Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 180/2005 van 7 december 2005 Rolnummer 3475 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters M. Boss(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 180/2005 van 7 december 2005 Rolnummer 3475 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters M. Boss(...) Uittreksel uit arrest nr. 180/2005 van 7 december 2005 Rolnummer 3475 In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters M. Boss(...)
ARBITRAGEHOF ARBITRAGEHOF
Uittreksel uit arrest nr. 180/2005 van 7 december 2005 Uittreksel uit arrest nr. 180/2005 van 7 december 2005
Rolnummer 3475 Rolnummer 3475
In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse In zake : het beroep tot vernietiging van het decreet van het Vlaamse
Gewest van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het decreet van 22 Gewest van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het decreet van 22
december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting
1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode,
wat betreft de bestrijding van de leegstand en verkrotting en wat betreft de bestrijding van de leegstand en verkrotting en
onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen », minstens van artikel onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen », minstens van artikel
19 ervan, ingesteld door de gemeente Beveren en anderen. 19 ervan, ingesteld door de gemeente Beveren en anderen.
Het Arbitragehof, Het Arbitragehof,
samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters
M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Snappe, E. Derycke en J. Spreutels,
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van
voorzitter A. Arts, voorzitter A. Arts,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 februari Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 februari
2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 2005 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4
februari 2005, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet februari 2005, is beroep tot vernietiging ingesteld van het decreet
van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het van het Vlaamse Gewest van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het
decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van
de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de
Vlaamse Wooncode, wat betreft de bestrijding van de leegstand en Vlaamse Wooncode, wat betreft de bestrijding van de leegstand en
verkrotting en onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen » verkrotting en onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen »
(bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 augustus 2004), (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 5 augustus 2004),
minstens van artikel 19 ervan, door de gemeente Beveren, met kantoren minstens van artikel 19 ervan, door de gemeente Beveren, met kantoren
te 9120 Beveren, Stationsstraat 2, de stad Gent, met kantoren te 9000 te 9120 Beveren, Stationsstraat 2, de stad Gent, met kantoren te 9000
Gent, Botermarkt 1, de gemeente Heusden-Zolder, met kantoren te 3550 Gent, Botermarkt 1, de gemeente Heusden-Zolder, met kantoren te 3550
Heusden-Zolder, Heldenplein 1, de stad Izegem, met kantoren te 8870 Heusden-Zolder, Heldenplein 1, de stad Izegem, met kantoren te 8870
Izegem, Korenmarkt 10, de gemeente Kruibeke, met kantoren te 9150 Izegem, Korenmarkt 10, de gemeente Kruibeke, met kantoren te 9150
Kruibeke, Onze-Lieve-Vrouwplein 18-19-20, de stad Lokeren, met Kruibeke, Onze-Lieve-Vrouwplein 18-19-20, de stad Lokeren, met
kantoren te 9160 Lokeren, Groentemarkt 1, de stad Lommel, met kantoren kantoren te 9160 Lokeren, Groentemarkt 1, de stad Lommel, met kantoren
te 3920 Lommel, Dorp 57, de gemeente Waasmunster, met kantoren te 9250 te 3920 Lommel, Dorp 57, de gemeente Waasmunster, met kantoren te 9250
Waasmunster, Vierschaar 1, de stad Wervik, met kantoren te 8940 Waasmunster, Vierschaar 1, de stad Wervik, met kantoren te 8940
Wervik, Sint-Maartensplein 13, en de stad Leuven, met kantoren te 3000 Wervik, Sint-Maartensplein 13, en de stad Leuven, met kantoren te 3000
Leuven, Boekhandelstraat 9. Leuven, Boekhandelstraat 9.
(...) (...)
II. In rechte II. In rechte
(...) (...)
Wat de bestreden bepaling betreft Wat de bestreden bepaling betreft
B.1.1. Het decreet van 22 december 1995 « houdende bepalingen tot B.1.1. Het decreet van 22 december 1995 « houdende bepalingen tot
begeleiding van de begroting 1996 » heeft een gewestelijke heffing op begeleiding van de begroting 1996 » heeft een gewestelijke heffing op
leegstaande en/of verwaarloosde gebouwen en leegstaande, leegstaande en/of verwaarloosde gebouwen en leegstaande,
verwaarloosde, ongeschikte en/of onbewoonbare woningen ingevoerd. verwaarloosde, ongeschikte en/of onbewoonbare woningen ingevoerd.
De heffing was een eerste maal verschuldigd op het ogenblik dat het De heffing was een eerste maal verschuldigd op het ogenblik dat het
gebouw en/of de woning werd opgenomen in de inventaris van de gebouw en/of de woning werd opgenomen in de inventaris van de
leegstaande of verwaarloosde gebouwen en/of woningen en de ongeschikte leegstaande of verwaarloosde gebouwen en/of woningen en de ongeschikte
en/of onbewoonbare woningen. De aanslag kon worden gevestigd vanaf het en/of onbewoonbare woningen. De aanslag kon worden gevestigd vanaf het
ogenblik van de opname, tot uiterlijk 31 december van het jaar dat ogenblik van de opname, tot uiterlijk 31 december van het jaar dat
volgde op de opname in de inventaris. volgde op de opname in de inventaris.
Zolang het gebouw en/of de woning niet was geschrapt uit de Zolang het gebouw en/of de woning niet was geschrapt uit de
inventaris, bleef de heffing verschuldigd op het ogenblik van het inventaris, bleef de heffing verschuldigd op het ogenblik van het
verstrijken van elke nieuwe periode van twaalf maanden vanaf de datum verstrijken van elke nieuwe periode van twaalf maanden vanaf de datum
van de eerste inschrijving. De aanslag kon worden gevestigd vanaf dat van de eerste inschrijving. De aanslag kon worden gevestigd vanaf dat
ogenblik tot uiterlijk 31 december van het jaar dat erop volgde ogenblik tot uiterlijk 31 december van het jaar dat erop volgde
(artikel 26, eerste en tweede lid, van het decreet van 22 december (artikel 26, eerste en tweede lid, van het decreet van 22 december
1995, vóór de wijziging ervan bij artikel 4 van het decreet van 7 mei 1995, vóór de wijziging ervan bij artikel 4 van het decreet van 7 mei
2004 « houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 2004 « houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995
houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het
decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de
bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van
gebouwen en/of woningen »). gebouwen en/of woningen »).
B.1.2. De steden en de gemeenten kunnen op die gewestelijke heffing B.1.2. De steden en de gemeenten kunnen op die gewestelijke heffing
opcentiemen heffen. Artikel 37 van het decreet van 22 december 1995 opcentiemen heffen. Artikel 37 van het decreet van 22 december 1995
bepaalt dienaangaande : bepaalt dienaangaande :
« Een gemeente die besluit om opcentiemen te heffen op de heffing van « Een gemeente die besluit om opcentiemen te heffen op de heffing van
het Vlaamse Gewest, bezorgt hiertoe aan de administratie bij het Vlaamse Gewest, bezorgt hiertoe aan de administratie bij
aangetekend schrijven een afschrift van dit besluit binnen de maand aangetekend schrijven een afschrift van dit besluit binnen de maand
die volgt op de inwerkingtreding van dit besluit. die volgt op de inwerkingtreding van dit besluit.
