Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest van --
← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 125/2005 van 13 juli 2005 Rolnummer 3035 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 19 december 2003 betreffende terroristische misdrijven, ingesteld door de v.z.w. Ligue des droits de l'homme en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 125/2005 van 13 juli 2005 Rolnummer 3035 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 19 december 2003 betreffende terroristische misdrijven, ingesteld door de v.z.w. Ligue des droits de l'homme en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts(...) Uittreksel uit arrest nr. 125/2005 van 13 juli 2005 Rolnummer 3035 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 19 december 2003 betreffende terroristische misdrijven, ingesteld door de v.z.w. Ligue des droits de l'homme en anderen. Het Arbitragehof, samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter A. Arts(...)
ARBITRAGEHOF ARBITRAGEHOF
Uittreksel uit arrest nr. 125/2005 van 13 juli 2005 Uittreksel uit arrest nr. 125/2005 van 13 juli 2005
Rolnummer 3035 Rolnummer 3035
In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 19 december 2003 In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 19 december 2003
betreffende terroristische misdrijven, ingesteld door de v.z.w. Ligue betreffende terroristische misdrijven, ingesteld door de v.z.w. Ligue
des droits de l'homme en anderen. des droits de l'homme en anderen.
Het Arbitragehof, Het Arbitragehof,
samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter samengesteld uit rechter P. Martens, waarnemend voorzitter, voorzitter
A. Arts en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L. A. Arts en de rechters R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, L.
Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en J. Spreutels, Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman en J. Spreutels,
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van
rechter P. Martens, rechter P. Martens,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 juni 2004 Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 juni 2004
ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 juni ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 30 juni
2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 19 december 2004, is beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 19 december
2003 betreffende terroristische misdrijven (bekendgemaakt in het 2003 betreffende terroristische misdrijven (bekendgemaakt in het
Belgisch Staatsblad van 29 december 2003, derde uitgave), door de Belgisch Staatsblad van 29 december 2003, derde uitgave), door de
v.z.w. Ligue des droits de l'homme, met maatschappelijke zetel te 1190 v.z.w. Ligue des droits de l'homme, met maatschappelijke zetel te 1190
Brussel, Alsembergsesteenweg 303, de v.z.w. Liga voor Mensenrechten, Brussel, Alsembergsesteenweg 303, de v.z.w. Liga voor Mensenrechten,
met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Van Stopenberghestraat 2, en met maatschappelijke zetel te 9000 Gent, Van Stopenberghestraat 2, en
de v.z.w. Syndicat des avocats pour la démocratie, met de v.z.w. Syndicat des avocats pour la démocratie, met
maatschappelijke zetel te 1060 Brussel, Berckmansstraat 83. maatschappelijke zetel te 1060 Brussel, Berckmansstraat 83.
(...) (...)
II. In rechte II. In rechte
(...) (...)
Ten aanzien de omvang van het beroep Ten aanzien de omvang van het beroep
B.1. De verzoekende partijen, die de vernietiging vorderen van de B.1. De verzoekende partijen, die de vernietiging vorderen van de
gehele wet van 19 december 2003 betreffende terroristische misdrijven, gehele wet van 19 december 2003 betreffende terroristische misdrijven,
preciseren echter dat zij in hoofdzaak de artikelen 3, 4, 13, 14 en 15 preciseren echter dat zij in hoofdzaak de artikelen 3, 4, 13, 14 en 15
van de voormelde wet zullen onderzoeken. Zij voegen eraan toe dat zij van de voormelde wet zullen onderzoeken. Zij voegen eraan toe dat zij
de vernietiging vorderen van de artikelen van de bestreden wet die in de vernietiging vorderen van de artikelen van de bestreden wet die in
het verzoekschrift niet specifiek worden onderzocht, in zoverre zij al het verzoekschrift niet specifiek worden onderzocht, in zoverre zij al
dan niet rechtstreeks verwijzen naar artikel 3 van de bestreden wet. dan niet rechtstreeks verwijzen naar artikel 3 van de bestreden wet.
Het Hof beperkt het onderzoek van het beroep tot het door de Het Hof beperkt het onderzoek van het beroep tot het door de
verzoekende partijen aldus omschreven onderwerp. verzoekende partijen aldus omschreven onderwerp.
Ten aanzien van de bestreden bepalingen Ten aanzien van de bestreden bepalingen
B.2. De artikelen 3, 4, 13, 14 en 15 van de wet van 19 december 2003 B.2. De artikelen 3, 4, 13, 14 en 15 van de wet van 19 december 2003
betreffende terroristische misdrijven bepalen : betreffende terroristische misdrijven bepalen :
«

Art. 3.In Titel Iter van Boek II van [het Strafwetboek] wordt een

«

Art. 3.In Titel Iter van Boek II van [het Strafwetboek] wordt een

artikel 137 ingevoegd, luidende : artikel 137 ingevoegd, luidende :
'

Art. 137.§ 1. Als terroristisch misdrijf wordt aangemerkt het

'

Art. 137.§ 1. Als terroristisch misdrijf wordt aangemerkt het

misdrijf bepaald in de §§ 2 en 3 dat door zijn aard of context een misdrijf bepaald in de §§ 2 en 3 dat door zijn aard of context een
land of een internationale organisatie ernstig kan schaden en land of een internationale organisatie ernstig kan schaden en
opzettelijk gepleegd is met het oogmerk om een bevolking ernstige opzettelijk gepleegd is met het oogmerk om een bevolking ernstige
vrees aan te jagen of om de overheid of een internationale organisatie vrees aan te jagen of om de overheid of een internationale organisatie
op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich op onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich
onthouden van een handeling, of om de politieke, constitutionele, onthouden van een handeling, of om de politieke, constitutionele,
economische of sociale basisstructuren van een land of een economische of sociale basisstructuren van een land of een
internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen. internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen.
§ 2. Als terroristisch misdrijf wordt onder de voorwaarden bepaald in § 2. Als terroristisch misdrijf wordt onder de voorwaarden bepaald in
§ 1, aangemerkt : § 1, aangemerkt :
1° het opzettelijk doden of opzettelijk toebrengen van slagen en 1° het opzettelijk doden of opzettelijk toebrengen van slagen en
verwondingen bedoeld in de artikelen 393 tot 404, 405bis, 405ter voor verwondingen bedoeld in de artikelen 393 tot 404, 405bis, 405ter voor
zover er naar de bovengenoemde artikelen wordt verwezen, 409, § 1, zover er naar de bovengenoemde artikelen wordt verwezen, 409, § 1,
eerste lid, en §§ 2 tot 5, 410 voorzover er naar de bovengenoemde eerste lid, en §§ 2 tot 5, 410 voorzover er naar de bovengenoemde
artikelen wordt verwezen, 417ter en 417quater ; artikelen wordt verwezen, 417ter en 417quater ;
2° de gijzelneming bedoeld in artikel 347bis ; 2° de gijzelneming bedoeld in artikel 347bis ;
3° de ontvoering bedoeld in de artikelen 428 tot 430 en 434 tot 437; 3° de ontvoering bedoeld in de artikelen 428 tot 430 en 434 tot 437;
4° de grootschalige vernieling of beschadiging bedoeld in de artikelen 4° de grootschalige vernieling of beschadiging bedoeld in de artikelen
521, eerste en derde lid, 522, 523, 525, 526, 550bis, § 3, 3°, in 521, eerste en derde lid, 522, 523, 525, 526, 550bis, § 3, 3°, in
artikel 15 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het artikel 15 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het
Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij, en in Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij, en in
artikel 114, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de artikel 114, § 4, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de
hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, waardoor hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, waardoor
mensenlevens in gevaar worden gebracht of aanzienlijke economische mensenlevens in gevaar worden gebracht of aanzienlijke economische
schade wordt aangericht; schade wordt aangericht;
5° het kapen van vliegtuigen bedoeld in artikel 30, § 1, 2°, van de 5° het kapen van vliegtuigen bedoeld in artikel 30, § 1, 2°, van de
wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november
1919 betreffende de regeling der luchtvaart; 1919 betreffende de regeling der luchtvaart;
6° het zich door bedrog, geweld of bedreiging jegens de kapitein 6° het zich door bedrog, geweld of bedreiging jegens de kapitein
meester maken van een schip, bedoeld in artikel 33 van de wet van 5 meester maken van een schip, bedoeld in artikel 33 van de wet van 5
juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de
koopvaardij en de zeevisserij; koopvaardij en de zeevisserij;
7° de strafbare feiten bedoeld in het koninklijk besluit van 23 7° de strafbare feiten bedoeld in het koninklijk besluit van 23
september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren,
opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van
springstoffen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 februari springstoffen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 februari
2000, en die strafbaar zijn gesteld door de artikelen 5 tot 7 van de 2000, en die strafbaar zijn gesteld door de artikelen 5 tot 7 van de
wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie
vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen; vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen;
8° de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 510 tot 513, 516 tot 8° de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 510 tot 513, 516 tot
518, 520, 547 tot 549, en in artikel 14 van de wet van 5 juni 1928 518, 520, 547 tot 549, en in artikel 14 van de wet van 5 juni 1928
houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij
en de zeevisserij, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht; en de zeevisserij, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht;
9° de strafbare feiten bedoeld in de wet van 3 januari 1933 op de 9° de strafbare feiten bedoeld in de wet van 3 januari 1933 op de
vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapenen en op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapenen en op de
handel in munitie; handel in munitie;
10° de strafbare feiten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van de 10° de strafbare feiten bedoeld in artikel 2, eerste lid, 2°, van de
wet van 10 juli 1978 houdende goedkeuring van het Verdrag tot verbod wet van 10 juli 1978 houdende goedkeuring van het Verdrag tot verbod
van de ontwikkeling, de productie en de aanleg van voorraden van van de ontwikkeling, de productie en de aanleg van voorraden van
bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de bacteriologische (biologische) en toxinewapens en inzake de
vernietiging van deze wapens, opgemaakt te Londen, Moskou en vernietiging van deze wapens, opgemaakt te Londen, Moskou en
Washington op 10 april 1972. Washington op 10 april 1972.
§ 3. Als terroristisch misdrijf wordt onder de voorwaarden bepaald in § 3. Als terroristisch misdrijf wordt onder de voorwaarden bepaald in
§ 1 eveneens aangemerkt : § 1 eveneens aangemerkt :
1° andere dan in § 2 bedoelde grootschalige vernieling of 1° andere dan in § 2 bedoelde grootschalige vernieling of
beschadiging, of het veroorzaken van een overstroming van een beschadiging, of het veroorzaken van een overstroming van een
infrastructurele voorziening, een vervoerssysteem, een publiek of infrastructurele voorziening, een vervoerssysteem, een publiek of
privaat eigendom, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht of privaat eigendom, waardoor mensenlevens in gevaar worden gebracht of
aanzienlijke economische schade wordt aangericht; aanzienlijke economische schade wordt aangericht;
2° het kapen van andere transportmiddelen dan bedoeld in het 5° en 6° 2° het kapen van andere transportmiddelen dan bedoeld in het 5° en 6°
van § 2; van § 2;
3° het vervaardigen, bezitten, verwerven, vervoeren, of leveren van 3° het vervaardigen, bezitten, verwerven, vervoeren, of leveren van
kernwapens of chemische wapens, het gebruik van kernwapens, kernwapens of chemische wapens, het gebruik van kernwapens,
biologische of chemische wapens, alsmede het verrichten van onderzoek biologische of chemische wapens, alsmede het verrichten van onderzoek
in en het ontwikkelen van chemische wapens; in en het ontwikkelen van chemische wapens;
4° het laten ontsnappen van gevaarlijke stoffen waardoor mensenlevens 4° het laten ontsnappen van gevaarlijke stoffen waardoor mensenlevens
in gevaar worden gebracht; in gevaar worden gebracht;
5° het verstoren of onderbreken van de toevoer van water, 5° het verstoren of onderbreken van de toevoer van water,
elektriciteit of andere essentiële natuurlijke hulpbronnen waardoor elektriciteit of andere essentiële natuurlijke hulpbronnen waardoor
mensenlevens in gevaar worden gebracht; mensenlevens in gevaar worden gebracht;
6° de bedreiging met het plegen van één van de strafbare feiten 6° de bedreiging met het plegen van één van de strafbare feiten
bedoeld in § 2 of in deze paragraaf. ' bedoeld in § 2 of in deze paragraaf. '

