← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 212/2004 van 21 december 2004 Rolnummer 2878 In zake :
de prejudiciële vraag betreffende artikel 11, vierde lid, van de wet van 16 april 1997 houdende diverse
fiscale bepalingen, gesteld door het Hof van Beroep te Het Arbitragehof, samengesteld
uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Mart(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 212/2004 van 21 december 2004 Rolnummer 2878 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 11, vierde lid, van de wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale bepalingen, gesteld door het Hof van Beroep te Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Mart(...) | Uittreksel uit arrest nr. 212/2004 van 21 december 2004 Rolnummer 2878 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 11, vierde lid, van de wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale bepalingen, gesteld door het Hof van Beroep te Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters P. Mart(...) |
---|---|
ARBITRAGEHOF | ARBITRAGEHOF |
Uittreksel uit arrest nr. 212/2004 van 21 december 2004 | Uittreksel uit arrest nr. 212/2004 van 21 december 2004 |
Rolnummer 2878 | Rolnummer 2878 |
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 11, vierde lid, | In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 11, vierde lid, |
van de wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale bepalingen, | van de wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale bepalingen, |
gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. | gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. |
Het Arbitragehof, | Het Arbitragehof, |
samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters | samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters |
P. Martens, R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Snappe en E. Derycke, | P. Martens, R. Henneuse, L. Lavrysen, J.-P. Snappe en E. Derycke, |
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van | bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van |
voorzitter M. Melchior, | voorzitter M. Melchior, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging | I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging |
Bij arrest van 11 december 2003 in zake N. Israël tegen de Belgische | Bij arrest van 11 december 2003 in zake N. Israël tegen de Belgische |
Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is | Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is |
ingekomen op 19 december 2003, heeft het Hof van Beroep te Brussel de | ingekomen op 19 december 2003, heeft het Hof van Beroep te Brussel de |
volgende prejudiciële vraag gesteld : | volgende prejudiciële vraag gesteld : |
« Schendt artikel 11, vierde lid, van de wet van 16 april 1997 | « Schendt artikel 11, vierde lid, van de wet van 16 april 1997 |
houdende diverse fiscale bepalingen de artikelen 10, 11 en 172 van de | houdende diverse fiscale bepalingen de artikelen 10, 11 en 172 van de |
Grondwet wanneer die bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij | Grondwet wanneer die bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij |
met terugwerkende kracht en zonder enige verantwoording een categorie | met terugwerkende kracht en zonder enige verantwoording een categorie |
van belastingplichtigen die op de datum van inwerkingtreding ervan | van belastingplichtigen die op de datum van inwerkingtreding ervan |
reeds een bezwaarschrift hadden ingediend, moratoriuminteresten | reeds een bezwaarschrift hadden ingediend, moratoriuminteresten |
ontzegt die hun krachtens het W.I.B. 1992 verschuldigd waren ? » | ontzegt die hun krachtens het W.I.B. 1992 verschuldigd waren ? » |
(...) | (...) |
III. In rechte | III. In rechte |
(...) | (...) |
Wat de in het geding zijnde bepaling betreft | Wat de in het geding zijnde bepaling betreft |
B.1.1. Aan het Hof wordt een vraag voorgelegd over artikel 11, vierde | B.1.1. Aan het Hof wordt een vraag voorgelegd over artikel 11, vierde |
