Etaamb.openjustice.be
Ministerieel Besluit van 03 juni 1999
gepubliceerd op 24 september 1999

Ministerieel besluit tot vaststelling van de wijze van financiering van de onderzoekprogramma's en -acties in de federale wetenschappelijke instellingen die onderworpen zijn aan het gezag van de Minister van Wetenschapsbeleid

bron
diensten van de eerste minister
numac
1999021326
pub.
24/09/1999
prom.
03/06/1999
ELI
eli/besluit/1999/06/03/1999021326/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

3 JUNI 1999. - Ministerieel besluit tot vaststelling van de wijze van financiering van de onderzoekprogramma's en -acties in de federale wetenschappelijke instellingen die onderworpen zijn aan het gezag van de Minister van Wetenschapsbeleid


De Minister van Wetenschapsbeleid, Gelet op het koninklijk besluit van 20 april 1965 betreffende het statuut der wetenschappelijke inrichtingen van de Staat, inzonderheid op artikel 10;

Overwegende dat voor de nodige instrumenten gezorgd dient te worden om, in de federale wetenschappelijke instellingen die onderworpen zijn aan het gezag van de Minister van Wetenschapsbeleid, een coherent onderzoekbeleid te bevorderen met het doel de kwaliteit van de projecten te vergroten, de banden met de universiteiten aan te halen en de nieuwste technologieën in deze instellingen in te voeren;

Overwegende dat de Wetenschappelijke raad betrokken dient te worden bij het bepalen van de onderzoekprioriteiten van de betrokken instelling en experts van buitenuit aangezocht dienen te worden om de wetenschappelijke kwaliteit van de voorgestelde projecten te beoordelen;

Gelet op het advies van het College der Hoofden van de federale wetenschappelijke instellingen die onderworpen zijn aan het gezag van de Minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort, gegeven op 19 april 1999;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 10 mei 1999;

Op de voordracht van de Secretaris-generaal van de Federale diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : - Minister : de Minister die bevoegd is voor het Wetenschapsbeleid. - Instelling : een van de federale wetenschappelijke instellingen onderworpen aan het gezag van de Minister van Wetenschapsbeleid. - Diensten : de Federale diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden (afgekort D.W.T.C.). - Onderzoekproject: een specifiek onderzoekproject van beperkte duur ter ondersteuning van de wetenschappelijke dienstverlenende opdrachten van de instelling. - Doctoraat : een onderzoekproject uitgevoerd in een instelling onder de leiding van een universiteitsprofessor en een statutair lid van het wetenschappelijk personeel van de instelling met het doel een proefschrift tot het verkrijgen van het doctoraat in een Belgische universiteit te verwezenlijken. - College : het College der Hoofden van de federale wetenschappelijke instellingen die onderworpen zijn aan het gezag van de Minister van Wetenschapsbeleid.

Art. 2.§ 1. Op de voorwaarden vastgesteld bij dit besluit en voor zover hiervoor begrotingskredieten ingeschreven zijn in de wet houdende de algemene uitgavenbegroting, kan de Minister in de instellingen de hierna beschreven acties financieren : - Actie 1 : meerjarige onderzoekprojecten. - Actie 2 : doctoraten. - Actie 3 : steunverlening aan de medewerking van de instellingen aan internationale wetenschappelijke onderzoekactiviteiten. - Actie 4 : steun aan de opleiding en de bijscholing van de statutaire personeelsleden van de instelling op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek. § 2. De verdeling van de begroting over de vier in dit besluit beschreven acties is de volgende : - Actie 1 : minimum 70 %. - Actie 2 : maximum 20 %. - Actie 3 : maximum 5 %. - Actie 4 : maximum 5 %. § 3. De instellingshoofden dienen de actievoorstellen in op verzoek van de Secretaris-generaal van de Diensten.

Art. 3.De Diensten worden belast met de selectieprocedure voor de acties bedoeld in artikel 2 en met de controle op de besteding van de financiële middelen toegekend aan de instellingen in het kader van dit besluit.

Art. 4.Een begeleidingscomité, genoemd « Begeleidingscomité voor de onderzoekacties in de federale wetenschappelijke instellingen die onderworpen zijn aan het gezag van de Minister van Wetenschapsbeleid » en hierna te noemen het « Comité », wordt bij de Diensten opgericht om hen te adviseren bij het selecteren van de acties bedoeld in artikel 2.

Art. 5.Maken deel uit van het Comité : 1° de Secretaris-generaal van de Diensten, die het voorzitterschap waarneemt;2° het hoofd van de Dienst van de federale wetenschappelijke instellingen van de Diensten, die bij afwezigheid van de Secretaris-generaal van de Diensten het voorzitterschap waarneemt;3° zes leden, waarvan drie Nederlandstaligen en drie Franstaligen, aangewezen door de Minister onder prominenten uit de wetenschapswereld uit een dubbeltal opgemaakt door het College; voor ieder van deze zes leden, wordt op dezelfde manier een plaatsvervanger aangewezen; 4° de Inspecteur van Financiën geaccrediteerd bij de Minister;hij beschikt over raadgevende stem.

Art. 6.Het mandaat van de leden vermeld in artikel 5, 3° duurt vier jaar.

Art. 7.De hoedanigheid van lid van het Comité bedoeld in artikel 5, 3° is onverenigbaar met die van personeelslid of gewezen personeelslid van de instellingen, alsook met die van lid van de Wetenschappelijke raad van een van de instellingen.

Art. 8.Het Comité beraadslaagt geldig voor zover de meerderheid van de in artikel 5, 3° vermelde leden aanwezig is.