Art. 4.In dezelfde Titel wordt een artikel 138 ingevoegd, luidende :

Art. 4.In dezelfde Titel wordt een artikel 138 ingevoegd, luidende :

'

Art. 138.§ 1. De straffen voor de misdrijven opgesomd in artikel

'

Art. 138.§ 1. De straffen voor de misdrijven opgesomd in artikel

137, § 2, worden als volgt vervangen, indien die misdrijven worden 137, § 2, worden als volgt vervangen, indien die misdrijven worden
aangemerkt als terroristische misdrijven : aangemerkt als terroristische misdrijven :
1° geldboete, door gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar; 1° geldboete, door gevangenisstraf van een jaar tot drie jaar;
2° gevangenisstraf van niet meer dan zes maanden, door gevangenisstraf 2° gevangenisstraf van niet meer dan zes maanden, door gevangenisstraf
van niet meer dan drie jaar; van niet meer dan drie jaar;
3° gevangenisstraf van niet meer dan een jaar, door gevangenisstraf 3° gevangenisstraf van niet meer dan een jaar, door gevangenisstraf
van niet meer dan drie jaar; van niet meer dan drie jaar;
4° gevangenisstraf van niet meer dan drie jaar, door gevangenisstraf 4° gevangenisstraf van niet meer dan drie jaar, door gevangenisstraf
van niet meer dan vijf jaar; van niet meer dan vijf jaar;
5° gevangenisstraf van niet meer dan vijf jaar, door opsluiting van 5° gevangenisstraf van niet meer dan vijf jaar, door opsluiting van
vijf jaar tot tien jaar; vijf jaar tot tien jaar;
6° opsluiting van vijf jaar tot tien jaar, door opsluiting van tien 6° opsluiting van vijf jaar tot tien jaar, door opsluiting van tien
jaar tot vijftien jaar; jaar tot vijftien jaar;
7° opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, door opsluiting van 7° opsluiting van tien jaar tot vijftien jaar, door opsluiting van
vijftien jaar tot twintig jaar; vijftien jaar tot twintig jaar;
8° opsluiting van tien jaar tot twintig jaar door opsluiting van 8° opsluiting van tien jaar tot twintig jaar door opsluiting van
vijftien jaar tot twintig jaar; vijftien jaar tot twintig jaar;
9° opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar, door opsluiting van 9° opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar, door opsluiting van
twintig jaar tot dertig jaar; twintig jaar tot dertig jaar;
10° opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar, door levenslange 10° opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar, door levenslange
opsluiting. opsluiting.
§ 2. De terroristische misdrijven bedoeld in artikel 137, § 3, worden § 2. De terroristische misdrijven bedoeld in artikel 137, § 3, worden
gestraft met : gestraft met :
1° in het geval bedoeld in het 6°, gevangenisstraf van drie maanden 1° in het geval bedoeld in het 6°, gevangenisstraf van drie maanden
tot vijf jaar indien de bedreiging een misdrijf betreft strafbaar met tot vijf jaar indien de bedreiging een misdrijf betreft strafbaar met
een correctionele straf en opsluiting van vijf tot tien jaar indien de een correctionele straf en opsluiting van vijf tot tien jaar indien de
bedreiging een misdrijf betreft strafbaar met een criminele straf; bedreiging een misdrijf betreft strafbaar met een criminele straf;
2° opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar in de gevallen 2° opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar in de gevallen
bedoeld in het 1°, 2° en 5°; bedoeld in het 1°, 2° en 5°;
3° levenslange opsluiting in de gevallen bedoeld in het 3° en 4°. ' ». 3° levenslange opsluiting in de gevallen bedoeld in het 3° en 4°. ' ».
«

Art. 13.In artikel 6 van de wet van 17 april 1878 houdende de

«

Art. 13.In artikel 6 van de wet van 17 april 1878 houdende de

Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, gewijzigd bij Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering, gewijzigd bij
de wetten van 4 augustus 1914, 12 juli 1932, 4 april 2001 en 5 de wetten van 4 augustus 1914, 12 juli 1932, 4 april 2001 en 5
augustus 2003, wordt tussen 1°bis en 2°, een 1°ter ingevoegd, luidende augustus 2003, wordt tussen 1°bis en 2°, een 1°ter ingevoegd, luidende
: :
' 1°ter aan een terroristisch misdrijf bedoeld in Boek II, Titel Iter, ' 1°ter aan een terroristisch misdrijf bedoeld in Boek II, Titel Iter,
van het Strafwetboek. ' van het Strafwetboek. '

Art. 14.Artikel 10ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28

Art. 14.Artikel 10ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28

november 2000, wordt aangevuld als volgt : november 2000, wordt aangevuld als volgt :
' 4° een van de misdrijven bepaald in de artikelen 137, 140 en 141 van ' 4° een van de misdrijven bepaald in de artikelen 137, 140 en 141 van
het Strafwetboek die gepleegd zijn tegen een Belgische onderdaan of het Strafwetboek die gepleegd zijn tegen een Belgische onderdaan of
instelling, of tegen een instelling van de Europese Unie of van een instelling, of tegen een instelling van de Europese Unie of van een
orgaan opgericht overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de orgaan opgericht overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de
Europese Gemeenschap of het Verdrag betreffende de Europese Unie, die Europese Gemeenschap of het Verdrag betreffende de Europese Unie, die
in het Rijk is gevestigd. ' in het Rijk is gevestigd. '