lid, van de wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale bepalingen, | lid, van de wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale bepalingen, |
dat onder andere betrekking heeft op artikel 9 van dezelfde wet, | dat onder andere betrekking heeft op artikel 9 van dezelfde wet, |
waarbij artikel 42 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en | waarbij artikel 42 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en |
begrotingsbepalingen wordt opgeheven. | begrotingsbepalingen wordt opgeheven. |
B.1.2. Dat artikel stelde een met de personenbelasting gelijkgestelde | B.1.2. Dat artikel stelde een met de personenbelasting gelijkgestelde |
bijzondere heffing in ten name van de aan die belasting onderworpen | bijzondere heffing in ten name van de aan die belasting onderworpen |
belastingplichtigen van wie het nettobedrag van de inkomsten uit | belastingplichtigen van wie het nettobedrag van de inkomsten uit |
kapitalen en roerende goederen bedoeld in artikel 11 van het Wetboek | kapitalen en roerende goederen bedoeld in artikel 11 van het Wetboek |
van de inkomstenbelastingen, vermeerderd met het nettobedrag van de | van de inkomstenbelastingen, vermeerderd met het nettobedrag van de |
inkomsten bedoeld in artikel 67, 4° tot 6°, van hetzelfde Wetboek, | inkomsten bedoeld in artikel 67, 4° tot 6°, van hetzelfde Wetboek, |
hoger is dan 1.110.000 frank (artikel 42, § 1, eerste lid). Naar | hoger is dan 1.110.000 frank (artikel 42, § 1, eerste lid). Naar |
gelang van de inkomstenschijven lag de heffing tussen 27 en 47 pct. | gelang van de inkomstenschijven lag de heffing tussen 27 en 47 pct. |
(artikel 42, § 1, tweede lid). | (artikel 42, § 1, tweede lid). |
Artikel 42, § 1, derde lid, bepaalde ook dat de inkomsten van alle | Artikel 42, § 1, derde lid, bepaalde ook dat de inkomsten van alle |
schuldvorderingen en leningen en van in bewaring gegeven geldsommen | schuldvorderingen en leningen en van in bewaring gegeven geldsommen |
bedoeld in artikel 11, 1° tot 3° en 7°, van het Wetboek van de | bedoeld in artikel 11, 1° tot 3° en 7°, van het Wetboek van de |
inkomstenbelastingen (W.I.B.) bovendien belastbaar waren zodra het | inkomstenbelastingen (W.I.B.) bovendien belastbaar waren zodra het |
nettobedrag ervan hoger is dan 316.000 frank. Naar gelang van de | nettobedrag ervan hoger is dan 316.000 frank. Naar gelang van de |
inkomstenschijven bedroeg de heffing 20 of 23 pct. Die bepaling | inkomstenschijven bedroeg de heffing 20 of 23 pct. Die bepaling |
beoogde niet de inkomsten uit buitenlandse roerende waarden, uit | beoogde niet de inkomsten uit buitenlandse roerende waarden, uit |
schuldvorderingen in het buitenland en uit in het buitenland belegde | schuldvorderingen in het buitenland en uit in het buitenland belegde |
geldsommen vermits zij niet verwees naar het 4° van artikel 11 van het | geldsommen vermits zij niet verwees naar het 4° van artikel 11 van het |
Wetboek van de inkomstenbelastingen. | Wetboek van de inkomstenbelastingen. |
B.1.3. Artikel 42 werd gewijzigd bij artikel 38 van de wet van 7 | B.1.3. Artikel 42 werd gewijzigd bij artikel 38 van de wet van 7 |
december 1988, met name om de dividenden te laten ontsnappen aan de | december 1988, met name om de dividenden te laten ontsnappen aan de |
bijzondere heffing. | bijzondere heffing. |
Dat artikel 42 werd, op prejudiciële vraag, afgekeurd door het Hof in | Dat artikel 42 werd, op prejudiciële vraag, afgekeurd door het Hof in |
zijn arresten nrs. 74/95 van 9 november 1995 en 131/99 van 7 december | zijn arresten nrs. 74/95 van 9 november 1995 en 131/99 van 7 december |
1999 om reden dat de in het geding zijnde heffing bepaalde roerende | 1999 om reden dat de in het geding zijnde heffing bepaalde roerende |
inkomsten trof wanneer ze van Belgische oorsprong waren en ze niet | inkomsten trof wanneer ze van Belgische oorsprong waren en ze niet |