De administratie int de gemeentelijke opcentiemen op de heffing De administratie int de gemeentelijke opcentiemen op de heffing
gelijktijdig met de heffing van het Vlaamse Gewest ». gelijktijdig met de heffing van het Vlaamse Gewest ».
B.1.3. Het bedrag van de verschuldigde heffing en de opcentiemen B.1.3. Het bedrag van de verschuldigde heffing en de opcentiemen
diende te worden betaald uiterlijk op het einde van de tweede maand diende te worden betaald uiterlijk op het einde van de tweede maand
die volgde op de datum hetzij van de toezending van het aanslagbiljet, die volgde op de datum hetzij van de toezending van het aanslagbiljet,
hetzij, wanneer beroep werd ingesteld bij de Vlaamse Regering, van de hetzij, wanneer beroep werd ingesteld bij de Vlaamse Regering, van de
toezending van de beslissing van de Vlaamse Regering waarbij het toezending van de beslissing van de Vlaamse Regering waarbij het
beroep geheel of gedeeltelijk werd afgewezen (artikel 39, § 1, eerste beroep geheel of gedeeltelijk werd afgewezen (artikel 39, § 1, eerste
lid, van het decreet van 22 december 1995, vóór de wijziging ervan bij lid, van het decreet van 22 december 1995, vóór de wijziging ervan bij
artikel 13 van het decreet van 7 mei 2004). artikel 13 van het decreet van 7 mei 2004).
B.1.4. Het bestreden decreet van 7 mei 2004 wijzigt de in het decreet B.1.4. Het bestreden decreet van 7 mei 2004 wijzigt de in het decreet
van 22 december 1995 neergelegde regeling op een aantal punten. van 22 december 1995 neergelegde regeling op een aantal punten.
Zo worden het ogenblik van het ontstaan van de belastingschuld en de Zo worden het ogenblik van het ontstaan van de belastingschuld en de
termijn waarbinnen de aanslag kan worden gevestigd gewijzigd (artikel termijn waarbinnen de aanslag kan worden gevestigd gewijzigd (artikel
4 van het decreet van 7 mei 2004). De procedure tot opname op de 4 van het decreet van 7 mei 2004). De procedure tot opname op de
lijsten van de inventaris wordt gewijzigd en er wordt in een lijsten van de inventaris wordt gewijzigd en er wordt in een
administratieve beroepsprocedure tegen de registratie voorzien administratieve beroepsprocedure tegen de registratie voorzien
(artikel 10 van hetzelfde decreet). Ook wordt de beroepsprocedure na (artikel 10 van hetzelfde decreet). Ook wordt de beroepsprocedure na
het vestigen van de heffing gewijzigd (artikel 13 van hetzelfde het vestigen van de heffing gewijzigd (artikel 13 van hetzelfde
decreet). Onder bepaalde voorwaarden kan de gedeeltelijke decreet). Onder bepaalde voorwaarden kan de gedeeltelijke
terugbetaling van een geïnde heffing worden verkregen (artikel 17 van terugbetaling van een geïnde heffing worden verkregen (artikel 17 van
hetzelfde decreet). hetzelfde decreet).
B.1.5. Artikel 19 van het decreet van 7 mei 2004 bevat een B.1.5. Artikel 19 van het decreet van 7 mei 2004 bevat een
overgangsregeling. Die bepaling luidt als volgt : overgangsregeling. Die bepaling luidt als volgt :
« Aan hetzelfde decreet [van 22 december 1995] wordt in hoofdstuk « Aan hetzelfde decreet [van 22 december 1995] wordt in hoofdstuk
VIII, afdeling 2, een nieuwe onderafdeling 9 toegevoegd, die luidt als VIII, afdeling 2, een nieuwe onderafdeling 9 toegevoegd, die luidt als
volgt : volgt :
' Onderafdeling 9. - Overgangsbepalingen ' Onderafdeling 9. - Overgangsbepalingen

Artikel 44bis.Aanslagen gevestigd op basis van de artikelen 24 tot en

Artikel 44bis.Aanslagen gevestigd op basis van de artikelen 24 tot en

met 44 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot met 44 van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot
begeleiding van de begroting 1996 die betrekking hebben op de opnames begeleiding van de begroting 1996 die betrekking hebben op de opnames
in de inventaris vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003, in de inventaris vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003,
worden als niet bestaande beschouwd. worden als niet bestaande beschouwd.
De aanslagen gevestigd op basis van de artikelen 24 tot en met 44 van De aanslagen gevestigd op basis van de artikelen 24 tot en met 44 van
het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding
van de begroting 1996 die betrekking hebben op verjaardagen van van de begroting 1996 die betrekking hebben op verjaardagen van
eerdere opnames in de inventaris vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 eerdere opnames in de inventaris vanaf 1 januari 2002 tot en met 31
december 2003, worden als niet bestaande beschouwd. ' ». december 2003, worden als niet bestaande beschouwd. ' ».
B.1.6. Het bij die bepaling ingevoegde artikel 44bis van het decreet B.1.6. Het bij die bepaling ingevoegde artikel 44bis van het decreet
van 22 december 1995 is gewijzigd bij artikel 53 van het decreet van van 22 december 1995 is gewijzigd bij artikel 53 van het decreet van
24 december 2004 « houdende bepalingen tot begeleiding van de 24 december 2004 « houdende bepalingen tot begeleiding van de
begroting 2005 ». Die bepaling luidt als volgt : begroting 2005 ». Die bepaling luidt als volgt :
« De eerste twee leden van artikel 44bis van hetzelfde decreet [van 22 « De eerste twee leden van artikel 44bis van hetzelfde decreet [van 22
december 1995] worden samengevoegd in een § 1. december 1995] worden samengevoegd in een § 1.
In artikel 44bis van hetzelfde decreet [worden] in beide leden de In artikel 44bis van hetzelfde decreet [worden] in beide leden de
woorden ' 31 december 2003 ' vervangen door de woorden ' 4 augustus woorden ' 31 december 2003 ' vervangen door de woorden ' 4 augustus
2004 '. 2004 '.
Er wordt een § 2 toegevoegd aan artikel 44bis, die luidt als volgt : Er wordt een § 2 toegevoegd aan artikel 44bis, die luidt als volgt :
' § 2. De registratieattesten voor de besluiten van de burgemeester ' § 2. De registratieattesten voor de besluiten van de burgemeester
tot ongeschikt- en/of onbewoonbaarverklaring, genomen voor de tot ongeschikt- en/of onbewoonbaarverklaring, genomen voor de
inwerkingtreding van dit decreet, moeten naargelang van het geval inwerkingtreding van dit decreet, moeten naargelang van het geval
verstuurd zijn als volgt : verstuurd zijn als volgt :
1° in geval geen beroep bij de Vlaamse Regering is ingediend 1° in geval geen beroep bij de Vlaamse Regering is ingediend
overeenkomstig artikel 15, § 3, van het decreet van 15 juli 1997 overeenkomstig artikel 15, § 3, van het decreet van 15 juli 1997
houdende de Vlaamse Wooncode, wordt het registratieattest ten vroegste houdende de Vlaamse Wooncode, wordt het registratieattest ten vroegste
dertig dagen en ten laatste zestig dagen na de betekening van het dertig dagen en ten laatste zestig dagen na de betekening van het
besluit van de burgemeester, zoals bedoeld in artikel 15, § 1, van het besluit van de burgemeester, zoals bedoeld in artikel 15, § 1, van het
decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode of artikel 34 decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode of artikel 34
van dit decreet, verstuurd; van dit decreet, verstuurd;
2° in geval beroep bij de Vlaamse Regering is ingediend overeenkomstig 2° in geval beroep bij de Vlaamse Regering is ingediend overeenkomstig
artikel 15, § 3, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse artikel 15, § 3, van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse
Wooncode, wordt het registratieattest ten laatste dertig dagen Wooncode, wordt het registratieattest ten laatste dertig dagen
verstuurd na de betekening van de beslissing in beroep. verstuurd na de betekening van de beslissing in beroep.
