← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 213/2004 van 21 december 2004 Rolnummer 2835 In zake :
de prejudiciële vraag over artikel 56 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 juni 1996 betreffende
de afvalstoffen, gesteld door het Hof van Beroep te Lu Het Arbitragehof, samengesteld
uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters A. Alen(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 213/2004 van 21 december 2004 Rolnummer 2835 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 56 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, gesteld door het Hof van Beroep te Lu Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters A. Alen(...) | Uittreksel uit arrest nr. 213/2004 van 21 december 2004 Rolnummer 2835 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 56 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, gesteld door het Hof van Beroep te Lu Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters A. Alen(...) |
---|---|
ARBITRAGEHOF | ARBITRAGEHOF |
Uittreksel uit arrest nr. 213/2004 van 21 december 2004 | Uittreksel uit arrest nr. 213/2004 van 21 december 2004 |
Rolnummer 2835 | Rolnummer 2835 |
In zake : de prejudiciële vraag over artikel 56 van het decreet van | In zake : de prejudiciële vraag over artikel 56 van het decreet van |
het Waalse Gewest van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, | het Waalse Gewest van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, |
gesteld door het Hof van Beroep te Luik. | gesteld door het Hof van Beroep te Luik. |
Het Arbitragehof, | Het Arbitragehof, |
samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters | samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters |
A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, | A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, |
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van | bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van |
voorzitter M. Melchior, | voorzitter M. Melchior, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging | I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging |
Bij arrest van 4 november 2003 in zake het openbaar ministerie en het | Bij arrest van 4 november 2003 in zake het openbaar ministerie en het |
Waalse Gewest tegen A.V., waarvan de expeditie ter griffie van het | Waalse Gewest tegen A.V., waarvan de expeditie ter griffie van het |
Arbitragehof is ingekomen op 14 november 2003, heeft het Hof van | Arbitragehof is ingekomen op 14 november 2003, heeft het Hof van |
Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : | Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : |
« Schenden de bepalingen vervat in artikel 56 van het decreet van de | « Schenden de bepalingen vervat in artikel 56 van het decreet van de |
Waalse Gewestraad van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, de | Waalse Gewestraad van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, de |
regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het | regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het |
bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de | bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de |
gemeenschappen en de gewesten, in zoverre zij een stelsel van | gemeenschappen en de gewesten, in zoverre zij een stelsel van |
bijzondere herhaling vaststellen ? » | bijzondere herhaling vaststellen ? » |
(...) | (...) |
III. In rechte | III. In rechte |
(...) | (...) |
B.1. Het verwijzende rechtscollege legt artikel 56 van het decreet van | B.1. Het verwijzende rechtscollege legt artikel 56 van het decreet van |
het Waalse Gewest van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, | het Waalse Gewest van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, |
waarvan de tweede zin werd vervangen bij artikel 162 van het decreet | waarvan de tweede zin werd vervangen bij artikel 162 van het decreet |
van het Waalse Gewest van 11 maart 1999, aan het Hof ter toetsing | van het Waalse Gewest van 11 maart 1999, aan het Hof ter toetsing |
voor. | voor. |
Dat artikel luidt : | Dat artikel luidt : |
« In geval van herhaling binnen vijf jaar na de definitieve | « In geval van herhaling binnen vijf jaar na de definitieve |
veroordeling wegens overtreding van dit decreet kunnen de | veroordeling wegens overtreding van dit decreet kunnen de |
gevangenisstraf en de geldboete het dubbel van het maximum bedragen. | gevangenisstraf en de geldboete het dubbel van het maximum bedragen. |
Bovendien kan de rechter de veroordeelde verplichten zijn krachtens | Bovendien kan de rechter de veroordeelde verplichten zijn krachtens |
het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunningen of | het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunningen of |