Art. 15.In artikel 90ter, § 2, van het Wetboek van strafvordering,

Art. 15.In artikel 90ter, § 2, van het Wetboek van strafvordering,

ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wetten van 7 ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994 en gewijzigd bij de wetten van 7
en 13 april 1995, 10 juni 1998, 28 november 2000, 29 november en 11 en 13 april 1995, 10 juni 1998, 28 november 2000, 29 november en 11
december 2001, 7 juni 2002, 6 januari en 5 augustus 2003, worden de december 2001, 7 juni 2002, 6 januari en 5 augustus 2003, worden de
punten 1°ter tot 1°septies vervangen als volgt : punten 1°ter tot 1°septies vervangen als volgt :
' 1°ter de artikelen 137, 140 en 141 van hetzelfde Wetboek; ' 1°ter de artikelen 137, 140 en 141 van hetzelfde Wetboek;
1°quater artikel 210bis van hetzelfde Wetboek; 1°quater artikel 210bis van hetzelfde Wetboek;
1°quinquies de artikelen 246, 247, 248, 249, 250 en 251 van hetzelfde 1°quinquies de artikelen 246, 247, 248, 249, 250 en 251 van hetzelfde
Wetboek; Wetboek;
1°sexies artikel 259bis van hetzelfde Wetboek; 1°sexies artikel 259bis van hetzelfde Wetboek;
1°septies artikel 314bis van hetzelfde Wetboek; 1°septies artikel 314bis van hetzelfde Wetboek;
1°octies de artikelen 324bis en 324ter van hetzelfde Wetboek. ' ». 1°octies de artikelen 324bis en 324ter van hetzelfde Wetboek. ' ».
Ten aanzien van de draagwijdte van het kaderbesluit van 13 juni 2002 Ten aanzien van de draagwijdte van het kaderbesluit van 13 juni 2002
B.3.1. De wet van 19 december 2003 heeft met name tot doel het B.3.1. De wet van 19 december 2003 heeft met name tot doel het
kaderbesluit van 13 juni 2002, dat op grond van artikel 34, lid 2, van kaderbesluit van 13 juni 2002, dat op grond van artikel 34, lid 2, van
het Verdrag betreffende de Europese Unie door de Raad is vastgesteld, het Verdrag betreffende de Europese Unie door de Raad is vastgesteld,
in het Belgische recht om te zetten. in het Belgische recht om te zetten.
Het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake Het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake
terrorismebestrijding (PB, L, 164, 22 juni 2002) verplicht de terrorismebestrijding (PB, L, 164, 22 juni 2002) verplicht de
lidstaten om drie categorieën van misdrijven strafbaar te stellen : de lidstaten om drie categorieën van misdrijven strafbaar te stellen : de
« terroristische misdrijven », de « strafbare feiten met betrekking « terroristische misdrijven », de « strafbare feiten met betrekking
tot een terroristische groep » en de « strafbare feiten in verband met tot een terroristische groep » en de « strafbare feiten in verband met
terroristische activiteiten ». Alleen de eerste twee categorieën terroristische activiteiten ». Alleen de eerste twee categorieën
worden evenwel door de bestreden wet in het Belgische recht omgezet. worden evenwel door de bestreden wet in het Belgische recht omgezet.
Aangezien de derde categorie reeds in België strafbaar gestelde Aangezien de derde categorie reeds in België strafbaar gestelde
handelingen ter voorbereiding van terroristische misdrijven beoogt, handelingen ter voorbereiding van terroristische misdrijven beoogt,
heeft de wetgever geoordeeld dat hij de Belgische wetgeving op dat heeft de wetgever geoordeeld dat hij de Belgische wetgeving op dat
vlak niet diende aan te vullen (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC vlak niet diende aan te vullen (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC
51-0258/001, pp. 7 en 8). De wetgever heeft in de voormelde wet echter 51-0258/001, pp. 7 en 8). De wetgever heeft in de voormelde wet echter
ook een artikel 7 opgenomen dat in het Strafwetboek een artikel 141 ook een artikel 7 opgenomen dat in het Strafwetboek een artikel 141
invoegt, teneinde het Belgische recht in overeenstemming te brengen invoegt, teneinde het Belgische recht in overeenstemming te brengen
met het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van met het Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering van
terrorisme, aangenomen te New York op 9 december 1999, dat toen nog terrorisme, aangenomen te New York op 9 december 1999, dat toen nog
niet door België was geratificeerd. Ten slotte bepaalt het nieuwe niet door België was geratificeerd. Ten slotte bepaalt het nieuwe
artikel 141bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 8 van de artikel 141bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij artikel 8 van de
wet van 19 december 2003, dat de wet niet van toepassing is op de wet van 19 december 2003, dat de wet niet van toepassing is op de
handelingen van strijdkrachten, terwijl artikel 9 van dezelfde wet het handelingen van strijdkrachten, terwijl artikel 9 van dezelfde wet het
nieuwe artikel 141ter in het Strafwetboek invoegt, dat tot doel heeft nieuwe artikel 141ter in het Strafwetboek invoegt, dat tot doel heeft
de uitoefening van bepaalde fundamentele rechten te waarborgen. de uitoefening van bepaalde fundamentele rechten te waarborgen.
B.3.2. Hieruit volgt dat het doel van de bestreden wet van 19 december B.3.2. Hieruit volgt dat het doel van de bestreden wet van 19 december
2003 tegelijk ruimer en beperkter is dan dat van het voormelde 2003 tegelijk ruimer en beperkter is dan dat van het voormelde
kaderbesluit van 13 juni 2002. Luidens artikel 34, lid 2, onder b), kaderbesluit van 13 juni 2002. Luidens artikel 34, lid 2, onder b),
van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zijn de « kaderbesluiten van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zijn de « kaderbesluiten
[...] verbindend voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken [...] verbindend voor de lidstaten ten aanzien van het te bereiken
resultaat, doch [wordt] aan de nationale instanties [...] de resultaat, doch [wordt] aan de nationale instanties [...] de
bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Zij hebben geen bevoegdheid gelaten vorm en middelen te kiezen. Zij hebben geen
rechtstreekse werking ». rechtstreekse werking ».
Ten aanzien van het eerste middel Ten aanzien van het eerste middel
B.4. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel aan dat B.4. De verzoekende partijen voeren in een eerste middel aan dat
artikel 3 van de wet van 19 december 2003 in strijd zou zijn met de artikel 3 van de wet van 19 december 2003 in strijd zou zijn met de
artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7 artikelen 12 en 14 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7
van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 15 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met artikel 15
van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten. Zij zijn in de eerste plaats van mening dat het rechten. Zij zijn in de eerste plaats van mening dat het
wettigheidsbeginsel zou zijn geschonden doordat het terroristisch wettigheidsbeginsel zou zijn geschonden doordat het terroristisch
misdrijf te ruim of op onnauwkeurige wijze zou zijn gedefinieerd. Zij misdrijf te ruim of op onnauwkeurige wijze zou zijn gedefinieerd. Zij
bekritiseren in het bijzonder het vage karakter van de bewoordingen bekritiseren in het bijzonder het vage karakter van de bewoordingen
die in artikel 137, § 1, van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel die in artikel 137, § 1, van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel
3, worden gebruikt om een terroristisch misdrijf te kwalificeren. Dat 3, worden gebruikt om een terroristisch misdrijf te kwalificeren. Dat
laatste wordt gedefinieerd als het misdrijf dat « door zijn aard of laatste wordt gedefinieerd als het misdrijf dat « door zijn aard of
context een land of een internationale organisatie ernstig kan schaden context een land of een internationale organisatie ernstig kan schaden
». ».
Daar in de parlementaire voorbereiding geen aanwijzingen worden Daar in de parlementaire voorbereiding geen aanwijzingen worden
gegeven in verband met de inhoud van die bewoordingen, voeren de gegeven in verband met de inhoud van die bewoordingen, voeren de
verzoekende partijen aan dat het aan de rechter, maar ook aan de verzoekende partijen aan dat het aan de rechter, maar ook aan de
politiediensten zal staan om die te geven, waardoor niet iedereen de politiediensten zal staan om die te geven, waardoor niet iedereen de
werkelijke inhoud van het nieuwe misdrijf zal kunnen kennen. De werkelijke inhoud van het nieuwe misdrijf zal kunnen kennen. De
verzoekende partijen zijn voorts van mening dat het opzettelijk verzoekende partijen zijn voorts van mening dat het opzettelijk
element, het bijzonder opzet dat als tweede bestanddeel van het element, het bijzonder opzet dat als tweede bestanddeel van het
terroristisch misdrijf is vereist, eveneens op te onnauwkeurige wijze terroristisch misdrijf is vereist, eveneens op te onnauwkeurige wijze
is gedefinieerd. De formulering van dat opzet zou in verschillende is gedefinieerd. De formulering van dat opzet zou in verschillende
opzichten onduidelijk zijn, waarbij het terroristisch misdrijf het opzichten onduidelijk zijn, waarbij het terroristisch misdrijf het
misdrijf is dat « opzettelijk gepleegd is met het oogmerk om een misdrijf is dat « opzettelijk gepleegd is met het oogmerk om een
