Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 02 mei 2006
gepubliceerd op 04 september 2006

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 16 juni 2005, gesloten in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden, betreffende het sectoraal akkoord voor de jaren 2005-2006

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2006201294
pub.
04/09/2006
prom.
02/05/2006
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

2 MEI 2006. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 16 juni 2005, gesloten in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden, betreffende het sectoraal akkoord voor de jaren 2005-2006 (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden;

Op de voordracht van Onze Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 16 juni 2005, gesloten in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden, betreffende het sectoraal akkoord voor de jaren 2005-2006.

Art. 2.Onze Minister van Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 2 mei 2006.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN _______ Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden Collectieve arbeidsovereenkomst van 16 juni 2005 Sectoraal akkoord voor de jaren 2005-2006 (Overeenkomst geregistreerd op 26 juli 2005 onder het nummer 75683/CO/218) HOOFDSTUK I. - Situering, toepassingsgebied en duur

Artikel 1.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers en bedienden van de ondernemingen die vallen onder het bevoegdheidsgebied van het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden.

Art. 2.De bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst hebben uitwerking vanaf 1 januari 2005 en treden buiten werking op 31 december 2006, behoudens de bepalingen over : - de koopkracht (hoofdstuk II) die van onbepaalde duur zijn en geïntegreerd worden in de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 mei 1989 betreffende de arbeids- en beloningsvoorwaarden; - de opleiding (hoofdstuk III) die in werking treden op 1 januari 2006 en buiten werking treden op 31 december 2007; - artikel 18 dat geïntegreerd wordt in de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 juli 1997 met betrekking tot het statuut van de syndicale afvaardiging en van dezelfde duur is. HOOFDSTUK II. - Koopkracht

Art. 3.§ 1. Met ingang van 1 januari 2006 wordt artikel 4, § 3 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 mei 1989 met betrekking tot de arbeids- en beloningsvoorwaarden vervangen door de volgende bepalingen : "Met ingang van 1 januari 2006 worden de effectief uitbetaalde lonen verhoogd met een bedrag van 18 EUR. Voor deeltijdse werknemers wordt dit bedrag aangepast in verhouding tot hun prestaties." § 2. Artikel 4, § 4 van voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst van 29 mei 1989 met betrekking tot het begrip "gelijkwaardig voordeel" wordt als volgt aangevuld : "Artikel 8 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 juli 1997 met betrekking tot het statuut van de syndicale afvaardiging, is van toepassing op artikel 4, § 4." § 3. In de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 mei 1989 met betrekking tot de arbeids- en beloningsvoorwaarden wordt artikel 6, § 1, alinea 1 vervangen door volgende bepaling : "§ 1. De schaal van de minimumlonen bepaald bij artikel 4, alsook de effectief uitbetaalde lonen aan de bedienden die onder toepassing vallen van deze collectieve arbeidsovereenkomst en het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen vastgesteld bij artikel 11 staan : - vanaf 1 januari 2005 tegenover het referentie indexcijfer 113,23 - stabilisatieschijf 111,01 tot 115,49 (basis 1996 = 100) - loonschalen I en II als bijlage 1; - vanaf 1 juni 2005 tegenover het referentie indexcijfer 115,49 - stabilisatieschijf 113,23 tot 117,80 (basis 1996=100) - loonschalen I en II als bijlage 2.

Na 1 juni 2005 gelden de indexbepalingen binnen de overgangsperiode zoals vermeld onder artikel 4, § 2."

Art. 4.Met ingang van 1 januari 2006 wordt overgestapt van een spilindexsysteem naar een jaarlijkse indexering op vast tijdstip.

