Etaamb.openjustice.be
Meertalige weergave van Arrest Van Het Grondwettelijk Hof van --
← Terug naar "Arrest nr. 68/99 van 17 juni 1999 Rolnummer 1352 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 10, 2°, van de wet van 12 december 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 str Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters L. De Grève en M. Melchior, en de rechters P. (...)"
Arrest nr. 68/99 van 17 juni 1999 Rolnummer 1352 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 10, 2°, van de wet van 12 december 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 str Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters L. De Grève en M. Melchior, en de rechters P. (...) Arrest nr. 68/99 van 17 juni 1999 Rolnummer 1352 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 10, 2°, van de wet van 12 december 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 str Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters L. De Grève en M. Melchior, en de rechters P. (...)
ARBITRAGEHOF ARBITRAGEHOF
Arrest nr. 68/99 van 17 juni 1999 Arrest nr. 68/99 van 17 juni 1999
Rolnummer 1352 Rolnummer 1352
In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 10, 2°, van de wet In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 10, 2°, van de wet
van 12 december 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten van 12 december 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten
genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot
realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan
de Europese Economische en Monetaire Unie, en van de wet van 26 juli de Europese Economische en Monetaire Unie, en van de wet van 26 juli
1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van
de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels », in zoverre het de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels », in zoverre het
de artikelen 11 en 12 van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 « de artikelen 11 en 12 van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 «
betreffende het in disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van betreffende het in disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van
het actief kader van de krijgsmacht, met toepassing van artikel 3, § het actief kader van de krijgsmacht, met toepassing van artikel 3, §
1, 1°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de 1, 1°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de
budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese
economische en monetaire Unie » bekrachtigt, ingesteld door W. Claeys. economische en monetaire Unie » bekrachtigt, ingesteld door W. Claeys.
Het Arbitragehof, Het Arbitragehof,
samengesteld uit de voorzitters L. De Grève en M. Melchior, en de samengesteld uit de voorzitters L. De Grève en M. Melchior, en de
rechters P. Martens, G. De Baets, E. Cerexhe, A. Arts en R. Henneuse, rechters P. Martens, G. De Baets, E. Cerexhe, A. Arts en R. Henneuse,
bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van
voorzitter L. De Grève, voorzitter L. De Grève,
wijst na beraad het volgende arrest : wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep I. Onderwerp van het beroep
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 juni 1998 Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 17 juni 1998
ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 juni ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 18 juni
1998, heeft W. Claeys, wonende te 9831 Deurle, Antoon de Pesseroeylaan 1998, heeft W. Claeys, wonende te 9831 Deurle, Antoon de Pesseroeylaan
16, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 10, 2°, van de wet 16, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 10, 2°, van de wet
van 12 december 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten van 12 december 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten
genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot
realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan
de Europese Economische en Monetaire Unie, en van de wet van 26 juli de Europese Economische en Monetaire Unie, en van de wet van 26 juli
1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van
de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels » (bekendgemaakt in de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels » (bekendgemaakt in
het Belgisch Staatsblad van 18 december 1997), in zoverre het de het Belgisch Staatsblad van 18 december 1997), in zoverre het de
artikelen 11 en 12 van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 « artikelen 11 en 12 van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 «
betreffende het in disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van betreffende het in disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van
het actief kader van de krijgsmacht, met toepassing van artikel 3, § het actief kader van de krijgsmacht, met toepassing van artikel 3, §
1, 1°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de 1, 1°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de
budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese
economische en monetaire Unie » bekrachtigt. economische en monetaire Unie » bekrachtigt.
II. De rechtspleging II. De rechtspleging
Bij beschikking van 18 juni 1998 heeft de voorzitter in functie de Bij beschikking van 18 juni 1998 heeft de voorzitter in functie de
rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59
van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.
De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was
om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen. om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.
Bij beschikking van 29 juli 1998 heeft de voorzitter in functie de Bij beschikking van 29 juli 1998 heeft de voorzitter in functie de
termijn voor het indienen van een memorie verlengd tot 30 september termijn voor het indienen van een memorie verlengd tot 30 september
1998. 1998.
Van het beroep is kennisgegeven overeenkomstig artikel 76 van de Van het beroep is kennisgegeven overeenkomstig artikel 76 van de
organieke wet bij op 30 juli 1998 ter post aangetekende brieven; bij organieke wet bij op 30 juli 1998 ter post aangetekende brieven; bij
dezelfde brieven is kennisgegeven van de beschikking van 29 juli 1998. dezelfde brieven is kennisgegeven van de beschikking van 29 juli 1998.
Het bij artikel 74 van de organieke wet voorgeschreven bericht is Het bij artikel 74 van de organieke wet voorgeschreven bericht is
bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 augustus 1998. bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 augustus 1998.
De Ministerraad, Wetstraat 16, 1000 Brussel, heeft een memorie De Ministerraad, Wetstraat 16, 1000 Brussel, heeft een memorie
ingediend bij op 21 september 1998 ter post aangetekende brief. ingediend bij op 21 september 1998 ter post aangetekende brief.
Van die memorie is kennisgegeven overeenkomstig artikel 89 van de Van die memorie is kennisgegeven overeenkomstig artikel 89 van de
organieke wet bij op 12 oktober 1998 ter post aangetekende brief. organieke wet bij op 12 oktober 1998 ter post aangetekende brief.
De verzoeker heeft een memorie van antwoord ingediend bij op 6 De verzoeker heeft een memorie van antwoord ingediend bij op 6
november 1998 ter post aangetekende brief. november 1998 ter post aangetekende brief.
Bij beschikking van 26 november 1998 heeft het Hof de termijn Bij beschikking van 26 november 1998 heeft het Hof de termijn
waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot 18 juni 1999. waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot 18 juni 1999.
Bij beschikking van 31 maart 1999 heeft het Hof de zaak in gereedheid Bij beschikking van 31 maart 1999 heeft het Hof de zaak in gereedheid
verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 20 april 1999. verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 20 april 1999.
Van die beschikking is kennisgegeven aan de partijen en hun advocaten Van die beschikking is kennisgegeven aan de partijen en hun advocaten
bij op 1 april 1999 ter post aangetekende brieven. bij op 1 april 1999 ter post aangetekende brieven.
Op de openbare terechtzitting van 20 april 1999 : Op de openbare terechtzitting van 20 april 1999 :
- zijn verschenen : - zijn verschenen :
. Mr. P. Vande Casteele, advocaat bij de balie te Brussel, voor de . Mr. P. Vande Casteele, advocaat bij de balie te Brussel, voor de
verzoeker; verzoeker;
. majoor R. Gerits, voor de Ministerraad; . majoor R. Gerits, voor de Ministerraad;
- hebben de rechters-verslaggevers G. De Baets en P. Martens verslag - hebben de rechters-verslaggevers G. De Baets en P. Martens verslag
uitgebracht; uitgebracht;
- zijn de voornoemde partijen gehoord; - zijn de voornoemde partijen gehoord;
- is de zaak in beraad genomen. - is de zaak in beraad genomen.
De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende
van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de
talen voor het Hof. talen voor het Hof.
III. In rechte III. In rechte
- A - - A -
Belang van de verzoeker Belang van de verzoeker
A.1.1. Het beroep tot vernietiging is ingediend door een A.1.1. Het beroep tot vernietiging is ingediend door een
beroepsofficier, kapitein-commandant, die op 1 april 1999 op pensioen beroepsofficier, kapitein-commandant, die op 1 april 1999 op pensioen
wordt gesteld op 51-jarige leeftijd en zich, gelet op het feit dat wordt gesteld op 51-jarige leeftijd en zich, gelet op het feit dat
zijn pensioen niet volledig zal zijn, van een bescheiden neveninkomen zijn pensioen niet volledig zal zijn, van een bescheiden neveninkomen
wenst te voorzien. Thans verkeert hij reeds in « vrijwillige » wenst te voorzien. Thans verkeert hij reeds in « vrijwillige »
disponibiliteit (80 pct. van zijn wedde), aangegaan om een verplichte disponibiliteit (80 pct. van zijn wedde), aangegaan om een verplichte
disponibiliteit te vermijden. disponibiliteit te vermijden.
A.1.2. Om de bedreiging van de verplichte disponibiliteit te ontlopen A.1.2. Om de bedreiging van de verplichte disponibiliteit te ontlopen
heeft hij de « vrijwillige » disponibiliteit aangevraagd. Hij meent heeft hij de « vrijwillige » disponibiliteit aangevraagd. Hij meent
dan ook rechtmatig artikel 12 van voormeld koninklijk besluit, dat in dan ook rechtmatig artikel 12 van voormeld koninklijk besluit, dat in
die verplichte disponibiliteit voorziet, te kunnen betwisten. die verplichte disponibiliteit voorziet, te kunnen betwisten.
