Uittreksel uit arrest nr. 5/2002 van 9 januari 2002 Rolnummer 2082 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 30 van de wet van 12 maart 1998, gesteld doo Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. Fran(...) | Uittreksel uit arrest nr. 5/2002 van 9 januari 2002 Rolnummer 2082 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 30 van de wet van 12 maart 1998, gesteld doo Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters L. Fran(...) |
---|---|
ARBITRAGEHOF | ARBITRAGEHOF |
Uittreksel uit arrest nr. 5/2002 van 9 januari 2002 | Uittreksel uit arrest nr. 5/2002 van 9 januari 2002 |
Rolnummer 2082 | Rolnummer 2082 |
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 135, § 2, van het | In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 135, § 2, van het |
Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 30 van de wet | Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd bij artikel 30 van de wet |
van 12 maart 1998, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. | van 12 maart 1998, gesteld door het Hof van Beroep te Gent. |
Het Arbitragehof, | Het Arbitragehof, |
samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters | samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters |
L. François, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Moerman en E. Derycke, | L. François, M. Bossuyt, A. Alen, J.-P. Moerman en E. Derycke, |
bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van | bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van |
voorzitter A. Arts, | voorzitter A. Arts, |
wijst na beraad het volgende arrest : | wijst na beraad het volgende arrest : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag | I. Onderwerp van de prejudiciële vraag |
Bij arrest van 23 november 2000 in zake het openbaar ministerie tegen | Bij arrest van 23 november 2000 in zake het openbaar ministerie tegen |
J. Goekint en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het | J. Goekint en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het |
Arbitragehof is ingekomen op 28 november 2000, heeft het Hof van | Arbitragehof is ingekomen op 28 november 2000, heeft het Hof van |
Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : | Beroep te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : |
« Schendt artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering, zoals | « Schendt artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering, zoals |
gewijzigd bij artikel 30 van de wet van 12 maart 1968 (lees : 1998) | gewijzigd bij artikel 30 van de wet van 12 maart 1968 (lees : 1998) |
(Belgisch Staatsblad van 2 april 1998; erratum, Belgisch Staatsblad | (Belgisch Staatsblad van 2 april 1998; erratum, Belgisch Staatsblad |
van 7 augustus 1998) de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde | van 7 augustus 1998) de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde |
Grondwet van 17 februari 1994 en artikel 6 van het Europees Verdrag | Grondwet van 17 februari 1994 en artikel 6 van het Europees Verdrag |
voor de Rechten van de Mens in zoverre het, buiten het geval van | voor de Rechten van de Mens in zoverre het, buiten het geval van |
artikel 539 van het Wetboek van Strafvordering, de | artikel 539 van het Wetboek van Strafvordering, de |
inverdenkinggestelde niet toelaat hoger beroep in te stellen tegen een | inverdenkinggestelde niet toelaat hoger beroep in te stellen tegen een |
beschikking van de raadkamer waarbij hij naar de correctionele | beschikking van de raadkamer waarbij hij naar de correctionele |
rechtbank wordt verwezen ingeval hij geen geschreven conclusies heeft | rechtbank wordt verwezen ingeval hij geen geschreven conclusies heeft |
neergelegd met betrekking tot de onregelmatigheden, verzuimen of | neergelegd met betrekking tot de onregelmatigheden, verzuimen of |
nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, van het Wetboek van | nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, van het Wetboek van |
Strafvordering, terwijl dit hoger beroep tegen de beschikkingen van de | Strafvordering, terwijl dit hoger beroep tegen de beschikkingen van de |
raadkamer die krachtens de artikelen 128, 129 en 130 van het Wetboek | raadkamer die krachtens de artikelen 128, 129 en 130 van het Wetboek |
van Strafvordering zijn genomen, wel onvoorwaardelijk openstaat voor | van Strafvordering zijn genomen, wel onvoorwaardelijk openstaat voor |
het openbaar ministerie en de burgerlijke partij ? » | het openbaar ministerie en de burgerlijke partij ? » |
(...) | (...) |
IV. In rechte | IV. In rechte |
(...) | (...) |
B.1. Artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd | B.1. Artikel 135 van het Wetboek van Strafvordering, zoals gewijzigd |