bevolking ernstige vrees aan te jagen of om de overheid of een bevolking ernstige vrees aan te jagen of om de overheid of een
internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het internationale organisatie op onrechtmatige wijze te dwingen tot het
verrichten of het zich onthouden van een handeling, of om de verrichten of het zich onthouden van een handeling, of om de
politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van politieke, constitutionele, economische of sociale basisstructuren van
een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of een land of een internationale organisatie ernstig te ontwrichten of
te vernietigen ». Die onduidelijkheid bij het definiëren van het te vernietigen ». Die onduidelijkheid bij het definiëren van het
opzettelijk element zou eveneens afbreuk doen aan het opzettelijk element zou eveneens afbreuk doen aan het
wettigheidsbeginsel in strafzaken, dat ervan uitgaat dat de strafwet wettigheidsbeginsel in strafzaken, dat ervan uitgaat dat de strafwet
in zodanige bewoordingen moet zijn geformuleerd dat iedereen, op het in zodanige bewoordingen moet zijn geformuleerd dat iedereen, op het
ogenblik dat een gedraging wordt aangenomen, moet kunnen weten of die ogenblik dat een gedraging wordt aangenomen, moet kunnen weten of die
gedraging al dan niet strafbaar is. gedraging al dan niet strafbaar is.
B.5. De bestreden wet heeft met name tot doel het voormelde B.5. De bestreden wet heeft met name tot doel het voormelde
kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 om te kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 om te
zetten. Volgens de memorie van toelichting hebben beide normen drie zetten. Volgens de memorie van toelichting hebben beide normen drie
doelstellingen : « in de eerste plaats wordt een stevige juridische doelstellingen : « in de eerste plaats wordt een stevige juridische
houvast geboden teneinde de vervolging van ' terroristische misdrijven houvast geboden teneinde de vervolging van ' terroristische misdrijven
' doeltreffend aan te pakken door de omschrijving van het fenomeen ' doeltreffend aan te pakken door de omschrijving van het fenomeen
zelf. Vervolgens worden de straffen voor bepaalde soorten ' zelf. Vervolgens worden de straffen voor bepaalde soorten '
terroristische misdrijven ' strenger gemaakt. De laatste doelstelling terroristische misdrijven ' strenger gemaakt. De laatste doelstelling
beoogt de omschrijving van een terroristische groep en de beoogt de omschrijving van een terroristische groep en de
strafbaarstelling van de personen die deelnemen aan activiteiten van strafbaarstelling van de personen die deelnemen aan activiteiten van
een terroristische groep of de leiding ervan waarnemen » (Parl. St., een terroristische groep of de leiding ervan waarnemen » (Parl. St.,
Kamer, 2003-2004, DOC 51-0258/001, pp. 6 en 7). Kamer, 2003-2004, DOC 51-0258/001, pp. 6 en 7).
B.6.1. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt : B.6.1. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt :
« Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en « Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en
in de vorm die zij voorschrijft ». in de vorm die zij voorschrijft ».
Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : Artikel 14 van de Grondwet bepaalt :
« Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ».
B.6.2. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen, B.6.2. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen,
enerzijds, om te bepalen in welke gevallen en in welke vorm enerzijds, om te bepalen in welke gevallen en in welke vorm
strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, om een wet aan te nemen op strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, om een wet aan te nemen op
grond waarvan een straf kan worden bepaald en toegepast, waarborgen de grond waarvan een straf kan worden bepaald en toegepast, waarborgen de
artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke burger dat artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke burger dat
geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen enkele geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen enkele
straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een
democratisch verkozen beraadslagende vergadering. democratisch verkozen beraadslagende vergadering.
Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat bovendien uit van de idee Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat bovendien uit van de idee
dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond
waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan
uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar is. Het eist dat de
wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid
biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, biedende bewoordingen bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld,
zodat, enerzijds, degene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende zodat, enerzijds, degene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende
wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag
kan zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote kan zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote
beoordelingsvrijheid wordt gelaten. beoordelingsvrijheid wordt gelaten.
Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de
weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er weg dat de wet aan de rechter een beoordelingsbevoegdheid toekent. Er
dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van
de wetten, de diversiteit en de veranderlijkheid van de situaties, de wetten, de diversiteit en de veranderlijkheid van de situaties,
alsook de aangelegenheden waarop zij van toepassing zijn en de alsook de aangelegenheden waarop zij van toepassing zijn en de
evolutie van de gedragingen die zij bestraffen. evolutie van de gedragingen die zij bestraffen.
B.6.3. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft een analoge B.6.3. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft een analoge
rechtspraak ontwikkeld met betrekking tot artikel 7 van het Europees rechtspraak ontwikkeld met betrekking tot artikel 7 van het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het wettigheidsbeginsel in Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat het wettigheidsbeginsel in
strafzaken inhoudt. Het Hof stelt in zijn arrest Kokkinakis strafzaken inhoudt. Het Hof stelt in zijn arrest Kokkinakis
t/Griekenland van 25 mei 1993 (Série A, nr. 260-A, §§ 40 en 52) : t/Griekenland van 25 mei 1993 (Série A, nr. 260-A, §§ 40 en 52) :
« [...] de bewoordingen van heel wat wetten missen absolute precisie. « [...] de bewoordingen van heel wat wetten missen absolute precisie.
Vele daarvan houden het, om reden van de noodzaak een buitensporige Vele daarvan houden het, om reden van de noodzaak een buitensporige
strakheid te vermijden en zich aan te passen aan veranderende strakheid te vermijden en zich aan te passen aan veranderende
situaties, noodgedwongen bij min of meer vage formuleringen (zie situaties, noodgedwongen bij min of meer vage formuleringen (zie
bijvoorbeeld mutatis mutandis, arrest Müller en anderen t/Zwitserland bijvoorbeeld mutatis mutandis, arrest Müller en anderen t/Zwitserland
van 24 mei 1988, Série A, nr. 133, p. 20, paragraaf 29). [...] De van 24 mei 1988, Série A, nr. 133, p. 20, paragraaf 29). [...] De
interpretatie en de toepassing van dergelijke teksten hangen af van de interpretatie en de toepassing van dergelijke teksten hangen af van de
praktijk ». praktijk ».
Het Hof is vervolgens van oordeel dat artikel 7 « eveneens, op meer Het Hof is vervolgens van oordeel dat artikel 7 « eveneens, op meer
algemene wijze, het wettigheidsbeginsel van de misdrijven en de algemene wijze, het wettigheidsbeginsel van de misdrijven en de
straffen verankert » en dat « daaruit volgt dat een misdrijf duidelijk straffen verankert » en dat « daaruit volgt dat een misdrijf duidelijk
moet worden gedefinieerd in de wet ». In dat arrest heeft het Hof moet worden gedefinieerd in de wet ». In dat arrest heeft het Hof
daaraan toegevoegd dat « die voorwaarde is vervuld wanneer het daaraan toegevoegd dat « die voorwaarde is vervuld wanneer het
individu, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, individu, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en,
indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de indien nodig, met behulp van de interpretatie daarvan door de
rechtbanken, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn rechtbanken, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn
[strafrechtelijke] aansprakelijkheid meebrengen ». [strafrechtelijke] aansprakelijkheid meebrengen ».
In zijn arrest S.W. t/Verenigd Koninkrijk van 22 november 1995 (Série In zijn arrest S.W. t/Verenigd Koninkrijk van 22 november 1995 (Série
A, nr. 335-B, § 36), heeft het Hof gepreciseerd : A, nr. 335-B, § 36), heeft het Hof gepreciseerd :
« Hoe duidelijk de bewoordingen van een wetsbepaling ook mogen zijn, « Hoe duidelijk de bewoordingen van een wetsbepaling ook mogen zijn,
er bestaat, in ongeacht welk rechtsstelsel, met inbegrip van het er bestaat, in ongeacht welk rechtsstelsel, met inbegrip van het