Teneinde zich voor te bereiden op zijn (vroegtijdige) pensionering, Teneinde zich voor te bereiden op zijn (vroegtijdige) pensionering,
had de verzoeker uiteraard verkozen om een beperkte nevenactiviteit had de verzoeker uiteraard verkozen om een beperkte nevenactiviteit
aan te vangen buiten de diensturen, met behoud van zijn volledige aan te vangen buiten de diensturen, met behoud van zijn volledige
wedde. Hij verkoos al bij al om in het actief kader te blijven, zodat wedde. Hij verkoos al bij al om in het actief kader te blijven, zodat
ook artikel 11 van voormeld koninklijk besluit rechtmatig kan betwist ook artikel 11 van voormeld koninklijk besluit rechtmatig kan betwist
worden. worden.
A.2.1. De Ministerraad verwerpt het belang van de verzoeker bij de A.2.1. De Ministerraad verwerpt het belang van de verzoeker bij de
vernietiging van het bekrachtigde artikel 11 van het koninklijk vernietiging van het bekrachtigde artikel 11 van het koninklijk
besluit van 24 juli 1997. Die bepaling betreft het verbod om een besluit van 24 juli 1997. Die bepaling betreft het verbod om een
bezoldigde beroepsactiviteit uit te oefenen voor de militairen die bezoldigde beroepsactiviteit uit te oefenen voor de militairen die
voldoen aan de voorwaarden om in disponibiliteit te gaan maar die geen voldoen aan de voorwaarden om in disponibiliteit te gaan maar die geen
verzoek indienen tot het genieten van de maatregel. De verzoeker heeft verzoek indienen tot het genieten van de maatregel. De verzoeker heeft
twee aanvragen ingediend om de indisponibiliteitstelling te verkrijgen twee aanvragen ingediend om de indisponibiliteitstelling te verkrijgen
waarbij hij telkens vermeldde dat hij geen beroepsactiviteit wenste waarbij hij telkens vermeldde dat hij geen beroepsactiviteit wenste
uit te oefenen en dat die keuze definitief en onherroepelijk was. Hij uit te oefenen en dat die keuze definitief en onherroepelijk was. Hij
heeft derhalve geen belang bij het aanvechten van een bepaling met heeft derhalve geen belang bij het aanvechten van een bepaling met
betrekking tot het uitoefenen van een bezoldigde beroepsactiviteit die betrekking tot het uitoefenen van een bezoldigde beroepsactiviteit die
hij blijkbaar nooit heeft gewenst. hij blijkbaar nooit heeft gewenst.
A.2.2. Nog volgens de Ministerraad heeft de verzoeker evenmin belang A.2.2. Nog volgens de Ministerraad heeft de verzoeker evenmin belang
bij de vernietiging van het bekrachtigde artikel 12. Die bepaling bij de vernietiging van het bekrachtigde artikel 12. Die bepaling
betreft immers slechts diegenen die niet vrijwillig in disponibiliteit betreft immers slechts diegenen die niet vrijwillig in disponibiliteit
wensen te gaan, wat zeker niet het geval is voor de verzoeker, die wensen te gaan, wat zeker niet het geval is voor de verzoeker, die
twee aanvragen heeft ingediend - waarbij hij verklaarde dat het een twee aanvragen heeft ingediend - waarbij hij verklaarde dat het een
definitieve keuze betrof - die door de Minister van Landsverdediging definitieve keuze betrof - die door de Minister van Landsverdediging
werden ingewilligd. Die akte van de Minister werd door de verzoeker werden ingewilligd. Die akte van de Minister werd door de verzoeker
overigens niet betwist voor de Raad van State. De verzoeker die overigens niet betwist voor de Raad van State. De verzoeker die
vrijwillig in disponibiliteit werd gesteld, kan niet zijn beoogd door vrijwillig in disponibiliteit werd gesteld, kan niet zijn beoogd door
de bepaling met betrekking tot de verplichte de bepaling met betrekking tot de verplichte
indisponibiliteitstelling, zodat hij geen belang heeft bij het beroep. indisponibiliteitstelling, zodat hij geen belang heeft bij het beroep.
De Ministerraad voegt daaraan nog toe dat de Koning op geen enkele De Ministerraad voegt daaraan nog toe dat de Koning op geen enkele
wijze een beroep zal moeten doen op de bepaling van artikel 12, zodat wijze een beroep zal moeten doen op de bepaling van artikel 12, zodat
de verzoeker ook vanuit die overweging geen belang heeft bij zijn de verzoeker ook vanuit die overweging geen belang heeft bij zijn
beroep. beroep.
A.3.1. In zijn memorie van antwoord betwist de verzoeker dat hij niet A.3.1. In zijn memorie van antwoord betwist de verzoeker dat hij niet
langer over een belang zou beschikken. Hij heeft immers moeten kiezen langer over een belang zou beschikken. Hij heeft immers moeten kiezen
uit de hem geboden opties (in actieve dienst blijven met uitsluiting uit de hem geboden opties (in actieve dienst blijven met uitsluiting
van elke nevenactiviteit; in disponibiliteit gaan zonder neveninkomen, van elke nevenactiviteit; in disponibiliteit gaan zonder neveninkomen,
met behoud van 80 pct. van de wedde; in disponibiliteit gaan met 75 met behoud van 80 pct. van de wedde; in disponibiliteit gaan met 75
pct. van de wedde, met mogelijkheid tot nevenactiviteiten), nu het in pct. van de wedde, met mogelijkheid tot nevenactiviteiten), nu het in
actieve dienst blijven met mogelijkheid tot nevenactiviteit actieve dienst blijven met mogelijkheid tot nevenactiviteit
uitgesloten was. Op geen enkele wijze heeft hij afstand gedaan van uitgesloten was. Op geen enkele wijze heeft hij afstand gedaan van
zijn recht om tegen de maatregelen een beroep bij het Hof in te zijn recht om tegen de maatregelen een beroep bij het Hof in te
stellen. De exceptie faalt in rechte en in feite. stellen. De exceptie faalt in rechte en in feite.
A.3.2. De exceptie afgeleid uit de niet-toepassing van artikel 12 A.3.2. De exceptie afgeleid uit de niet-toepassing van artikel 12
faalt evenzeer in rechte en in feite, vermits er slechts sprake is van faalt evenzeer in rechte en in feite, vermits er slechts sprake is van
beloftes ter zake aan vakverenigingen en omdat de Koning nooit bij beloftes ter zake aan vakverenigingen en omdat de Koning nooit bij
koninklijk besluit uitdrukkelijk heeft afgezien van verplichte koninklijk besluit uitdrukkelijk heeft afgezien van verplichte
indisponibiliteitstelling. indisponibiliteitstelling.
Eerste middel Eerste middel
A.4.1. Het eerste middel van de verzoeker is afgeleid uit de schending A.4.1. Het eerste middel van de verzoeker is afgeleid uit de schending
van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in
samenhang beschouwd met de artikelen 13, 16, 23 en 182 van de Grondwet samenhang beschouwd met de artikelen 13, 16, 23 en 182 van de Grondwet
en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens. Verdrag voor de Rechten van de Mens.
A.4.2. Het aanbrengen van beperkingen ten aanzien van rechten en A.4.2. Het aanbrengen van beperkingen ten aanzien van rechten en
vrijheden en het vaststellen van de plichten en het beperken van de vrijheden en het vaststellen van de plichten en het beperken van de
rechten van de leden van de gewapende macht kunnen enkel door een wet rechten van de leden van de gewapende macht kunnen enkel door een wet
worden bepaald en opgelegd. Wanneer de Grondwet de regeling van een worden bepaald en opgelegd. Wanneer de Grondwet de regeling van een
bepaalde materie uitdrukkelijk opdraagt aan de wetgevende macht, bepaalde materie uitdrukkelijk opdraagt aan de wetgevende macht,
ontstaat voor elke belanghebbende een individueel recht om die materie ontstaat voor elke belanghebbende een individueel recht om die materie
dan ook uitsluitend door de wetgevende macht geregeld en vastgesteld dan ook uitsluitend door de wetgevende macht geregeld en vastgesteld
te zien. te zien.