Hiertoe wordt met ingang van 1 januari 2006, artikel 6 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 mei 1989 vervangen door de volgende bepalingen : "§ 1. De minimumlonen, alsook de effectief uitbetaalde lonen en het gewaarborgd gemiddeld minimuminkomen vastgesteld bij artikel 11, zullen elk jaar op 1 januari worden aangepast in functie van de reële evolutie van het afgevlakte indexcijfer en berekend als volgt : het rekenkundig gemiddelde van de afgevlakte indexcijfers van november en december van het jaar-1 in verhouding tot het rekenkundig gemiddelde van de afgevlakte indexcijfers van november en december van het jaar-2. § 2. Bij wijze van overgangsmaatregel zal op 1 januari 2006 de indexering de reële evolutie omvatten tussen de spilindex 115,49 (waaraan de lonen van juni 2005 zijn gekoppeld) en het rekenkundig gemiddelde van de afgevlakte indexcijfers van november en december 2005. § 3. Wat het bijzonder geval betreft van de bedienden die gedeeltelijk per prestatie worden bezoldigd, bijvoorbeeld door commissielonen, premies of percentages, wordt enkel het vast gedeelte van het loon, welk ook het bedrag ervan weze, gekoppeld aan voornoemd indexsysteem. § 4. Indien bij de aanvang van het jaar gelijktijdig een verhoging voortvloeiende uit de koppeling van het indexcijfer van de consumptieprijzen en een andere verhoging van de lonen moeten worden toegepast, wordt de aanpassing voortvloeiende uit de koppeling aan het indexcijfer toegepast vooraleer de lonen met de bepaalde verhoging worden aangepast. § 5. De werkgevers hebben evenwel de mogelijkheid om de lonen van de bedienden te doen schommelen overeenkomstig het systeem van koppeling aan het indexcijfer van de consumptieprijzen dat wordt toegepast voor de werklieden van hun onderneming." HOOFDSTUK III. - Opleiding

Art. 5.§ 1. De werkgevers verbinden er zich toe om 4 dagen opleiding toe te kennen voor de periode die ingaat op 1 januari 2006 en eindigt op 31 december 2007. Onverminderd artikel 7 van deze overeenkomst worden de opleidingsdagen toegekend op om het even welk moment in 2006 en/of in 2007. § 2. Onverminderd het recht op opleiding dat onder paragraaf 1 is erkend, wordt voor elke bediende een aanvullend recht op één dag beroepsopleiding geopend voor de periode die ingaat op 1 januari 2006 en eindigt op 31 december 2007. De tijd die overeenstemt met de opleidingsdag moet 's avonds of tijdens het weekend en buiten de arbeidstijd vallen. § 3. De deeltijdse bedienden genieten de voornoemde opleidingsdagen in evenredigheid met hun deeltijdse prestaties.

Het recht op opleiding geldt niet voor de bedienden die in opzegging zijn of die zijn aangeworven met een overeenkomst voor een bepaalde tijd van 1 jaar of minder. § 4. De opleidingsdagen moeten gericht zijn op een verhoging van de beroepsbekwaamheid van alle bedienden.

Art. 6.§ 1. De opleidingsdagen waarin artikel 5, § 1 voorziet, worden toegekend volgens de hiernavolgende regelen die dezelfde zijn als die die zijn vastgelegd in de vorige tweejaarlijkse akkoorden in de sector met name de collectieve arbeidsovereenkomsten van 5 mei 1999, 25 april 2001 en 15 mei 2003.

Onverminderd de toepassing van het opleidingsplan, zoals bepaald in artikel 7 hierna, gaat het om opleidingen die worden aangeboden door het Centrum voor de Vorming van Bedienden van het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor bedienden (CEVORA) of om door CEVORA erkende opleidingen, alsook om de door de betrokken ondernemingen of sectoren of door andere opleidingverstrekkers georganiseerde opleidingen.

De werkgever heeft de verantwoordelijkheid om de opleidingsdagen aan te bieden tijdens de werkuren.

Indien de opleiding plaatsvindt buiten de arbeidstijd moet de werkgever aan de bediende een gelijke compensatie in arbeidstijd toekennen.

De verplaatsingskosten van de bediende die betrekking hebben op de opleidingsdagen komen voor rekening van de werkgever.

Onverminderd de toepassing van het opleidingsplan, zoals bepaald in artikel 7 van deze collectieve arbeidsovereenkomst, moet de bediende, als de werkgever geen opleidingsdagen heeft voorgesteld vóór 31 december 2006, vóór 31 maart 2007 hiervoor een schriftelijke aanvraag indienen bij de werkgever.

In dat geval moet de werkgever vóór 30 april 2007 schriftelijk aan de werknemer meedelen hoe en wanneer hij binnen de geldigheidsduur van deze collectieve arbeidsovereenkomst de opleidingsdagen zal aanbieden.