Binnen de dertig dagen na betekening van het registratieattest, Binnen de dertig dagen na betekening van het registratieattest,
bedoeld in het eerste lid, kan de houder van het zakelijk recht een bedoeld in het eerste lid, kan de houder van het zakelijk recht een
verzoekschrift tot beroep indienen bij de inventarisbeheerder. verzoekschrift tot beroep indienen bij de inventarisbeheerder.
De inventarisbeheerder behandelt het beroepsverzoekschrift binnen de De inventarisbeheerder behandelt het beroepsverzoekschrift binnen de
zestig dagen, zoniet wordt het beroepsverzoekschrift geacht te zijn zestig dagen, zoniet wordt het beroepsverzoekschrift geacht te zijn
ingewilligd. ingewilligd.
Het verzoekschrift tot beroep wordt beperkt tot de Het verzoekschrift tot beroep wordt beperkt tot de
identificatiegegevens en de formele gronden van het registratieattest identificatiegegevens en de formele gronden van het registratieattest
in het geval van het eerste lid, 2°. ' in het geval van het eerste lid, 2°. '
Er wordt een § 3 toegevoegd aan artikel 44bis, die luidt als volgt : Er wordt een § 3 toegevoegd aan artikel 44bis, die luidt als volgt :
' § 3. In geval de ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woning is ' § 3. In geval de ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woning is
geïnventariseerd voor de inwerkingtreding van het decreet van 7 mei geïnventariseerd voor de inwerkingtreding van het decreet van 7 mei
2004 [...] houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 2004 [...] houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995
houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het
decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de
bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van
gebouwen en/of woningen, wordt het beroep tegen de registratieattesten gebouwen en/of woningen, wordt het beroep tegen de registratieattesten
die verstuurd zijn na de inwerkingtreding van dit decreet, ingesteld die verstuurd zijn na de inwerkingtreding van dit decreet, ingesteld
bij de Vlaamse Regering binnen de dertig dagen na de betekening van bij de Vlaamse Regering binnen de dertig dagen na de betekening van
het registratieattest. De behandeling van het beroepsverzoekschrift het registratieattest. De behandeling van het beroepsverzoekschrift
verloopt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, § 3, tweede lid, verloopt overeenkomstig de bepalingen van artikel 15, § 3, tweede lid,
van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode. van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode.
In afwijking van het eerste lid wordt het beroep tegen het In afwijking van het eerste lid wordt het beroep tegen het
registratieattest dat verstuurd is voor de inwerkingtreding van dit registratieattest dat verstuurd is voor de inwerkingtreding van dit
decreet, behandeld door de inventarisbeheerder overeenkomstig de decreet, behandeld door de inventarisbeheerder overeenkomstig de
bepalingen van artikel 34bis, § 2. ' ». bepalingen van artikel 34bis, § 2. ' ».
Ten aanzien van de ontvankelijkheid Ten aanzien van de ontvankelijkheid
B.2.1. Volgens de Vlaamse Regering voeren de verzoekende partijen B.2.1. Volgens de Vlaamse Regering voeren de verzoekende partijen
uitsluitend een grief aan tegen artikel 19 van het decreet van 7 mei uitsluitend een grief aan tegen artikel 19 van het decreet van 7 mei
2004. Voor het overige zou hun beroep onontvankelijk zijn bij gebrek 2004. Voor het overige zou hun beroep onontvankelijk zijn bij gebrek
aan middelen. In zoverre de verzoekende partijen in hun memorie van aan middelen. In zoverre de verzoekende partijen in hun memorie van
antwoord voor het eerst een middel aanvoeren tegen artikel 3 van het antwoord voor het eerst een middel aanvoeren tegen artikel 3 van het
decreet van 7 mei 2004, zou dat middel onontvankelijk zijn. decreet van 7 mei 2004, zou dat middel onontvankelijk zijn.
B.2.2. Het Hof dient de omvang van het beroep tot vernietiging te B.2.2. Het Hof dient de omvang van het beroep tot vernietiging te
bepalen op basis van de inhoud van het verzoekschrift en inzonderheid bepalen op basis van de inhoud van het verzoekschrift en inzonderheid
op basis van de uiteenzetting van de aangevoerde middelen. op basis van de uiteenzetting van de aangevoerde middelen.
Het Hof stelt vast dat het middel dat wordt uiteengezet in het Het Hof stelt vast dat het middel dat wordt uiteengezet in het
verzoekschrift van de verzoekende partijen uitsluitend is gericht verzoekschrift van de verzoekende partijen uitsluitend is gericht
tegen artikel 19 van het decreet van 7 mei 2004, zodat het onderzoek tegen artikel 19 van het decreet van 7 mei 2004, zodat het onderzoek
van het Hof tot die bepaling dient te worden beperkt. van het Hof tot die bepaling dient te worden beperkt.
B.2.3. Het middel dat de verzoekende partijen in hun memorie van B.2.3. Het middel dat de verzoekende partijen in hun memorie van
antwoord aanvoeren tegen artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004, antwoord aanvoeren tegen artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004,
kwam niet voor in hun beroep tot vernietiging. Het betreft dus een kwam niet voor in hun beroep tot vernietiging. Het betreft dus een
nieuw middel. nieuw middel.
Artikel 85, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op Artikel 85, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op
het Arbitragehof staat enkel toe dat nieuwe middelen worden aangevoerd het Arbitragehof staat enkel toe dat nieuwe middelen worden aangevoerd
door de instellingen en personen bedoeld in de artikelen 76 tot 78 van door de instellingen en personen bedoeld in de artikelen 76 tot 78 van
die wet. die wet.
De verzoekende partijen behoren niet tot die categorie van De verzoekende partijen behoren niet tot die categorie van
instellingen of personen. instellingen of personen.
Het nieuwe middel is derhalve niet ontvankelijk. Het nieuwe middel is derhalve niet ontvankelijk.
B.3.1. De Vlaamse Regering voert aan dat het bij de bestreden bepaling B.3.1. De Vlaamse Regering voert aan dat het bij de bestreden bepaling
in het decreet van 22 december 1995 ingevoegde artikel 44bis met in het decreet van 22 december 1995 ingevoegde artikel 44bis met
terugwerkende kracht werd vervangen bij artikel 53 van het decreet van terugwerkende kracht werd vervangen bij artikel 53 van het decreet van
24 december 2004. Bijgevolg zou het beroep tot vernietiging geen 24 december 2004. Bijgevolg zou het beroep tot vernietiging geen
voorwerp hebben. voorwerp hebben.
