Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 28 juni 2009
gepubliceerd op 06 juli 2009

Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis

bron
federale overheidsdienst sociale zekerheid en federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2009012200
pub.
06/07/2009
prom.
28/06/2009
ELI
eli/besluit/2009/06/28/2009012200/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

28 JUNI 2009. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de programmawet (I) van 24 december 2002, artikel 336, gewijzigd bij de wetten van 23 december 2005, 20 juli 2006 en 19 juni 2009, artikel 338, gewijzigd bij de wetten van 23 december 2005 en 19 juni 2009, artikel 353bis /3, ingevoegd bij de wet van 19 juni 2009 en artikel 353bis /4, ingevoegd bij de wet van 19 juni 2009;

Gelet op de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis, de artikelen 14, 18 en 20;

Gelet op het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, artikel 2, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 januari 2004 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 november 2005, 20 juli 2006, bij de wet van 27 december 2006 en bij de koninklijke besluiten van 21 april 2007, 26 april 2007, 30 april 2007 en 29 juni 2007;

Gelet op de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, inzonderheid op artikel 15;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën gegeven op 20 mei 2009;

Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris van Begroting van 26 mei 2009;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omvang van de crisis die onze economie raakt en door de noodzaak om binnen de kortste termijnen bijkomende maatregelen te nemen. Deze maatregelen moeten toelaten het aantal ontslagen te verminderen en zo een sneller herstel van onze economie bewerkstelligen. Gezien de permanente evolutie van de economische situatie, is het gepast te handelen met de grootst mogelijke snelheid.

Gelet op advies 46.777/1 van de Raad van State, gegeven op 2 juni 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Sociale Zaken en de Minister van Werk en op het advies van de in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Tijdelijke crisis aanpassing van de arbeidsduur

Artikel 1.In artikel 2, 4°, van titel I van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, vervangen bij het koninklijk besluit van 21 januari 2004 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2006, 21 april 2007 en 29 juni 2007, worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bepaling onder cter ) wordt ingevoegd, luidende : « cter ) G4 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.» 2° de bepaling onder cquater) wordt ingevoegd, luidende : « cquater ) G5 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.»; 3° de bepaling onder cquinquies) wordt ingevoegd, luidende : « cquinquies ) G6 = het forfaitair bedrag bedoeld in artikel 336 van de programmawet van 24 december 2002.» 4° in de bepaling onder g) worden de woorden « G1, G2 of G3 » vervangen door de woorden « G1, G2, G3, G4, G5 of G6 »;

Art. 2.In titel III van hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk VIII ingevoegd dat de artikelen 28/2, 28/3, 28/4, 28/5 en 28/6 bevat, luidende : « HOOFDSTUK VIII. - Tijdelijke crisis-aanpassing van de arbeidsduur

Art. 28/2.Dit hoofdstuk is van toepassing op werkgevers bedoeld in artikel 335, derde lid, van de wet van 24 december 2002.

Art. 28/3.Een doelgroepvermindering voor tijdelijke arbeidsduurvermindering wordt als volgt toegekend : 1° een forfaitair bedrag G4 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur loopt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vijfde.2° een forfaitair bedrag G5 vanaf het kwartaal van invoering van het stelsel van tijdelijke arbeidsduurvermindering in de onderneming en tot het kwartaal waarin de tijdelijke arbeidsduurvermindering loopt, indien de arbeidsduur werd verminderd met een vierde;3° een forfaitair bedrag G1 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 1° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek;4° een forfaitair bedrag G6 indien de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur bedoeld onder 2° gecombineerd wordt met een tijdelijke invoering van de vierdagenweek. De doelgroepverminderingen worden toegekend voor de tewerkstellingen tijdens de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur.

De verminderingen bedoeld in 3° en 4° zijn enkel toepasbaar voor voltijdse werknemers.

Art. 28/4.In de aangiften voor de sociale zekerheid voor de kwartalen waarin de bij de artikelen 353bis /3 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden toegekend, moet de werkgever melding maken van : 1° de werknemers waarop het ingevoerde stelsel en de bijdragevermindering betrekking hebben;2° de datum van inwerkingtreding van het stelsel alsook de datum waarop het buiten werking treedt;3° de wekelijkse arbeidsduur van de voltijdse werknemers die van toepassing is vóór en na de invoering van de aanpassing van de arbeidsduur.

Art. 28/5.De collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 353bis /4 van de wet van 24 december 2002 moet uitdrukkelijk vermelden dat ze gesloten is in het kader van Titel 1 - Tijdelijke crisis-aanpassing van de Arbeidsduur - van de Wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis.

De collectieve arbeidsovereenkomst moet duidelijk de begin- en einddatum van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur en, in voorkomend geval, van de tijdelijke invoering van de vierdagenweek vermelden. De begindatum mag de datum van inwerkingtreding van Titel 1 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis niet voorafgaan en niet na 31 december 2009 vallen. De einddatum moet liggen vóór 1 januari 2010. De collectieve arbeidsovereenkomst mag geen bepaling bevatten waardoor zij stilzwijgend verlengd kan worden.