trof wanneer ze van buitenlandse oorsprong waren : het arrest nr. | trof wanneer ze van buitenlandse oorsprong waren : het arrest nr. |
74/95 had betrekking op de aanslagjaren 1990 tot 1994 (artikel 42, | 74/95 had betrekking op de aanslagjaren 1990 tot 1994 (artikel 42, |
gewijzigd bij de wet van 7 december 1988) en het arrest nr. 131/99 op | gewijzigd bij de wet van 7 december 1988) en het arrest nr. 131/99 op |
de aanslagjaren 1984 tot 1989 (artikel 42, in de oorspronkelijke | de aanslagjaren 1984 tot 1989 (artikel 42, in de oorspronkelijke |
formulering ervan). | formulering ervan). |
B.1.4. Artikel 42 van de wet van 28 december 1983 is opgeheven bij | B.1.4. Artikel 42 van de wet van 28 december 1983 is opgeheven bij |
artikel 9 van de wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale | artikel 9 van de wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale |
bepalingen. Artikel 11 van die wet bepaalt in het tweede, derde en | bepalingen. Artikel 11 van die wet bepaalt in het tweede, derde en |
vierde lid, ervan : | vierde lid, ervan : |
« Artikel 9 heeft uitwerking met ingang van het aanslagjaar 1995. | « Artikel 9 heeft uitwerking met ingang van het aanslagjaar 1995. |
Dit artikel is eveneens van toepassing op de bijzondere heffing met | Dit artikel is eveneens van toepassing op de bijzondere heffing met |
betrekking tot de aanslagjaren 1990 tot 1994 waartegen, ofwel een | betrekking tot de aanslagjaren 1990 tot 1994 waartegen, ofwel een |
bezwaarschrift is ingediend in de vorm en binnen de termijn bepaald in | bezwaarschrift is ingediend in de vorm en binnen de termijn bepaald in |
artikel 272 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen of in artikel | artikel 272 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen of in artikel |
371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ofwel een hoger | 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ofwel een hoger |
beroep of een beroep in Cassatie is ingesteld, waarop nog geen | beroep of een beroep in Cassatie is ingesteld, waarop nog geen |
uitspraak is gedaan op de datum waarop deze wet in het Belgisch | uitspraak is gedaan op de datum waarop deze wet in het Belgisch |
Staatsblad wordt bekendgemaakt. | Staatsblad wordt bekendgemaakt. |
Geen moratoriuminterest wordt toegekend bij teruggave van belasting | Geen moratoriuminterest wordt toegekend bij teruggave van belasting |
verleend ten gevolge van de ontheffing van de belasting gevestigd | verleend ten gevolge van de ontheffing van de belasting gevestigd |
overeenkomstig artikel 42 van de wet van 28 december 1983 houdende | overeenkomstig artikel 42 van de wet van 28 december 1983 houdende |
fiscale en budgettaire bepalingen, zoals dit bestond voor de opheffing | fiscale en budgettaire bepalingen, zoals dit bestond voor de opheffing |
ervan door deze wet. » | ervan door deze wet. » |
In het arrest nr. 131/99 is op prejudiciële vraag geoordeeld dat die | In het arrest nr. 131/99 is op prejudiciële vraag geoordeeld dat die |
bepaling strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in | bepaling strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in |
zoverre zij, voor de aanslagjaren 1990 tot 1994, de afschaffing van de | zoverre zij, voor de aanslagjaren 1990 tot 1994, de afschaffing van de |
bijzondere heffing beperkt tot die heffingen waartegen een | bijzondere heffing beperkt tot die heffingen waartegen een |
bezwaarschrift is ingediend ofwel een hoger beroep of een beroep in | bezwaarschrift is ingediend ofwel een hoger beroep of een beroep in |
cassatie is ingesteld. | cassatie is ingesteld. |
Ten gronde | Ten gronde |
B.2. De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 11, vierde lid, | B.2. De verwijzende rechter vraagt het Hof of artikel 11, vierde lid, |
van de wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale bepalingen de | van de wet van 16 april 1997 houdende diverse fiscale bepalingen de |
artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schendt wanneer het in die zin | artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schendt wanneer het in die zin |
wordt geïnterpreteerd dat het met terugwerkende kracht en zonder | wordt geïnterpreteerd dat het met terugwerkende kracht en zonder |
verantwoording de belastingplichtigen die vóór de inwerkingtreding | verantwoording de belastingplichtigen die vóór de inwerkingtreding |
ervan een bezwaarschrift hebben ingediend, de moratoriuminteresten | ervan een bezwaarschrift hebben ingediend, de moratoriuminteresten |
ontzegt die hun krachtens het W.I.B. 1992 verschuldigd waren. | ontzegt die hun krachtens het W.I.B. 1992 verschuldigd waren. |
B.3.1. Artikel 418, eerste lid, van het W.I.B. 1992 (vroeger artikel | B.3.1. Artikel 418, eerste lid, van het W.I.B. 1992 (vroeger artikel |
308, eerste lid, van het W.I.B. 1964) bepaalt : | 308, eerste lid, van het W.I.B. 1964) bepaalt : |
« Bij terugbetaling van belastingen worden moratoriuminteresten | « Bij terugbetaling van belastingen worden moratoriuminteresten |
toegekend tegen een rentevoet van 0,8 pct. per kalendermaand. » | toegekend tegen een rentevoet van 0,8 pct. per kalendermaand. » |
Die bepaling heeft als oorsprong artikel 20 van de wet van 28 februari | Die bepaling heeft als oorsprong artikel 20 van de wet van 28 februari |
1924 tot wijziging der wetgeving op de inkomstenbelastingen (Belgisch | 1924 tot wijziging der wetgeving op de inkomstenbelastingen (Belgisch |
Staatsblad , 2 maart 1924). Die tekst werd overgenomen in artikel 74 | Staatsblad , 2 maart 1924). Die tekst werd overgenomen in artikel 74 |
van het besluit van de Regent van 15 januari 1948 houdende | van het besluit van de Regent van 15 januari 1948 houdende |
samenschakeling van de wetten en besluiten betreffende de | samenschakeling van de wetten en besluiten betreffende de |
inkomstenbelastingen (Belgisch Staatsblad , 21 januari 1948). | inkomstenbelastingen (Belgisch Staatsblad , 21 januari 1948). |
B.3.2. De toekenning van moratoriuminteresten in geval van | B.3.2. De toekenning van moratoriuminteresten in geval van |
terugbetaling van belastingen (artikel 308, eerste lid, van het W.I.B. | terugbetaling van belastingen (artikel 308, eerste lid, van het W.I.B. |
1964) werd om billijkheidsredenen verantwoord : | 1964) werd om billijkheidsredenen verantwoord : |
« De inning van de nalatigheidsinteresten steunt op de overweging, dat | « De inning van de nalatigheidsinteresten steunt op de overweging, dat |
het billijk is een civielrechtelijke schadevergoeding te eisen in de | het billijk is een civielrechtelijke schadevergoeding te eisen in de |
vorm van de recuperatie van een baat die de belastingplichtige behaalt | vorm van de recuperatie van een baat die de belastingplichtige behaalt |
uit de inhouding van fondsen die in rechte aan de Staat toekomen. | uit de inhouding van fondsen die in rechte aan de Staat toekomen. |
[...] Om dezelfde redenen is het dan ook billijk moratoire interesten | [...] Om dezelfde redenen is het dan ook billijk moratoire interesten |
aan de belastingplichtigen toe te kennen telkens de Staat een gekweten | aan de belastingplichtigen toe te kennen telkens de Staat een gekweten |
belasting terugbetaalt, zelfs indien de terugbetaling het gevolg is | belasting terugbetaalt, zelfs indien de terugbetaling het gevolg is |
van een aan de belastingplichtige toe te schrijven vergissing. » | van een aan de belastingplichtige toe te schrijven vergissing. » |
(Parl. St., Kamer, 1952-1953, nr. 277, pp. 9 en 10) | (Parl. St., Kamer, 1952-1953, nr. 277, pp. 9 en 10) |
B.4.1. Uit de parlementaire voorbereiding van het voormelde artikel 11 | B.4.1. Uit de parlementaire voorbereiding van het voormelde artikel 11 |
blijkt dat die bepaling uitgaat van het streven van de wetgever zich | blijkt dat die bepaling uitgaat van het streven van de wetgever zich |
te richten naar het arrest nr. 74/95 dat het Hof op 9 november 1995 | te richten naar het arrest nr. 74/95 dat het Hof op 9 november 1995 |