krachtens dit decreet aan erkenning onderworpen activiteiten tijdelijk | krachtens dit decreet aan erkenning onderworpen activiteiten tijdelijk |
of definitief stop te zetten. » | of definitief stop te zetten. » |
B.2. Uit de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt ondervraagd | B.2. Uit de prejudiciële vraag blijkt dat het Hof wordt ondervraagd |
over de inachtneming van de bevoegdheidverdelende regels door de | over de inachtneming van de bevoegdheidverdelende regels door de |
decreetgever, in zoverre de in het geding zijnde bepaling een | decreetgever, in zoverre de in het geding zijnde bepaling een |
bijzonder stelsel van herhaling zou vaststellen dat afwijkt van het | bijzonder stelsel van herhaling zou vaststellen dat afwijkt van het |
stelsel van gemeen recht waarin artikel 56, tweede lid, van het | stelsel van gemeen recht waarin artikel 56, tweede lid, van het |
Strafwetboek voorziet. | Strafwetboek voorziet. |
B.3.1. Krachtens artikel 6, § 1, II, 2°, van de bijzondere wet van 8 | B.3.1. Krachtens artikel 6, § 1, II, 2°, van de bijzondere wet van 8 |
augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals vervangen bij de | augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals vervangen bij de |
bijzondere wet van 16 juli 1993, zijn de gewesten bevoegd voor « het | bijzondere wet van 16 juli 1993, zijn de gewesten bevoegd voor « het |
afvalstoffenbeleid », onder voorbehoud van de in het tweede lid | afvalstoffenbeleid », onder voorbehoud van de in het tweede lid |
bepaalde uitzonderingen. | bepaalde uitzonderingen. |
Artikel 11 van dezelfde bijzondere wet, zoals vervangen bij de | Artikel 11 van dezelfde bijzondere wet, zoals vervangen bij de |
bijzondere wet van 16 juli 1993, bepaalt : | bijzondere wet van 16 juli 1993, bepaalt : |
« Binnen de grenzen van de bevoegdheden van de Gemeenschappen en de | « Binnen de grenzen van de bevoegdheden van de Gemeenschappen en de |
Gewesten kunnen de decreten de niet-naleving van hun bepalingen | Gewesten kunnen de decreten de niet-naleving van hun bepalingen |
strafbaar stellen en de straffen wegens die niet-naleving bepalen; de | strafbaar stellen en de straffen wegens die niet-naleving bepalen; de |
bepalingen van Boek I van het Strafwetboek zijn hierop van toepassing, | bepalingen van Boek I van het Strafwetboek zijn hierop van toepassing, |
behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere inbreuken door een | behoudens de uitzonderingen die voor bijzondere inbreuken door een |
decreet kunnen worden gesteld. | decreet kunnen worden gesteld. |
Het eensluidend advies van de Ministerraad is vereist voor iedere | Het eensluidend advies van de Ministerraad is vereist voor iedere |
beraadslaging in de Gemeenschaps- of Gewestregering over een | beraadslaging in de Gemeenschaps- of Gewestregering over een |
voorontwerp van decreet waarin een straf of een strafbaarstelling is | voorontwerp van decreet waarin een straf of een strafbaarstelling is |
opgenomen waarin Boek I van het Strafwetboek niet voorziet. | opgenomen waarin Boek I van het Strafwetboek niet voorziet. |
Binnen de grenzen vermeld in het eerste lid, kunnen de decreten : | Binnen de grenzen vermeld in het eerste lid, kunnen de decreten : |
1° de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie | 1° de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie |
toekennen aan de beëdigde ambtenaren van de Gemeenschaps- of | toekennen aan de beëdigde ambtenaren van de Gemeenschaps- of |
Gewestregering of van instellingen die onder het gezag of het toezicht | Gewestregering of van instellingen die onder het gezag of het toezicht |
van de Gemeenschaps- of Gewestregering ressorteren; | van de Gemeenschaps- of Gewestregering ressorteren; |
2° de bewijskracht regelen van processen-verbaal; | 2° de bewijskracht regelen van processen-verbaal; |
3° de gevallen bepalen waarin een huiszoeking kan plaatshebben. » | 3° de gevallen bepalen waarin een huiszoeking kan plaatshebben. » |
B.3.2. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de | B.3.2. Voor zover zij er niet anders over hebben beschikt, hebben de |
Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de | Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de |
gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van | gewesten de volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van |
de regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. | de regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden. |
Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het | Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het |
gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de | gehele beleid inzake de door hem toegewezen aangelegenheden aan de |