strafrecht, onvermijdelijk een element van rechterlijke interpretatie. strafrecht, onvermijdelijk een element van rechterlijke interpretatie.
[...] Artikel 7 van het Verdrag kan niet in die zin worden [...] Artikel 7 van het Verdrag kan niet in die zin worden
geïnterpreteerd dat het verbiedt dat de regels van de strafrechtelijke geïnterpreteerd dat het verbiedt dat de regels van de strafrechtelijke
aansprakelijkheid door de rechterlijke interpretatie geleidelijk aansprakelijkheid door de rechterlijke interpretatie geleidelijk
worden verduidelijkt van geval tot geval, op voorwaarde dat het worden verduidelijkt van geval tot geval, op voorwaarde dat het
resultaat samenhangend is met de kern van de inbreuk en het redelijk resultaat samenhangend is met de kern van de inbreuk en het redelijk
voorzienbaar is ». voorzienbaar is ».
Het Hof heeft in het arrest Cantoni t/Frankrijk van 15 november 1996 Het Hof heeft in het arrest Cantoni t/Frankrijk van 15 november 1996
(Recueil 1996-V), na te hebben bevestigd dat de legaliteitsvoorwaarde (Recueil 1996-V), na te hebben bevestigd dat de legaliteitsvoorwaarde
« vervuld is wanneer de rechtzoekende op basis van de bewoordingen van « vervuld is wanneer de rechtzoekende op basis van de bewoordingen van
de relevante bepaling (art. 7) en desnoods, met behulp van de de relevante bepaling (art. 7) en desnoods, met behulp van de
interpretatie ervan door de rechtbanken, kan weten welke handelingen interpretatie ervan door de rechtbanken, kan weten welke handelingen
en verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen » (§ en verzuimen zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid meebrengen » (§
29), het volgende in herinnering gebracht : 29), het volgende in herinnering gebracht :
« [...] vanwege het beginsel zelf van de algemeenheid van de wetten, « [...] vanwege het beginsel zelf van de algemeenheid van de wetten,
kunnen de bewoordingen daarvan geen absolute precisie vertonen. Een kunnen de bewoordingen daarvan geen absolute precisie vertonen. Een
van de typische regelgevingstechnieken bestaat erin gebruik te maken van de typische regelgevingstechnieken bestaat erin gebruik te maken
van algemene categorieën, veeleer dan van exhaustieve lijsten. Aldus van algemene categorieën, veeleer dan van exhaustieve lijsten. Aldus
worden in talrijke wetten noodgedwongen min of meer vage bewoordingen worden in talrijke wetten noodgedwongen min of meer vage bewoordingen
gehanteerd teneinde een overdreven rigiditeit te vermijden en te gehanteerd teneinde een overdreven rigiditeit te vermijden en te
kunnen mee evolueren met wijzigende situaties. De interpretatie en de kunnen mee evolueren met wijzigende situaties. De interpretatie en de
toepassing van dergelijke teksten hangen af van de praktijk » (§ 31). toepassing van dergelijke teksten hangen af van de praktijk » (§ 31).
Ten slotte heeft het Hof opgemerkt : Ten slotte heeft het Hof opgemerkt :
« [...] de draagwijdte van het begrip voorzienbaarheid hangt in ruime « [...] de draagwijdte van het begrip voorzienbaarheid hangt in ruime
mate af van de inhoud van de desbetreffende tekst, het domein dat hij mate af van de inhoud van de desbetreffende tekst, het domein dat hij
bestrijkt en het aantal en de hoedanigheid van de adressaten ervan bestrijkt en het aantal en de hoedanigheid van de adressaten ervan
[...]. De voorzienbaarheid van de wet verzet zich niet ertegen dat de [...]. De voorzienbaarheid van de wet verzet zich niet ertegen dat de
betrokkenen ertoe worden aangezet een beroep te doen op bekwame betrokkenen ertoe worden aangezet een beroep te doen op bekwame
raadslieden om de gevolgen die uit een bepaalde handeling kunnen raadslieden om de gevolgen die uit een bepaalde handeling kunnen
voortvloeien, tot op een niveau dat binnen de omstandigheden van de voortvloeien, tot op een niveau dat binnen de omstandigheden van de
zaak redelijk is, te beoordelen » (§ 35). zaak redelijk is, te beoordelen » (§ 35).
B.7.1. Het is slechts bij het onderzoek van een specifieke B.7.1. Het is slechts bij het onderzoek van een specifieke
strafbepaling dat het mogelijk is om, rekening houdend met de strafbepaling dat het mogelijk is om, rekening houdend met de
elementen vermeld in B.6.2 in fine en in het bijzonder de elementen elementen vermeld in B.6.2 in fine en in het bijzonder de elementen
eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door
de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen zo vaag zijn dat ze het
wettigheidsbeginsel in strafzaken zouden schenden. wettigheidsbeginsel in strafzaken zouden schenden.
B.7.2. Te dezen is de definitie die artikel 137, § 1, van het B.7.2. Te dezen is de definitie die artikel 137, § 1, van het
Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 3 van de bestreden wet, geeft aan Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 3 van de bestreden wet, geeft aan
het begrip « terroristisch misdrijf » geïnspireerd op de tekst van het begrip « terroristisch misdrijf » geïnspireerd op de tekst van
artikel 1, lid 1, van het voormelde kaderbesluit van 13 juni 2002 en artikel 1, lid 1, van het voormelde kaderbesluit van 13 juni 2002 en
verwijst zij naar de « context » waarin het wordt gepleegd en naar de verwijst zij naar de « context » waarin het wordt gepleegd en naar de
« aard » ervan. De Minister van Justitie, die tijdens de parlementaire « aard » ervan. De Minister van Justitie, die tijdens de parlementaire
voorbereiding hierover is ondervraagd, heeft gepreciseerd dat het voorbereiding hierover is ondervraagd, heeft gepreciseerd dat het
woord « context » als dusdanig is overgenomen uit het kaderbesluit : woord « context » als dusdanig is overgenomen uit het kaderbesluit :
« Met dat woord kan men niet alleen rekening houden met de aard van « Met dat woord kan men niet alleen rekening houden met de aard van
het misdrijf, maar ook met de gevolgen voor de organisatie en het het misdrijf, maar ook met de gevolgen voor de organisatie en het
bestuur van een land. Het zal de hoven en rechtbanken toekomen geval bestuur van een land. Het zal de hoven en rechtbanken toekomen geval
per geval te beoordelen of het misdrijf door de context waarin het per geval te beoordelen of het misdrijf door de context waarin het
wordt gepleegd, een land of een internationale organisatie ernstig kan wordt gepleegd, een land of een internationale organisatie ernstig kan
schaden » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0258/004, p. 14). schaden » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0258/004, p. 14).
Wat het opzettelijk element van het terroristisch misdrijf betreft, is Wat het opzettelijk element van het terroristisch misdrijf betreft, is
het juist dat de daaraan gegeven definitie, namelijk « opzettelijk het juist dat de daaraan gegeven definitie, namelijk « opzettelijk
gepleegd [...] met het oogmerk om een bevolking ernstige vrees aan te gepleegd [...] met het oogmerk om een bevolking ernstige vrees aan te
jagen of om de overheid of een internationale organisatie op jagen of om de overheid of een internationale organisatie op
onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich onrechtmatige wijze te dwingen tot het verrichten of het zich
onthouden van een handeling, of om de politieke, constitutionele, onthouden van een handeling, of om de politieke, constitutionele,
economische of sociale basisstructuren van een land of een economische of sociale basisstructuren van een land of een
internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen », internationale organisatie ernstig te ontwrichten of te vernietigen »,
in sommige gevallen aanleiding zou kunnen geven tot in sommige gevallen aanleiding zou kunnen geven tot
interpretatiemoeilijkheden. interpretatiemoeilijkheden.
Gelet op de keuze van de termen « ernstig », die tweemaal wordt Gelet op de keuze van de termen « ernstig », die tweemaal wordt
gebruikt, « op onrechtmatige wijze » of « vernietigen » en op de gebruikt, « op onrechtmatige wijze » of « vernietigen » en op de
verplichting om strafbepalingen strikt te interpreteren, zullen de verplichting om strafbepalingen strikt te interpreteren, zullen de
rechters die ze moeten interpreteren, feiten slechts als terroristisch rechters die ze moeten interpreteren, feiten slechts als terroristisch
misdrijf kunnen kwalificeren wanneer zij gepaard gaan met een misdrijf kunnen kwalificeren wanneer zij gepaard gaan met een
voornemen om de beoogde elementen ernstig te schaden, waardoor de voornemen om de beoogde elementen ernstig te schaden, waardoor de
bestanddelen van het misdrijf op voldoende wijze worden omschreven en bestanddelen van het misdrijf op voldoende wijze worden omschreven en
het voor iedere natuurlijke of rechtspersoon redelijkerwijs mogelijk het voor iedere natuurlijke of rechtspersoon redelijkerwijs mogelijk
is om de strafrechterlijke gevolgen van de aldus gedefinieerde, door is om de strafrechterlijke gevolgen van de aldus gedefinieerde, door
hem aangenomen gedragingen vooraf te kennen. hem aangenomen gedragingen vooraf te kennen.
Hetzelfde geldt voor de term « grootschalige » die in artikel 137, § Hetzelfde geldt voor de term « grootschalige » die in artikel 137, §
3, 1°, van het Strafwetboek, ingevoegd bij hetzelfde artikel 3, de 3, 1°, van het Strafwetboek, ingevoegd bij hetzelfde artikel 3, de