De bestreden bepalingen van het koninklijk besluit ter uitvoering van De bestreden bepalingen van het koninklijk besluit ter uitvoering van
de machtigingswet hebben betrekking op de aanwerving en de rechten en de machtigingswet hebben betrekking op de aanwerving en de rechten en
plichten van militairen, die volgens artikel 182 van de Grondwet plichten van militairen, die volgens artikel 182 van de Grondwet
alleen bij wet worden vastgesteld. Er is geen uitdrukkelijke alleen bij wet worden vastgesteld. Er is geen uitdrukkelijke
machtiging verleend om ter zake aan regelgeving te doen. Het Hof is machtiging verleend om ter zake aan regelgeving te doen. Het Hof is
bevoegd om in de totstandkoming van een wet een dusdanige uitholling bevoegd om in de totstandkoming van een wet een dusdanige uitholling
van de exclusieve bevoegdheden van de wetgever vast te stellen dat kan van de exclusieve bevoegdheden van de wetgever vast te stellen dat kan
worden besloten tot schending van door de Grondwet vastgestelde worden besloten tot schending van door de Grondwet vastgestelde
waarborgen en grondrechten. De bekrachtigingswet maakt de eventuele waarborgen en grondrechten. De bekrachtigingswet maakt de eventuele
ongrondwettigheid van de machtigingswet niet ongedaan. ongrondwettigheid van de machtigingswet niet ongedaan.
A.4.3. Het retroactief ingrijpen van de wetgever, waardoor de A.4.3. Het retroactief ingrijpen van de wetgever, waardoor de
geldingskracht van een onwettig collectief cumulatieverbod wordt geldingskracht van een onwettig collectief cumulatieverbod wordt
verlengd, op het ogenblik dat de beroepen tegen verlengd, op het ogenblik dat de beroepen tegen
bijzonderemachtenbesluiten hangende zijn bij de Raad van State, is bijzonderemachtenbesluiten hangende zijn bij de Raad van State, is
bezwaarlijk verenigbaar met de aan ons publiek recht ten grondslag bezwaarlijk verenigbaar met de aan ons publiek recht ten grondslag
liggende beginselen van de scheiding der machten en de liggende beginselen van de scheiding der machten en de
onafhankelijkheid van de rechter in de uitoefening van zijn ambt. onafhankelijkheid van de rechter in de uitoefening van zijn ambt.
A.4.4. Ofschoon artikel 6 van de wet van 26 juli 1996 slechts een A.4.4. Ofschoon artikel 6 van de wet van 26 juli 1996 slechts een
eenvoudige bekrachtiging « ex nunc » vereist om de geldingsduur van de eenvoudige bekrachtiging « ex nunc » vereist om de geldingsduur van de
besluiten te verlengen, heeft de bekrachtigingswet niettemin een besluiten te verlengen, heeft de bekrachtigingswet niettemin een
retroactieve werking ingevoerd waardoor de Raad van State thans retroactieve werking ingevoerd waardoor de Raad van State thans
onbevoegd is gemaakt zich uit te spreken over de hangende onbevoegd is gemaakt zich uit te spreken over de hangende
rechtsgedingen. Bijgevolg is artikel 13 van de Grondwet geschonden. rechtsgedingen. Bijgevolg is artikel 13 van de Grondwet geschonden.
A.4.5. Aangezien de bestreden bepalingen de uitoefening van een A.4.5. Aangezien de bestreden bepalingen de uitoefening van een
bijberoep verbieden, verhinderen zij inkomsten te verwerven uit bijberoep verbieden, verhinderen zij inkomsten te verwerven uit
dergelijke activiteiten. Het betreft hier duidelijk patrimoniale dergelijke activiteiten. Het betreft hier duidelijk patrimoniale
belangen, die de waarborg genieten van artikel 16 van de Grondwet en belangen, die de waarborg genieten van artikel 16 van de Grondwet en
artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag
voor de Rechten van de Mens, die de beperking van de uitoefening van voor de Rechten van de Mens, die de beperking van de uitoefening van
het eigendomsrecht aan de wetgever opdragen. Het optreden van de het eigendomsrecht aan de wetgever opdragen. Het optreden van de
wetgever beperkt zich in casu, enerzijds, tot het bekrachtigen van de wetgever beperkt zich in casu, enerzijds, tot het bekrachtigen van de
regels vastgesteld door de Koning en, anderzijds, tot het verlenen van regels vastgesteld door de Koning en, anderzijds, tot het verlenen van
retroactiviteit aan die bekrachtiging. Dit beantwoordt niet aan de retroactiviteit aan die bekrachtiging. Dit beantwoordt niet aan de
vereisten van artikel 16 van de Grondwet en van artikel 1 van het vereisten van artikel 16 van de Grondwet en van artikel 1 van het
Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten
van de Mens, zeker nu het gaat om koninklijke besluiten die hun van de Mens, zeker nu het gaat om koninklijke besluiten die hun
wettelijke grondslag niet in de machtigingswet vinden. Die bepalingen wettelijke grondslag niet in de machtigingswet vinden. Die bepalingen
zijn geschonden. zijn geschonden.
A.4.6. Artikel 23 van de Grondwet waarborgt dat enkel een A.4.6. Artikel 23 van de Grondwet waarborgt dat enkel een
beraadslagende vergadering de regels inzake de uitoefening van de beraadslagende vergadering de regels inzake de uitoefening van de
arbeid vermag vast te stellen. Die bepaling is in het geding doordat arbeid vermag vast te stellen. Die bepaling is in het geding doordat
de bestreden bepalingen betrekking hebben op de uitoefening van een de bestreden bepalingen betrekking hebben op de uitoefening van een
bijberoep door een militair en derhalve het recht op arbeid raken. Nu bijberoep door een militair en derhalve het recht op arbeid raken. Nu
enkel de Koning de inhoud ervan heeft vastgesteld, is artikel 23 van enkel de Koning de inhoud ervan heeft vastgesteld, is artikel 23 van
de Grondwet geschonden. de Grondwet geschonden.
A.4.7. Ook artikel 182 van de Grondwet is geschonden, dat aan iedere A.4.7. Ook artikel 182 van de Grondwet is geschonden, dat aan iedere
militair waarborgt dat hij niet zou kunnen worden onderworpen aan militair waarborgt dat hij niet zou kunnen worden onderworpen aan
verplichtingen die niet zouden zijn vastgesteld door een democratisch verplichtingen die niet zouden zijn vastgesteld door een democratisch
verkozen beraadslagende vergadering. verkozen beraadslagende vergadering.
De wetgever heeft de regels van de bekrachtigde besluiten niet zelf De wetgever heeft de regels van de bekrachtigde besluiten niet zelf
vastgesteld, doch heeft alleen bepaald dat zij uitwerking zullen vastgesteld, doch heeft alleen bepaald dat zij uitwerking zullen
blijven hebben na 31 december 1997 en dat zij wetskrachtige waarde blijven hebben na 31 december 1997 en dat zij wetskrachtige waarde
zullen hebben. Op die wijze worden de exclusieve prerogatieven van de zullen hebben. Op die wijze worden de exclusieve prerogatieven van de
wetgever uitgehold, wat des te minder aanvaardbaar is aangezien de wetgever uitgehold, wat des te minder aanvaardbaar is aangezien de
bekrachtigde koninklijke besluiten hun grondslag zelfs niet kunnen bekrachtigde koninklijke besluiten hun grondslag zelfs niet kunnen
vinden in de machtigingswet. vinden in de machtigingswet.
A.5.1. De Ministerraad ziet niet in op welke wijze artikel 13 van de A.5.1. De Ministerraad ziet niet in op welke wijze artikel 13 van de
Grondwet zou kunnen geschonden zijn (eerste middel, eerste onderdeel). Grondwet zou kunnen geschonden zijn (eerste middel, eerste onderdeel).
Allereerst heeft de verzoeker geen belang bij dat onderdeel van het Allereerst heeft de verzoeker geen belang bij dat onderdeel van het
middel, vermits hij zich niet nuttig kan beroepen op een hangend middel, vermits hij zich niet nuttig kan beroepen op een hangend
rechtsgeding waarin hij betrokken zou zijn. rechtsgeding waarin hij betrokken zou zijn.
Ten gronde zou de Raad van State zich ook zonder de door de verzoeker Ten gronde zou de Raad van State zich ook zonder de door de verzoeker
bekritiseerde terugwerkende kracht van de bekrachtiging onbevoegd bekritiseerde terugwerkende kracht van de bekrachtiging onbevoegd
moeten verklaren, enkel en alleen op grond van het feit van de moeten verklaren, enkel en alleen op grond van het feit van de
bekrachtiging zelf. bekrachtiging zelf.
A.5.2. Volgens de Ministerraad heeft de verzoeker evenmin belang bij A.5.2. Volgens de Ministerraad heeft de verzoeker evenmin belang bij
het middel afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet en het middel afgeleid uit de schending van artikel 16 van de Grondwet en
van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees
Verdrag voor de Rechten van de Mens vermits hij bij zijn aanvragen tot Verdrag voor de Rechten van de Mens vermits hij bij zijn aanvragen tot
indisponibiliteitstelling telkens de wens heeft uitgedrukt om geen indisponibiliteitstelling telkens de wens heeft uitgedrukt om geen
bezoldigde activiteit uit te oefenen. bezoldigde activiteit uit te oefenen.