gemeenschappen en de gewesten overgedragen. | gemeenschappen en de gewesten overgedragen. |
B.4. De in het geding zijnde bepaling wijkt op tweevoudige wijze af | B.4. De in het geding zijnde bepaling wijkt op tweevoudige wijze af |
van boek I van het Strafwetboek. | van boek I van het Strafwetboek. |
Allereerst wijzigt de eerste zin ervan de modaliteiten van de | Allereerst wijzigt de eerste zin ervan de modaliteiten van de |
herhaling, zoals omschreven in artikel 56 van het Strafwetboek, dat | herhaling, zoals omschreven in artikel 56 van het Strafwetboek, dat |
bepaalt : | bepaalt : |
« Hij die, na tot een criminele straf te zijn veroordeeld, een | « Hij die, na tot een criminele straf te zijn veroordeeld, een |
wanbedrijf pleegt, kan worden veroordeeld tot het dubbele van het | wanbedrijf pleegt, kan worden veroordeeld tot het dubbele van het |
maximum van de straf, bij de wet op het wanbedrijf gesteld. | maximum van de straf, bij de wet op het wanbedrijf gesteld. |
Dezelfde straf kan worden uitgesproken in geval van een vroegere | Dezelfde straf kan worden uitgesproken in geval van een vroegere |
veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste een jaar, indien de | veroordeling tot gevangenisstraf van ten minste een jaar, indien de |
veroordeelde het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn | veroordeelde het nieuwe wanbedrijf pleegt voordat vijf jaren zijn |
verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf | verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf |
verjaard is. » | verjaard is. » |
Opdat de in het geding zijnde bepaling betreffende de herhaling kan | Opdat de in het geding zijnde bepaling betreffende de herhaling kan |
worden toegepast is, anders dan in artikel 56 van het Strafwetboek, | worden toegepast is, anders dan in artikel 56 van het Strafwetboek, |
niet langer vereist dat de dader vroeger was veroordeeld tot een | niet langer vereist dat de dader vroeger was veroordeeld tot een |
gevangenisstraf van ten minste één jaar. | gevangenisstraf van ten minste één jaar. |
Bovendien voorziet de tweede zin van de in het geding zijnde bepaling, | Bovendien voorziet de tweede zin van de in het geding zijnde bepaling, |
in geval van herhaling, in de mogelijkheid voor de rechter om de | in geval van herhaling, in de mogelijkheid voor de rechter om de |
veroordeelde bijkomend te verplichten zijn daarin bedoelde | veroordeelde bijkomend te verplichten zijn daarin bedoelde |
activiteiten tijdelijk of definitief stop te zetten. Vóór de | activiteiten tijdelijk of definitief stop te zetten. Vóór de |
vervanging ervan door artikel 162 van het decreet van het Waalse | vervanging ervan door artikel 162 van het decreet van het Waalse |
Gewest van 11 maart 1999 luidde de tweede zin als volgt : | Gewest van 11 maart 1999 luidde de tweede zin als volgt : |
« Bovendien kan de rechter de veroordeelde verplichten zijn krachtens | « Bovendien kan de rechter de veroordeelde verplichten zijn krachtens |
dit decreet aan vergunning, registratie of erkenning onderworpen | dit decreet aan vergunning, registratie of erkenning onderworpen |
activiteiten tijdelijk of definitief stop te zetten. » | activiteiten tijdelijk of definitief stop te zetten. » |
B.5. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 | B.5. Op grond van artikel 11, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 |
augustus 1980 tot hervorming der instellingen vermag de decreetgever | augustus 1980 tot hervorming der instellingen vermag de decreetgever |
een bijzonder stelsel van herhaling vast te stellen dat van het gemeen | een bijzonder stelsel van herhaling vast te stellen dat van het gemeen |
recht afwijkt in een aangelegenheid met betrekking tot welke hij | recht afwijkt in een aangelegenheid met betrekking tot welke hij |
bevoegd is om de niet-naleving van het beleid waarmee hij is belast, | bevoegd is om de niet-naleving van het beleid waarmee hij is belast, |
in casu het afvalstoffenbeleid, te bestraffen. | in casu het afvalstoffenbeleid, te bestraffen. |
Door in artikel 56, eerste zin, van het decreet van 27 juni 1996 het | Door in artikel 56, eerste zin, van het decreet van 27 juni 1996 het |
vereiste van een voorafgaande veroordeling tot een gevangenisstraf van | vereiste van een voorafgaande veroordeling tot een gevangenisstraf van |
ten minste één jaar niet langer te handhaven, en die te vervangen door | ten minste één jaar niet langer te handhaven, en die te vervangen door |
een veroordeling wegens overtreding van hetzelfde decreet, heeft de | een veroordeling wegens overtreding van hetzelfde decreet, heeft de |
decreetgever slechts een modaliteit gewijzigd van de regeling | decreetgever slechts een modaliteit gewijzigd van de regeling |
