Etaamb.openjustice.be
Ministerieel Besluit van 14 oktober 2015
gepubliceerd op 20 november 2015

Ministerieel besluit tot vaststelling van minimumeisen voor prebasispootgoed van aardappelen en tot vaststellingen van EU-klassen voor prebasispootgoed, basispootgoed en gecertificeerd pootgoed van aardappelen en van de daarvoor geldende eisen en aanduidingen

bron
vlaamse overheid
numac
2015036401
pub.
20/11/2015
prom.
14/10/2015
ELI
eli/besluit/2015/10/14/2015036401/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

VLAAMSE OVERHEID

Landbouw en Visserij


14 OKTOBER 2015. - Ministerieel besluit tot vaststelling van minimumeisen voor prebasispootgoed van aardappelen en tot vaststellingen van EU-klassen voor prebasispootgoed, basispootgoed en gecertificeerd pootgoed van aardappelen en van de daarvoor geldende eisen en aanduidingen


De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, Gelet op het decreet van 28 juni 2013Relevante gevonden documenten type decreet prom. 28/06/2013 pub. 12/09/2013 numac 2013204905 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het landbouw- en visserijbeleid sluiten betreffende het landbouw- en visserijbeleid, artikel 4, 2°, b);

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/01/2007 pub. 26/02/2007 numac 2007035249 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering houdende de reglementering van de handel in en de keuring van pootaardappelen sluiten houdende de reglementering van de handel in en de keuring van pootaardappelen, artikel 4, 3°, en artikel 8;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 21 mei 2015;

Gelet op het overleg tussen de gewestregeringen en de federale overheid op 21 mei 2015, bekrachtigd door de Interministeriële Conferentie voor het Landbouwbeleid op 15 juli 2015;

Gelet op advies 57.789/1/V van de Raad van State, gegeven op 17 augustus 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, Besluit :

Artikel 1.Dit besluit voorziet in de omzetting van uitvoeringsrichtlijn 2014/20/EU van de Commissie van 6 februari 2014 tot vaststelling van EU-klassen voor basispootgoed en gecertificeerd pootgoed van aardappelen en van de daarvoor geldende eisen en aanduidingen en in de omzetting van uitvoeringsrichtlijn 2014/21/EU van de Commissie van 6 februari 2014 tot vaststelling van minimumeisen en EU-klassen voor prebasispootgoed van aardappelen.

Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: 1° "moederplant": een geïdentificeerde plant waarvan materiaal wordt genomen met het oog op voortplanting;2° "microvermeerdering": de snelle vermenigvuldiging van plantaardig materiaal voor de productie van een groot aantal planten met de in-vitrokweek van gedifferentieerde bladknoppen of meristemen van een plant.

Art. 3.§ 1. Prebasispootgoed van aardappelen moet aan de volgende minimumeisen voldoen: 1° het is afkomstig van moederplanten die vrij zijn van de volgende schadelijke organismen: Pectobacterium spp., Dickeya spp., het aardappelbladrolvirus en de aardappelvirussen A, M, S, X en Y; 2° het vertoont geen symptomen van zwartbenigheid;3° het aantal niet-rasechte planten en het aantal planten van andere rassen bedragen samen niet meer dan 0,01 %;4° in de directe nateelt bedraagt het aantal planten met symptomen van virusziekten niet meer dan 0,5 %;5° het aantal planten met mozaïeksymptomen of symptomen van bladrolvirus bedraagt niet meer dan 0,1 %;6° het maximumaantal veldgeneraties is vier. § 2. Prebasispootgoed van aardappelen mag in de handel gebracht worden als "EU-klasse PBTC" en als "EU-klasse PB". § 3. De naleving van de eisen, vermeld in paragraaf 2, 2°, 3° en 5°, moet worden vastgesteld met officiële veldinspecties. In geval van twijfel worden die inspecties aangevuld met officiële tests op bladeren.