De collectieve arbeidsovereenkomst moet voorzien in een tijdelijke vermindering van de arbeidsduur met hetzij één vijfde, hetzij één vierde van de arbeidsduur die van kracht was vóór haar inwerkingtreding.

De looncompensatie voorzien bij artikel 353bis /4, derde lid, van de wet van 24 december 2002 moet minstens drie vierden belopen van het bedrag van de forfaitaire vermindering bedoeld in artikel 28/3 van dit besluit.

Bij invoering van de vierdagenweek vermeldt de collectieve arbeidsovereenkomst duidelijk de wekelijkse arbeidsregeling waarbij het begrip « vierdagenweek » moet voldoen aan de definitie in artikel 25. De periode van de invoering van de vierdagenweek moet in de periode van de tijdelijke aanpassing van de arbeidsduur vallen. Binnen de maand die volgt op de ondertekening van de collectieve arbeidsovereenkomst bezorgt de werkgever daarvan een kopie aan het bevoegd directiehoofd van de Algemene Directie Toezicht op de Sociale Wetten van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.

Art. 28/6.De bij artikel 353bis /3 van de wet van 24 december 2002 bedoelde doelgroepverminderingen worden geacht definitief te zijn toegekend wanneer vaststaat dat de werkgever aan alle daartoe door of krachtens dezelfde wet bepaalde voorwaarden heeft voldaan. Tot op dat ogenblik zijn zij slechts voorlopig toegekend. » HOOFDSTUK 2. - Commissie « ondernemingsplannen »

Art. 3.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° de wet : de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis;2° de Commissie : de Commissie « Ondernemingsplannen »;3° ondernemingsplan : het in artikel 14, § 2, 3°en 4°, van de wet bedoelde plan;4° onderneming in moeilijkheden : de in artikel 14, § 4, van de wet bedoelde ondernemingen 5° de Minister : de Minister van Werk;6° de Federale Overheidsdienst : de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg;7° de directeur-generaal : de directeur-generaal van de Dienst der Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.

Art. 4.Bij de Federale Overheidsdienst wordt een Commissie « Ondernemingsplannen » opgericht.

Art. 5.De Commissie heeft als opdracht zich, bij gemotiveerde beslissing, uit te spreken over de door de directeur-generaal van de Federale Overheidsdienst overgemaakte ondernemingsplannen, gelet op de in artikel 14, § 3, derde lid, van de wet bepaalde criteria, binnen de in voormelde bepaling bepaalde termijn.

Art. 6.De Commissie is samengesteld uit : 1° vijf leden voorgesteld door de representatieve werknemersorganisaties die zetelen in de Nationale Arbeidsraad;2° vijf leden voorgesteld door de representatieve werkgeversorganisaties die zetelen in de Nationale Arbeidsraad;3° drie leden aangeduid door de Koning. De Minister benoemt de in 1° en 2° bedoelde leden bij ministerieel besluit.

De Koning benoemt de in 3° bedoelde leden bij een in Ministerraad overlegd besluit en benoemt eveneens de voorzitter en de ondervoorzitter van de commissie onder deze leden.

Art. 7.Het secretariaat van de Commissie wordt waargenomen door ambtenaren van de Dienst der Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst.

Art. 8.De duurtijd van het mandaat van de leden is gelijk aan de geldigheidsduur van de maatregelen vermeld in titel 2 van de wet, verlengd met 15 dagen.

Het mandaat van een lid eindigt : 1° in geval van ontslagneming;2° wanneer de organisatie die de betrokkenen heeft voorgedragen om zijn vervanging verzoekt;3° wanneer de betrokkene geen deel meer uitmaakt van de organisatie die hem heeft voorgedragen;4° in geval van overlijden. Binnen de zeven dagen wordt voorzien in de vervanging van elk lid wiens mandaat voortijdig een einde heeft genomen. In dat geval voltooit het nieuwe lid het mandaat van het lid dat hij vervangt.

Art. 9.De leden van de Commissie mogen zich laten bijstaan door technische raadgevers. Hun aantal wordt vastgesteld door het huishoudelijk reglement.

Art. 10.De overmaking van de ondernemingsplannen door de Directeur-generaal aan de leden van de Commissie kan op elektronische wijze gebeuren.

Art. 11.Om geldig te kunnen beslissen moet de meerderheid van de leden van de Commissie aanwezig zijn.

Bovendien moet de meerderheid van de leden die de werkgevers vertegenwoordigen en de meerderheid van de leden die de werknemers vertegenwoordigen aanwezig zijn.

Indien het aanwezigheidsquorum niet wordt bereikt, wordt de Commissie binnen de drie dagen opnieuw bijeengeroepen.

