Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 04 juli 2004
gepubliceerd op 09 augustus 2004

Koninklijk besluit betreffende de beroepstitel en de kwalificatievereisten voor de uitoefening van het beroep van audioloog en van audicien en houdende vaststelling van de lijst van de technische prestaties en van de lijst van handelingen waarmee de audioloog en de audicien door een arts kan worden belast

bron
federale overheidsdienst volksgezondheid, veiligheid van de voedselketen en leefmilieu
numac
2004022556
pub.
09/08/2004
prom.
04/07/2004
ELI
eli/besluit/2004/07/04/2004022556/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

4 JULI 2004. - Koninklijk besluit betreffende de beroepstitel en de kwalificatievereisten voor de uitoefening van het beroep van audioloog en van audicien en houdende vaststelling van de lijst van de technische prestaties en van de lijst van handelingen waarmee de audioloog en de audicien door een arts kan worden belast


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, inzonderheid op artikel 5, § 1, eerste en derde lid, vervangen bij de wet van 20 december 1974 en gewijzigd bij de wet van 19 december 1990, artikel 22, en artikel 23, gewijzigd bij de wet van 19 december 1990;

Gelet op het advies van de Nationale Raad van de Paramedische Beroepen van 23 januari 2003;

Gelet op het eensluidend advies van de Technische Commissie voor de Paramedische Beroepen van 7 december 2000;

Gelet op het advies 35.015/3 van de Raad van State, gegeven op 27 mei 2003;

Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Het beroep "Audiologie" is een paramedisch beroep in de zin van artikel 22 van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen.

Art. 2.Het in artikel 1 bedoelde beroep wordt uitgeoefend onder de beroepstitels van audioloog en van audicien.

Art. 3.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° audioloog : degene die : - aan preventie en screening van gehoorstoornissen doet; - het technische gedeelte uitvoert van de onderzoeken ter evaluatie van de auditieve en de otoneurologische functies en de functies van de bovenste luchtwegen; - de hooropvoeding, hoortraining en de revalidatie van het gehoor en de evenwichtsfunctie uitvoert. 2° audicien : degene die het gestoorde gehoor corrigeert door middel van mechanische, elektro-akoestische en elektronische systemen. Tot zijn bevoegdheid behoort ook : - de gehoorbeschermingssystemen tegen lawaaioverlast; - de bescherming van de auditieve functie; - de aflevering van uitwendige elektronische systemen die de akoestische signalen uitgestuurd door de stemgestoorden versterken. 3° een hoortoestel : elk toestel bestemd om akoestische signalen op te vangen, te versterken, te bewerken en aan te passen zodanig dat de personen met slechthorendheid binnen de grenzen van hun perceptie- en tolerantievermogen de informatie die ze inhouden kunnen ontvangen.

Art. 4.Het beroep van audicien en het beroep van audioloog mag slechts worden uitgeoefend door personen die voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° houder zijn van een diploma dat een opleiding bekroont, die overeenstemt met een opleiding van minstens drie jaar in het kader van een voltijds hoger onderwijs, waarvan het leerprogramma op zijn minst omvat : a) een theoretische opleiding in : 1.voor het beroep van audicien en het beroep van audioloog : - anatomie, fysiologie en pathologie van het audio-vestibulaire systeem en van de bovenste luchtwegen, met inbegrip van begrippen van allergologie; - neurologie met inbegrip van neuropediatrie; - geriatrie; - ontwikkelingspsychologie en gerontologie; - psychologie van de persoon met slechthorendheid; - taal- en spraakontwikkeling; - linguïstiek; - fysica met inbegrip van de akoestiek, de electro-akoestiek en de psycho-akoestiek; - elektronica en elektrotechniek; - deontologie. 2. daarenboven voor het beroep van audicien : - commercieel en fiscaal recht; - organisatie en bedrijfsbeheer; - boekhouding. 3. daarenboven voor het beroep van audioloog : - neuro- en psycholinguistiek.b) een theoretische en praktische opleiding in : 1.voor het beroep van audicien en het beroep van audioloog : - wiskunde en statistiek; - fonetiek; - sonometrie en akoestiek - gehoorbescherming tegen lawaai; - informatica. 2. daarenboven voor het beroep van audicien : - studie van de hoortoestellen, andere technische hulpmiddelen ter bevordering van de communicatie en de maatschappelijke integratie; - studie van meetinstrumenten; - anamnese, onderzoeken en methodologie van de aanpassing van hoortoestellen; - studie van otoplastieken; - opleiding en begeleiding van de patiënt en zijn omgeving, gehoorrevalidatie, en de opvolging van de aanpassing van hoortoestellen; - onderhoud van hoortoestellen. 3. daarenboven voor het beroep van audioloog : - onderzoek van het audio-vestibulaire systeem en van de bovenste luchtwegen; - gehoorrevalidatie; - revalidatie van de evenwichtsfunctie. c) Het maken van een werk dat in verband staat met de opleiding en waaruit blijkt dat de betrokkene in staat is tot een analytische en synthetische activiteit in het vakdomein en dat hij zelfstandig kan werken.2° Stage : 1.voor het beroep van audicien : met vrucht een stage doorlopen hebben van minstens 300 uren in de aanpassing van hoortoestellen, ten bewijze waarvan de kandidaat een stageboek moet bijhouden; 2. voor het beroep van audioloog : met vrucht een praktijkstage doorlopen hebben van minstens 300 uren in de verschillende domeinen van de (klinische) audiologie, ten bewijze waarvan de kandidaat een stageboek moet bijhouden.3° hun beroepskennis en -vaardigheden via bijscholing onderhouden en bijwerken, om een beroepsuitoefening op een optimaal kwaliteitsniveau mogelijk te maken. De hierboven bedoelde bijscholing moet bestaan uit persoonlijke studie en deelname aan vormingsactiviteiten.