Als er methoden voor microvermeerdering worden gebruikt, wordt de naleving van de vereiste, vermeld in paragraaf 2, 1°, vastgesteld door het officieel testen of het testen onder officieel toezicht van de moederplant.

Als er kloonselectiemethoden worden gebruikt, wordt de naleving van de vereiste, vermeld in paragraaf 2, 1°, vastgesteld door het officieel testen of het testen onder officieel toezicht van het kloonmateriaal.

Art. 4.De partijen van prebasispootgoed van aardappelen moeten aan de volgende minimumeisen voldoen: 1° de aanhangende grond en andere vreemde bestanddelen bedragen samen niet meer dan 1,0 % massa;2° het aandeel aardappelen met ander rot dan ring- of bruinrot bedraagt niet meer dan 0,2 % massa;3° het aandeel aardappelen met uitwendige onvolkomenheden, inclusief misvormde of beschadigde knollen, bedraagt niet meer dan 3,0 % massa;4° het aandeel aardappelen met aardappelschurft op meer dan een derde van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 5,0 % massa;5° het aandeel aardappelen met lakschurft op meer dan 10 % van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 1,0 % massa;6° het aandeel aardappelen met poederschurft op meer dan 10 % van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 1,0 % massa;7° het aandeel knollen die verschrompeld zijn als gevolg van overmatige uitdroging of door zilverschurft veroorzaakte uitdroging, bedraagt niet meer dan 0,5 % massa;8° het totale aantal aardappelen uit de categorieën, vermeld in punt 2° tot en met 7°, bedraagt niet meer dan 6,0 % massa.

Art. 5.Prebasispootgoed van aardappelen van de EU-klasse PBTC moet aan de volgende eisen voldoen: 1° de eisen voor de pootaardappelen: a) in het gewas zijn geen niet-rasechte planten en planten van andere rassen aanwezig;b) in het gewas zijn geen planten met zwartbenigheid aanwezig;c) in de directe nateelt zijn geen virusziekten in het gewas aanwezig;d) in het gewas zijn geen planten met mozaïeksymptomen of symptomen van bladrolvirus aanwezig;e) de planten, knollen inbegrepen, worden geproduceerd met microvermeerdering;f) de planten, knollen inbegrepen, worden geproduceerd in een beschermde faciliteit en in een groeimedium dat vrij is van ziekten;g) de knollen worden na de eerste generatie niet meer vermenigvuldigd;2° de partijen bevatten geen pootaardappelen die tot de volgende categorieën behoren: a) pootaardappelen met rot;b) pootaardappelen met lakschurft;c) pootaardappelen met aardappelschurft;d) pootaardappelen met poederschurft;e) overmatig verschrompelde pootaardappelen als gevolg van uitdroging;f) pootaardappelen met uitwendige onvolkomenheden, inclusief misvormde of beschadigde knollen.

Art. 6.Prebasispootgoed van aardappelen mag als EU-klasse PB in de handel worden gebracht als het aan de volgende eisen voldoet: 1° na officiële inspectie is vastgesteld dat de pootaardappelen voldoen aan de volgende eisen: a) het aantal niet-rasechte planten en het aantal planten van andere rassen bedragen samen niet meer dan 0,01 %;b) de planten vertonen geen symptomen van zwartbenigheid;c) in de directe nateelt bedraagt het aantal planten met symptomen van virusziekten niet meer dan 0,5 %;d) het aantal planten met mozaïeksymptomen of met symptomen van bladrolvirus bedraagt samen niet meer dan 0,1 %;2° na officiële inspectie is vastgesteld dat de partijen aardappelen voldoen aan de toleranties voor de partijen met betrekking tot de volgende onzuiverheden, onvolkomenheden en ziekten: a) het aandeel pootaardappelen met ander rot dan ring- of bruinrot bedraagt niet meer dan 0,2 % massa;b) het aandeel pootaardappelen met lakschurft op meer dan 10 % van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 1,0 % massa;c) het aandeel pootaardappelen met aardappelschurft op meer dan een derde van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 5,0 % massa;d) het aandeel pootaardappelen met poederschurft op meer dan 10 % van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 1,0 % massa;e) het aandeel knollen die verschrompeld zijn als gevolg van overmatige uitdroging of door zilverschurft veroorzaakte uitdroging, bedraagt niet meer dan 0,5 % massa;f) het aandeel pootaardappelen met uitwendige onvolkomenheden, inclusief misvormde of beschadigde knollen, bedraagt niet meer dan 3,0 % massa;g) de aanhangende grond en andere vreemde bestanddelen bedragen samen niet meer dan 1,0 % massa;h) het totale aandeel pootaardappelen dat onder de toleranties, vermeld in punt a) tot en met f), valt, bedraagt niet meer dan 6,0 % massa.