Zelfs indien die bepalingen te dezen toepasselijk zouden zijn, stelt Zelfs indien die bepalingen te dezen toepasselijk zouden zijn, stelt
de Ministerraad vast dat het verbod om een bezoldigd bijberoep uit te de Ministerraad vast dat het verbod om een bezoldigd bijberoep uit te
oefenen, vanwege de bekrachtiging moet worden geacht uit te gaan van oefenen, vanwege de bekrachtiging moet worden geacht uit te gaan van
de wetgever. de wetgever.
A.5.3. Artikel 23 van de Grondwet kan volgens de Ministerraad evenmin A.5.3. Artikel 23 van de Grondwet kan volgens de Ministerraad evenmin
nuttig worden aangevoerd om voormelde reden van afwezigheid van belang nuttig worden aangevoerd om voormelde reden van afwezigheid van belang
bij het middel. Vanwege de bekrachtiging is de materie overigens bij het middel. Vanwege de bekrachtiging is de materie overigens
geregeld door de wetgever. geregeld door de wetgever.
A.5.4. Evenmin is het vierde onderdeel, schending van artikel 182 van A.5.4. Evenmin is het vierde onderdeel, schending van artikel 182 van
de Grondwet, gegrond nu de wetgever, door de bekrachtiging, de de Grondwet, gegrond nu de wetgever, door de bekrachtiging, de
bepalingen van het koninklijk besluit tot de zijne heeft gemaakt. bepalingen van het koninklijk besluit tot de zijne heeft gemaakt.
A.6. In zijn memorie van antwoord herhaalt de verzoeker dat het A.6. In zijn memorie van antwoord herhaalt de verzoeker dat het
optreden van de wetgever zich in casu heeft beperkt, enerzijds, tot optreden van de wetgever zich in casu heeft beperkt, enerzijds, tot
het bekrachtigen van de regels die door de Koning zijn vastgesteld en, het bekrachtigen van de regels die door de Koning zijn vastgesteld en,
anderzijds, tot het verlenen van retroactiviteit aan die anderzijds, tot het verlenen van retroactiviteit aan die
bekrachtigingen, wat geenszins beantwoordt aan de vereisten van de bekrachtigingen, wat geenszins beantwoordt aan de vereisten van de
aangevoerde bepalingen noch aan de vereisten van het aangevoerde bepalingen noch aan de vereisten van het
legaliteitsbeginsel. legaliteitsbeginsel.
Artikel 23 van de Grondwet vindt toepassing bij weigering van Artikel 23 van de Grondwet vindt toepassing bij weigering van
ambtsontheffingen en dus uiteraard bij het onderzoek van de ambtsontheffingen en dus uiteraard bij het onderzoek van de
rechtmatigheid van de uitsluiting van het genot van rechtmatigheid van de uitsluiting van het genot van
afvloeiingsmaatregelen. afvloeiingsmaatregelen.
Tweede middel Tweede middel
A.7.1. Het tweede middel, dat gericht is tegen de woorden « met A.7.1. Het tweede middel, dat gericht is tegen de woorden « met
uitwerking op de datum van [...] inwerkingtreding », is afgeleid uit uitwerking op de datum van [...] inwerkingtreding », is afgeleid uit
de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk
genomen en in samenhang beschouwd met het rechtszekerheidsbeginsel, genomen en in samenhang beschouwd met het rechtszekerheidsbeginsel,
juncto het vertrouwensbeginsel, met het verbod van retroactiviteit en juncto het vertrouwensbeginsel, met het verbod van retroactiviteit en
met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten de Mens. met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten de Mens.
A.7.2. Het retroactief optreden van de wetgever heeft tot gevolg dat A.7.2. Het retroactief optreden van de wetgever heeft tot gevolg dat
de voortzetting van de procedure voor de - inmiddels retroactief de voortzetting van de procedure voor de - inmiddels retroactief
onbevoegd geworden - Raad van State zinloos is geworden. Dat is een onbevoegd geworden - Raad van State zinloos is geworden. Dat is een
niet te verantwoorden aantasting van de legitieme verwachtingen van de niet te verantwoorden aantasting van de legitieme verwachtingen van de
verzoeker. Artikel 6 van de wet van 26 juli 1996 vereist trouwens verzoeker. Artikel 6 van de wet van 26 juli 1996 vereist trouwens
enkel een bekrachtiging « ex nunc » om de geldingsduur van de enkel een bekrachtiging « ex nunc » om de geldingsduur van de
besluiten te verlengen. Het retroactief optreden is onnodig en besluiten te verlengen. Het retroactief optreden is onnodig en
onverantwoord, mede in acht genomen het ter zake geldende onverantwoord, mede in acht genomen het ter zake geldende
vertrouwensbeginsel en de grondslagen van de democratische vertrouwensbeginsel en de grondslagen van de democratische
rechtsstaat. rechtsstaat.
De beroving van de jurisdictionele controle van de Raad van State, De beroving van de jurisdictionele controle van de Raad van State,
hangende het geding, verzwakt de effectieve rechtsbescherming van de hangende het geding, verzwakt de effectieve rechtsbescherming van de
verzoeker op wezenlijke wijze. De controlebevoegdheid van het Hof verzoeker op wezenlijke wijze. De controlebevoegdheid van het Hof
beperkt zich immers tot de bepalingen vermeld in de Grondwet en in de beperkt zich immers tot de bepalingen vermeld in de Grondwet en in de
bijzondere wet; er geschiedt voor het Hof (nog) geen rechtstreekse bijzondere wet; er geschiedt voor het Hof (nog) geen rechtstreekse
toetsing aan internationale verdragen met rechtstreekse werking. toetsing aan internationale verdragen met rechtstreekse werking.
Het procédé van zulk een « retroactieve » bekrachtiging is ten slotte Het procédé van zulk een « retroactieve » bekrachtiging is ten slotte
des te minder voor verantwoording vatbaar daar de bekrachtigde des te minder voor verantwoording vatbaar daar de bekrachtigde
besluiten hun grondslag niet kunnen vinden in de machtigingswet, besluiten hun grondslag niet kunnen vinden in de machtigingswet,
hetgeen de Raad van State en de rechter ambtshalve zouden opwerpen. hetgeen de Raad van State en de rechter ambtshalve zouden opwerpen.
A.8.1. De Ministerraad betwist het tweede middel van de verzoeker, dat A.8.1. De Ministerraad betwist het tweede middel van de verzoeker, dat
is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de
Grondwet, in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel, juncto het Grondwet, in samenhang met het rechtszekerheidsbeginsel, juncto het
vertrouwensbeginsel, met het verbod van retroactiviteit en met artikel vertrouwensbeginsel, met het verbod van retroactiviteit en met artikel
13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre de 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre de
bekrachtiging retroactief uitwerking heeft. bekrachtiging retroactief uitwerking heeft.
A.8.2. De verzoeker heeft allereerst geen belang bij het middel omdat A.8.2. De verzoeker heeft allereerst geen belang bij het middel omdat
hij zich beroept op een lopende procedure voor de Raad van State hij zich beroept op een lopende procedure voor de Raad van State
waarin hij niet betrokken is. waarin hij niet betrokken is.
A.8.3. Ten gronde wijst de Ministerraad erop dat door de bekrachtiging A.8.3. Ten gronde wijst de Ministerraad erop dat door de bekrachtiging
door de wetgever zelf, de Raad van State reeds onbevoegd is. Een door de wetgever zelf, de Raad van State reeds onbevoegd is. Een
theoretisch onderscheid tussen een bekrachtiging « ex nunc » en een theoretisch onderscheid tussen een bekrachtiging « ex nunc » en een
bekrachtiging « ex tunc » is in het licht van de rechtspraak van het bekrachtiging « ex tunc » is in het licht van de rechtspraak van het
Hof in zijn arrest nr. 18/98 (overweging B.9) dan ook irrelevant; meer Hof in zijn arrest nr. 18/98 (overweging B.9) dan ook irrelevant; meer
nog, een loutere bekrachtiging ex nunc zou zelfs leiden tot een nog, een loutere bekrachtiging ex nunc zou zelfs leiden tot een
discriminatie. Het indienen van een verzoek bij de Raad van State zou discriminatie. Het indienen van een verzoek bij de Raad van State zou
in de optiek van de verzoeker overigens de bevoegdheid aan de wetgever in de optiek van de verzoeker overigens de bevoegdheid aan de wetgever
ontnemen om tot bekrachtiging over te gaan. Alle koninklijke besluiten ontnemen om tot bekrachtiging over te gaan. Alle koninklijke besluiten
genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 werden bekrachtigd genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 werden bekrachtigd
met uitwerking op de datum van hun inwerkingtreding, wat in het met uitwerking op de datum van hun inwerkingtreding, wat in het
verleden ook steeds zo gebeurde, zodat er geen sprake van kan zijn dat verleden ook steeds zo gebeurde, zodat er geen sprake van kan zijn dat
de wetgever zou hebben beoogd in te grijpen in hangende de wetgever zou hebben beoogd in te grijpen in hangende
rechtsgedingen. rechtsgedingen.