vernieling of beschadiging van een infrastructurele voorzienig, een vernieling of beschadiging van een infrastructurele voorzienig, een
vervoerssysteem, een publiek of privaat eigendom kwalificeert, en voor vervoerssysteem, een publiek of privaat eigendom kwalificeert, en voor
de term « aanzienlijke » die de intensiteit van de economische schade de term « aanzienlijke » die de intensiteit van de economische schade
als gevolg van die handelingen kwalificeert. Die termen maken het de als gevolg van die handelingen kwalificeert. Die termen maken het de
rechters die ze moeten interpreteren, niet mogelijk om handelingen rechters die ze moeten interpreteren, niet mogelijk om handelingen
waarvan de gevolgen kennelijk niet aanzienlijk zouden zijn, als waarvan de gevolgen kennelijk niet aanzienlijk zouden zijn, als
terroristische misdrijven te beschouwen. terroristische misdrijven te beschouwen.
Aan een tekst met algemene draagwijdte kan niet worden verweten geen Aan een tekst met algemene draagwijdte kan niet worden verweten geen
preciezere definitie van het opzet te geven dat is vereist voor een preciezere definitie van het opzet te geven dat is vereist voor een
geheel van misdrijven die als terroristische misdrijven kunnen worden geheel van misdrijven die als terroristische misdrijven kunnen worden
bestraft. Zoals het hem toekomt wanneer hij over de ernst van de aan bestraft. Zoals het hem toekomt wanneer hij over de ernst van de aan
hem voorgelegde feiten moet oordelen, zal de rechter dat opzet moeten hem voorgelegde feiten moet oordelen, zal de rechter dat opzet moeten
beoordelen, niet op grond van subjectieve opvattingen die de beoordelen, niet op grond van subjectieve opvattingen die de
toepassing van de in het geding zijnde bepaling onvoorzienbaar zouden toepassing van de in het geding zijnde bepaling onvoorzienbaar zouden
maken, maar door de objectieve bestanddelen van elk misdrijf in maken, maar door de objectieve bestanddelen van elk misdrijf in
overweging te nemen en met de specifieke omstandigheden van elke zaak overweging te nemen en met de specifieke omstandigheden van elke zaak
rekening te houden. Evenzo staat het aan de rechter om het vereiste rekening te houden. Evenzo staat het aan de rechter om het vereiste
bijzondere opzet te beoordelen. Wat betreft de te verregaande bijzondere opzet te beoordelen. Wat betreft de te verregaande
bevoegdheden waarover de politiediensten, volgens de verzoekende bevoegdheden waarover de politiediensten, volgens de verzoekende
partijen, zouden beschikken als gevolg van de onbepaaldheid van de partijen, zouden beschikken als gevolg van de onbepaaldheid van de
gebruikte bewoordingen, merkt het Hof op dat de opdrachten van de gebruikte bewoordingen, merkt het Hof op dat de opdrachten van de
politie in strafzaken onder het toezicht van de hoven en rechtbanken politie in strafzaken onder het toezicht van de hoven en rechtbanken
worden uitgeoefend. worden uitgeoefend.
B.7.3. Ten slotte verbiedt artikel 139, tweede lid, van het B.7.3. Ten slotte verbiedt artikel 139, tweede lid, van het
Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 5 van de bestreden wet, « een Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 5 van de bestreden wet, « een
organisatie waarvan het feitelijk oogmerk uitsluitend politiek, organisatie waarvan het feitelijk oogmerk uitsluitend politiek,
vakorganisatorisch, menslievend, levensbeschouwelijk of godsdienstig vakorganisatorisch, menslievend, levensbeschouwelijk of godsdienstig
is of die uitsluitend enig ander rechtmatig oogmerk nastreeft » als is of die uitsluitend enig ander rechtmatig oogmerk nastreeft » als
een terroristische groep te beschouwen. een terroristische groep te beschouwen.
Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever het gevaar Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever het gevaar
voor misbruiken heeft ingezien waartoe de aanneming van een strafwet voor misbruiken heeft ingezien waartoe de aanneming van een strafwet
tot bestraffing van terroristische handelingen aanleiding kon geven en tot bestraffing van terroristische handelingen aanleiding kon geven en
dat, ondanks het advies van de Raad van State, die van mening was dat dat, ondanks het advies van de Raad van State, die van mening was dat
die bepaling een « vanzelfsprekendheid [was] die niet thuishoort in die bepaling een « vanzelfsprekendheid [was] die niet thuishoort in
het Strafwetboek », die bepaling bewust werd behouden om het evenwicht het Strafwetboek », die bepaling bewust werd behouden om het evenwicht
te bewaren tussen de doeltreffendheid van de strijd tegen het te bewaren tussen de doeltreffendheid van de strijd tegen het
terrorisme en de eerbiediging van de fundamentele vrijheden : « In die terrorisme en de eerbiediging van de fundamentele vrijheden : « In die
zaken is het beter nodeloos uitdrukkelijk te zijn dan gevaarlijk zaken is het beter nodeloos uitdrukkelijk te zijn dan gevaarlijk
stilzwijgend en dubbelzinnig » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC stilzwijgend en dubbelzinnig » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC
51-0258/004, pp. 10-11; zie ook ibid., pp. 4-5). Vervolgens is 51-0258/004, pp. 10-11; zie ook ibid., pp. 4-5). Vervolgens is
voorgesteld om een aanvullend artikel met algemene draagwijdte voorgesteld om een aanvullend artikel met algemene draagwijdte
betreffende de fundamentele vrijheden in te voegen (ibid., pp. 16 tot betreffende de fundamentele vrijheden in te voegen (ibid., pp. 16 tot
19). Artikel 9 van de bestreden wet heeft aldus een artikel 141ter in 19). Artikel 9 van de bestreden wet heeft aldus een artikel 141ter in
het Strafwetboek ingevoegd, luidens hetwelk geen enkele bepaling uit het Strafwetboek ingevoegd, luidens hetwelk geen enkele bepaling uit
titel Iter van boek II van dat Wetboek « kan worden gelezen in die zin titel Iter van boek II van dat Wetboek « kan worden gelezen in die zin
dat zij een beperking of een belemmering beoogt van rechten of dat zij een beperking of een belemmering beoogt van rechten of
fundamentele vrijheden, zoals het stakingsrecht, de vrijheid van fundamentele vrijheden, zoals het stakingsrecht, de vrijheid van
vergadering, vereniging of meningsuiting, waaronder het recht om, voor vergadering, vereniging of meningsuiting, waaronder het recht om, voor
de verdediging van de eigen belangen, samen met anderen vakbonden op de verdediging van de eigen belangen, samen met anderen vakbonden op
te richten dan wel zich daarbij aan te sluiten, evenals het daarmee te richten dan wel zich daarbij aan te sluiten, evenals het daarmee
samenhangende recht van betoging, en zoals onder meer verankerd in de samenhangende recht van betoging, en zoals onder meer verankerd in de
artikelen 8 tot 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de artikelen 8 tot 11 van het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ». rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ».
B.7.4. Hieruit volgt dat artikel 3 van de wet van 19 december 2003, B.7.4. Hieruit volgt dat artikel 3 van de wet van 19 december 2003,
ook al laat het aan de rechter een ruime beoordelingsbevoegdheid, hem ook al laat het aan de rechter een ruime beoordelingsbevoegdheid, hem
geen autonome bevoegdheid inzake strafbaarstelling toekent die inbreuk geen autonome bevoegdheid inzake strafbaarstelling toekent die inbreuk
zou maken op de bevoegdheden van de wetgever. zou maken op de bevoegdheden van de wetgever.
Het eerste middel is niet gegrond. Het eerste middel is niet gegrond.
Ten aanzien van de verzoeken om aan het Hof van Justitie van de Ten aanzien van de verzoeken om aan het Hof van Justitie van de
Europese Gemeenschappen prejudiciële vragen te stellen Europese Gemeenschappen prejudiciële vragen te stellen
B.8. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat, overeenkomstig artikel 35 van B.8. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat, overeenkomstig artikel 35 van
het Verdrag betreffende de Europese Unie, het niet nodig is aan het het Verdrag betreffende de Europese Unie, het niet nodig is aan het
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen prejudiciële vragen te Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen prejudiciële vragen te
stellen over de geldigheid en de uitlegging van het kaderbesluit van stellen over de geldigheid en de uitlegging van het kaderbesluit van
13 juni 2002. 13 juni 2002.
Ten aanzien van het tweede middel Ten aanzien van het tweede middel
B.9. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de B.9. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de
schending van de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, in samenhang schending van de artikelen 10, 11 en 12 van de Grondwet, in samenhang
gelezen met artikel 22 van de Grondwet en met artikel 8 van het gelezen met artikel 22 van de Grondwet en met artikel 8 van het
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zij zijn van mening dat, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zij zijn van mening dat,
indien het Hof het eerste middel ongegrond verklaart, het Hof alle indien het Hof het eerste middel ongegrond verklaart, het Hof alle