Art. 7.Basispootgoed van aardappelen mag als EU-klasse S in de handel worden gebracht als het aan de volgende eisen voldoet: 1° na officiële inspectie is vastgesteld dat de pootaardappelen voldoen aan de volgende eisen: a) het aantal niet-rasechte planten en het aantal planten van andere rassen bedragen samen niet meer dan 0,1 %;b) het aantal door zwartbenigheid aangetaste planten bedraagt niet meer dan 0,1 %;c) in de directe nateelt bedraagt het aantal planten met symptomen van virusziekten niet meer dan 1,0 %;d) het aantal planten met mozaïeksymptomen en het aantal planten met symptomen van bladrolvirus bedragen samen niet meer dan 0,2 %;e) het maximumaantal generaties, met inbegrip van de generaties van pre-basispootgoed op het veld en basispootgoed, bedraagt vijf;f) als de generatie niet op het officiële etiket vermeld staat, worden de aardappelen geacht te behoren tot de vijfde generatie.2° na officiële inspectie is vastgesteld dat de partijen aardappelen voldoen aan de toleranties voor de partijen met betrekking tot de volgende onzuiverheden, onvolkomenheden en ziekten: a) het aandeel pootaardappelen met ander rot dan ring- of bruinrot bedraagt niet meer dan 0,5 % massa, waarvan ten hoogste 0,2 % massa natrot;b) het aandeel pootaardappelen met lakschurft op meer dan 10 % van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 5,0 % massa;c) het aandeel pootaardappelen met aardappelschurft op meer dan een derde van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 5,0 % massa;d) het aandeel pootaardappelen met poederschurft op meer dan 10 % van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 3,0 % massa;e) het aandeel knollen die verschrompeld zijn als gevolg van overmatige uitdroging of door zilverschurft veroorzaakte uitdroging, bedraagt niet meer dan 1,0 % massa;f) het aandeel pootaardappelen met uitwendige onvolkomenheden, inclusief misvormde of beschadigde knollen, bedraagt niet meer dan 3,0 % massa;g) aanhangende grond en andere vreemde bestanddelen bedragen samen niet meer dan 1,0 % massa;h) het totale aandeel pootaardappelen dat onder de toleranties, vermeld in punt a) tot en met f), valt, bedraagt niet meer dan 6,0 % massa.