bij de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging | bij de wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging |
in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk | in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk |
onderzoek, bepaalt : | onderzoek, bepaalt : |
« § 1. Het openbaar ministerie en de burgerlijke partij kunnen hoger | « § 1. Het openbaar ministerie en de burgerlijke partij kunnen hoger |
beroep instellen tegen alle beschikkingen van de raadkamer. | beroep instellen tegen alle beschikkingen van de raadkamer. |
§ 2. De inverdenkinggestelde kan in geval van onregelmatigheden, | § 2. De inverdenkinggestelde kan in geval van onregelmatigheden, |
verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met | verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, of met |
betrekking tot de verwijzingsbeschikking, beroep instellen tegen de | betrekking tot de verwijzingsbeschikking, beroep instellen tegen de |
verwijzingsbeschikkingen bepaald in de artikelen 129 en 130, | verwijzingsbeschikkingen bepaald in de artikelen 129 en 130, |
onverminderd het in artikel 539 van dit Wetboek beoogde hoger beroep. | onverminderd het in artikel 539 van dit Wetboek beoogde hoger beroep. |
Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van | Hetzelfde geldt voor de gronden van niet-ontvankelijkheid of van |
verval van de strafvordering. Het hoger beroep is in geval van | verval van de strafvordering. Het hoger beroep is in geval van |
onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel | onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel |
131, § 1, slechts ontvankelijk indien het middel bij schriftelijke | 131, § 1, slechts ontvankelijk indien het middel bij schriftelijke |
conclusie is ingeroepen voor de raadkamer. Hetzelfde geldt voor de | conclusie is ingeroepen voor de raadkamer. Hetzelfde geldt voor de |
gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, | gronden van niet-ontvankelijkheid of van verval van de strafvordering, |
behalve wanneer ze zijn ontstaan na de debatten voor de raadkamer. | behalve wanneer ze zijn ontstaan na de debatten voor de raadkamer. |
[...] » | [...] » |
De artikelen 128 tot 131, § 1, en artikel 539 van hetzelfde Wetboek | De artikelen 128 tot 131, § 1, en artikel 539 van hetzelfde Wetboek |
bepalen : | bepalen : |
« Art. 128.Indien de raadkamer van oordeel is dat het feit noch een |
« Art. 128.Indien de raadkamer van oordeel is dat het feit noch een |
misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, of dat | misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding oplevert, of dat |
tegen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat, verklaart zij | tegen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat, verklaart zij |
dat er geen reden is tot vervolging. | dat er geen reden is tot vervolging. |
Art. 129.Indien zij van oordeel is dat het feit slechts een |
Art. 129.Indien zij van oordeel is dat het feit slechts een |
overtreding of een van de in artikel 138 bedoelde wanbedrijven is, | overtreding of een van de in artikel 138 bedoelde wanbedrijven is, |
wordt de inverdenkinggestelde naar de politierechtbank verwezen. | wordt de inverdenkinggestelde naar de politierechtbank verwezen. |
De bepalingen van dit artikel en van het vorige artikel kunnen geen | De bepalingen van dit artikel en van het vorige artikel kunnen geen |
afbreuk doen aan de rechten van de burgerlijke partij of van de | afbreuk doen aan de rechten van de burgerlijke partij of van de |
openbare partij, zoals hierna wordt bepaald. | openbare partij, zoals hierna wordt bepaald. |
Art. 130.Indien het misdrijf strafbaar blijkt te zijn met |
Art. 130.Indien het misdrijf strafbaar blijkt te zijn met |
correctionele straffen, wordt de inverdenkinggestelde behoudens het | correctionele straffen, wordt de inverdenkinggestelde behoudens het |
geval bedoeld in artikel 129, eerste lid, naar de correctionele | geval bedoeld in artikel 129, eerste lid, naar de correctionele |
rechtbank verwezen. | rechtbank verwezen. |
Art. 131.§ 1. De raadkamer spreekt, als daartoe grond bestaat, de |
Art. 131.§ 1. De raadkamer spreekt, als daartoe grond bestaat, de |
nietigheid uit van de handeling en van een deel of het geheel van de | nietigheid uit van de handeling en van een deel of het geheel van de |
erop volgende rechtspleging, wanneer zij een onregelmatigheid, verzuim | erop volgende rechtspleging, wanneer zij een onregelmatigheid, verzuim |
of nietigheid vaststelt die invloed heeft op : | of nietigheid vaststelt die invloed heeft op : |
1° een handeling van het onderzoek; | 1° een handeling van het onderzoek; |
2° de bewijsverkrijging. | 2° de bewijsverkrijging. |