verschillen in behandeling moet nagaan die de bestreden wet met zich verschillen in behandeling moet nagaan die de bestreden wet met zich
meebrengt, wegens « het onduidelijke en vage karakter » van de meebrengt, wegens « het onduidelijke en vage karakter » van de
definitie van het terroristisch misdrijf, onder de personen die ervan definitie van het terroristisch misdrijf, onder de personen die ervan
worden verdacht de in paragraaf 2 van artikel 137 van het worden verdacht de in paragraaf 2 van artikel 137 van het
Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 3 van de wet, beoogde misdrijven Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 3 van de wet, beoogde misdrijven
te hebben gepleegd, naargelang die al dan niet als terroristisch te hebben gepleegd, naargelang die al dan niet als terroristisch
worden gekwalificeerd. Die verschillen in behandeling zouden tot worden gekwalificeerd. Die verschillen in behandeling zouden tot
uiting komen in het stadium van het inleidend onderzoek, wegens de uiting komen in het stadium van het inleidend onderzoek, wegens de
bijzondere opsporingsmethoden die vanwege de terroristische misdrijven bijzondere opsporingsmethoden die vanwege de terroristische misdrijven
zijn toegestaan, tijdens de fase van de berechting, omdat anonieme zijn toegestaan, tijdens de fase van de berechting, omdat anonieme
getuigenissen als volwaardig bewijs kunnen worden gebruikt, en ten getuigenissen als volwaardig bewijs kunnen worden gebruikt, en ten
slotte wegens de opgelegde sancties die voor terroristische misdrijven slotte wegens de opgelegde sancties die voor terroristische misdrijven
telkens worden verzwaard. telkens worden verzwaard.
B.10. Nu het eerste middel niet gegrond is, kan niet worden aangenomen B.10. Nu het eerste middel niet gegrond is, kan niet worden aangenomen
dat « het onduidelijke en vage karakter » van de definitie van het dat « het onduidelijke en vage karakter » van de definitie van het
terroristisch misdrijf discriminerend is. Bij het onderzoek van het terroristisch misdrijf discriminerend is. Bij het onderzoek van het
eerste middel heeft het Hof immers geoordeeld dat het criterium van eerste middel heeft het Hof immers geoordeeld dat het criterium van
onderscheid tussen de vervolgde personen naargelang het misdrijf al onderscheid tussen de vervolgde personen naargelang het misdrijf al
dan niet als terroristisch wordt gekwalificeerd, in overeenstemming is dan niet als terroristisch wordt gekwalificeerd, in overeenstemming is
met het wettigheidsbeginsel. met het wettigheidsbeginsel.
B.11.1. Het staat niet aan het Hof te oordelen of het, gelet op de B.11.1. Het staat niet aan het Hof te oordelen of het, gelet op de
internationale verplichtingen van België, opportuun was de straffen te internationale verplichtingen van België, opportuun was de straffen te
verzwaren en bijgevolg het toepassingsgebied van de voorlopige verzwaren en bijgevolg het toepassingsgebied van de voorlopige
hechtenis uit te breiden en, als gevolg daarvan, het toepassingsgebied hechtenis uit te breiden en, als gevolg daarvan, het toepassingsgebied
van de minnelijke schikking in strafzaken en dat van de van de minnelijke schikking in strafzaken en dat van de
correctionalisering te beperken. Op dezelfde wijze is de beweerdelijk correctionalisering te beperken. Op dezelfde wijze is de beweerdelijk
discriminerende toepassing van de drie onderzoeksmethoden die de discriminerende toepassing van de drie onderzoeksmethoden die de
verzoekende partijen in het vijfde, zesde en zevende onderdeel van het verzoekende partijen in het vijfde, zesde en zevende onderdeel van het
tweede middel bekritiseren, slechts het logische gevolg van de keuze tweede middel bekritiseren, slechts het logische gevolg van de keuze
van de wetgever om de terroristische misdrijven door middel van een van de wetgever om de terroristische misdrijven door middel van een
specifieke wet te bestraffen en het niveau van de straffen specifieke wet te bestraffen en het niveau van de straffen
stelselmatig te verzwaren ten opzichte van gelijkwaardige misdrijven stelselmatig te verzwaren ten opzichte van gelijkwaardige misdrijven
in het gemeen recht. Dezelfde redenering geldt voor de acht in het gemeen recht. Dezelfde redenering geldt voor de acht
onderzoeksmethoden, zoals ingevoegd in artikel 90ter van het Wetboek onderzoeksmethoden, zoals ingevoegd in artikel 90ter van het Wetboek
van Strafvordering, die volgens de bestreden wet van toepassing zijn van Strafvordering, die volgens de bestreden wet van toepassing zijn
op de vermoedelijke daders van terroristische misdrijven en die in het op de vermoedelijke daders van terroristische misdrijven en die in het
achtste tot vijftiende onderdeel van het tweede middel worden achtste tot vijftiende onderdeel van het tweede middel worden
bekritiseerd. Het middel kan, in die onderdelen, niet rechtstreeks bekritiseerd. Het middel kan, in die onderdelen, niet rechtstreeks
betrekking hebben op de grondwettigheid van de wet van 6 januari 2003 betrekking hebben op de grondwettigheid van de wet van 6 januari 2003
« betreffende de bijzondere opsporingsmethoden », en enige andere « betreffende de bijzondere opsporingsmethoden », en enige andere
onderzoeksmethoden die niet het voorwerp van het onderhavige beroep onderzoeksmethoden die niet het voorwerp van het onderhavige beroep
uitmaakt. Wat de grondwettigheid van die wet betreft heeft het Hof uitmaakt. Wat de grondwettigheid van die wet betreft heeft het Hof
reeds uitspraak gedaan in zijn arrest nr. 202/2004 van 21 december reeds uitspraak gedaan in zijn arrest nr. 202/2004 van 21 december
2004. In die onderdelen moet het middel dus in die zin worden 2004. In die onderdelen moet het middel dus in die zin worden
geïnterpreteerd dat het de uitbreiding van die methoden tot de geïnterpreteerd dat het de uitbreiding van die methoden tot de
vermoedelijke daders van terroristische misdrijven aanklaagt. Gelet op vermoedelijke daders van terroristische misdrijven aanklaagt. Gelet op
de noodzaak om terroristische handelingen doeltreffend te bestrijden, de noodzaak om terroristische handelingen doeltreffend te bestrijden,
is die uitbreiding verantwoord. is die uitbreiding verantwoord.
B.11.2. Het beginsel van de verzwaring van de straffen dat artikel 4 B.11.2. Het beginsel van de verzwaring van de straffen dat artikel 4
van de bestreden wet heeft ingevoerd, is vervat in artikel 5 van het van de bestreden wet heeft ingevoerd, is vervat in artikel 5 van het
kaderbesluit van 13 juni 2002. Tijdens de parlementaire voorbereiding kaderbesluit van 13 juni 2002. Tijdens de parlementaire voorbereiding
die aan de aanneming van de wet is voorafgegaan, is de kwestie van de die aan de aanneming van de wet is voorafgegaan, is de kwestie van de
verzwaring van de straffen besproken. Bewust van de noodzaak om het verzwaring van de straffen besproken. Bewust van de noodzaak om het
terrorisme doeltreffend te bestrijden, heeft de wetgever geoordeeld terrorisme doeltreffend te bestrijden, heeft de wetgever geoordeeld
dat de handelingen die volgens het gemeen strafrecht eveneens dat de handelingen die volgens het gemeen strafrecht eveneens
strafbaar zijn, zwaarder moeten worden bestraft wanneer zij als strafbaar zijn, zwaarder moeten worden bestraft wanneer zij als
terroristische handelingen worden beschouwd (Parl. St., Kamer, terroristische handelingen worden beschouwd (Parl. St., Kamer,
2003-2004, DOC 51-0258/004, pp. 3, 4, 5, en Parl. St., Senaat, 2003-2004, DOC 51-0258/004, pp. 3, 4, 5, en Parl. St., Senaat,
2003-2004, nr. 3-332/3, p. 1). 2003-2004, nr. 3-332/3, p. 1).
De wetgever onderzocht meer bepaald de gevolgen van die stelselmatige De wetgever onderzocht meer bepaald de gevolgen van die stelselmatige
verzwaring van de straffen en vroeg zich met name af wat de verzwaring van de straffen en vroeg zich met name af wat de
draagwijdte was van de nieuwe artikelen 140 en 141 van het draagwijdte was van de nieuwe artikelen 140 en 141 van het
Strafwetboek, die de deelname aan een activiteit van een Strafwetboek, die de deelname aan een activiteit van een
terroristische groep of het verstrekken van materiele middelen terroristische groep of het verstrekken van materiele middelen
daaraan, bestraft met opsluiting van vijf tot tien jaar, terwijl het daaraan, bestraft met opsluiting van vijf tot tien jaar, terwijl het
nieuwe artikel 138 van hetzelfde Wetboek, dat het eigenlijke plegen nieuwe artikel 138 van hetzelfde Wetboek, dat het eigenlijke plegen
van die misdrijven betreft, voorziet in soms aanzienlijk lichtere van die misdrijven betreft, voorziet in soms aanzienlijk lichtere
straffen. De Minister van Justitie antwoordde daaromtrent : straffen. De Minister van Justitie antwoordde daaromtrent :
« [...] een onderscheid moet worden gemaakt tussen het plegen van « [...] een onderscheid moet worden gemaakt tussen het plegen van
terroristische misdrijven als dusdanig, en de deelname aan criminele terroristische misdrijven als dusdanig, en de deelname aan criminele
activiteiten van de terroristische groep, met dien verstande dat dat activiteiten van de terroristische groep, met dien verstande dat dat
misdrijf niet rechtstreeks uit het plegen van een terroristisch misdrijf niet rechtstreeks uit het plegen van een terroristisch
