscheid in behandeling dat daaruit voortvloeit, leidt niet
noodzakelijk ertoe dat de werknemer die in België werkzaam is in noodzakelijk ertoe dat de werknemer die in België werkzaam is in
dienst van een buitenlandse onderneming, bij sluiting van die dienst van een buitenlandse onderneming, bij sluiting van die
onderneming van enige sociale bescherming verstoken blijft. Minstens onderneming van enige sociale bescherming verstoken blijft. Minstens
in lidstaten van de Europese Gemeenschap is in een dergelijk geval in in lidstaten van de Europese Gemeenschap is in een dergelijk geval in
beginsel steeds een waarborgfonds verplicht de werknemers te vergoeden beginsel steeds een waarborgfonds verplicht de werknemers te vergoeden
bij insolventie van de werkgever. bij insolventie van de werkgever.
B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
zegt voor recht : zegt voor recht :
Artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de Artikel 2 van de wet van 28 juni 1966 betreffende de
schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting schadeloosstelling van de werknemers die ontslagen worden bij sluiting
van ondernemingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. van ondernemingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 december 2005. Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 december 2005.
De griffier, De griffier,
P.-Y. Dutilleux. P.-Y. Dutilleux.
De voorzitter, De voorzitter,
A. Arts. A. Arts.
^