Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 06 december 2005
gepubliceerd op 09 januari 2006

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 mei 2003, gesloten in het Paritair Comité voor de gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs, betreffende de duur van de arbeidstijd en de flexibiliteit

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2005203103
pub.
09/01/2006
prom.
06/12/2005
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

6 DECEMBER 2005. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 5 mei 2003, gesloten in het Paritair Comité voor de gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs, betreffende de duur van de arbeidstijd en de flexibiliteit (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs;

Op de voordracht van Onze Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 5 mei 2003, gesloten in het Paritair Comité voor de gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs, betreffende de duur van de arbeidstijd en de flexibiliteit.

Art. 2.Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 6 december 2005.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN _______ Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor de gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs Collectieve arbeidsovereenkomst van 5 mei 2003 Duur van de arbeidstijd en flexibiliteit (Overeenkomst geregistreerd op 21 augustus 2003 onder het nummer 67169/CO/152)

Artikel 1.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en de werknemers van de inrichtingen en van de internaten van het vrij onderwijs die gesubsidieerd zijn door de Franse Gemeenschap en die ressorteren onder het Paritair Comité voor werklieden van de gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs. HOOFDSTUK I. - Arbeidstijd

Art. 2.De wekelijkse arbeidsduur vermeld in artikel 19 van de arbeidswet van 16 maart 1971 (Belgisch Staatsblad van 30 maart 1971) bedraagt gemiddeld 38 uren per week. HOOFDSTUK II. - Arbeidstijdverkorting tot 37 uren op 1 september 2003 met toepassing van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven

Art. 3.§ 1. De partijen komen overeen over een collectieve arbeidstijdverkorting tot 37 uren op 1 september 2003 met toepassing van de wet van 10 augustus 2001 betreffende de verzoening van werkgelegenheid en kwaliteit van het leven (Belgisch Staatsblad van 15 september 2001). § 2. Deze arbeidstijdverkorting mag geen loonsverlaging teweegbrengen. § 3. Met ingang van 1 september 2003 bedraagt de wekelijkse arbeidsduur vermeld in artikel 19 van de arbeidswet van 16 maart 1971 gemiddeld 37 uren per week.

Art. 4.De modaliteiten van de arbeidstijdverkorting bepaald in artikel 3 worden vrij bepaald binnen elke inrichting. Zij kan dus worden uitgevoerd, ofwel door een effectieve wekelijkse arbeidsvermindering, ofwel door een gelijkwaardige vermindering (door de toekenning van betaalde inhaalrustdagen over de referentieperiode vermeld in artikel 8), ofwel door een combinatie van de twee.

Art. 5.De deeltijdse werknemers genieten op 1 september 2003 dezelfde collectieve arbeidstijdverkorting naar rato van hun arbeidstijd.

De modaliteiten van de arbeidstijdverkorting bepaald binnen elke inrichting kunnen evenwel voorzien in de voortzetting van dezelfde arbeidsduur maar met een perekwatie van het loon.

Art. 6.De invoering van het stelsel van arbeidsduurvermindering bepaald in de voorafgaande artikelen zal in elke inrichting gebeuren door een wijziging van het arbeidsreglement overeenkomstig de wet van 10 augustus 2001 en het koninklijk besluit van 27 september 2001. Deze wijziging en de vormvoorwaarden, waarin deze reglementering voorziet, zullen uiterlijk op 31 augustus 2003 worden uitgevoerd met de medewerking van elke werkgever.

Voor de wijziging van het arbeidsreglement is het akkoord noodzakelijk van de personeelsafgevaardigde die de categorie van de arbeiders vertegenwoordigt in de ondernemingsraad. HOOFDSTUK III. - Flexibiliteit Toepassing van artikel 20bis en 26bis van de arbeidswet van 16 maart 1971

Art. 7.De flexibiliteit mag niet van die aard zijn dat zij eenzijdig een individuele wijziging oplegt van de situatie die bestaat op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan, van de werknemers met een overeenkomst voor onbepaalde tijd of met opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd waarbij deze werknemers gelijk welk nadeel zouden ondervinden.

De praktische toepassingsmodaliteiten van de invoering van de flexibiliteit zullen, bij gebreke van een ondernemingsraad, in overleg met de vakbondsafvaardiging worden bepaald, en bij gebreke van een vakbondsafvaardiging, in overleg met de gewestelijke secretaris van één van de vakorganisaties die vertegenwoordigd zijn in het Paritair Comité voor de gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs (152).

Bovendien wordt wanneer er noch een ondernemingsraad, noch een vakbondsafvaardiging is, het ontwerp van wijziging van het arbeidsreglement, waarin de praktische toepassingsmodaliteiten opgenomen zijn van de invoering van de flexibiliteit voorafgaand aan het overleg en aan het aanplakken, bekendgemaakt aan de gewestelijke secretaris van één van de vakorganisaties die vertegenwoordigd zijn in het Paritair Comité voor de gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs (152).