misdrijf mag bestaan. Wanneer een persoon willens en wetens deelneemt misdrijf mag bestaan. Wanneer een persoon willens en wetens deelneemt
aan de criminele activiteiten van een terroristische groep, moet de aan de criminele activiteiten van een terroristische groep, moet de
strafmaat zwaarder zijn dan bij deelname aan een criminele strafmaat zwaarder zijn dan bij deelname aan een criminele
organisatie. Voor de terroristische misdrijven zelf is de toegepaste organisatie. Voor de terroristische misdrijven zelf is de toegepaste
straf zwaarder dan de straf die het huidige Strafwetboek oplegt voor straf zwaarder dan de straf die het huidige Strafwetboek oplegt voor
een soortgelijke handeling zonder terroristisch oogmerk. een soortgelijke handeling zonder terroristisch oogmerk.
Sommige straffen van die laatste categorie zijn inderdaad minder zwaar Sommige straffen van die laatste categorie zijn inderdaad minder zwaar
dan de straffen die worden opgelegd op grond van deelname aan een dan de straffen die worden opgelegd op grond van deelname aan een
activiteit van een terroristische groep, maar zulks geldt weliswaar activiteit van een terroristische groep, maar zulks geldt weliswaar
alleen voor zo goed als risicoloze terroristische handelingen. Er alleen voor zo goed als risicoloze terroristische handelingen. Er
kunnen zich dus situaties voordoen waarin er sprake is van samenloop kunnen zich dus situaties voordoen waarin er sprake is van samenloop
van misdrijven, waarbij een persoon wordt vervolgd zowel voor het van misdrijven, waarbij een persoon wordt vervolgd zowel voor het
plegen van een terroristisch misdrijf (lichte straf) als voor deelname plegen van een terroristisch misdrijf (lichte straf) als voor deelname
aan een terroristische handeling (zwaardere straf). In dergelijke aan een terroristische handeling (zwaardere straf). In dergelijke
gevallen kan worden erkend dat de persoon aan de beide misdrijven gevallen kan worden erkend dat de persoon aan de beide misdrijven
schuldig is en kan hij/zij voor de beide misdrijven worden schuldig is en kan hij/zij voor de beide misdrijven worden
veroordeeld, maar volgens de bepalingen van Boek I van het veroordeeld, maar volgens de bepalingen van Boek I van het
Strafwetboek zullen de regels inzake de samenloop van misdrijven Strafwetboek zullen de regels inzake de samenloop van misdrijven
worden toegepast » (Parl. St., Kamer, 2003, DOC 51-0258/004, p. worden toegepast » (Parl. St., Kamer, 2003, DOC 51-0258/004, p.
21-22). 21-22).
Andere situaties zijn ter sprake gebracht die het mogelijk maken te Andere situaties zijn ter sprake gebracht die het mogelijk maken te
beweren dat de wetgever misdrijven die hij bijzonder ernstig achtte, beweren dat de wetgever misdrijven die hij bijzonder ernstig achtte,
zwaar heeft willen bestraffen, waarbij hij zich evenwel ervan bewust zwaar heeft willen bestraffen, waarbij hij zich evenwel ervan bewust
was dat de rechter steeds moet kunnen oordelen over de graad van ernst was dat de rechter steeds moet kunnen oordelen over de graad van ernst
van elk geval. In dat opzicht dient te worden herinnerd aan de van elk geval. In dat opzicht dient te worden herinnerd aan de
constante zorg van de wetgever dat, door de terroristische misdrijven constante zorg van de wetgever dat, door de terroristische misdrijven
strafbaar te stellen, geen afbreuk zou worden gedaan aan de strafbaar te stellen, geen afbreuk zou worden gedaan aan de
uitoefening van de fundamentele vrijheden, reden waarom de nieuwe uitoefening van de fundamentele vrijheden, reden waarom de nieuwe
artikelen 139, tweede lid, en 141ter in het Strafwetboek werden artikelen 139, tweede lid, en 141ter in het Strafwetboek werden
ingevoegd. In dezelfde geest heeft de wetgever het beginsel van het ingevoegd. In dezelfde geest heeft de wetgever het beginsel van het
werken met spijtoptanten, dat nochtans wordt aanbevolen in het werken met spijtoptanten, dat nochtans wordt aanbevolen in het
kaderbesluit als een zinvolle maatregel om aanslagen tijdens de kaderbesluit als een zinvolle maatregel om aanslagen tijdens de
voorbereidingsfase ervan te verijdelen of om netwerken op te rollen, voorbereidingsfase ervan te verijdelen of om netwerken op te rollen,
niet in het Belgische recht willen omzetten. Het bezwaar is immers niet in het Belgische recht willen omzetten. Het bezwaar is immers
geuit dat het aanwenden van die maatregel « ethische problemen doet geuit dat het aanwenden van die maatregel « ethische problemen doet
rijzen omdat wordt uitgegaan van het beginsel dat de plegers van een rijzen omdat wordt uitgegaan van het beginsel dat de plegers van een
misdrijf worden beloond » (ibid., pp. 9 en 12). misdrijf worden beloond » (ibid., pp. 9 en 12).
Ten slotte, zoals is uiteengezet in B.11.1, is de mogelijkheid om Ten slotte, zoals is uiteengezet in B.11.1, is de mogelijkheid om
gebruik te maken van de voorlopige hechtenis wanneer terroristische gebruik te maken van de voorlopige hechtenis wanneer terroristische
misdrijven worden gepleegd, het gevolg van de verzwaring van de door misdrijven worden gepleegd, het gevolg van de verzwaring van de door
de wetgever bepaalde straffen. Bovendien is de onderzoeksrechter nooit de wetgever bepaalde straffen. Bovendien is de onderzoeksrechter nooit
ertoe gehouden een persoon in hechtenis te nemen en verandert de ertoe gehouden een persoon in hechtenis te nemen en verandert de
bestreden wet niets aan de voorwaarden die met name zijn bepaald bij bestreden wet niets aan de voorwaarden die met name zijn bepaald bij
artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige artikel 16 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige
hechtenis. hechtenis.
B.11.3. Voorts verwijten de verzoekende partijen artikel 14 van de B.11.3. Voorts verwijten de verzoekende partijen artikel 14 van de
bestreden wet dat het, met schending van de artikelen 10 en 11 van de bestreden wet dat het, met schending van de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet, de territoriale bevoegdheid van de Belgische rechter Grondwet, de territoriale bevoegdheid van de Belgische rechter
uitbreidt tot de misdrijven bepaald in de artikelen 137, 140 en 141 uitbreidt tot de misdrijven bepaald in de artikelen 137, 140 en 141
van het Strafwetboek, wanneer zij worden gepleegd tegen een Belgische van het Strafwetboek, wanneer zij worden gepleegd tegen een Belgische
onderdaan of instelling, of tegen een instelling van de Europese Unie onderdaan of instelling, of tegen een instelling van de Europese Unie
of van een orgaan opgericht overeenkomstig het Verdrag tot oprichting of van een orgaan opgericht overeenkomstig het Verdrag tot oprichting
van de Europese Gemeenschap of het Verdrag betreffende de Europese van de Europese Gemeenschap of het Verdrag betreffende de Europese
Unie, die in het Rijk is gevestigd. Unie, die in het Rijk is gevestigd.
Uitgaande van de vaststelling dat terrorisme steeds vaker voortvloeit Uitgaande van de vaststelling dat terrorisme steeds vaker voortvloeit
uit activiteiten van netwerken die op internationaal niveau opereren, uit activiteiten van netwerken die op internationaal niveau opereren,
verplicht het kaderbesluit van 13 juni 2002 de lidstaten maatregelen verplicht het kaderbesluit van 13 juni 2002 de lidstaten maatregelen
inzake terrorisme te nemen die rekening houden met de afwezigheid van inzake terrorisme te nemen die rekening houden met de afwezigheid van
grenzen in de Europese Unie en met het recht van verkeer van de grenzen in de Europese Unie en met het recht van verkeer van de
personen. De wetgever vermocht, zonder de artikelen 10 en 11 van de personen. De wetgever vermocht, zonder de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet te schenden, het kaderbesluit ten uitvoer te leggen door het Grondwet te schenden, het kaderbesluit ten uitvoer te leggen door het
passief personaliteitsbeginsel als aanknopingspunt voor de bevoegdheid passief personaliteitsbeginsel als aanknopingspunt voor de bevoegdheid
van de Belgische rechter te kiezen. De keuze van dat criterium is des van de Belgische rechter te kiezen. De keuze van dat criterium is des
te meer gerechtvaardigd, omdat in België talrijke instellingen van de te meer gerechtvaardigd, omdat in België talrijke instellingen van de
Europese Unie zijn gevestigd die het doelwit kunnen zijn van daden van Europese Unie zijn gevestigd die het doelwit kunnen zijn van daden van
terrorisme die door de bestreden wet strafbaar worden gesteld. terrorisme die door de bestreden wet strafbaar worden gesteld.
B.11.4. Het tweede middel kan niet worden aangenomen. B.11.4. Het tweede middel kan niet worden aangenomen.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
verwerpt het beroep. verwerpt het beroep.
Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits, Aldus uitgesproken in het Frans, het Nederlands en het Duits,
overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op
het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 13 juli 2005. het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 13 juli 2005.
De griffier, De griffier,
P.-Y. Dutilleux. P.-Y. Dutilleux.
De wnd. voorzitter, De wnd. voorzitter,
P. Martens. P. Martens.
^