Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 23 maart 1999
gepubliceerd op 30 maart 1999

Koninklijk besluit tot opheffing of wijziging van diverse bepalingen betreffende de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Bank en de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Verzekeringen

bron
ministerie van financien
numac
1999003188
pub.
30/03/1999
prom.
23/03/1999
ELI
eli/besluit/1999/03/23/1999003188/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

23 MAART 1999. - Koninklijk besluit tot opheffing of wijziging van diverse bepalingen betreffende de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Bank en de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Verzekeringen


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het besluit dat de Regering de eer heeft aan Uw goedkeuring voor te leggen, beoogt sommige wettelijke bepalingen betreffende de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Bank (hierna genoemd « A.S.L.K.-Bank ») en de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Verzekeringen (hierna genoemd « A.S.L.K.-Verzekeringen ») op te heffen of te wijzigen na de terugtreding van de publieke sector uit het aandelenkapitaal van deze vennootschappen. Dit besluit wordt genomen met toepassing van artikel 4, 1°, van de wet van 19 augustus 1998 betreffende de mogelijke overdracht door de Federale Participatiemaatschappij van haar aandelen van A.S.L.K.-Bank en A.S.L.K.-Verzekeringen.

Ter herinnering, na de overdrachten van effecten in 1993 en 1997, had de Federale Participatiemaatschappij (hierna genoemd de « F.P.M. ») 25,1 % van de aandelen van A.S.L.K.-Bank en 0,1 % van de aandelen van A.S.L.K.-Verzekeringen (waaraan 25,1 % van alle stemrechten waren verbonden) behouden. Krachtens voornoemde wet van 19 augustus 1998 en het uitvoeringsbesluit ervan van 21 december 1998, heeft de F.P.M. deze aandelen op 12 februari 1999 overgedragen aan de Fortis-groep voor een totale prijs van 50.500.000.000 frank, vermeerderd met 188.856.165 frank interesten.

Met het oog op deze overdracht heeft artikel 4, 1°, van de wet van 19 augustus 1998 de Koning gemachtigd om alle nuttige maatregelen te treffen om : « op A.S.L.K.-Bank of A.S.L.K.-Verzekeringen toepasselijke wettelijke bepalingen te wijzigen of op te heffen teneinde deze instellingen te onttrekken aan bijzondere regelingen die verschillen van de bepalingen van gemeen recht die gelden voor kredietinstellingen respectievelijk verzekeringsondernemingen van de particuliere sector ».

Aldus schrapt artikel 1 van dit besluit de verwijzing naar A.S.L.K.-Bank en A.S.L.K.-Verzekeringen in de wettelijke bepaling van de opdrachten van de F.P.M. in artikel 5 van de gecoördineerde wet van 24 december 1996 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiële vennootschappen.

Artikel 2 heft diverse bepalingen van dezelfde gecoördineerde wet op betreffende A.S.L.K.-Bank en A.S.L.K.-Verzekeringen. Het betreft in wezen bepalingen over het doel, het kapitaal en het bestuur van deze vennootschappen (artikelen 21 tot 30), alsmede een reeks bijzondere bepalingen betreffende de vorming van renten bij de Lijfrentekas van A.S.L.K.-Verzekeringen (artikelen 31 tot 46). Omwille van de rechtszekerheid wordt evenwel, als overgangsmaatregel, gepreciseerd dat deze laatste bepalingen van toepassing blijven op de stortingen verricht bij de Lijfrentekas vóór 12 februari 1999. Op vraag van A.S.L.K.-Bank en A.S.L.K.-Verzekeringen en in acht genomen het aan de gang zijnd sociaal overleg binnen deze instellingen, stelt de Regering voor om de sociale bepalingen in de artikelen 84 en 85 van de gecoördineerde wet, die het beginsel huldigen van het eenvormig kader van de individuele en collectieve arbeidsbetrekkingen in beide instellingen, niet op te heffen.