Art. 8.De arbeidsduur van 38 uren is een wekelijks gemiddelde dat moet worden nageleefd over een jaar van 12 opeenvolgende maanden.

Met ingang van 1 september 2003 is de arbeidsduur van 37 uren een wekelijks gemiddelde dat moet worden nageleefd over een jaar van 12 opeenvolgende maanden.

Het referentiejaar loopt in principe van 1 september tot 31 augustus, behalve ingeval een afwijking vermeld wordt in het arbeidsreglement.

Art. 9.Het aantal voltijdse arbeidsuren over het referentiejaar bedraagt 1 976 uren, met inbegrip van de uren die gelijkgesteld worden met arbeidstijd en de uren betreffende een periode van schorsing van de uitvoering van de overeenkomst bepaald door de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (Belgisch Staatsblad van 22 augustus 1978).

Met ingang van 1 september 2003 bedraagt het aantal voltijdse arbeidsuren over het referentiejaar 1 924 uren, met inbegrip van de uren die gelijkgesteld worden met arbeidstijd en de uren betreffende een periode van schorsing van de uitvoering van de overeenkomst bepaald door de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

In het arbeidsreglement zal het aantal arbeidsuren over het referentiejaar voor alle flexibele arbeidstijdregelingen, met inbegrip van de deeltijdse arbeidstijdregelingen precies worden vermeld.

Geen enkel overloon is verschuldigd voorzover het jaarlijks gemiddelde van de arbeidstijden wordt nageleefd binnen de grenzen die werden vastgesteld door de artikelen 10, 11 en 12 van deze collectieve arbeidsovereenkomst, zonder afbreuk te doen aan de toepassing van de wet van 16 maart 1971.

Art. 10.De normale dagelijkse arbeidsgrens in een voltijdse tewerkstelling bedraagt 7 uur 36 minuten en de normale wekelijkse arbeidsgrens in een voltijdse tewerkstelling bedraagt 38 uren Met ingang van 1 september 2003 bedraagt de normale dagelijkse arbeidsgrens in een voltijdse tewerkstelling 7 uur 24 minuten en de normale wekelijkse arbeidsgrens in een voltijdse tewerkstelling bedraagt 37 uren.

In het arbeidsreglement zal de normale dagelijkse grens en de normale wekelijkse grens voor alle flexibele arbeidstijdregelingen, met inbegrip van de deeltijdse arbeidstijdregelingen precies worden vermeld.

Art. 11.Het aantal uren dat zal mogen worden gepresteerd boven en onder de normale dagelijkse arbeidsgrens zal worden vastgesteld in het arbeidsreglement. Het aantal uren dat zal mogen worden gepresteerd boven of onder de normale dagelijkse arbeidsgrens zal in ieder geval niet meer mogen bedragen dan 2 uren.

Het aantal uren dat zal mogen worden gepresteerd boven de normale wekelijkse arbeidsgrens zal worden vastgesteld in het arbeidsreglement. Het aantal uren dat zal mogen worden gepresteerd boven de normale wekelijkse arbeidsgrens zal in ieder geval niet meer mogen bedragen dan 5 uren zonder dat de arbeidsduur meer mag bedragen dan 42 uren.

Art. 12.Overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 25 juni 1990 en in afwijking van het artikel 4 ervan, is het urenkrediet voor de deeltijdse werknemers die hun prestaties uitvoeren volgens een flexibele arbeidstijdregeling, waarvoor geen enkel overloon is verschuldigd, gelijkwaardig aan de aanvullende uren bepaald in het arbeidsreglement, boven de gemiddelde wekelijkse duur die is vastgesteld in de overeenkomst, voor zover het jaarlijks gemiddelde van de gemiddelde wekelijkse duur die is vastgesteld in de overeenkomst wordt nageleefd binnen de grenzen die zijn vastgesteld in deze collectieve arbeidsovereenkomst.

Overeenkomstig artikel 11bis van de wet van 3 juli 1978 wordt de referentieperiode verlengd tot een jaar. HOOFDSTUK IV. - Bijzondere bepaling

Art. 13.De toepassing van deze collectieve arbeidsovereenkomst mag geen afbreuk doen aan voordelige individuele situaties die verworven zijn in de inrichtingen. HOOFDSTUK V. - Duur

Art. 14.Deze collectieve arbeidsovereenkomst treedt in werking op 5 mei 2003 en wordt gesloten voor onbepaalde tijd.

Elke contracterende partij kan deze opzeggen met een opzeggingstermijn van drie maanden, te betekenen per ter post aangetekende brief aan de voorzitter van het Paritair Comité voor de gesubsidieerde inrichtingen van het vrij onderwijs.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 6 december 2005.

De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN

^