heeft gewezen (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 885/1, p. 3, en nr. | heeft gewezen (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 885/1, p. 3, en nr. |
885/3, p. 2). | 885/3, p. 2). |
De Regering achtte het onmogelijk zich naar dat arrest te voegen door | De Regering achtte het onmogelijk zich naar dat arrest te voegen door |
ook de roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong te belasten, om | ook de roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong te belasten, om |
reden dat de belastingdiensten van de andere Staten zouden weigeren | reden dat de belastingdiensten van de andere Staten zouden weigeren |
daaraan mee te werken (ibid., nr. 885/3, p. 5), en koos voor een | daaraan mee te werken (ibid., nr. 885/3, p. 5), en koos voor een |
afschaffing van de in het geding zijnde heffing; de zorg om de | afschaffing van de in het geding zijnde heffing; de zorg om de |
belangen van de Schatkist te vrijwaren door de financiële gevolgen van | belangen van de Schatkist te vrijwaren door de financiële gevolgen van |
het voormelde arrest te beperken, werd evenwel aangevoerd om, gelet op | het voormelde arrest te beperken, werd evenwel aangevoerd om, gelet op |
de hoge inkomsten tijdens de eerste aanslagjaren, de heropening van de | de hoge inkomsten tijdens de eerste aanslagjaren, de heropening van de |
termijnen voor bezwaar niet mogelijk te maken (ibid., pp. 3 tot 5, 8 | termijnen voor bezwaar niet mogelijk te maken (ibid., pp. 3 tot 5, 8 |
en 9) en geen enkele moratoriuminterest waarin het Wetboek van de | en 9) en geen enkele moratoriuminterest waarin het Wetboek van de |
inkomstenbelastingen voorziet, toe te kennen (ibid., pp. 4, 5 en 9). | inkomstenbelastingen voorziet, toe te kennen (ibid., pp. 4, 5 en 9). |
De Minister van Financiën merkte overigens op dat de betrokken | De Minister van Financiën merkte overigens op dat de betrokken |
belastingplichtigen belastingplichtigen waren met zeer hoge inkomsten | belastingplichtigen belastingplichtigen waren met zeer hoge inkomsten |
uit roerend goed (ibid., p. 5). | uit roerend goed (ibid., p. 5). |
B.4.2. Met de wetgeving die het voorwerp was van het arrest nr. 74/95, | B.4.2. Met de wetgeving die het voorwerp was van het arrest nr. 74/95, |
wilde de wetgever een bijkomende belasting invoeren op de inkomsten | wilde de wetgever een bijkomende belasting invoeren op de inkomsten |
uit kapitaal die een bepaald bedrag overschrijden, om een evenwicht | uit kapitaal die een bepaald bedrag overschrijden, om een evenwicht |
tot stand te brengen tussen de belasting op de inkomsten uit arbeid en | tot stand te brengen tussen de belasting op de inkomsten uit arbeid en |
die op de inkomsten uit kapitaal. | die op de inkomsten uit kapitaal. |
Het Hof heeft besloten dat er sprake was van discriminatie vanuit een | Het Hof heeft besloten dat er sprake was van discriminatie vanuit een |
vergelijking tussen de houders van inkomsten van Belgische oorsprong | vergelijking tussen de houders van inkomsten van Belgische oorsprong |
en de houders van inkomsten van buitenlandse oorsprong, zonder het | en de houders van inkomsten van buitenlandse oorsprong, zonder het |
beginsel op zich van die belasting opnieuw ter discussie te stellen en | beginsel op zich van die belasting opnieuw ter discussie te stellen en |
zonder dat dit beginsel overigens bekritiseerd werd. | zonder dat dit beginsel overigens bekritiseerd werd. |
B.4.3. Hoewel uit het arrest nr. 74/95 bleek dat de in inachtneming | B.4.3. Hoewel uit het arrest nr. 74/95 bleek dat de in inachtneming |
van het gelijkheidsbeginsel niet onbestaanbaar was met het beginsel | van het gelijkheidsbeginsel niet onbestaanbaar was met het beginsel |
van de in het geding zijnde heffing, maar alleen met het verschil in | van de in het geding zijnde heffing, maar alleen met het verschil in |