Wanneer de werkgever : - ofwel niet vóór 30 april 2007 is ingegaan op de schriftelijke vraag van de werknemer; - ofwel uiterlijk op 31 december 2007 geen of te weinig opleidingsdagen aan de werknemer heeft aangeboden, worden de niet toegekende opleidingsdagen naar keuze van de werknemer door hem opgenomen onder de vorm van hetzij betaald verlof, hetzij opleidingsdagen binnen het opleidingsaanbod georganiseerd door CEVORA. In dit laatste geval richt de werknemer zijn verzoek om opleidingsdagen aan CEVORA. In alle gevallen worden deze dagen gelijkgesteld met gepresteerde arbeidsdagen. § 2. De onder artikel 5, § 2 voorziene opleidingsdag is een beroepsopleiding die door CEVORA wordt gegeven.

Om die opleidingsdag te genieten, moet de bediende zich wenden tot CEVORA. Per volledige opleidingsdag die hij volgt, ontvangt de bediende vanwege CEVORA een premie van 40 EUR als forfaitaire tegemoetkoming in zijn verplaatsings- en opleidingskosten.

Deze opleidingsdag wordt niet als arbeidstijd beschouwd en wordt niet als zodanig bezoldigd. Daarenboven komt deze opleidingsdag niet in aanmerking voor het betaald educatief verlof.

Art. 7.De nadere regelen van het recht op opleiding zoals bepaald in artikel 5, § 1 van deze collectieve arbeidsovereenkomst kunnen in de onderneming als volgt worden vastgelegd : § 1. Ondernemingen met vakbondsafvaardiging 1) Ondernemingen die reeds een opleidingsplan voor de periode 2004-2005 opmaakten en het lieten registreren. Deze ondernemingen kunnen het opleidingsplan, met instemming van de ondertekenende partijen, verlengen met een eenvoudige brief (met vermelding van hun volledig Rijksdienst voor Sociale Zekerheid-nummer) aan het "Sociaal Fonds van het A.N.P.C.B.", opgericht bij de in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden gesloten collectieve arbeidsovereenkomst van 28 februari 1975 houdende oprichting van een fonds voor bestaanszekerheid en vaststelling van zijn statuten (hierna sociaal fonds genoemd). De verlenging moet gebeuren tussen 1 oktober 2005 en 31 maart 2006. 2) Ondernemingen met vakbondsafvaardiging die nog geen opleidingsplan opmaakten. In de ondernemingen met een vakbondsafvaardiging kan tussen 1 oktober 2005 en 31 maart 2006 een bedrijfseigen opleidingsplan worden overeengekomen. Om geldig te zijn, moet dat plan de instemming krijgen van de meerderheid van de leden van de vakbondsafvaardiging. In het opleidingsplan kunnen de inhoud, het tijdstip, de doelgroep en alle andere nadere regelen van de opleiding volledig autonoom worden vastgelegd. Daarenboven kan het plan bepalen dat het opleidingskrediet op bepaalde bedienden wordt overgedragen.

Het opleidingsplan wordt tussen 1 oktober 2005 en 31 maart 2006 geregistreerd bij het sociaal fonds. De registratie gebeurt op basis van het als bijlage 3 van deze collectieve arbeidsovereenkomst opgenomen formulier. 3) De ondernemingen met een vakbondsafvaardiging maar zonder bedrijfseigen opleidingsplan kunnen uiterlijk op 30 juni 2006 toetreden tot het suppletief opleidingsplan (formulier als bijlage 4). Deze bedrijven mogen het opleidingskrediet niet op bepaalde bedienden overdragen. 4) De ondernemingen met een vakbondsafvaardiging maar zonder opleidingsplan mogen het opleidingskrediet niet op bepaalde bedienden overdragen. Bij de uitvoering van artikel 7, § 1, 3° en 4°, dient artikel 8 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 juli 1997 met betrekking tot het statuut van de syndicale afvaardiging, te worden nageleefd. § 2. Ondernemingen zonder vakbondsafvaardiging 1) Ondernemingen die reeds zijn toegetreden tot het suppletief opleidingsplan. Deze ondernemingen kunnen hun toetreding verlengen door tussen 1 oktober 2005 en 31 maart 2006 door een eenvoudige brief (met vermelding van hun volledig Rijksdienst voor Sociale Zekerheidsnummer) te sturen naar het "Sociaal Fonds van het A.N.P.C.B.".