Ingevolge het advies van de Raad van State in verband met artikel 2, 6° van het ontwerp werd verder navraag gedaan bij de ASLK-Verzekeringen over de praktische aspecten van de opheffing van de artikelen 36 tot 41 van de gecoördineerde wet.Er werd geopteerd voor de vervanging van de datum van 12 februari 1999 door deze van de inwerkingtreding van het besluit.

Artikel 3 schrapt de vrijstelling van zegelrecht voor sommige documenten bestemd voor A.S.L.K.-Verzekeringen, bepaald in artikel 591, 45°, van het Wetboek van zegelrechten.

Tenslotte schrapt artikel 4 de verwijzing naar A.S.L.K.-Bank, de door haar erkende instellingen en de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid (gefusioneerd met A.S.L.K.-Bank in 1997) in artikel 3 van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering, dat de instellingen opsomt waarvan de kredieten kunnen genieten van de rentetoelagen bepaald door deze wet (en waaronder in ieder geval de kredietinstellingen onderworpen aan de controle van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen begrepen zijn).

De Regering bestudeert bovendien de noodzaak tot het opheffen of wijzigen van sommige andere wettelijke bepalingen betreffende A.S.L.K.-Bank of A.S.L.K.-Verzekeringen. In voorkomend geval zullen deze wijzigingen het voorwerp uitmaken van een wetsontwerp of worden doorgevoerd met toepassing van de artikelen 89 of 90 van de gecoördineerde wet van 24 december 1996.

Ingevolge de opmerking van de Raad van State dient erop gewezen dat de opheffing van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting voor de naamloze of coöperatieve vennootschappen erkend door de ASLK om leningen voor sociale huisvesting toe te kennen het voorwerp uitmaakt van een amendement van de regering bij het ontwerp van wet houdende diverse fiscale bepalingen (nr.1949/1-98/99) dat momenteel ter discussie is bij de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Andere ontwerpen zullen zo spoedig mogelijk bij het Parlement worden ingediend met het oog op hun aanneming vóór 31 december 2000.

Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Vice-Eerste Minister, Minister van Economie en Telecommunicatie, belast met Buitenlandse Handel, E. DI RUPO De Minister van Financiën, J.J. VISEUR

ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wegeving, tweede kamer, op 9 maart 1999 door de Minister van Financiën verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « tot opheffing of wijziging van diverse bepalingen betreffende de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Bank en de algemene Spaar- en Lijfrentekas-Verzekeringen », heeft op 12 maart 1999 het volgende advies gegeven : Overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.

In het onderhavige geval luidt de motivering in de brief aldus : « L'urgence est motivée par le fait que le Gouvernement s'est engagé dans la convention de cession conclue avec Fortis, que l'arreté royal serait publié au Moniteur belge avant le 31 mars 1999. ». 1. Volgens artikel 4 van de wet van 19 augustus 1998 betreffende de mogelijke overdracht door de Federale Participatiemaatschappij van haar aandelen van A.S.L.K.-Bank en A.S.L.K.-Verzekeringen, kan de Koning alle nuttige maatregelen treffen om : « 1° op A.S.L.K.-Bank of A.S.L.K.-Verzekeringen toepasselijke wettelijke bepalingen te wijzigen of op te heffen teneinde deze instellingen te onttrekken aan bijzondere regelingen die verschillen van de bepalingen van gemeen recht die gelden voor kredietinstellingen respectievelijk verzekeringsondernemingen van de particuliere sector; 2° overgangsregelingen te bepalen voor de tijdelijke voortzetting en afwikkeling van de bijzondere opdrachten die bij of krachtens wet aan A.S.L.K.- Bank of A.S.L.K.-Verzekeringen werden toevertrouwd. ».