Art. 5.§ 1. De lijst van de technische prestaties, bedoeld in artikel 23, § 1 eerste lid, van voormeld koninklijk besluit nr. 78, is voor wat de audiciens en de audiologen betreft, opgenomen in respectievelijk bijlage I a) en I b) bij dit besluit. § 2. De technische prestaties bedoeld in bijlage I a) 1.2. en 3 en in bijlage I b) vereisen een omstandig geneeskundig voorschrift van een geneesheer specialist in de otorhinolaryngologie;

De technische prestaties bedoeld in bijlage I a) 4 en 5 vereisen een omstandig geneeskundig voorschrift van een arts. § 3. De technische prestaties bedoeld in bijlage I a) 1 mogen alleen plaatsvinden in een daartoe bestemd en ingericht lokaal, behalve indien de patiënt met een medisch attest kan bewijzen dat hij zich niet kan verplaatsen. Deze inrichting moet beantwoorden aan de voorwaarden, zoals bepaald in bijlage III bij dit besluit.

Art. 6.§ 1. De lijst van handelingen waarmee een geneesheer-specialist in de otorhinolaryngologie met toepassing van artikel 5, § 1, eerste lid, van voormeld koninklijk besluit nr. 78, een audioloog kan belasten, is opgenomen in bijlage II a) bij dit besluit. § 2. De lijst van handelingen waarmee een geneesheer-specialist in de neurologie, een geneesheer-specialist in de neuropsychiatrie, een geneesheer-specialist in de fysische geneeskunde en de revalidatie en een geneesheer-specialist in de neurologische revalidatie met toepassing van artikel 5, § 1, eerste lid, van voormeld koninklijk besluit nr. 78, een audioloog kan belasten, is opgenomen in bijlage II b) bij dit besluit.

Art. 7.Onze Minister bevoegd voor de Volksgezondheid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 4 juli 2004.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. DEMOTTE

Bijlage I a) Lijst van technische prestaties die door de audiciens mogen worden verricht met toepassing van artikel 23, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967.

Interventies en een schriftelijk verslag aan de voorschrijvende arts gericht betreffende de patiënt ten gevolge van de voorgeschreven interventie;

Deze interventies bestaan uit : 1. De correctie van de gehoorstoornis bij middel van hoortoestellen, omvat : 1.1. de meting, de evaluatie of de beoordeling van de fysio-akoestische en psycho-akoestische karakteristieken van het gehoor, nuttig voor de aanpassing. 1.2. de keuze van de hoortoestelaanpassing ter correctie van het gehoor. 1.3. de oorafdruk, de aanpassing, de onmiddellijke doeltreffendheidskontrole en de aflevering van de hoortoestellen ter correctie van het gehoor. 1.4. de begeleiding van de persoon met slechthorendheid en zijn omgeving met het oog op het optimaal gebruik van hoortoestellen, met inbegrip van psychologische ondersteuning. 1.5. de controle van de bestendige doeltreffendheid van de geleverde hoortoestellen. 2. De programmering en het onderhoud van het uitwendige deel van de implantaten ter verbetering van de auditieve functie.3. De aflevering van uitwendige elektronische systemen, die de akoestische signalen uitgestuurd door de stemgestoorden, versterken.4. De keuze, de aanpassing, de doeltreffendheidscontrole en de levering van sensoriële hulpmiddelen, andere dan hoortoestellen, die de auditieve handicap reduceren.5. De bescherming van het gehoor tegen schadelijk geluid, omvattend de keuze, de aanpassing en de levering van individuele hulpmiddelen ter bescherming van de hoorfunctie. Bijlage I b) Lijst van technische prestaties die door de audiologen mogen worden verricht met toepassing van artikel 23, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967.