behandeling tussen aan de heffing onderworpen belastingplichtigen naar | behandeling tussen aan de heffing onderworpen belastingplichtigen naar |
gelang van de - Belgische of buitenlandse - oorsprong van de | gelang van de - Belgische of buitenlandse - oorsprong van de |
inkomsten, heeft de wetgever geoordeeld die twee categorieën van | inkomsten, heeft de wetgever geoordeeld die twee categorieën van |
belastingplichtigen niet op gelijke wijze te kunnen belasten, wegens | belastingplichtigen niet op gelijke wijze te kunnen belasten, wegens |
de onmogelijkheid de medewerking te verkrijgen van de | de onmogelijkheid de medewerking te verkrijgen van de |
belastingdiensten van andere Staten. Hij heeft dan ook geopteerd voor | belastingdiensten van andere Staten. Hij heeft dan ook geopteerd voor |
een afschaffing van de in het geding zijnde heffing, en heeft op die | een afschaffing van de in het geding zijnde heffing, en heeft op die |
manier voor de voor de betrokken belastingplichtigen voordeligste | manier voor de voor de betrokken belastingplichtigen voordeligste |
oplossing gekozen. | oplossing gekozen. |
B.4.4. Aangezien het Hof bij een vonnis van 5 januari 1995 ondervraagd | B.4.4. Aangezien het Hof bij een vonnis van 5 januari 1995 ondervraagd |
was over de grondwettigheid van wettelijke bepalingen die in 1983 en | was over de grondwettigheid van wettelijke bepalingen die in 1983 en |
in 1988 waren goedgekeurd, ontstond, door het herstel van de | in 1988 waren goedgekeurd, ontstond, door het herstel van de |
grondwettigheid, een probleem van retroactiviteit dat aanleiding gaf | grondwettigheid, een probleem van retroactiviteit dat aanleiding gaf |
tot de maatregelen die het Hof in zijn voormelde arresten nrs. 131/99 | tot de maatregelen die het Hof in zijn voormelde arresten nrs. 131/99 |
en 40/2004 heeft onderzocht. In elk van die arresten heeft het Hof een | en 40/2004 heeft onderzocht. In elk van die arresten heeft het Hof een |
vergelijking gemaakt tussen verschillende categorieën van | vergelijking gemaakt tussen verschillende categorieën van |
belastingplichtigen die aan de in het geding zijnde heffing | belastingplichtigen die aan de in het geding zijnde heffing |
onderworpen zijn. | onderworpen zijn. |
B.4.5. In deze zaak wordt het Hof niet meer verzocht een vergelijking | B.4.5. In deze zaak wordt het Hof niet meer verzocht een vergelijking |
te maken tussen categorieën van belastingplichtigen, hetzij wat het | te maken tussen categorieën van belastingplichtigen, hetzij wat het |
niveau van hun inkomsten betreft, hetzij doordat de ene categorie aan | niveau van hun inkomsten betreft, hetzij doordat de ene categorie aan |
een heffing is onderworpen terwijl de andere categorie daarvan is | een heffing is onderworpen terwijl de andere categorie daarvan is |
vrijgesteld, hetzij doordat personen die aan de in het geding zijnde | vrijgesteld, hetzij doordat personen die aan de in het geding zijnde |
heffing onderworpen zijn verschillend zouden worden behandeld wat | heffing onderworpen zijn verschillend zouden worden behandeld wat |
betreft hun recht op terugbetaling van de heffing. | betreft hun recht op terugbetaling van de heffing. |
Uit de motivering van het verwijzingsarrest blijkt dat het Hof wordt | Uit de motivering van het verwijzingsarrest blijkt dat het Hof wordt |
verzocht de personen die, wat betreft de bijzondere heffing, een | verzocht de personen die, wat betreft de bijzondere heffing, een |
bezwaarschrift of een aanvraag tot ambtshalve ontheffing hebben | bezwaarschrift of een aanvraag tot ambtshalve ontheffing hebben |
ingediend vóór de inwerkingtreding van de wet van 16 april 1997, te | ingediend vóór de inwerkingtreding van de wet van 16 april 1997, te |
vergelijken met « alle andere belastingplichtigen die een verworven | vergelijken met « alle andere belastingplichtigen die een verworven |
recht hebben op terugbetaling van onterecht geïnde belastingen ». | recht hebben op terugbetaling van onterecht geïnde belastingen ». |