Art. 8.Basispootgoed van aardappelen mag als EU-klasse SE in de handel worden gebracht als het aan de volgende eisen voldoet: 1° na officiële inspectie is vastgesteld dat de pootaardappelen voldoen aan de volgende eisen: a) het aantal niet-rasechte planten en het aantal planten van andere rassen bedragen samen niet meer dan 0,1 %;b) het aantal door zwartbenigheid aangetaste planten bedraagt niet meer dan 0,5 %;c) in de directe nateelt bedraagt het aantal planten met symptomen van virusziekten niet meer dan 2,0 %;d) het aantal planten met mozaïeksymptomen of met symptomen van bladrolvirus bedraagt samen niet meer dan 0,5 %;e) het maximumaantal generaties, met inbegrip van de generaties van pre-basispootgoed op het veld en basispootgoed, bedraagt zes;f) als de generatie niet op het officiële etiket vermeld staat, worden de aardappelen geacht te behoren tot de zesde generatie.2° na officiële inspectie is vastgesteld dat de partijen aardappelen voldoen aan de toleranties voor de partijen met betrekking tot de volgende onzuiverheden, onvolkomenheden en ziekten: a) het aandeel pootaardappelen met ander rot dan ring- of bruinrot bedraagt niet meer dan 0,5 % massa, waarvan ten hoogste 0,2 % massa natrot;b) het aandeel pootaardappelen met lakschurft op meer dan 10 % van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 5,0 % massa;c) het aandeel pootaardappelen met aardappelschurft op meer dan een derde van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 5,0 % massa;d) het aandeel pootaardappelen met poederschurft op meer dan 10 % van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 3,0 % massa;e) het aandeel knollen die verschrompeld zijn als gevolg van overmatige uitdroging of door zilverschurft veroorzaakte uitdroging, bedraagt niet meer dan 1,0 % massa;f) het aandeel pootaardappelen met uitwendige onvolkomenheden, inclusief misvormde of beschadigde knollen, bedraagt niet meer dan 3,0 % massa;g) aanhangende grond en andere vreemde bestanddelen bedragen samen niet meer dan 1,0 % massa;h) het totale aandeel pootaardappelen dat onder de toleranties, vermeld in punt a) tot en met f), valt, bedraagt niet meer dan 6,0 % massa.

Art. 9.Basispootgoed van aardappelen mag als EU-klasse E in de handel worden gebracht als het aan de volgende eisen voldoet: 1° na officiële inspectie is vastgesteld dat de pootaardappelen voldoen aan de volgende eisen: a) het aantal niet-rasechte planten en het aantal planten van andere rassen bedragen samen niet meer dan 0,1 %;b) het aantal door zwartbenigheid aangetaste planten bedraagt niet meer dan 1,0 %;c) in de directe nateelt bedraagt het aantal planten met symptomen van virusziekten niet meer dan 4,0 %;d) het aantal planten met mozaïeksymptomen of met symptomen van bladrolvirus bedragen samen niet meer dan 0,8 %;e) het maximumaantal generaties, met inbegrip van de generaties van pre-basispootgoed op het veld en basispootgoed, bedraagt zeven;f) als de generatie niet op het officiële etiket vermeld staat, worden de aardappelen geacht te behoren tot de zevende generatie.2° na officiële inspectie is vastgesteld dat de partijen aardappelen voldoen aan de toleranties voor de partijen met betrekking tot de volgende onzuiverheden, onvolkomenheden en ziekten: a) het aandeel pootaardappelen met ander rot dan ring- of bruinrot bedraagt niet meer dan 0,5 % massa, waarvan ten hoogste 0,2 % massa natrot;b) het aandeel pootaardappelen met lakschurft op meer dan 10 % van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 5,0 % massa;c) het aandeel pootaardappelen met aardappelschurft op meer dan een derde van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 5,0 % massa;d) het aandeel pootaardappelen met poederschurft op meer dan 10 % van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 3,0 % massa;e) het aandeel knollen die verschrompeld zijn als gevolg van overmatige uitdroging of door zilverschurft veroorzaakte uitdroging, bedraagt niet meer dan 1,0 % massa;f) het aandeel pootaardappelen met uitwendige onvolkomenheden, inclusief misvormde of beschadigde knollen, bedraagt niet meer dan 3,0 % massa;g) aanhangende grond en andere vreemde bestanddelen bedragen samen niet meer dan 1,0 % massa;h) het totale aandeel pootaardappelen dat onder de toleranties, vermeld in punt a) tot en met f), valt, bedraagt niet meer dan 6,0 % massa.