B.3.2. Zoals blijkt uit B.1.6, beperkt artikel 53 van het decreet van B.3.2. Zoals blijkt uit B.1.6, beperkt artikel 53 van het decreet van
24 december 2004 zich evenwel in essentie ertoe de eerste twee leden 24 december 2004 zich evenwel in essentie ertoe de eerste twee leden
van artikel 44bis van het decreet van 22 december 1995 samen te voegen van artikel 44bis van het decreet van 22 december 1995 samen te voegen
in een paragraaf 1 en in beide leden de woorden « 31 december 2003 » in een paragraaf 1 en in beide leden de woorden « 31 december 2003 »
te vervangen door de woorden « 4 augustus 2004 ». te vervangen door de woorden « 4 augustus 2004 ».
De door die bepaling in artikel 44bis van het decreet van 22 december De door die bepaling in artikel 44bis van het decreet van 22 december
1995 aangebrachte wijzigingen verhinderen het Hof niet om zich uit te 1995 aangebrachte wijzigingen verhinderen het Hof niet om zich uit te
spreken over artikel 19 van het decreet van 7 mei 2004. spreken over artikel 19 van het decreet van 7 mei 2004.
B.3.3. De exceptie wordt verworpen. B.3.3. De exceptie wordt verworpen.
Ten gronde Ten gronde
B.4. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 19 van het decreet B.4. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 19 van het decreet
van 7 mei 2004 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Die van 7 mei 2004 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Die
bepaling zou hun retroactief en zonder redelijke verantwoording de bepaling zou hun retroactief en zonder redelijke verantwoording de
opcentiemen ontnemen die zij in 2002 en 2003 hebben geheven op de opcentiemen ontnemen die zij in 2002 en 2003 hebben geheven op de
gewestelijke leegstandsheffing, waardoor de gelijkheid van behandeling gewestelijke leegstandsheffing, waardoor de gelijkheid van behandeling
ongedaan zou worden gemaakt tussen de steden en gemeenten die een ongedaan zou worden gemaakt tussen de steden en gemeenten die een
eigen leegstandsheffing of krotbelasting heffen en de steden en eigen leegstandsheffing of krotbelasting heffen en de steden en
gemeenten die opcentiemen heffen op de gewestelijke heffing. gemeenten die opcentiemen heffen op de gewestelijke heffing.
B.5. Vóór de invoering van een gewestelijke heffing bij het decreet B.5. Vóór de invoering van een gewestelijke heffing bij het decreet
van 22 december 1995 hadden een aantal steden en gemeenten reeds een van 22 december 1995 hadden een aantal steden en gemeenten reeds een
eigen leegstandsheffing of krotbelasting. Sommige hebben die eigen eigen leegstandsheffing of krotbelasting. Sommige hebben die eigen
heffing behouden. Andere, daarentegen, hebben die heffing vervangen heffing behouden. Andere, daarentegen, hebben die heffing vervangen
door opcentiemen te heffen op de gewestelijke leegstandsheffing. Op door opcentiemen te heffen op de gewestelijke leegstandsheffing. Op
het ogenblik dat de bestreden bepaling werd aangenomen, waren er 104 het ogenblik dat de bestreden bepaling werd aangenomen, waren er 104
steden en gemeenten die opcentiemen hieven (Parl. St., Vlaams steden en gemeenten die opcentiemen hieven (Parl. St., Vlaams
Parlement, 2002-2003, nr. 1678/1, p. 2). Parlement, 2002-2003, nr. 1678/1, p. 2).
B.6.1. Door te bepalen dat de aanslagen die betrekking hebben op de B.6.1. Door te bepalen dat de aanslagen die betrekking hebben op de
opnames in de inventaris en op de verjaardagen van eerdere opnames in opnames in de inventaris en op de verjaardagen van eerdere opnames in
de inventaris vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 als de inventaris vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 als
niet bestaande worden beschouwd, heeft het Vlaamse Gewest een niet bestaande worden beschouwd, heeft het Vlaamse Gewest een
maatregel met terugwerkende kracht genomen. maatregel met terugwerkende kracht genomen.
B.6.2. Overeenkomstig het in B.1.1 vermelde artikel 26 van het decreet B.6.2. Overeenkomstig het in B.1.1 vermelde artikel 26 van het decreet
van 22 december 1995 waren de gewestelijke heffingen immers van 22 december 1995 waren de gewestelijke heffingen immers
verschuldigd op het ogenblik dat het gebouw en/of de woning werd verschuldigd op het ogenblik dat het gebouw en/of de woning werd
opgenomen in de inventaris, en op het ogenblik van het verstrijken van opgenomen in de inventaris, en op het ogenblik van het verstrijken van
elke nieuwe periode van twaalf maanden vanaf de datum van de eerste elke nieuwe periode van twaalf maanden vanaf de datum van de eerste
inschrijving. Wanneer een gebouw of woning in de periode van 1 januari inschrijving. Wanneer een gebouw of woning in de periode van 1 januari
2002 tot en met 31 december 2003 in de inventaris was opgenomen, of 2002 tot en met 31 december 2003 in de inventaris was opgenomen, of
wanneer in die periode een verjaardag van een eerdere opname wanneer in die periode een verjaardag van een eerdere opname
plaatsvond, was de heffing bijgevolg verschuldigd. plaatsvond, was de heffing bijgevolg verschuldigd.
In zoverre de gemeente waarin het gebouw of de woning was gelegen, had In zoverre de gemeente waarin het gebouw of de woning was gelegen, had
besloten opcentiemen te heffen op de heffing van het Vlaamse Gewest, besloten opcentiemen te heffen op de heffing van het Vlaamse Gewest,
waren ook de opcentiemen op dat ogenblik verschuldigd. waren ook de opcentiemen op dat ogenblik verschuldigd.
B.6.3. De bestreden bepaling heeft tot gevolg dat die heffingen, en de B.6.3. De bestreden bepaling heeft tot gevolg dat die heffingen, en de
opcentiemen die erop werden geheven, met terugwerkende kracht ongedaan opcentiemen die erop werden geheven, met terugwerkende kracht ongedaan
worden gemaakt. De aanslagen worden definitief als niet bestaande worden gemaakt. De aanslagen worden definitief als niet bestaande
beschouwd (Hand., Vlaams Parlement, 4 mei 2004, nr. 53, p. 126). beschouwd (Hand., Vlaams Parlement, 4 mei 2004, nr. 53, p. 126).
De bestreden bepaling heeft tevens tot gevolg dat de steden en De bestreden bepaling heeft tevens tot gevolg dat de steden en
gemeenten voor de jaren 2002 en 2003 niet de vergoedingen ontvangen gemeenten voor de jaren 2002 en 2003 niet de vergoedingen ontvangen
die, overeenkomstig artikel 44 van het decreet van 22 december 1995, die, overeenkomstig artikel 44 van het decreet van 22 december 1995,
aan hen zouden worden doorgestort om de administratiekosten te dekken aan hen zouden worden doorgestort om de administratiekosten te dekken
die ze voor die jaren hebben moeten maken. Die vergoedingen bestaan die ze voor die jaren hebben moeten maken. Die vergoedingen bestaan
immers in een percentage van de opbrengst van de gewestelijke heffing immers in een percentage van de opbrengst van de gewestelijke heffing
(artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 (artikel 19 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996
betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting betreffende de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting
van gebouwen en/of woningen). van gebouwen en/of woningen).