Voor een ondernemingsplan dat voor de tweede maal op de agenda wordt geplaatst, kan de Commissie geldig beslissen ongeacht het aantal aanwezige leden.

Art. 12.Een beslissing van de Commissie is slechts geldig wanneer zij bij meerderheid van de stemmen van haar leden wordt genomen.

In geval van staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Hij mag zich niet onthouden.

De secretaris en de technische raadgevers hebben geen stemrecht.

Art. 13.De werkzaamheden van de Commissie worden door de voorzitter geleid.

De ondervoorzitter vervangt de voorzitter als deze afwezig of verhinderd is.

Art. 14.De Commissie stelt haar intern reglement op en legt het ter goedkeuring aan de Minister voor. HOOFDSTUK 3 - Tijdelijke individuele vermindering van de arbeidsprestaties om het hoofd te bieden aan de crisis

Art. 15.In afwijking van hoofdstuk III van het koninklijk besluit van 12 december 2001 tot uitvoering van hoofdstuk IV van de wet van 10 augustus 2001 betreffende verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven betreffende het stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking wordt het bedrag van de uitkering van de werknemer die zijn arbeidsprestaties vermindert in toepassing van hoofdstuk 2 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis, vastgesteld op : 1° 363,06 euro per maand, indien hij zijn arbeidsprestaties vermindert met de helft, ongeacht zijn leeftijd;2° 154,90 euro per maand, indien hij zijn arbeidsprestaties vermindert met 1/5de, indien hij de leeftijd van 50 jaar niet bereikt op het tijdstip van de aanvang van de vermindering;3° 203,51 euro per maand, indien hij zijn arbeidsprestaties vermindert met 1/5de, indien hij de leeftijd van 50 jaar bereikt op het tijdstip van de aanvang van de vermindering. De bedragen van de uitkeringen vermeld in het eerste lid zijn gekoppeld aan de spilindex overeenkomstig art. 11 van het voormelde koninklijk besluit van 12 december 2001.

Art. 16.De toekenning van het voordeel van artikel 20, § 1, eerste lid, van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis, is afhankelijk van de indiening van een aanvraag door de werknemer overeenkomstig artikel 13 van het voormelde koninklijk besluit van 12 december 2001, door middel van een formulier waarvan het model en de inhoud vastgesteld wordt door de Minister die Tewerkstelling en Arbeid onder zijn bevoegdheid heeft, na advies van het beheerscomité van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening.

Deze aanvraag moet op straffe van verval, ingediend worden vóór 1 januari 2010.

In geval van toepassing van artikel 20, § 1, eerste lid, van de voormelde wet van 19 juni 2009 moet de werkgever een formulier, overeenkomstig het model vastgelegd door de Minister bevoegd voor Werk, bij aangetekend schrijven ter kennis geven aan het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening van de plaats waar de onderneming gevestigd is, waarbij hij bewijst dat hij ook reeds bij het begin van de toepassing van het regime van verminderde arbeidsprestaties aan één van de voorwaarden bedoeld bij artikel 14, § 4, van deze wet voldoet. Indien hij zich beroept op de eerste voorwaarde van artikel 14, § 4, van deze wet voegt hij aan dit formulier de BTW-aangiften van de betrokken kwartalen toe.

De periode die in toepassing van artikel 20, § 1, eerste lid, van de voormelde wet van 19 juni 2009 onderworpen wordt aan de bepalingen van hoofdstuk 2 van deze wet, wordt niet in rekening gebracht voor de vaststelling van het maximum van zes maanden bepaald in artikel 15, § 1.

Art. 17.In afwijking van artikel 7, § 2, eerste lid, 3° van het voormelde koninklijk besluit van 12 december 2001, kunnen de uitkeringen bedoeld in artikel 18 van de voormelde wet van 19 juni 2009, gecumuleerd worden met de uitoefening van een bijkomende zelfstandige activiteit, in zoverre deze zelfstandige activiteit reeds, te samen met de activiteit waarvan de uitoefening geschorst wordt, uitgeoefend werd gedurende ten minste de twaalf maanden die het begin van de volledige schorsing van de arbeidsprestaties voorafgaan. HOOFDSTUK 4. - Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 18.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van de datum van inwerkingtreding van Titel 1 van de wet van 19 juni 2009 houdende diverse bepalingen over tewerkstelling in tijden van crisis.

Hoofdstuk 3 treedt buiten werking op 1 januari 2010.

Hoofdstuk VIII van titel III van het koninklijk besluit van 16 mei 2003 tot uitvoering van het Hoofdstuk 7 van Titel IV van de programmawet van 24 december 2002 (I), betreffende de harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van de sociale zekerheidsbijdragen, treedt buiten werking op 1 januari 2010.

Art. 19.De Minister bevoegd voor Sociale Zaken en de Minister bevoegd voor Werk zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 28 juni 2009.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX De Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, Mevr. J. MILQUET

^