[...] » | [...] » |
« Art. 539.Wanneer de verdachte, de beklaagde of de beschuldigde, de |
« Art. 539.Wanneer de verdachte, de beklaagde of de beschuldigde, de |
ambtenaar belast met het openbaar ministerie of de burgerlijke partij | ambtenaar belast met het openbaar ministerie of de burgerlijke partij |
hetzij de exceptie van onbevoegdheid van een rechtbank van eerste | hetzij de exceptie van onbevoegdheid van een rechtbank van eerste |
aanleg of van een onderzoeksrechter, hetzij een declinatoire exceptie | aanleg of van een onderzoeksrechter, hetzij een declinatoire exceptie |
heeft opgeworpen, kan niemand zich tot het Hof van Cassatie wenden om | heeft opgeworpen, kan niemand zich tot het Hof van Cassatie wenden om |
regeling van rechtsgebied te verkrijgen, onverschillig of de exceptie | regeling van rechtsgebied te verkrijgen, onverschillig of de exceptie |
aangenomen dan wel verworpen is; onverminderd het recht om voor het | aangenomen dan wel verworpen is; onverminderd het recht om voor het |
hof van beroep hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de | hof van beroep hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de |
rechtbank van eerste aanleg of van de onderzoeksrechter, en het recht | rechtbank van eerste aanleg of van de onderzoeksrechter, en het recht |
om zich in cassatie te voorzien tegen het arrest van het hof van | om zich in cassatie te voorzien tegen het arrest van het hof van |
beroep, indien daartoe grond bestaat. » | beroep, indien daartoe grond bestaat. » |
B.2. Artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering onderwerpt | B.2. Artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering onderwerpt |
het hoger beroep van de inverdenkinggestelde tegen de | het hoger beroep van de inverdenkinggestelde tegen de |
verwijzingsbeschikking van de raadkamer aan een | verwijzingsbeschikking van de raadkamer aan een |
ontvankelijkheidsvoorwaarde. Hij kan op grond van onregelmatigheden, | ontvankelijkheidsvoorwaarde. Hij kan op grond van onregelmatigheden, |
verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, slechts op | verzuimen of nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, slechts op |
ontvankelijke wijze hoger beroep instellen indien het middel bij | ontvankelijke wijze hoger beroep instellen indien het middel bij |
schriftelijke conclusie werd aangevoerd voor de raadkamer. Eenzelfde | schriftelijke conclusie werd aangevoerd voor de raadkamer. Eenzelfde |
ontvankelijkheidsvoorwaarde geldt niet voor het hoger beroep van het | ontvankelijkheidsvoorwaarde geldt niet voor het hoger beroep van het |
openbaar ministerie en de burgerlijke partij tegen de beschikkingen | openbaar ministerie en de burgerlijke partij tegen de beschikkingen |
van de raadkamer. | van de raadkamer. |
De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of dat | De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of dat |
verschil in behandeling inzake ontvankelijkheid van het hoger beroep | verschil in behandeling inzake ontvankelijkheid van het hoger beroep |
een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van | een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van |
artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. | artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. |
B.3. Noch artikel 142 van de Grondwet, noch de bijzondere wet van 6 | B.3. Noch artikel 142 van de Grondwet, noch de bijzondere wet van 6 |
januari 1989 hebben het Hof de bevoegdheid verleend om wettelijke | januari 1989 hebben het Hof de bevoegdheid verleend om wettelijke |
normen rechtstreeks te toetsen aan een verdragsbepaling. | normen rechtstreeks te toetsen aan een verdragsbepaling. |
B.4. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de | B.4. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de |
niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling | niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling |
tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat | tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat |
verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord | verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord |
is. | is. |
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld | Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld |
rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel | rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel |
en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het | en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het |
gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen | gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen |
redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende | redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende |
middelen en het beoogde doel. | middelen en het beoogde doel. |
B.5. Tussen het openbaar ministerie en de inverdenkinggestelde bestaat | B.5. Tussen het openbaar ministerie en de inverdenkinggestelde bestaat |
een fundamenteel verschil dat op een objectief criterium steunt : het | een fundamenteel verschil dat op een objectief criterium steunt : het |
openbaar ministerie vervult, in het belang van de gemeenschap, de | openbaar ministerie vervult, in het belang van de gemeenschap, de |
opdrachten van openbare dienst met betrekking tot de opsporing en de | opdrachten van openbare dienst met betrekking tot de opsporing en de |
vervolging van de misdrijven (artikelen 22 tot 47bis van het Wetboek | vervolging van de misdrijven (artikelen 22 tot 47bis van het Wetboek |
van Strafvordering) en vordert de toepassing van de strafwet (artikel | van Strafvordering) en vordert de toepassing van de strafwet (artikel |
138 van het Gerechtelijk Wetboek); de inverdenkinggestelde verdedigt | 138 van het Gerechtelijk Wetboek); de inverdenkinggestelde verdedigt |
zijn persoonlijk belang. Dat verschil biedt een redelijke | zijn persoonlijk belang. Dat verschil biedt een redelijke |
verantwoording voor het feit dat het openbaar ministerie, totdat de | verantwoording voor het feit dat het openbaar ministerie, totdat de |
zaak voor de raadkamer wordt gebracht, prerogatieven geniet waarvan de | zaak voor de raadkamer wordt gebracht, prerogatieven geniet waarvan de |
grondwettigheid niet kan worden beoordeeld door zijn situatie te | grondwettigheid niet kan worden beoordeeld door zijn situatie te |
vergelijken met die van de inverdenkinggestelde. | vergelijken met die van de inverdenkinggestelde. |
B.6. Aangezien evenwel de wetgever na afloop van het onderzoek een | B.6. Aangezien evenwel de wetgever na afloop van het onderzoek een |
procedure voor de raadkamer invoert die grondig verschilt van die voor | procedure voor de raadkamer invoert die grondig verschilt van die voor |
het vonnisgerecht, hij een debat op tegenspraak mogelijk maakt tussen | het vonnisgerecht, hij een debat op tegenspraak mogelijk maakt tussen |
het openbaar ministerie en de inverdenkinggestelde, hij aan de | het openbaar ministerie en de inverdenkinggestelde, hij aan de |
burgerlijke partij, die particuliere belangen verdedigt, de | burgerlijke partij, die particuliere belangen verdedigt, de |
mogelijkheid biedt om aan dat debat deel te nemen en hij tot slot een | mogelijkheid biedt om aan dat debat deel te nemen en hij tot slot een |
beroep organiseert tegen de beslissing van de raadkamer, kunnen de | beroep organiseert tegen de beslissing van de raadkamer, kunnen de |
ontvankelijkheidsvereisten van dat beroep alleen verschillen naar | ontvankelijkheidsvereisten van dat beroep alleen verschillen naar |
gelang van de persoon die het instelt, ingeval die verschillende | gelang van de persoon die het instelt, ingeval die verschillende |
behandeling objectief en redelijk is verantwoord. | behandeling objectief en redelijk is verantwoord. |
B.7. Een algemeen rechtsbeginsel van de dubbele aanleg bestaat niet. | B.7. Een algemeen rechtsbeginsel van de dubbele aanleg bestaat niet. |
Wanneer de wetgever evenwel in het rechtsmiddel van hoger beroep | Wanneer de wetgever evenwel in het rechtsmiddel van hoger beroep |
voorziet, moet hij daarbij een eerlijk verloop van de procedure | voorziet, moet hij daarbij een eerlijk verloop van de procedure |
waarborgen. | waarborgen. |
Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het | Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het |
recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan | recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan |
ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van | ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van |
een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat | een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat |
het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt | het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt |
aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig | aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig |
doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid | doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid |
bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. | bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. |
Het beginsel van de wapengelijkheid, dat eveneens een onderdeel is van | Het beginsel van de wapengelijkheid, dat eveneens een onderdeel is van |