B.7.1. De niet-retroactiviteit van wetsnormen is een waarborg ter B.7.1. De niet-retroactiviteit van wetsnormen is een waarborg ter
voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud voorkoming van rechtsonzekerheid. Die waarborg vereist dat de inhoud
van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat eenieder in van het recht voorzienbaar en toegankelijk is, zodat eenieder in
redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien, op redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien, op
het tijdstip dat die handeling wordt verricht. het tijdstip dat die handeling wordt verricht.
De terugwerkende kracht van wetsbepalingen kan enkel worden De terugwerkende kracht van wetsbepalingen kan enkel worden
verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de goede werking of de verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de goede werking of de
continuïteit van de openbare dienst. continuïteit van de openbare dienst.
Indien evenwel blijkt dat de terugwerkende kracht van de wetskrachtige Indien evenwel blijkt dat de terugwerkende kracht van de wetskrachtige
norm tot gevolg heeft dat de afloop van een of meer gerechtelijke norm tot gevolg heeft dat de afloop van een of meer gerechtelijke
procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat procedures in een welbepaalde zin wordt beïnvloed of dat
rechtscolleges worden verhinderd zich uit te spreken, vergt de aard rechtscolleges worden verhinderd zich uit te spreken, vergt de aard
van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke
omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang een omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang een
verantwoording bieden voor dat optreden van de wetgever, dat ten verantwoording bieden voor dat optreden van de wetgever, dat ten
nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de
jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden. jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden.
B.7.2. De bestreden bepaling maakt de reeds ingediende B.7.2. De bestreden bepaling maakt de reeds ingediende
bezwaarschriften niet ongedaan en mengt zich niet in hangende bezwaarschriften niet ongedaan en mengt zich niet in hangende
rechtsgedingen. Hangende bezwaren moeten worden afgehandeld rechtsgedingen. Hangende bezwaren moeten worden afgehandeld
overeenkomstig de regelgeving die van toepassing was tijdens het overeenkomstig de regelgeving die van toepassing was tijdens het
desbetreffende heffingsjaar (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, desbetreffende heffingsjaar (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003,
nr. 1678/4, p. 7). nr. 1678/4, p. 7).
B.7.3. Bijgevolg moet worden nagegaan of de bestreden bepaling B.7.3. Bijgevolg moet worden nagegaan of de bestreden bepaling
beantwoordt aan de vereisten vermeld in B.7.1. beantwoordt aan de vereisten vermeld in B.7.1.
B.8. Het decreet van 7 mei 2004 beoogt een aantal knelpunten met B.8. Het decreet van 7 mei 2004 beoogt een aantal knelpunten met
betrekking tot de gewestelijke leegstandsheffing te verhelpen. Een van betrekking tot de gewestelijke leegstandsheffing te verhelpen. Een van
de belangrijkste knelpunten betreft de talrijke bezwaarschriften, de belangrijkste knelpunten betreft de talrijke bezwaarschriften,
waarvan een belangrijk aantal gegrond werd verklaard. In de waarvan een belangrijk aantal gegrond werd verklaard. In de
toelichting bij het voorstel van decreet, dat het decreet van 7 mei toelichting bij het voorstel van decreet, dat het decreet van 7 mei
2004 is geworden, is daaromtrent het volgende gesteld : 2004 is geworden, is daaromtrent het volgende gesteld :
« Het aantal bezwaarschriften, ingediend na het toezenden van de « Het aantal bezwaarschriften, ingediend na het toezenden van de
heffing, ligt relatief hoog en betreft in hoofdzaak de opname op de heffing, ligt relatief hoog en betreft in hoofdzaak de opname op de
lijst voor leegstaande gebouwen en/of woningen. De oorzaken hiervan lijst voor leegstaande gebouwen en/of woningen. De oorzaken hiervan
zijn voornamelijk te vinden in : (1) de precaire gronden waarop de zijn voornamelijk te vinden in : (1) de precaire gronden waarop de
vaststelling steunt, (2) zwakke procedurele aspecten en (3) het late vaststelling steunt, (2) zwakke procedurele aspecten en (3) het late
beroep door de particulier, meer bepaald na het toesturen van de beroep door de particulier, meer bepaald na het toesturen van de
aanslag » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1678/1, p. 3). aanslag » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1678/1, p. 3).
B.9. Voor de bestreden bepaling werd in de parlementaire voorbereiding B.9. Voor de bestreden bepaling werd in de parlementaire voorbereiding
de volgende verantwoording gegeven : de volgende verantwoording gegeven :
« De inventarisaties op basis van het huidige heffingsdecreet van 22 « De inventarisaties op basis van het huidige heffingsdecreet van 22
december 1995 vertonen gebreken, de informatieverstrekking naar de december 1995 vertonen gebreken, de informatieverstrekking naar de
burger toe is ondermaats en de burger ervaart de regelgeving als burger toe is ondermaats en de burger ervaart de regelgeving als
onrechtvaardig en hardvochtig. Vandaar dat de aanslagen gevestigd vóór onrechtvaardig en hardvochtig. Vandaar dat de aanslagen gevestigd vóór
1 januari 2004 en die betrekking hebben op opnames in de inventaris in 1 januari 2004 en die betrekking hebben op opnames in de inventaris in
2002 of 2003 of op verjaardagen in 2002 of 2003 van eerdere opnames in 2002 of 2003 of op verjaardagen in 2002 of 2003 van eerdere opnames in
de inventaris, als niet bestaande worden beschouwd. De contentieux uit de inventaris, als niet bestaande worden beschouwd. De contentieux uit
het verleden wordt verder afgehandeld conform de regelgeving die van het verleden wordt verder afgehandeld conform de regelgeving die van
toepassing was tijdens het desbetreffende heffingsjaar. Deze maatregel toepassing was tijdens het desbetreffende heffingsjaar. Deze maatregel
wil duidelijk aangeven dat de nieuwe regelgeving een breuk maakt met wil duidelijk aangeven dat de nieuwe regelgeving een breuk maakt met
het verleden en een einde wil maken aan de administratieve overlast het verleden en een einde wil maken aan de administratieve overlast
voor de geviseerde burgers en de Vlaamse administratie » (Parl. St., voor de geviseerde burgers en de Vlaamse administratie » (Parl. St.,
Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1678/4, p. 7). Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1678/4, p. 7).