betreffende de herhaling in artikel 56 van het Strafwetboek. Die | betreffende de herhaling in artikel 56 van het Strafwetboek. Die |
modaliteit is niet van dien aard dat een nieuwe straf of een nieuwe | modaliteit is niet van dien aard dat een nieuwe straf of een nieuwe |
strafbaarstelling wordt ingevoerd, waarvoor het eensluidend advies van | strafbaarstelling wordt ingevoerd, waarvoor het eensluidend advies van |
de Ministerraad zou zijn vereist. | de Ministerraad zou zijn vereist. |
B.6. In artikel 56, tweede zin, van het decreet van 27 juni 1996, dat | B.6. In artikel 56, tweede zin, van het decreet van 27 juni 1996, dat |
de rechter de mogelijkheid verleent de veroordeelde in geval van | de rechter de mogelijkheid verleent de veroordeelde in geval van |
herhaling bijkomend te verplichten zijn daarin bedoelde activiteiten | herhaling bijkomend te verplichten zijn daarin bedoelde activiteiten |
tijdelijk of definitief stop te zetten, heeft de decreetgever evenwel | tijdelijk of definitief stop te zetten, heeft de decreetgever evenwel |
een bijkomende straf bepaald in geval van herhaling, waarin boek I van | een bijkomende straf bepaald in geval van herhaling, waarin boek I van |
het Strafwetboek, op het ogenblik van de aanneming van dat decreet, | het Strafwetboek, op het ogenblik van de aanneming van dat decreet, |
niet voorzag. Aangezien het ging om een nieuwe straf, was, krachtens | niet voorzag. Aangezien het ging om een nieuwe straf, was, krachtens |
artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, het | artikel 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, het |
eensluidend advies van de Ministerraad vereist. | eensluidend advies van de Ministerraad vereist. |
Het Hof stelt op basis van de overgelegde stukken vast dat het | Het Hof stelt op basis van de overgelegde stukken vast dat het |
eensluidend advies met betrekking tot de oorspronkelijke tekst van de | eensluidend advies met betrekking tot de oorspronkelijke tekst van de |
tweede zin van de in het geding zijnde bepaling, werd verleend bij | tweede zin van de in het geding zijnde bepaling, werd verleend bij |
besluit van de Ministerraad dat op 16 februari 1995 werd toegezonden | besluit van de Ministerraad dat op 16 februari 1995 werd toegezonden |
aan het Waalse Gewest, zodat aan de voormelde voorwaarde van artikel | aan het Waalse Gewest, zodat aan de voormelde voorwaarde van artikel |
11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is voldaan. | 11, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is voldaan. |
Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat | Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat |
het eensluidend advies opnieuw werd gevraagd met het oog op de | het eensluidend advies opnieuw werd gevraagd met het oog op de |
vervanging van de tweede zin van de in het geding zijnde bepaling bij | vervanging van de tweede zin van de in het geding zijnde bepaling bij |
artikel 162 van het decreet van 11 maart 1999. De wijziging die | artikel 162 van het decreet van 11 maart 1999. De wijziging die |
hierbij werd aangebracht in de oorspronkelijke tekst betrof evenwel | hierbij werd aangebracht in de oorspronkelijke tekst betrof evenwel |
niet langer het principe van de invoering van een nieuwe straf, maar | niet langer het principe van de invoering van een nieuwe straf, maar |
de louter vormelijke en technische modaliteiten van de bijkomende | de louter vormelijke en technische modaliteiten van de bijkomende |
sanctie, zodat het eensluidend advies van de Ministerraad niet opnieuw | sanctie, zodat het eensluidend advies van de Ministerraad niet opnieuw |
was vereist. | was vereist. |
B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. | B.7. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
zegt voor recht : | zegt voor recht : |
Artikel 56 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 juni 1996 | Artikel 56 van het decreet van het Waalse Gewest van 27 juni 1996 |
betreffende de afvalstoffen schendt niet de regels die de | betreffende de afvalstoffen schendt niet de regels die de |
onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de | onderscheiden bevoegdheden van de Staat, de gemeenschappen en de |
gewesten bepalen. | gewesten bepalen. |
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig | Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig |
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het | artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het |
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 december 2004. | Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 21 december 2004. |
De griffier, | De griffier, |
P.-Y. Dutilleux. | P.-Y. Dutilleux. |
De voorzitter, | De voorzitter, |
M. Melchior. | M. Melchior. |