A.8.4. Voor de Ministerraad is ten slotte evenmin duidelijk in A.8.4. Voor de Ministerraad is ten slotte evenmin duidelijk in
hoeverre de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten hoeverre de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten
van de Mens geschonden zouden zijn, nu de verzoeker bij geen enkele van de Mens geschonden zouden zijn, nu de verzoeker bij geen enkele
procedure voor de Raad van State is betrokken. procedure voor de Raad van State is betrokken.
A.9. In zijn memorie van antwoord beklemtoont de verzoeker dat indien A.9. In zijn memorie van antwoord beklemtoont de verzoeker dat indien
de Raad van State de bestreden reglementering nog zou kunnen de Raad van State de bestreden reglementering nog zou kunnen
vernietigen, zulks zou geschieden ex tunc en erga omnes, zodat het vernietigen, zulks zou geschieden ex tunc en erga omnes, zodat het
gezag van dat arrest zich opdringt aan de wetgever. De vernietigde gezag van dat arrest zich opdringt aan de wetgever. De vernietigde
bepalingen worden geacht niet bekrachtigd geweest te zijn, in zoverre bepalingen worden geacht niet bekrachtigd geweest te zijn, in zoverre
de bekrachtigingswet op dit punt vernietigd wordt, zodat het belang de bekrachtigingswet op dit punt vernietigd wordt, zodat het belang
van de verzoeker actueel is. van de verzoeker actueel is.
- B - - B -
De in het geding zijnde bepalingen De in het geding zijnde bepalingen
B.1.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 10, 2°, B.1.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 10, 2°,
van de wet van 12 december 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke van de wet van 12 december 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke
besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996
strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname
van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, en van de van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, en van de
wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot
vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels », vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels »,
en tegen de artikelen 11 en 12 van het bij die wet bekrachtigde en tegen de artikelen 11 en 12 van het bij die wet bekrachtigde
koninklijk besluit van 24 juli 1997 « betreffende het in koninklijk besluit van 24 juli 1997 « betreffende het in
disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader
van de krijgsmacht, met toepassing van artikel 3, § 1, 1°, van de wet van de krijgsmacht, met toepassing van artikel 3, § 1, 1°, van de wet
van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire
voorwaarden tot deelname van België aan de Europese economische en voorwaarden tot deelname van België aan de Europese economische en
monetaire Unie ». monetaire Unie ».
B.1.2. Artikel 3, § 1, 1°, van de laatstgenoemde wet van 26 juli 1996 B.1.2. Artikel 3, § 1, 1°, van de laatstgenoemde wet van 26 juli 1996
luidt : luidt :
« § 1. De Koning kan maatregelen nemen om : « § 1. De Koning kan maatregelen nemen om :
1° het bedrag, de voorwaarden en de wijze van toekennen van de 1° het bedrag, de voorwaarden en de wijze van toekennen van de
subsidies, vergoedingen, uitkeringen en andere uitgaven vast te subsidies, vergoedingen, uitkeringen en andere uitgaven vast te
stellen, aan te passen of te verlagen die geheel of ten dele, stellen, aan te passen of te verlagen die geheel of ten dele,
rechtstreeks of onrechtstreeks, ten laste van de Staat zijn; ». rechtstreeks of onrechtstreeks, ten laste van de Staat zijn; ».
B.1.3. De artikelen 11 en 12 van het koninklijk besluit van 24 juli B.1.3. De artikelen 11 en 12 van het koninklijk besluit van 24 juli
1997 « betreffende het in disponibiliteit stellen van bepaalde 1997 « betreffende het in disponibiliteit stellen van bepaalde
militairen van het actief kader van de krijgsmacht, met toepassing van militairen van het actief kader van de krijgsmacht, met toepassing van
artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot artikel 3, § 1, 1°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot
realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan
de Europese economische en monetaire Unie » voeren een verbod tot het de Europese economische en monetaire Unie » voeren een verbod tot het
uitoefenen van een bijkomende beroepsactiviteit voor militairen in, uitoefenen van een bijkomende beroepsactiviteit voor militairen in,
respectievelijk regelen de mogelijkheid voor de Koning om het respectievelijk regelen de mogelijkheid voor de Koning om het
verplichte stelsel van indisponibiliteitstelling in te voeren voor verplichte stelsel van indisponibiliteitstelling in te voeren voor
officieren. officieren.
Het bestreden artikel 11 luidt : Het bestreden artikel 11 luidt :
« § 1. De militair die voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel « § 1. De militair die voldoet aan de voorwaarden bepaald in artikel
1, eerste lid, 2° en 3°, maar die geen verzoek indient tot het bekomen 1, eerste lid, 2° en 3°, maar die geen verzoek indient tot het bekomen
van een in disponibiliteit stelling, kan niet genieten van de van een in disponibiliteit stelling, kan niet genieten van de
afzonderlijke afwijkingen bepaald in artikel 19 van de wet van 14 afzonderlijke afwijkingen bepaald in artikel 19 van de wet van 14
januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht. januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht.
Iedere toelating tot het uitoefenen van een beroepsactiviteit, die de Iedere toelating tot het uitoefenen van een beroepsactiviteit, die de
militair bedoeld in het eerste lid vroeger genoot, wordt automatisch militair bedoeld in het eerste lid vroeger genoot, wordt automatisch
ingetrokken op 1 januari 1998. ingetrokken op 1 januari 1998.
§ 2. Het uitoefenen van een beroepsactiviteit door de militair bedoeld § 2. Het uitoefenen van een beroepsactiviteit door de militair bedoeld
in § 1, eerste lid, is een ernstig feit dat onverenigbaar is met zijn in § 1, eerste lid, is een ernstig feit dat onverenigbaar is met zijn
staat van militair zoals bedoeld in artikel 23 van de wet van 1 maart staat van militair zoals bedoeld in artikel 23 van de wet van 1 maart
1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de land-, de 1958 betreffende het statuut der beroepsofficieren van de land-, de
lucht-, de zeemacht en de medische dienst en der reserveofficieren van lucht-, de zeemacht en de medische dienst en der reserveofficieren van
alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst, in artikel 25 van de alle krijgsmachtdelen en van de medische dienst, in artikel 25 van de
wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van wet van 27 december 1961 houdende statuut van de onderofficieren van
het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische
dienst, en in artikel 18bis van de wet van 12 juli 1973 houdende dienst, en in artikel 18bis van de wet van 12 juli 1973 houdende
statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de land-, de statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de land-, de
lucht- en de zeemacht en van de medische dienst. » lucht- en de zeemacht en van de medische dienst. »
Het bestreden artikel 12 luidt : Het bestreden artikel 12 luidt :
« § 1. Voor de officieren kan de Koning het verplicht stelsel van in « § 1. Voor de officieren kan de Koning het verplicht stelsel van in
disponibiliteit stelling invoeren wanneer Hij op 1 december 1997 disponibiliteit stelling invoeren wanneer Hij op 1 december 1997
vaststelt dat op 1 januari 1999 het aantal officieren niet zal dalen vaststelt dat op 1 januari 1999 het aantal officieren niet zal dalen
onder het aantal van 5.100 officieren, rekening houdend met de onder het aantal van 5.100 officieren, rekening houdend met de
geraamde vertrekken. Het besluit dat de maatregel verplichtend stelt geraamde vertrekken. Het besluit dat de maatregel verplichtend stelt
vermeldt de criteria waarop Hij zich steunt om te verklaren dat aan vermeldt de criteria waarop Hij zich steunt om te verklaren dat aan
die voorwaarde niet voldaan is. die voorwaarde niet voldaan is.
Deze verplichte maatregel kan vanaf 1 januari 1998 toepasselijk worden Deze verplichte maatregel kan vanaf 1 januari 1998 toepasselijk worden
op een doelgroep die Hij bepaalt en die kan samengesteld worden uit de op een doelgroep die Hij bepaalt en die kan samengesteld worden uit de
officieren in werkelijke dienst zoals bepaald in artikel 1, eerste officieren in werkelijke dienst zoals bepaald in artikel 1, eerste
lid, 2°, van dit besluit en behorend tot de volgende categorieën : lid, 2°, van dit besluit en behorend tot de volgende categorieën :
1° de luitenant-generaals die minder dan 3 jaar van de leeftijdsgrens 1° de luitenant-generaals die minder dan 3 jaar van de leeftijdsgrens
verwijderd zijn; verwijderd zijn;
2° de generaal-majoors en de hoofdofficieren die minder dan 5 jaar van 2° de generaal-majoors en de hoofdofficieren die minder dan 5 jaar van
de leeftijdsgrens verwijderd zijn en niet meer willen of kunnen de leeftijdsgrens verwijderd zijn en niet meer willen of kunnen
deelnemen aan de bevordering; deelnemen aan de bevordering;
3° de lagere officieren die minder dan 1 jaar van de leeftijdsgrens 3° de lagere officieren die minder dan 1 jaar van de leeftijdsgrens
verwijderd zijn en niet meer willen of kunnen deelnemen aan de verwijderd zijn en niet meer willen of kunnen deelnemen aan de
bevordering. bevordering.