Hieromtrent werd in de parlementaire voorbereiding nog verklaard dat Hieromtrent werd in de parlementaire voorbereiding nog verklaard dat
« men moet rekening houden met het feit dat er met een nieuw systeem « men moet rekening houden met het feit dat er met een nieuw systeem
zal worden gestart. Er moet immers een grote achterstand worden zal worden gestart. Er moet immers een grote achterstand worden
ingehaald, en men moet er rekening mee houden dat de huidige ingehaald, en men moet er rekening mee houden dat de huidige
regelgeving als betwistbaar wordt ervaren. De spreker wil op een regelgeving als betwistbaar wordt ervaren. De spreker wil op een
ernstige manier komaf maken met het verleden en stelt daarom voor dat ernstige manier komaf maken met het verleden en stelt daarom voor dat
de aanslagen van vóór 1 januari 2004 en die betrekking hebben op de de aanslagen van vóór 1 januari 2004 en die betrekking hebben op de
inventarisatie van 2002 en 2003 als niet-bestaande worden beschouwd. inventarisatie van 2002 en 2003 als niet-bestaande worden beschouwd.
Dit betekent een standstill van de situatie. Wie zijn eerste heffing Dit betekent een standstill van de situatie. Wie zijn eerste heffing
kreeg onder de vorige regeling, blijft gedurende 2 jaar op zijn eerste kreeg onder de vorige regeling, blijft gedurende 2 jaar op zijn eerste
heffing staan. Wie voor het eerst geïnventariseerd wordt, blijft heffing staan. Wie voor het eerst geïnventariseerd wordt, blijft
gedurende 2 jaar op de inventarisering staan. Er worden geen heffingen gedurende 2 jaar op de inventarisering staan. Er worden geen heffingen
verstuurd voor de referentiejaren 2002 en 2003. De eerste nieuwe verstuurd voor de referentiejaren 2002 en 2003. De eerste nieuwe
heffing kan gebeuren in 2006 » (Parl. St., Vlaams Parlement, heffing kan gebeuren in 2006 » (Parl. St., Vlaams Parlement,
2002-2003, nr. 1678/6, p. 10). 2002-2003, nr. 1678/6, p. 10).
B.10. Door te bepalen dat de aanslagen voor de jaren 2002 en 2003 als B.10. Door te bepalen dat de aanslagen voor de jaren 2002 en 2003 als
niet bestaande worden beschouwd, worden nieuwe bezwaarschriften in niet bestaande worden beschouwd, worden nieuwe bezwaarschriften in
verband met die aanslagen vermeden. Wat de gewestelijke heffing verband met die aanslagen vermeden. Wat de gewestelijke heffing
betreft, is die maatregel verantwoord, gelet op de talrijke betreft, is die maatregel verantwoord, gelet op de talrijke
bezwaarschriften waartoe die heffing aanleiding heeft gegeven en gelet bezwaarschriften waartoe die heffing aanleiding heeft gegeven en gelet
op de administratieve moeilijkheden die de overheid bij de afhandeling op de administratieve moeilijkheden die de overheid bij de afhandeling
van die bezwaarschriften heeft ondervonden. Door tijdelijk te van die bezwaarschriften heeft ondervonden. Door tijdelijk te
vermijden dat nieuwe bezwaarschriften worden ingediend, verschaft de vermijden dat nieuwe bezwaarschriften worden ingediend, verschaft de
bestreden bepaling de overheid de tijd en de middelen om de hangende bestreden bepaling de overheid de tijd en de middelen om de hangende
bezwaren af te handelen. bezwaren af te handelen.
Bovendien vermocht de decreetgever redelijkerwijs te verhopen dat de Bovendien vermocht de decreetgever redelijkerwijs te verhopen dat de
belastingplichtigen die voor de jaren 2002 en 2003 geen aanslag belastingplichtigen die voor de jaren 2002 en 2003 geen aanslag
ontvangen, van de gelegenheid gebruik zouden maken om de nodige ontvangen, van de gelegenheid gebruik zouden maken om de nodige
stappen te ondernemen om uit de inventaris te worden geschrapt, stappen te ondernemen om uit de inventaris te worden geschrapt,
waardoor zij ook in de toekomst niet langer bezwaarschriften zouden waardoor zij ook in de toekomst niet langer bezwaarschriften zouden
indienen. indienen.
B.11. Het Hof dient evenwel nog na te gaan of de decreetgever in B.11. Het Hof dient evenwel nog na te gaan of de decreetgever in
voldoende mate rekening heeft gehouden met de gevolgen van de voldoende mate rekening heeft gehouden met de gevolgen van de
bestreden bepaling op de steden en gemeenten die opcentiemen heffen op bestreden bepaling op de steden en gemeenten die opcentiemen heffen op
de gewestelijke heffing. de gewestelijke heffing.
Zoals vermeld in B.6.3, blijven die steden en gemeenten immers Zoals vermeld in B.6.3, blijven die steden en gemeenten immers
verstoken van de inkomsten die ze redelijkerwijs voor de jaren in verstoken van de inkomsten die ze redelijkerwijs voor de jaren in
kwestie van die opcentiemen hadden mogen verwachten en ontvangen ze kwestie van die opcentiemen hadden mogen verwachten en ontvangen ze
tevens niet de vergoeding die overeenkomstig artikel 44 van het tevens niet de vergoeding die overeenkomstig artikel 44 van het
decreet van 22 december 1995 aan hen zou moeten worden doorgestort om decreet van 22 december 1995 aan hen zou moeten worden doorgestort om
de gemaakte administratiekosten te dekken. de gemaakte administratiekosten te dekken.
B.12.1. In de parlementaire voorbereiding werden de volgende vragen B.12.1. In de parlementaire voorbereiding werden de volgende vragen
gesteld omtrent de financiële gevolgen van de bestreden bepaling voor gesteld omtrent de financiële gevolgen van de bestreden bepaling voor
de gemeenten die opcentiemen heffen op de gewestelijke heffing : de gemeenten die opcentiemen heffen op de gewestelijke heffing :
« De meeste vragen rijzen rond de overgangsbepalingen vervat in « De meeste vragen rijzen rond de overgangsbepalingen vervat in
artikel 44bis. De spreker verwijst in dit verband ook naar de reactie artikel 44bis. De spreker verwijst in dit verband ook naar de reactie
van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten. van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten.
[...] [...]
Welke richtlijnen zullen er worden gegeven aan de gemeenten die de Welke richtlijnen zullen er worden gegeven aan de gemeenten die de
opbrengst van deze heffing voor deze jaren in hun begroting hebben opbrengst van deze heffing voor deze jaren in hun begroting hebben
ingeschreven ? Hoe zullen zij aan deze middelen geraken ? Hoe zal dat ingeschreven ? Hoe zullen zij aan deze middelen geraken ? Hoe zal dat
gecompenseerd worden ? Of zijn de indieners [van het voorstel van gecompenseerd worden ? Of zijn de indieners [van het voorstel van
decreet] de mening toegedaan dat de gemeenten het zonder deze middelen decreet] de mening toegedaan dat de gemeenten het zonder deze middelen
moeten doen ? [...] » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. moeten doen ? [...] » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr.
1678/6, p. 19). 1678/6, p. 19).
Hierop werd enkel het volgende geantwoord : Hierop werd enkel het volgende geantwoord :
« Fiscaliteit is nochtans geen doel op zich, maar een hulpmiddel om de « Fiscaliteit is nochtans geen doel op zich, maar een hulpmiddel om de
burger een goede dienstverlening aan te bieden. Het doel van dit burger een goede dienstverlening aan te bieden. Het doel van dit
voorstel van decreet is leegstand wegwerken, en niet gemeenten aan voorstel van decreet is leegstand wegwerken, en niet gemeenten aan
extra inkomsten helpen » (Hand., Vlaams Parlement, 4 mei 2004, nr. 53, extra inkomsten helpen » (Hand., Vlaams Parlement, 4 mei 2004, nr. 53,
p. 123). p. 123).