het recht op een eerlijk proces, houdt de verplichting in om aan elke | het recht op een eerlijk proces, houdt de verplichting in om aan elke |
partij de mogelijkheid te bieden om haar argumenten te doen gelden in | partij de mogelijkheid te bieden om haar argumenten te doen gelden in |
omstandigheden die haar niet kennelijk benadelen ten aanzien van de | omstandigheden die haar niet kennelijk benadelen ten aanzien van de |
tegenpartij. | tegenpartij. |
B.8. De mogelijkheid om bij de kamer van inbeschuldigingstelling hoger | B.8. De mogelijkheid om bij de kamer van inbeschuldigingstelling hoger |
beroep in te stellen op grond van onregelmatigheden, verzuimen of | beroep in te stellen op grond van onregelmatigheden, verzuimen of |
nietigheden die invloed hebben op een handeling van het onderzoek of | nietigheden die invloed hebben op een handeling van het onderzoek of |
op de bewijsverkrijging, beoogt de zuivering van de onregelmatigheden | op de bewijsverkrijging, beoogt de zuivering van de onregelmatigheden |
uit het onderzoek te laten plaatsvinden vooraleer de zaak naar de | uit het onderzoek te laten plaatsvinden vooraleer de zaak naar de |
vonnisrechter wordt verwezen. | vonnisrechter wordt verwezen. |
Naar luid van de parlementaire voorbereiding is de voorwaarde dat het | Naar luid van de parlementaire voorbereiding is de voorwaarde dat het |
middel moet zijn aangevoerd voor de raadkamer opdat op ontvankelijke | middel moet zijn aangevoerd voor de raadkamer opdat op ontvankelijke |
wijze hoger beroep kan worden ingesteld tegen de | wijze hoger beroep kan worden ingesteld tegen de |
verwijzingsbeschikking, ingevoerd om te vermijden dat voor de | verwijzingsbeschikking, ingevoerd om te vermijden dat voor de |
raadkamer lichtvaardige middelen worden opgeworpen. Het vereiste dat | raadkamer lichtvaardige middelen worden opgeworpen. Het vereiste dat |
het middel bij schriftelijke conclusie moet zijn aangevoerd, is | het middel bij schriftelijke conclusie moet zijn aangevoerd, is |
bedoeld om bewijsproblemen aangaande de ontvankelijkheid van het hoger | bedoeld om bewijsproblemen aangaande de ontvankelijkheid van het hoger |
beroep te vermijden (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 857/1, p. 64, en | beroep te vermijden (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. 857/1, p. 64, en |
nr. 857/17, p. 16). | nr. 857/17, p. 16). |
B.9. Gelet op die bezorgdheid is de in het geding zijnde maatregel | B.9. Gelet op die bezorgdheid is de in het geding zijnde maatregel |
niet onredelijk. Hij legt geen onevenredige verplichting op aan de | niet onredelijk. Hij legt geen onevenredige verplichting op aan de |
inverdenkinggestelde omdat die vooraf weet dat hij schriftelijke | inverdenkinggestelde omdat die vooraf weet dat hij schriftelijke |
conclusies moet neerleggen wanneer hij de mogelijkheid wil behouden om | conclusies moet neerleggen wanneer hij de mogelijkheid wil behouden om |
hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de raadkamer. | hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de raadkamer. |
B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. | B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. |
Om die redenen, | Om die redenen, |
het Hof | het Hof |
zegt voor recht : | zegt voor recht : |
In zoverre artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering | In zoverre artikel 135, § 2, van het Wetboek van Strafvordering |
bepaalt dat de inverdenkinggestelde tegen de verwijzingsbeschikking | bepaalt dat de inverdenkinggestelde tegen de verwijzingsbeschikking |
van de raadkamer, op grond van onregelmatigheden, verzuimen of | van de raadkamer, op grond van onregelmatigheden, verzuimen of |
nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, slechts op ontvankelijke | nietigheden als bedoeld in artikel 131, § 1, slechts op ontvankelijke |
wijze hoger beroep kan instellen indien hij het middel bij | wijze hoger beroep kan instellen indien hij het middel bij |
schriftelijke conclusie heeft aangevoerd voor de raadkamer, schendt | schriftelijke conclusie heeft aangevoerd voor de raadkamer, schendt |
het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. | het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. |
Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig | Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig |
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het | artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het |
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 9 januari 2002. | Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 9 januari 2002. |
De griffier, | De griffier, |
L. Potoms. | L. Potoms. |
De voorzitter, | De voorzitter, |
A. Arts. | A. Arts. |