§ 2. Voor de toepassing van § 1, tweede lid, 2°, wordt de kolonel die § 2. Voor de toepassing van § 1, tweede lid, 2°, wordt de kolonel die
op het ogenblik van de inwerkingtreding van het besluit bedoeld in § 1 op het ogenblik van de inwerkingtreding van het besluit bedoeld in § 1
niet voldoet aan de voorwaarde bepaald in artikel 6bis van de wet van niet voldoet aan de voorwaarde bepaald in artikel 6bis van de wet van
30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, en wiens 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, en wiens
kandidatuur minstens eenmaal had kunnen onderzocht worden door een kandidatuur minstens eenmaal had kunnen onderzocht worden door een
hoog bevorderingscomité mocht hij in het bezit geweest zijn van het hoog bevorderingscomité mocht hij in het bezit geweest zijn van het
brevet van de grondige kennis van de tweede landstaal, beschouwd als brevet van de grondige kennis van de tweede landstaal, beschouwd als
niet meer deelnemend aan de bevordering. » niet meer deelnemend aan de bevordering. »
B.1.4. Het bestreden artikel 10, 2°, van de wet van 12 december 1997 B.1.4. Het bestreden artikel 10, 2°, van de wet van 12 december 1997
luidt : luidt :
«

Art. 10.Zijn bekrachtigd met uitwerking op de datum van hun

«

Art. 10.Zijn bekrachtigd met uitwerking op de datum van hun

inwerkingtreding : inwerkingtreding :
[...]. [...].
2° het koninklijk besluit van 24 juli 1997 betreffende het in 2° het koninklijk besluit van 24 juli 1997 betreffende het in
disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader
van de Krijgsmacht, met toepassing van artikel 3, § 1, 1°, van de wet van de Krijgsmacht, met toepassing van artikel 3, § 1, 1°, van de wet
van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire
voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en
Monetaire Unie; ». Monetaire Unie; ».
Ten aanzien van de ontvankelijkheid Ten aanzien van de ontvankelijkheid
B.2. De Ministerraad werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid bij B.2. De Ministerraad werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid bij
gemis aan belang op, aangezien de verzoeker, enerzijds, de gemis aan belang op, aangezien de verzoeker, enerzijds, de
indisponibiliteitstelling aanvroeg en hierbij uitdrukkelijk verklaarde indisponibiliteitstelling aanvroeg en hierbij uitdrukkelijk verklaarde
geen bijkomende activiteit te willen uitoefenen en, anderzijds, geen bijkomende activiteit te willen uitoefenen en, anderzijds,
vrijwillig in disponibiliteit is gegaan. vrijwillig in disponibiliteit is gegaan.
De verzoeker betwist die exceptie nu de bestreden bepalingen hem De verzoeker betwist die exceptie nu de bestreden bepalingen hem
verplichtten tot een keuze uit de geboden opties, waarbij hij op geen verplichtten tot een keuze uit de geboden opties, waarbij hij op geen
enkele wijze afstand heeft gedaan van zijn recht om de maatregelen met enkele wijze afstand heeft gedaan van zijn recht om de maatregelen met
een beroep tot vernietiging te bestrijden. een beroep tot vernietiging te bestrijden.
B.3. Uit het feit dat een verzoeker een of andere beslissing neemt als B.3. Uit het feit dat een verzoeker een of andere beslissing neemt als
gevolg van de door hem bestreden bepalingen, kan in beginsel niet gevolg van de door hem bestreden bepalingen, kan in beginsel niet
worden afgeleid dat hij daarmee verzaakt aan het recht om die worden afgeleid dat hij daarmee verzaakt aan het recht om die
bepalingen met een beroep tot vernietiging te bestrijden. bepalingen met een beroep tot vernietiging te bestrijden.
Het bestreden artikel 11 van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 Het bestreden artikel 11 van het koninklijk besluit van 24 juli 1997
stelt de officieren en onderofficieren die voldoen aan de voorwaarden stelt de officieren en onderofficieren die voldoen aan de voorwaarden
voor een duidelijke keuze : wensen zij een winstgevende activiteit uit voor een duidelijke keuze : wensen zij een winstgevende activiteit uit
te oefenen, dan moeten ze opteren voor de indisponibiliteitstelling, te oefenen, dan moeten ze opteren voor de indisponibiliteitstelling,
die aantrekkelijk blijft. Wanneer zij geen gebruik willen maken van de die aantrekkelijk blijft. Wanneer zij geen gebruik willen maken van de
indisponibiliteitstelling kunnen zij noch een cumulatietoelating indisponibiliteitstelling kunnen zij noch een cumulatietoelating
verkrijgen, noch een eerder toegestane cumulatieactiviteit verder verkrijgen, noch een eerder toegestane cumulatieactiviteit verder
uitoefenen. Artikel 12 machtigt de Koning om, ingeval de afvloeiingen uitoefenen. Artikel 12 machtigt de Koning om, ingeval de afvloeiingen
ten gevolge van de diverse maatregelen niet het verhoopte resultaat ten gevolge van de diverse maatregelen niet het verhoopte resultaat
zouden opleveren, het stelsel van de indisponibiliteitstelling zouden opleveren, het stelsel van de indisponibiliteitstelling
verplicht toepasselijk te maken vanaf 1 januari 1998. verplicht toepasselijk te maken vanaf 1 januari 1998.
Beide bepalingen kunnen de verzoeker, die een officier is op wie zij Beide bepalingen kunnen de verzoeker, die een officier is op wie zij
van toepassing kunnen zijn, rechtstreeks en ongunstig raken. Bovendien van toepassing kunnen zijn, rechtstreeks en ongunstig raken. Bovendien
heeft hij er belang bij de ongrondwettigheid aan te tonen van een heeft hij er belang bij de ongrondwettigheid aan te tonen van een
wetsbepaling ter bekrachtiging van een koninklijk besluit dat door hem wetsbepaling ter bekrachtiging van een koninklijk besluit dat door hem
als onwettig wordt beschouwd en dat hem tot een beslissing nopens zijn als onwettig wordt beschouwd en dat hem tot een beslissing nopens zijn
loopbaan heeft verplicht. loopbaan heeft verplicht.
De door de Ministerraad opgeworpen exceptie kan niet worden De door de Ministerraad opgeworpen exceptie kan niet worden
aangenomen. aangenomen.
Ten gronde Ten gronde
B.4.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen B.4.1. Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen
10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in samenhang gelezen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in samenhang gelezen
met de artikelen 13, 16, 23, 170 en 182 van de Grondwet en met artikel met de artikelen 13, 16, 23, 170 en 182 van de Grondwet en met artikel
1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens, doordat de wetgever maatregelen heeft bekrachtigd Rechten van de Mens, doordat de wetgever maatregelen heeft bekrachtigd
die door de Koning werden aangenomen met betrekking tot die door de Koning werden aangenomen met betrekking tot
aangelegenheden inzake het statuut van de militairen, die enkel door aangelegenheden inzake het statuut van de militairen, die enkel door
de wetgever kunnen worden vastgesteld (schending van artikel 182 van de wetgever kunnen worden vastgesteld (schending van artikel 182 van
de Grondwet, eerste onderdeel), doordat de wetgever retroactief heeft de Grondwet, eerste onderdeel), doordat de wetgever retroactief heeft
ingegrepen in voor de Raad van State hangende procedures tegen ingegrepen in voor de Raad van State hangende procedures tegen
bijzonderemachtenbesluiten die zouden zijn genomen met miskenning van bijzonderemachtenbesluiten die zouden zijn genomen met miskenning van
het grondwettelijk legaliteitsbeginsel (schending van artikel 13 van het grondwettelijk legaliteitsbeginsel (schending van artikel 13 van
de Grondwet, tweede onderdeel), doordat de wetgever, door de de Grondwet, tweede onderdeel), doordat de wetgever, door de
bekrachtiging van de koninklijke besluiten waarbij wordt geraakt aan bekrachtiging van de koninklijke besluiten waarbij wordt geraakt aan
patrimoniale belangen, een maatregel genomen heeft die niet patrimoniale belangen, een maatregel genomen heeft die niet
beantwoordt aan de grondwettelijke waarborgen die ze beschermen beantwoordt aan de grondwettelijke waarborgen die ze beschermen
(schending van artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste (schending van artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste
Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de
Mens, derde onderdeel), en doordat de wetgever maatregelen heeft Mens, derde onderdeel), en doordat de wetgever maatregelen heeft
bekrachtigd die door de Koning werden aangenomen met betrekking tot bekrachtigd die door de Koning werden aangenomen met betrekking tot
aangelegenheden inzake de uitoefening van de arbeid, die enkel door de aangelegenheden inzake de uitoefening van de arbeid, die enkel door de
wetgever kunnen worden vastgesteld (schending van artikel 23 van de wetgever kunnen worden vastgesteld (schending van artikel 23 van de
Grondwet, vierde onderdeel). Grondwet, vierde onderdeel).