Art. 10.Gecertificeerd pootgoed van aardappelen mag als EU-klasse A in de handel worden gebracht als het aan de volgende eisen voldoet: 1° na officiële inspectie is vastgesteld dat de pootaardappelen voldoen aan de volgende eisen: a) het aantal niet-rasechte planten en het aantal planten van andere rassen bedragen samen niet meer dan 0,2 %;b) het aantal door zwartbenigheid aangetaste planten bedraagt niet meer dan 2,0 %;c) in de directe nateelt bedraagt het aantal planten met symptomen van virusziekten niet meer dan 8,0 %;d) het aantal planten met mozaïeksymptomen of met symptomen van bladrolvirus bedraagt samen niet meer dan 2,0 %;2° na officiële inspectie is vastgesteld dat de partijen aardappelen voldoen aan de toleranties voor de partijen met betrekking tot de volgende onzuiverheden, onvolkomenheden en ziekten: a) het aandeel pootaardappelen met ander rot dan ring- of bruinrot bedraagt niet meer dan 0,5 % massa, waarvan ten hoogste 0,2 % massa natrot;b) het aandeel pootaardappelen met lakschurft op meer dan 10 % van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 5,0 % massa;c) het aandeel pootaardappelen met aardappelschurft op meer dan een derde van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 5,0 % massa;d) het aandeel pootaardappelen met poederschurft op meer dan 10 % van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 3,0 % massa;e) het aandeel knollen die verschrompeld zijn als gevolg van overmatige uitdroging of door zilverschurft veroorzaakte uitdroging, bedraagt niet meer dan 1,0 % massa;f) het aandeel pootaardappelen met uitwendige onvolkomenheden, inclusief misvormde of beschadigde knollen, bedraagt niet meer dan 3,0 % massa;g) aanhangende grond en andere vreemde bestanddelen bedragen samen niet meer dan 2,0 % massa;h) het totale aandeel pootaardappelen dat onder de toleranties, vermeld in punt a) tot en met f), valt, bedraagt niet meer dan 8,0 % massa.

Art. 11.Gecertificeerd pootgoed van aardappelen mag als EU-klasse B in de handel worden gebracht als het aan de volgende eisen voldoet: 1° na officiële inspectie is vastgesteld dat de pootaardappelen voldoen aan de volgende eisen: a) het aantal niet-rasechte planten en het aantal planten van andere rassen bedragen samen niet meer dan 0,5 %;b) het aantal door zwartbenigheid aangetaste planten bedraagt niet meer dan 4,0 %;c) in de directe nateelt bedraagt het aantal planten met symptomen van virusziekten niet meer dan 10,0 %;d) het aantal planten met mozaïeksymptomen of met symptomen van bladrolvirus bedraagt samen niet meer dan 6,0 %;2° na officiële inspectie is vastgesteld dat de partijen aardappelen voldoen aan de toleranties voor de partijen met betrekking tot de volgende onzuiverheden, onvolkomenheden en ziekten: a) het aandeel pootaardappelen met ander rot dan ring- of bruinrot bedraagt niet meer dan 0,5 % massa, waarvan ten hoogste 0,2 % massa natrot;b) het aandeel pootaardappelen met lakschurft op meer dan 10 % van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 5,0 % massa;c) het aandeel pootaardappelen met aardappelschurft op meer dan een derde van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 5,0 % massa;d) het aandeel pootaardappelen met poederschurft op meer dan 10 % van hun oppervlak bedraagt niet meer dan 3,0 % massa;e) het aandeel knollen die verschrompeld zijn als gevolg van overmatige uitdroging of door zilverschurft veroorzaakte uitdroging, bedraagt niet meer dan 1,0 % massa;f) het aandeel pootaardappelen met uitwendige onvolkomenheden, inclusief misvormde of beschadigde knollen, bedraagt niet meer dan 3,0 % massa;g) aanhangende grond en andere vreemde bestanddelen bedragen samen niet meer dan 2,0 % massa;h) het totale aandeel pootaardappelen dat onder de toleranties, vermeld in punt a) tot en met f), valt, bedraagt niet meer dan 8,0 % massa.

Art. 12.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2016.

Brussel, 14 oktober 2015.

De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

^