Artikel 5, paragraaf 1, bepaalt : « De besluiten die krachtens artikel 4 worden vastgesteld, kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen. ». 2. De Koning behoort, in de uitoefening van de bevoegdheden die de wet Hem verleent, de verschillen in behandeling op te heffen die thans discriminerend zijn ten aanzien van, onder meer, andere kredietinstellingen. Een voorbeeld : luidens artikel 216, 2°, b, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (afgekort als W.I.B. 92) bedraagt het tarief van de vennootschapsbelasting 5 % voor « door de Algemene Spaar- en Lijfrentekas erkende naamloze of coöperatieve vennootschappen die uitsluitend ten doel hebben leningen toe te staan voor het bouwen, het aankopen of het inrichten van sociale woningen, kleine landeigendommen of daarmee gelijkgestelde woningen, of voor de uitrusting daarvan met geschikt meubilair; ».

Zulk een erkenningsregeling zou niet mogen worden behouden, aangezien ze in de concurrentie een voordeel zou blijven opleveren. 3. Volgens de uitleg die aan de Raad van State is verschaft, is de Regering van plan die regeling af te schaffen, niet bij koninklijk besluit, maar in de vorm van een amendement op het ontwerp van wet houdende diverse fiscale bepalingen (1). In het Verslag aan de Koning zou moeten worden vermeld welke maatregelen bij de wet of bij besluit zullen worden uitgevaardigd ter aanvulling van de aanpassingen die het thans onderzochte ontwerp bevat aangezien het om onvermijdelijke bijsturingen gaat waarvan artikel 216 van het W.I.B. 92 slechts een voorbeeld is. In hetzelfde Verslag zou ook moeten worden vermeld volgens welk tijdschema dat zal geschieden.

De gemachtigde van de Regering heeft de Raad van State de volgende uitleg verschaft : « In artikel 2, 6°, van het ontwerp werd de datum van 12 februari 1999 (datum van ondertekening van de overeenkomst tot overdracht met de groep Fortis) ingegeven door praktische overwegingen. Los van het feit dat de artikelen 31 tot 46 van de gecoördineerde wet nog maar weinig praktisch belang hebben, diende de ASLK duidelijke instructies te kunnen geven aan haar diensten en agentschappen wat betreft het ogenblik waarop deze geen stortingen meer mochten aanvaarden in toepassing van voormelde bepalingen. De ASLK heeft geopteerd voor de datum van ondertekening van de overeenkomst tot overdracht, die op voorhand gekend was. In feite hebben de agentschappen vanaf deze datum stortingen geweigerd. Het zou moeilijk geweest zijn de vage datum van publicatie van het koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad te weerhouden, aangezien de agentschappen de procedure van publicatie van het koninklijk besluit niet volgen. Het zou eveneens moeilijk geweest zijn de datum van publicatie of, bijvoorbeeld, de datum van 1 april 1999 te weerhouden, in de mate dat in dat geval stortingen zouden gedaan zijn na de privatisering van de ASLK. ».

Om de rechten van derden te waarborgen, is het aan te raden dat wordt nagaan of niet in een overgangsbepaling moet worden voorzien waarin het geval dat na 12 februari 1999 niettemin stortingen zijn aanvaard, wordt geregeld.

Als dat zo blijkt te zijn, moet in een overgangsbepaling worden voorzien. 4. In het advies over het ontwerp dat de wet van 19 augustus 1998 geworden is, heeft de Raad van State het volgende opgemerkt (2) : « De bijzondere bevoegdheden die bij (artikel 4) aan de Koning worden toegekend, waarbij de Koning gemachtigd wordt bestaande wetsbepalingen te wijzigen, aan te vullen, te vervangen of op te heffen, mogen alleen betrekking hebben op aangelegenheden die door de Grondwet niet uitsluitend in handen van de wetgever zijn gelegd (bijvoorbeeld, het vaststellen van de belastingen krachtens de artikelen 110 en 112 van de Grondwet), zo niet zijn zij niet rechtsgeldig.».