B.4.6. Bij het uitoefenen van de toetsing aan de artikelen 10, 11 en | B.4.6. Bij het uitoefenen van de toetsing aan de artikelen 10, 11 en |
172 van de Grondwet, moet het Hof nagaan of een categorie van personen | 172 van de Grondwet, moet het Hof nagaan of een categorie van personen |
op discriminerende wijze wordt behandeld ten opzichte van een andere | op discriminerende wijze wordt behandeld ten opzichte van een andere |
categorie van personen die met de eerste categorie vergelijkbaar is. | categorie van personen die met de eerste categorie vergelijkbaar is. |
B.4.7. De categorie van personen waartoe de verzoeker voor de | B.4.7. De categorie van personen waartoe de verzoeker voor de |
verwijzende rechter behoort, bevindt zich ten gevolge van de | verwijzende rechter behoort, bevindt zich ten gevolge van de |
opeenvolgende evoluties in de aangelegenheid van de bijzondere | opeenvolgende evoluties in de aangelegenheid van de bijzondere |
heffing, zoals weergegeven in B.1.1 tot B.1.4, in een heel bijzondere | heffing, zoals weergegeven in B.1.1 tot B.1.4, in een heel bijzondere |
situatie ten opzichte van « alle andere belastingplichtigen die een | situatie ten opzichte van « alle andere belastingplichtigen die een |
verworven recht hebben op terugbetaling van onterecht geïnde | verworven recht hebben op terugbetaling van onterecht geïnde |
belastingen ». | belastingen ». |
B.4.8. De arresten die het Hof heeft gewezen, de terugwerkende kracht | B.4.8. De arresten die het Hof heeft gewezen, de terugwerkende kracht |
die daaraan inzonderheid is verbonden wanneer het Hof wordt | die daaraan inzonderheid is verbonden wanneer het Hof wordt |
ondervraagd over een fiscale maatregel die sinds meer dan tien jaar | ondervraagd over een fiscale maatregel die sinds meer dan tien jaar |
wordt toegepast, het evenwicht waarnaar de wetgever heeft moeten | wordt toegepast, het evenwicht waarnaar de wetgever heeft moeten |
streven tussen de belangen van de desbetreffende belastingplichtigen | streven tussen de belangen van de desbetreffende belastingplichtigen |
en het algemene belang en - ten slotte - de maatregelen die hij | en het algemene belang en - ten slotte - de maatregelen die hij |
daartoe genomen heeft : al die elementen maken het niet mogelijk te | daartoe genomen heeft : al die elementen maken het niet mogelijk te |
stellen dat de categorie van belastingplichtigen waarop die arresten | stellen dat de categorie van belastingplichtigen waarop die arresten |
en die maatregelen betrekking hebben, op een nuttige wijze kan worden | en die maatregelen betrekking hebben, op een nuttige wijze kan worden |
vergeleken met het geheel van de belastingplichtigen die tegenover de | vergeleken met het geheel van de belastingplichtigen die tegenover de |
Staat een schuldvordering hebben tot terugvordering van onterecht | Staat een schuldvordering hebben tot terugvordering van onterecht |
geïnde bedragen. | geïnde bedragen. |
B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. | B.5. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
zegt voor recht : | zegt voor recht : |
Artikel 11, vierde lid, van de wet van 16 april 1997 houdende diverse | Artikel 11, vierde lid, van de wet van 16 april 1997 houdende diverse |
fiscale bepalingen schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet | fiscale bepalingen schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet |
niet. | niet. |
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig | Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig |
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het | artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het |
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 december 2004. | Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 december 2004. |
De griffier, | De griffier, |
P.-Y. Dutilleux. | P.-Y. Dutilleux. |
De voorzitter, | De voorzitter, |
M. Melchior. | M. Melchior. |