Interventies en een schriftelijk verslag aan de voorschrijvende arts gericht betreffende de patiënt ten gevolge van de voorgeschreven interventie;

Deze interventies bestaan uit : Hooropvoeding, hoortraining en revalidatie van het gehoor.

Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 4 juli 2004.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. DEMOTTE

Bijlage II a) Handelingen waarmee een geneesheer-specialist in de otorhinolaryngologie met toepassing van artikel 5, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 een audioloog kan belasten. 1. de preventie en de screening van stoornissen van het gehoor.2. revalidatie van de evenwichtsfunctie.3. het technisch gedeelte van de volgende prestaties met betrekking tot de preventie en de screening van de stoornissen van het gehoor en de revalidatie van de evenwichtsfunctie : - meting van de parameters, manipulatie en gebruik van onderzoeksapparatuur van de verschillende functionele systemen; - voorbereiding en toediening van producten met het oog op het uitvoeren van de functionele onderzoeken; uitvoeren en aflezen van de cutane- en intradermotesten; - voorbereiding en assistentie bij invasieve diagnostische ingrepen.

Bijlage II b) Handelingen waarmee een geneesheer-specialist in de neurologie, een geneesheer-specialist in de neuropsychiatrie, een geneesheer-specialist in de fysische geneeskunde en de revalidatie en een geneesheer-specialist in de neurologische revalidatie met toepassing van artikel 5, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 een audioloog kan belasten. 1. revalidatie van de evenwichtsfunctie.2. het technisch gedeelte van de volgende prestaties met betrekking tot de revalidatie van de evenwichtsfunctie : - meting van de parameters, manipulatie en gebruik van onderzoeksapparatuur van de verschillende functionele systemen; - voorbereiding en toediening van producten met het oog op het uitvoeren van de functionele onderzoeken; uitvoeren en aflezen van de cutane- en intradermotesten; - voorbereiding en assistentie bij invasieve diagnostische ingrepen.

Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 4 juli 2004.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. DEMOTTE

Bijlage III Installatie- en inrichtingsvoorwaarden voor lokalen bestemd voor hoortoestelaanpassing. 1. Op elke aanpassingsplaats moet een minimale aanwezigheid verzekerd zijn, namelijk : - een halve werkdag per twee weken waar de nazorg normaal wordt verzekerd tijdens de afwezigheid van de audicien; - twee halve werkdagen per week op die plaatsen waar de nazorg niet normaal verzekerd is buiten de aanwezigheid van de audicien.

Onder halve werkdag wordt verstaan een aanwezigheid van tenminste twee uur doorlopend.

De nazorg wordt geacht normaal verzekerd te zijn wanneer de patiënten tijdens de normale openingsuren kunnen : 1. batterijen aanschaffen;2. hun defecte toestel(len) aanbieden en rekenen op het onmiddellijk uitvoeren van kleine herstellingen;3. de persoon verantwoordelijk voor deze nazorg tijdens de afwezigheid van de audicien, moet door de slechthorende bij naam gekend zijn en moet op elk ogenblik in staat zijn om een afspraak voor de persoon met slechthorendheid met de audicien te regelen.2. De lokalen en de installatie moeten ten minste omvatten : a.een voldoende rustig lokaal en/of geluidsarme kamer waar de audiometrische metingen nodig voor de audioprothetische aanpassing mogelijk zijn. Dit lokaal is exclusief aan de audicien voorbehouden tijdens zijn werkuren. Een afzonderlijk wachtlokaal moet ter beschikking zijn.

Voor de aanpassing aan patiënten jonger dan 12 jaar mag er daarenboven in het gebruikte lokaal geen achtergrondlawaai aanwezig zijn van meer dan 40 dBA, uitgedrukt in een equivalent konstant geluidsniveau tijdens een metingsduur van 1 uur. b. een toon- en spraakaudiometer met tenminste volgende mogelijkheden : - voor toonaudiometrie een bereik van tenminste 120 dB HTL tussen 500 en 4000 Hz. - voor spraakaudiometrie een bereik van tenminste 100 dB HTL in de koptelefoon en van 90 dB SPL in vrijveld. beide audiometers mogen van elkaar gescheiden zijn. c. een meetapparatuur die toelaat het functioneren van de hoortoestellen te kontroleren.d. een installatie die toelaat het richtinghoren te kontroleren bij stereofonische aanpassing.e. een voorraad hoortoestellen die toelaat alle mogelijke gehoorverliezen te verbeteren.f. het materiaal en de instrumenten nodig voor het nemen van oorafdrukken en de otoscopie.g. het onderhoudsinstrumentarium nodig voor het onderhoud en het bijwerken van de maatoorstukken en het nazicht van de batterijen en de akkumulatoren.h. voor de aanpassing bij kinderen jonger dan 12 jaar, aan de leeftijd van het kind aangepaste conditioneringstechnieken. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 4 juli 2004.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. DEMOTTE

^