Bijgevolg kan de voornoemde bepaling geen rechtsgrond opleveren voor artikel 3 van het ontwerpbesluit, dat betrekking heeft op het Wetboek der zegelrechten. De geplande maatregel moet worden genomen door de wetgever of krachtens een andere opdracht van bevoegdheden aan de Koning die verband houdt met het onderwerp ervan. Dat zou op het eerste gezicht het geval kunnen zijn met artikel 90 van de wet tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijkefinanciëlevennootschappen,gecoördineerd op 24 december 1996, wat een aanpassing van de aanhef inhoudt.

De kamer was samengesteld uit : De heren : Y. Kreins, staatsraad, voorzitter;

P. Lienardy en P. Quertainmont, staatsraden;

Mevr. B. Vigneron, toegevoegd griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer J. Regnier, eerste auditeur- afdelingshoofd. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer P. Brouwers, adjunct-referendaris.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de H. P. Lienardy.

De griffier, B. Vigneron.

De voorzitter, Y. Kreins. _______ Nota's (1) Kamer, 1949/1 - 98/99.(2) Gedr.St., Kamer, 1567/1-97/98, blz. 7-8.

23 MAART 1999. - Koninklijk besluit tot opheffing of wijziging van diverse bepalingen betreffende de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Bank en de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Verzekeringen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gezien de gecoördineerde wet van 24 december 1996 tot organisatie van de openbare kredietsectoren van de deelnemingen van de open bare sector in bepaalde privaatrechetelijke financiële vennootschappen, inzonderheid op artikel 90;

Gelet op de wet van 19 augustus 1998 betreffende de mogelijke overdracht door de Federale Participatiemaatschappij van haar aandelen van A.S.L.K.-Bank en A.S.L.K.-Verzekeringen, inzonderheid op artikel 4, 1°;

Gelet op het advies van de Inspecteur van financiën, gegeven op 2 maart 1999;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 4 maart 1999;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat, in de overeenkomst van 12 februari 1999 betreffende de overdracht van de bovenvermelde aandelen, de Staat zich tegenover de Fortis-groep heeft verbonden om tegen 31 maart 1999 de maatregelen te treffen die het voorwerp uitmaken van dit besluit, in acht genomen inzonderheid de reorganisatie welke de Fortis-groep binnenkort wil doorvoeren binnen haar bancaire pool;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 12 maart 1999, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Gelet op de gecoördineerde wetten op de Raad van State, inzonderheid op artikel 3bis, § 1;

Op de voordracht van Onze Vice-Eerste Minister, Minister van Economie en Telecommunicatie, belast met Buitenlandse Handel, en Onze Minister van Financiën en op het advies van Onze in Raad vergaderde ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 5, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wet tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiële vennootschappen, vervallen de woorden « de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Bank, de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Verzekeringen ».

Art. 2.In dezelfde gecoördineerde wet worden opgeheven : 1° artikel 21;2° artikel 22, gewijzigd bij koninklijk besluit van 19 augustus 1997 en de wet van 19 augustus 1998;3° de artikelen 23 tot 26;4° artikel 27, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 augustus 1997;5° de artikelen 28 tot 30;6° de artikelen 31 tot 46, met dien verstande dat deze bepalingen van toepassing blijven op de stortingen verricht bij de Lijfrentekas bij de Algemene Spaar- en Lijfrentekas-Verzekeringen voor de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 3.In artikel 591, 45°, van het Wetboek van zegelrechten, vervallen de woorden « aan de Lijfrentekas, de verzekeringskas en de Rentekas voor Arbeidsongevallen van de Algemene Spaar- en Lijfrentekas ».

Art. 4.In artikel 3 van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 1985, vervallen de woorden « de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid » en de woorden « de Algemene Spaar- en Lijfrentekas, alsmede de door haar erkende instellingen ».

Art. 5.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 6.Onze minister bevoegd voor economie en Onze Minister van Financiën zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 23 maart 1999.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister, Minister van Economie en Telecommunicatie, belast met Buitenlandse Handel, E. DI RUPO De Minister van Financiën, J.-J. VISEUR

^