Het tweede middel, dat nauw samenhangt met het tweede onderdeel van Het tweede middel, dat nauw samenhangt met het tweede onderdeel van
het eerste middel, is gericht tegen de woorden « met uitwerking op de het eerste middel, is gericht tegen de woorden « met uitwerking op de
datum van [...] inwerkingtreding » in artikel 10 van de wet van 12 datum van [...] inwerkingtreding » in artikel 10 van de wet van 12
december 1997, en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en december 1997, en is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en
11 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in samenhang beschouwd met 11 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in samenhang beschouwd met
het rechtszekerheidsbeginsel, juncto het vertrouwensbeginsel, met het het rechtszekerheidsbeginsel, juncto het vertrouwensbeginsel, met het
verbod van retroactiviteit en met artikel 13 van het Europees Verdrag verbod van retroactiviteit en met artikel 13 van het Europees Verdrag
voor de Rechten de Mens, doordat het retroactief optreden van de voor de Rechten de Mens, doordat het retroactief optreden van de
wetgever de voortzetting van de procedures voor de Raad van State wetgever de voortzetting van de procedures voor de Raad van State
verhindert. verhindert.
B.4.2. Het Hof onderzoekt allereerst het eerste onderdeel van het B.4.2. Het Hof onderzoekt allereerst het eerste onderdeel van het
eerste middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en eerste middel, dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en
11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 182 van de 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met artikel 182 van de
Grondwet. Grondwet.
Die laatstgenoemde bepaling luidt : Die laatstgenoemde bepaling luidt :
« De wet bepaalt op welke wijze het leger wordt aangeworven. Zij « De wet bepaalt op welke wijze het leger wordt aangeworven. Zij
regelt eveneens de bevordering, de rechten en de verplichtingen van de regelt eveneens de bevordering, de rechten en de verplichtingen van de
militairen. » militairen. »
B.5.1. Luidens de aanhef en het verslag aan de Koning vindt het B.5.1. Luidens de aanhef en het verslag aan de Koning vindt het
koninklijk besluit van 24 juli 1997 zijn grondslag in artikel 3, § 1, koninklijk besluit van 24 juli 1997 zijn grondslag in artikel 3, § 1,
1°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de 1°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de
budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese
Economische en Monetaire Unie. Economische en Monetaire Unie.
Die bepaling luidt : Die bepaling luidt :
«

Art. 3.§ 1. De Koning kan maatregelen nemen om :

«

Art. 3.§ 1. De Koning kan maatregelen nemen om :

1° het bedrag, de voorwaarden en de wijze van toekennen van de 1° het bedrag, de voorwaarden en de wijze van toekennen van de
subsidies, vergoedingen, uitkeringen en andere uitgaven vast te subsidies, vergoedingen, uitkeringen en andere uitgaven vast te
stellen, aan te passen of te verlagen die geheel of ten dele, stellen, aan te passen of te verlagen die geheel of ten dele,
rechtstreeks of onrechtstreeks, ten laste van de Staat zijn; ». rechtstreeks of onrechtstreeks, ten laste van de Staat zijn; ».
Op grond van artikel 3, § 2, kunnen de besluiten genomen krachtens die Op grond van artikel 3, § 2, kunnen de besluiten genomen krachtens die
wet de van kracht zijnde wettelijke bepalingen opheffen, aanvullen, wet de van kracht zijnde wettelijke bepalingen opheffen, aanvullen,
wijzigen of vervangen, zonder dat zij evenwel afbreuk mogen doen aan wijzigen of vervangen, zonder dat zij evenwel afbreuk mogen doen aan
de bepalingen van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de de bepalingen van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de
sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de
wettelijke pensioenstelsels. Luidens artikel 6, § 2, derde lid, moet wettelijke pensioenstelsels. Luidens artikel 6, § 2, derde lid, moet
een ontwerp van wet tot bekrachtiging van de besluiten genomen een ontwerp van wet tot bekrachtiging van de besluiten genomen
krachtens die wet tussen 1 april 1997 en 31 augustus 1997, uiterlijk krachtens die wet tussen 1 april 1997 en 31 augustus 1997, uiterlijk
op 1 oktober 1997 worden ingediend bij de Kamer van op 1 oktober 1997 worden ingediend bij de Kamer van
volksvertegenwoordigers. Die besluiten houden op uitwerking te hebben volksvertegenwoordigers. Die besluiten houden op uitwerking te hebben
op 31 december 1997 tenzij zij vóór die datum bij wet zijn op 31 december 1997 tenzij zij vóór die datum bij wet zijn
bekrachtigd. bekrachtigd.
B.5.2. Bij het koninklijk besluit van 24 juli 1997 wordt de B.5.2. Bij het koninklijk besluit van 24 juli 1997 wordt de
mogelijkheid gecreëerd van vrijwillige of verplichte mogelijkheid gecreëerd van vrijwillige of verplichte
indisponibiliteitstelling van bepaalde beroeps- en indisponibiliteitstelling van bepaalde beroeps- en
aanvullingsmilitairen die geen verdere perspectieven van bevordering aanvullingsmilitairen die geen verdere perspectieven van bevordering
hebben zonder dat zij de leeftijdsgrens hebben bereikt. Aldus regelt hebben zonder dat zij de leeftijdsgrens hebben bereikt. Aldus regelt
het besluit de rechten en de verplichtingen van militairen. het besluit de rechten en de verplichtingen van militairen.
Uit artikel 182 van de Grondwet blijkt dat de wijze waarop het leger Uit artikel 182 van de Grondwet blijkt dat de wijze waarop het leger
wordt aangeworven, alsmede de rechten en de verplichtingen van de wordt aangeworven, alsmede de rechten en de verplichtingen van de
militairen, aan de wetgever voorbehouden aangelegenheden zijn. Door de militairen, aan de wetgever voorbehouden aangelegenheden zijn. Door de
in artikel 182 van de Grondwet vermelde bevoegdheden aan de wetgevende in artikel 182 van de Grondwet vermelde bevoegdheden aan de wetgevende
macht toe te kennen, heeft de Grondwetgever willen vermijden dat macht toe te kennen, heeft de Grondwetgever willen vermijden dat
uitsluitend de uitvoerende macht de gewapende macht regelt. Artikel uitsluitend de uitvoerende macht de gewapende macht regelt. Artikel
182 van de Grondwet waarborgt aldus aan iedere militair dat de erin 182 van de Grondwet waarborgt aldus aan iedere militair dat de erin
bedoelde rechten en verplichtingen steeds zullen worden vastgesteld bedoelde rechten en verplichtingen steeds zullen worden vastgesteld
door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering. door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.
B.5.3. Ofschoon de federale wetgever in beginsel de essentie van een B.5.3. Ofschoon de federale wetgever in beginsel de essentie van een
bevoegdheid die de Grondwet hem voorbehoudt niet mag delegeren aan de bevoegdheid die de Grondwet hem voorbehoudt niet mag delegeren aan de
Koning, kan hij evenwel, zonder het gelijkheidsbeginsel en het Koning, kan hij evenwel, zonder het gelijkheidsbeginsel en het
discriminatieverbod te schenden, in omstandigheden die het beroep op discriminatieverbod te schenden, in omstandigheden die het beroep op
bijzondere machten kunnen rechtvaardigen, de regeling van een bijzondere machten kunnen rechtvaardigen, de regeling van een
voorbehouden aangelegenheid aan de Koning opdragen. Daartoe is in voorbehouden aangelegenheid aan de Koning opdragen. Daartoe is in
ieder geval vereist dat de wetgever die machtiging uitdrukkelijk ieder geval vereist dat de wetgever die machtiging uitdrukkelijk
verleent en dat de met toepassing van die machtiging genomen besluiten verleent en dat de met toepassing van die machtiging genomen besluiten
binnen een redelijke termijn ter bekrachtiging worden voorgelegd aan binnen een redelijke termijn ter bekrachtiging worden voorgelegd aan
de wetgever. de wetgever.