B.12.2. In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 22 B.12.2. In de parlementaire voorbereiding van het decreet van 22
december 1995 werd immers herhaalde malen beklemtoond dat het doel van december 1995 werd immers herhaalde malen beklemtoond dat het doel van
de gewestelijke heffing niet van financiële aard is, en dat de heffing de gewestelijke heffing niet van financiële aard is, en dat de heffing
veeleer een ontradend effect heeft (Parl. St., Vlaams Parlement, veeleer een ontradend effect heeft (Parl. St., Vlaams Parlement,
1995-1996, nr. 147/1, p. 16, en nr. 147/12, pp. 9 en 26-27). 1995-1996, nr. 147/1, p. 16, en nr. 147/12, pp. 9 en 26-27).
Dit neemt evenwel niet weg dat, op het ogenblik dat de steden en Dit neemt evenwel niet weg dat, op het ogenblik dat de steden en
gemeenten besloten om voor de jaren 2002 en 2003 opcentiemen te heffen gemeenten besloten om voor de jaren 2002 en 2003 opcentiemen te heffen
op de gewestelijke heffing, zij, aan de hand van de beschikbare op de gewestelijke heffing, zij, aan de hand van de beschikbare
gegevens, redelijkerwijs konden aannemen dat die opcentiemen hun gegevens, redelijkerwijs konden aannemen dat die opcentiemen hun
bepaalde inkomsten zouden verschaffen. bepaalde inkomsten zouden verschaffen.
B.13.1. Volgens de Vlaamse Regering zou het verschil tussen gemeenten B.13.1. Volgens de Vlaamse Regering zou het verschil tussen gemeenten
die een eigen leegstandsheffing of krotbelasting opleggen en de die een eigen leegstandsheffing of krotbelasting opleggen en de
gemeenten die opcentiemen heffen op de gewestelijke heffing, het gemeenten die opcentiemen heffen op de gewestelijke heffing, het
gevolg zijn van de autonome beleidskeuze van de betrokken gemeenten. gevolg zijn van de autonome beleidskeuze van de betrokken gemeenten.
Overigens zou volgens haar niets verhinderen dat een gemeente een Overigens zou volgens haar niets verhinderen dat een gemeente een
eigen leegstandsheffing combineerde met opcentiemen op de gewestelijke eigen leegstandsheffing combineerde met opcentiemen op de gewestelijke
heffing. heffing.
B.13.2. Dienomtrent moet worden vastgesteld dat de steden en gemeenten B.13.2. Dienomtrent moet worden vastgesteld dat de steden en gemeenten
redelijkerwijs ervan uit konden gaan dat een dergelijke combinatie redelijkerwijs ervan uit konden gaan dat een dergelijke combinatie
niet mogelijk was. Zo werd in de parlementaire voorbereiding van het niet mogelijk was. Zo werd in de parlementaire voorbereiding van het
decreet van 22 december 1995 het volgende verklaard : decreet van 22 december 1995 het volgende verklaard :
« De gemeenten kunnen opcentiemen heffen op de gewestelijke heffing. « De gemeenten kunnen opcentiemen heffen op de gewestelijke heffing.
Zij kunnen de opcentiemen echter niet combineren met de belasting uit Zij kunnen de opcentiemen echter niet combineren met de belasting uit
een gemeentelijk reglement op de leegstand en de verkrotting, omdat in een gemeentelijk reglement op de leegstand en de verkrotting, omdat in
dit geval de regel ' non bis in idem ' van toepassing wordt. De dit geval de regel ' non bis in idem ' van toepassing wordt. De
gemeenten moeten m.a.w. kiezen tussen opcentiemen of het behoud van gemeenten moeten m.a.w. kiezen tussen opcentiemen of het behoud van
het gemeentelijk reglement » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1995-1996, het gemeentelijk reglement » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1995-1996,
nr. 147/1, p. 28; zie eveneens ibid., p. 18). nr. 147/1, p. 28; zie eveneens ibid., p. 18).
B.13.3. Bovendien vermochten de steden en gemeenten die voor het B.13.3. Bovendien vermochten de steden en gemeenten die voor het
stelsel van de opcentiemen kozen overeenkomstig de toen geldende stelsel van de opcentiemen kozen overeenkomstig de toen geldende
regeling, redelijkerwijs aan te nemen dat dit stelsel hun bepaalde regeling, redelijkerwijs aan te nemen dat dit stelsel hun bepaalde
inkomsten zou verzekeren, zonder dat ze daarnaast nog in een eigen inkomsten zou verzekeren, zonder dat ze daarnaast nog in een eigen
gemeentelijke heffing dienden te voorzien. gemeentelijke heffing dienden te voorzien.
B.14. Ook de bewering van de Vlaamse Regering dat de decreetgever de B.14. Ook de bewering van de Vlaamse Regering dat de decreetgever de
gemeenten niet een financieel resultaat zou hebben gewaarborgd dat gemeenten niet een financieel resultaat zou hebben gewaarborgd dat
soortgelijk is aan dat van een gemeentelijke leegstandsheffing, wordt soortgelijk is aan dat van een gemeentelijke leegstandsheffing, wordt
door de parlementaire voorbereiding tegengesproken : door de parlementaire voorbereiding tegengesproken :
« Om een gemeente de overgang van het gemeentelijk reglement naar het « Om een gemeente de overgang van het gemeentelijk reglement naar het
stelsel van de opcentiemen te vergemakkelijken werd niets bepaald stelsel van de opcentiemen te vergemakkelijken werd niets bepaald
omtrent het aantal opcentiemen dat de gemeenten mogen heffen. Doordat omtrent het aantal opcentiemen dat de gemeenten mogen heffen. Doordat
zij het aantal opcentiemen vrij kunnen vaststellen, kunnen zij zij het aantal opcentiemen vrij kunnen vaststellen, kunnen zij
desgewenst een gelijkaardig financieel resultaat bereiken als met het desgewenst een gelijkaardig financieel resultaat bereiken als met het
gemeentelijk reglement » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1995-1996, nr. gemeentelijk reglement » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1995-1996, nr.
147/1, p. 28; zie eveneens ibid., p. 18, en nr. 147/12, p. 15). 147/1, p. 28; zie eveneens ibid., p. 18, en nr. 147/12, p. 15).
B.15. De decreetgever wenste overigens de overgang van een B.15. De decreetgever wenste overigens de overgang van een
gemeentelijke heffing naar een gewestelijke heffing te gemeentelijke heffing naar een gewestelijke heffing te
vergemakkelijken. In de parlementaire voorbereiding van het decreet vergemakkelijken. In de parlementaire voorbereiding van het decreet
van 22 december 1995 werd hieromtrent het volgende verklaard : van 22 december 1995 werd hieromtrent het volgende verklaard :
« Om een gemeente de overgang van het gemeentelijk reglement naar het « Om een gemeente de overgang van het gemeentelijk reglement naar het
stelsel van de opcentiemen te vergemakkelijken : stelsel van de opcentiemen te vergemakkelijken :
[...] [...]