Art. 9.Om de opdrachten van het Comité uit te voeren met betrekking tot de acties 1 en 2, zijn enkel de in artikel 5, 3° vermelde leden stemgerechtigd. HOOFDSTUK II. - Actie 1. Meerjarige onderzoekprojecten

Art. 10.§ 1. De onderzoekprojecten hebben een looptijd van vier jaar of, zo nodig, van twee jaar die eenmaal verlengd kan worden. § 2. Ze moeten aanvaard zijn door de Wetenschappelijke raad van de instelling en aan de volgende criteria beantwoorden : - het bijdragen aan het uitbouwen van de noodzakelijke wetenschappelijke en technische expertise voor de opdrachten van de instelling, met inbegrip van het ontwikkelen van passende methodologieën en instrumenten; - het bevorderen van de samenwerking van de instelling met andere wetenschappelijke instellingen (Belgische of buitenlandse universiteiten of onderzoekcentra).

Art. 11.De Diensten doen een beroep op Belgische of buitenlandse experts voor de wetenschappelijke evaluatie van de voorstellen.

Art. 12.De Wetenschappelijke raad van de instelling deelt de Diensten de prioriteiten mee die tussen de door de instelling ingediende voorstellen werden vastgelegd, zo nodig aangepast om rekening te houden met de adviezen bedoeld in artikel 11.

Art. 13.Het Comité stelt een selectievoorstel op uitgaande van de adviezen bedoeld in artikelen 11 en 12. Dit selectievoorstel vermeldt de hoogte van de voorgestelde financieringen.

Art. 14.De Secretaris-generaal van de Diensten stelt het definitief selectievoorstel op, dat hij motiveert en aan de Minister voorlegt.

Art. 15.De Minister legt de te financieren projecten vast op basis van het selectievoorstel bedoeld in artikel 14. HOOFDSTUK III. - Actie 2. Doctoraten

Art. 16.De doctoraatsprojecten lopen over vier jaar.

Art. 17.De instelling werft voor het uitvoeren van deze actie de onderzoeker met een arbeidsovereenkomst aan.

Art. 18.Onverminderd de bepalingen van artikel 19 wordt de Wetenschappelijke raad van de instelling belast met de evaluatie van de ingediende projecten in samenspraak met de universiteitsprofessor bedoeld in artikel 1.

Art. 19.De Diensten kunnen een beroep doen op Belgische of buitenlandse experts voor de wetenschappelijke evaluatie van de projecten.

Art. 20.Het Comité stelt een selectievoorstel op van de ingediende projecten.

Art. 21.De Secretaris-generaal van de Diensten stelt het definitief selectievoorstel op, dat hij motiveert en aan de Minister voorlegt.

Art. 22.De Minister legt de te financieren projecten vast op basis van het selectievoorstel bedoeld in artikel 21.

Art. 23.De aan te werven onderzoekers moeten minstens 4/5 van hun tijd besteden aan het verwezenlijken van hun doctoraal proefschrift; deze verplichting moet uitdrukkelijk opgenomen worden in de overeenkomsten met de instelling. Op basis van een gunstig advies van de Wetenschappelijke raad, mogen zij niettemin 1/5 van hun tijd besteden aan het meewerken aan andere activiteiten van de instelling. HOOFDSTUK IV. - Actie 3. Steunverlening aan de medewerking van de instellingen aan internationale wetenschappelijke onderzoekactiviteiten

Art. 24.Een aanvullende financiering kan worden toegekend voor ieder in het kader van een internationaal programma geselecteerd en gefinancierd wetenschappelijk onderzoekproject. Deze aanvullende financiering mag in geen geval hoger zijn dan de al elders toegekende financiering.

Art. 25.De voorstellen moeten vergezeld zijn van een gunstig advies van de Wetenschappelijke raad van de instelling.

Art. 26.Het Comité stelt een selectievoorstel op van de ingediende dossiers.

Art. 27.De Secretaris-generaal van de Diensten stelt het definitief selectievoorstel op, dat hij motiveert en aan de Minister voorlegt.

Art. 28.De Minister legt de te financieren projecten vast op basis van het selectievoorstel bedoeld in artikel 27. HOOFDSTUK V. - Actie 4. Steun aan de opleiding en de bijscholing van de statutaire personeelsleden van de instellingen op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek

Art. 29.§ 1. Een financiering kan worden toegekend aan de instelling om een contractueel wetenschappelijk personeelslid aan te werven voor het vervullen van de opdrachten inzake wetenschappelijk onderzoek van een statutair personeelslid dat een dienstvrijstelling van een jaar heeft bekomen, hetzij om een doctoraal proefschrift te voltooien, hetzij in een buitenlandse universiteit of een buitenlandse wetenschappelijke instelling te verblijven om daar onderzoek te verrichten indien hij een doctorstitel heeft. § 2. De ingediende aanvraag moet vergezeld zijn van het gunstige advies van de Wetenschappelijke raad en van het gunstige advies van de Wervingscommissie indien het om het voltooien van een doctoraal proefschrift gaat.

Art. 30.Het Comité stelt een selectievoorstel op van de overeenkomstig artikel 29 ingediende voorstellen.

Art. 31.De Secretaris-generaal van de Diensten stelt het definitief selectievoorstel op, dat hij motiveert en aan de Minister voorlegt.

Art. 32.De Minister legt de te financieren projecten vast op basis van het selectievoorstel bedoeld in artikel 31. HOOFDSTUK VI. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 33.Het ministerieel besluit van 7 juni 1996 « tot oprichting van een adviescommissie voor bepaalde wetenschappelijke projecten van de wetenschappelijke instellingen » wordt opgeheven.

Art. 34.De acties die aan de gang zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit blijven onderworpen aan de voorschriften die voor die datum van toepassing waren.

Art. 35.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2000.

Art. 36.De Secretaris-generaal van de Diensten is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 3 juni 1999.

Y. YLIEFF

^