B.5.4. Wegens het uitzonderlijke karakter ervan, dient het toekennen B.5.4. Wegens het uitzonderlijke karakter ervan, dient het toekennen
door de wetgever van bijzondere machten aan de Koning strikt te worden door de wetgever van bijzondere machten aan de Koning strikt te worden
geïnterpreteerd. geïnterpreteerd.
B.5.5. De bestreden maatregelen hebben « een ontegensprekelijk B.5.5. De bestreden maatregelen hebben « een ontegensprekelijk
gunstige budgettaire weerslag » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr. gunstige budgettaire weerslag » (Parl. St., Kamer, 1996-1997, nr.
1195/1, p. 11) en dragen derhalve bij tot de algemene doelstellingen 1195/1, p. 11) en dragen derhalve bij tot de algemene doelstellingen
van de machtigingswet. Evenwel kan de bevoegdheid die bij artikel 3, § van de machtigingswet. Evenwel kan de bevoegdheid die bij artikel 3, §
1, 1°, van de voormelde wet van 26 juli 1996 aan de Koning is verleend 1, 1°, van de voormelde wet van 26 juli 1996 aan de Koning is verleend
om maatregelen te nemen om « het bedrag, de voorwaarden en de wijze om maatregelen te nemen om « het bedrag, de voorwaarden en de wijze
van toekennen van de subsidies, vergoedingen, uitkeringen en andere van toekennen van de subsidies, vergoedingen, uitkeringen en andere
uitgaven vast te stellen, aan te passen of te verlagen die geheel of uitgaven vast te stellen, aan te passen of te verlagen die geheel of
ten dele, rechtstreeks of onrechtstreeks, ten laste van de Staat zijn ten dele, rechtstreeks of onrechtstreeks, ten laste van de Staat zijn
», niet beschouwd worden als de uitdrukkelijke en ondubbelzinnige », niet beschouwd worden als de uitdrukkelijke en ondubbelzinnige
machtiging op grond waarvan Hij de rechten en de verplichtingen van de machtiging op grond waarvan Hij de rechten en de verplichtingen van de
militairen zou kunnen regelen. militairen zou kunnen regelen.
De door de Minister van Landsverdediging aangevoerde argumenten, met De door de Minister van Landsverdediging aangevoerde argumenten, met
name dat « de wetgever [ . ] in de wet van 26 juli 1996 de regering name dat « de wetgever [ . ] in de wet van 26 juli 1996 de regering
[heeft] gemachtigd in te grijpen in alle sectoren die onder de [heeft] gemachtigd in te grijpen in alle sectoren die onder de
federale bevoegdheid vallen », dat « de uitzonderingen [ . ] federale bevoegdheid vallen », dat « de uitzonderingen [ . ]
limitatief [werden] bepaald : de bescheiden inkomens en de limitatief [werden] bepaald : de bescheiden inkomens en de
leefbaarheid van het wettelijk pensioenstelsel » en dat « de leefbaarheid van het wettelijk pensioenstelsel » en dat « de
militairen [ . ] dus in geen geval [werden] uitgesloten » (Parl. St., militairen [ . ] dus in geen geval [werden] uitgesloten » (Parl. St.,
Kamer, 1996-1997, nr. 1195/10, p. 9) zijn niet pertinent. Het feit dat Kamer, 1996-1997, nr. 1195/10, p. 9) zijn niet pertinent. Het feit dat
een bepaalde categorie van personen niet van de regeling werd een bepaalde categorie van personen niet van de regeling werd
uitgesloten, kan geenszins worden uitgelegd als een uitdrukkelijke uitgesloten, kan geenszins worden uitgelegd als een uitdrukkelijke
machtiging aan de Koning om de aan de wetgever voorbehouden machtiging aan de Koning om de aan de wetgever voorbehouden
bevoegdheid inzake aangelegenheden die deze categorie van personen bevoegdheid inzake aangelegenheden die deze categorie van personen
betreffen, uit te oefenen. betreffen, uit te oefenen.
De Minister merkte ook op dat « de Raad van State in eerdere adviezen De Minister merkte ook op dat « de Raad van State in eerdere adviezen
[heeft] toegegeven dat de Koning kan ingrijpen in domeinen die normaal [heeft] toegegeven dat de Koning kan ingrijpen in domeinen die normaal
aan de wetgever worden toevertrouwd, mits deze besluiten door de aan de wetgever worden toevertrouwd, mits deze besluiten door de
wetgever bekrachtigd worden » (ibid.). De uitdrukkelijke machtiging in wetgever bekrachtigd worden » (ibid.). De uitdrukkelijke machtiging in
de bijzonderemachtenwet en de navolgende bekrachtiging door de de bijzonderemachtenwet en de navolgende bekrachtiging door de
wetgever zijn evenwel cumulatieve voorwaarden opdat de Koning de door wetgever zijn evenwel cumulatieve voorwaarden opdat de Koning de door
de Grondwet aan de wetgever voorbehouden bevoegdheid kan uitoefenen. de Grondwet aan de wetgever voorbehouden bevoegdheid kan uitoefenen.
B.5.6. Nu aan één van beide cumulatieve voorwaarden niet is voldaan, B.5.6. Nu aan één van beide cumulatieve voorwaarden niet is voldaan,
kon het bestreden koninklijk besluit van 24 juli 1997 dan ook niet kon het bestreden koninklijk besluit van 24 juli 1997 dan ook niet
worden genomen ter uitvoering van artikel 3, § 1, 1°, van de voormelde worden genomen ter uitvoering van artikel 3, § 1, 1°, van de voormelde
wet van 26 juli 1996, en mist het derhalve elke rechtsgrond. wet van 26 juli 1996, en mist het derhalve elke rechtsgrond.
B.6.1. Nu het koninklijk besluit van 24 juli 1997 werd niet genomen op B.6.1. Nu het koninklijk besluit van 24 juli 1997 werd niet genomen op
basis van de bijzonderemachtenwet, kan niet worden aanvaard dat de basis van de bijzonderemachtenwet, kan niet worden aanvaard dat de
wetgever een zodanig besluit bekrachtigt dat, zonder rechtsgrond, wetgever een zodanig besluit bekrachtigt dat, zonder rechtsgrond,
dermate fundamenteel ingrijpt in de bij artikel 182 van de Grondwet dermate fundamenteel ingrijpt in de bij artikel 182 van de Grondwet
uitdrukkelijk aan de wetgever voorbehouden aangelegenheid. uitdrukkelijk aan de wetgever voorbehouden aangelegenheid.
B.6.2. De louter formele bekrachtiging van een zodanig besluit doet op B.6.2. De louter formele bekrachtiging van een zodanig besluit doet op
discriminerende wijze afbreuk aan de grondwettelijke waarborg voor discriminerende wijze afbreuk aan de grondwettelijke waarborg voor
alle militairen dat zij niet kunnen worden onderworpen aan alle militairen dat zij niet kunnen worden onderworpen aan
verplichtingen zonder dat die zijn vastgesteld door een democratisch verplichtingen zonder dat die zijn vastgesteld door een democratisch
verkozen beraadslagende vergadering. verkozen beraadslagende vergadering.
B.6.3. Het eerste middel, in zijn eerste onderdeel, is gegrond, zodat B.6.3. Het eerste middel, in zijn eerste onderdeel, is gegrond, zodat
artikel 10, 2°, van de wet van 12 december 1997 moet worden vernietigd artikel 10, 2°, van de wet van 12 december 1997 moet worden vernietigd
in zoverre het de artikelen 11 en 12 van het koninklijk besluit van 24 in zoverre het de artikelen 11 en 12 van het koninklijk besluit van 24
juli 1997 bekrachtigt. juli 1997 bekrachtigt.
B.7. Aangezien het eerste middel in zijn overige onderdelen en het B.7. Aangezien het eerste middel in zijn overige onderdelen en het
tweede middel niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, moeten tweede middel niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, moeten
zij niet worden onderzocht. zij niet worden onderzocht.
Om die redenen, Om die redenen,
het Hof het Hof
vernietigt artikel 10, 2°, van de wet van 12 december 1997 « tot vernietigt artikel 10, 2°, van de wet van 12 december 1997 « tot
bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van
de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire
voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en
Monetaire Unie, en van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van Monetaire Unie, en van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van
de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de
wettelijke pensioenstelsels », in zoverre het de artikelen 11 en 12 wettelijke pensioenstelsels », in zoverre het de artikelen 11 en 12
van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 betreffende het in van het koninklijk besluit van 24 juli 1997 betreffende het in
disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader disponibiliteit stellen van bepaalde militairen van het actief kader
van de krijgsmacht bekrachtigt. van de krijgsmacht bekrachtigt.
Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits,
overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op
het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 17 juni 1999. het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 17 juni 1999.
De griffier, De griffier,
L. Potoms. L. Potoms.
De voorzitter, De voorzitter,
L. De Grève. L. De Grève.
^