2) werd voorzien dat de gebouwen en/of woningen, waarvan bewezen is 2) werd voorzien dat de gebouwen en/of woningen, waarvan bewezen is
dat ze op 1 januari 1996, de datum van de inwerkingtreding van het dat ze op 1 januari 1996, de datum van de inwerkingtreding van het
gewestelijk stelsel, reeds twaalf maanden leegstonden, onmiddellijk gewestelijk stelsel, reeds twaalf maanden leegstonden, onmiddellijk
tot een gewestelijke heffing, inclusief eventuele opcentiemen, tot een gewestelijke heffing, inclusief eventuele opcentiemen,
aanleiding kunnen geven. Aangezien de gemeentereglementen het dienst- aanleiding kunnen geven. Aangezien de gemeentereglementen het dienst-
of kalenderjaar als belastbaar tijdperk hanteren, kunnen de gemeenten of kalenderjaar als belastbaar tijdperk hanteren, kunnen de gemeenten
zonder derving van inkomsten overschakelen bij de inwerkingtreding van zonder derving van inkomsten overschakelen bij de inwerkingtreding van
de decretale regeling; de decretale regeling;
[...] » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1995-1996, nr. 147/1, p. 18; zie [...] » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1995-1996, nr. 147/1, p. 18; zie
eveneens ibid., nr. 147/12, p. 15). eveneens ibid., nr. 147/12, p. 15).
Aldus werd beoogd de gemeenten aan te sporen het stelsel van de Aldus werd beoogd de gemeenten aan te sporen het stelsel van de
opcentiemen aan te nemen. Bij de totstandkoming van het decreet van 22 opcentiemen aan te nemen. Bij de totstandkoming van het decreet van 22
december 1995 verklaarde de bevoegde minister : december 1995 verklaarde de bevoegde minister :
« De regeling moest zodanig worden ontworpen dat de gemeenten toch de « De regeling moest zodanig worden ontworpen dat de gemeenten toch de
mogelijkheid hebben om zich hierbij aan te sluiten via de techniek van mogelijkheid hebben om zich hierbij aan te sluiten via de techniek van
de opcentiemen. de opcentiemen.
En omdat het gewest de gemeenten niet kan verplichten om aan te En omdat het gewest de gemeenten niet kan verplichten om aan te
sluiten, diende de regeling zelf daartoe een aantal aansporingen te sluiten, diende de regeling zelf daartoe een aantal aansporingen te
bevatten. bevatten.
Er werd dan ook maximaal tegemoet gekomen aan de wensen en Er werd dan ook maximaal tegemoet gekomen aan de wensen en
verzuchtingen van de gemeenten; voor de onoverkomelijke tekortkomingen verzuchtingen van de gemeenten; voor de onoverkomelijke tekortkomingen
in de eigen reglementen werden in het ontwerp, in de mate van het in de eigen reglementen werden in het ontwerp, in de mate van het
mogelijke, oplossingen geboden » (Parl. St., Vlaams Parlement, mogelijke, oplossingen geboden » (Parl. St., Vlaams Parlement,
1995-1996, nr. 147/12, p. 15). 1995-1996, nr. 147/12, p. 15).
B.16. Uit wat voorafgaat blijkt dat de decreetgever de steden en B.16. Uit wat voorafgaat blijkt dat de decreetgever de steden en
gemeenten ertoe heeft aangezet opcentiemen te heffen op de gemeenten ertoe heeft aangezet opcentiemen te heffen op de
gewestelijke heffing, in voorkomend geval ter vervanging van een gewestelijke heffing, in voorkomend geval ter vervanging van een
bestaande gemeentelijke krotbelasting of leegstandsheffing. bestaande gemeentelijke krotbelasting of leegstandsheffing.
Bovendien liet de decreetgever ook doorschemeren dat de overstap van Bovendien liet de decreetgever ook doorschemeren dat de overstap van
het stelsel van een gemeentelijke krotbelasting of leegstandsheffing het stelsel van een gemeentelijke krotbelasting of leegstandsheffing
naar het stelsel van opcentiemen op de gewestelijke heffing eenzelfde naar het stelsel van opcentiemen op de gewestelijke heffing eenzelfde
financieel resultaat zou opleveren en zonder derving van inkomsten zou financieel resultaat zou opleveren en zonder derving van inkomsten zou
geschieden. geschieden.
B.17.1. In die omstandigheden vermocht de decreetgever niet het B.17.1. In die omstandigheden vermocht de decreetgever niet het
gewettigde vertrouwen te verstoren van de steden en gemeenten die gewettigde vertrouwen te verstoren van de steden en gemeenten die
opcentiemen hieven op de gewestelijke heffing, zonder in enig opcentiemen hieven op de gewestelijke heffing, zonder in enig
compensatiemechanisme te voorzien voor de financiële inkomsten en de compensatiemechanisme te voorzien voor de financiële inkomsten en de
onkostenvergoeding die de betrokken steden en gemeenten door de onkostenvergoeding die de betrokken steden en gemeenten door de
bestreden bepaling ontberen. bestreden bepaling ontberen.
B.17.2. Ofschoon de decreetgever rekening kon houden met het feit dat B.17.2. Ofschoon de decreetgever rekening kon houden met het feit dat
een deel van de aanslagen met succes werd betwist, waardoor zowel de een deel van de aanslagen met succes werd betwist, waardoor zowel de
gewestelijke heffing als de opcentiemen op die heffing niet gewestelijke heffing als de opcentiemen op die heffing niet
verschuldigd waren, wat minder inkomsten opleverde voor de steden en verschuldigd waren, wat minder inkomsten opleverde voor de steden en
gemeenten die opcentiemen hieven, kon hij niet redelijkerwijs, door gemeenten die opcentiemen hieven, kon hij niet redelijkerwijs, door
met terugwerkende kracht de aanslagen die betrekking hebben op de met terugwerkende kracht de aanslagen die betrekking hebben op de
opnames en op de verjaardagen van eerdere opnames in de inventaris opnames en op de verjaardagen van eerdere opnames in de inventaris
vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 als niet bestaande te vanaf 1 januari 2002 tot en met 31 december 2003 als niet bestaande te
beschouwen, de betrokken steden en gemeenten het ganse inkomen van die beschouwen, de betrokken steden en gemeenten het ganse inkomen van die
financieringsbron ontnemen, zonder op enige wijze de door die gemiste financieringsbron ontnemen, zonder op enige wijze de door die gemiste
inkomsten en onkostenvergoeding te vergoeden. inkomsten en onkostenvergoeding te vergoeden.
B.17.3. Het enige middel is gegrond. B.17.3. Het enige middel is gegrond.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
vernietigt artikel 19 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei vernietigt artikel 19 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 7 mei
2004 houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende 2004 houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende
bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet
van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de
bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van
gebouwen en/of woningen. gebouwen en/of woningen.
Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits,
overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op
het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 december 2005. het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 7 december 2005.
De griffier, De griffier,
P.-Y. Dutilleux. P.-Y. Dutilleux.
De voorzitter, De voorzitter,
A. Arts. A. Arts.
^