Deze ondernemingen kunnen het individuele opleidingsrecht van de bedienden op andere bedienden overdragen, maar slechts ten belope van 50 pct. van het totale krediet aan opleidingsdagen. 2) Ondernemingen die nog niet zijn toegetreden Deze ondernemingen zonder vakbondsafvaardiging hebben de mogelijkheid om toe te treden tot een suppletief opleidingsplan uitgewerkt door de raad van beheer van CEVORA en opgenomen als bijlage 5 van deze collectieve arbeidsovereenkomst.Deze ondernemingen kunnen het individuele opleidingsrecht van de bedienden op andere bedienden overdragen, maar slechts ten belope van 50 pct. van het totale krediet aan opleidingsdagen.

De ondernemingen zonder vakbondsafvaardiging kunnen eveneens tot deze collectieve arbeidsovereenkomst toetreden door een schriftelijke verbintenis aan te gaan dat het recht op opleiding zal gerealiseerd worden via CEVORA-opleidingen.

De ondernemingen zonder vakbondsafvaardiging kunnen tussen 1 oktober 2005 en 31 maart 2006 hun toetreding laten registreren bij het sociaal fonds, volgens het formulier dat als bijlage 6 van deze collectieve arbeidsovereenkomst is opgenomen.

Art. 8.De ondernemingen met een geregistreerd opleidingsplan of -verbintenis, genieten voor de ontwikkeling van hun opleidingsinitiatieven een trekkingsrecht ten laste van CEVORA. De nadere regelen voor dit trekkingsrecht zullen worden vastgelegd door het sociaal fonds. HOOFDSTUK IV. - Tijdskrediet

Art. 9.§ 1. Bij toepassing van artikel 2, § 3 van collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis worden de volgende afwijkingsmodaliteiten vastgesteld : voor niet-uitvoerende bedienden en voor de bedienden die een functie uitoefenen die niet door een andere bediende in het bedrijf wordt uitgeoefend vereist de uitoefening van het recht op tijdskrediet een akkoord van de werkgever.

De instemming of niet-instemming van de werkgever zal aan de werknemer meegedeeld worden uiterlijk de laatste dag van de maand volgend op de maand tijdens welke het schriftelijk verzoek van de werknemer werd verricht. Artikel 8 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 juli 1997 met betrekking tot het statuut van de syndicale afvaardiging is van toepassing.

In geval van blijvend geschil binnen de onderneming, met of zonder vakbondsafvaardiging, kan de meest gerede partij het geschil voorleggen aan het Nationaal verzoeningsbureau van Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor bedienden.

Art. 10.§ 1. Bij toepassing van artikel 3, § 2 van collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis wordt de duur van uitoefening van het recht op voltijds en halftijds tijdskrediet voor de werknemers die de leeftijd van 50 jaar niet hebben bereikt, verlengd tot 2 jaar.

Voor werknemers die de leeftijd van 50 jaar niet hebben bereikt en die bovendien een anciënniteit hebben van minstens 5 jaar in het bedrijf, wordt de duur van de uitoefening van het voltijds tijdskrediet, verlengd tot 3 jaar. § 2. Bij toepassing van artikel 15, § 7 van collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis tot invoering van een stelsel van tijdskrediet, loopbaanvermindering en vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking worden de bedienden die een beroep doen op artikel 9, § 1, 1 van collectieve arbeidsovereenkomst nr. 77bis, voorzover zij de leeftijd van 55 jaar hebben bereikt, niet toegerekend op de drempel van 5 pct. waarin artikel 15, § 1 van de bovenvermelde collectieve arbeidsovereenkomst voorziet. § 3. De onder paragraaf 2 bedoelde bedienden ontvangen een bijkomende uitkering voor rekening van het sociaal fonds voorzover het 4/5-loon, vermeerderd met de diverse vergoedingen uitgekeerd in het kader van het tijdskrediet, de voltijdse nettobezoldiging die ze vóór de vermindering van hun prestaties genoten, niet overschrijdt.

Deze bijkomende vergoeding wordt voor de periode van 1 januari 2005 tot 31 mei 2005 vastgesteld op 57,22 EUR en voor de periode van 1 juni 2005 tot 31 december 2005 op 58,36 EUR. Vanaf 1 januari 2006 wordt deze vergoeding onderworpen aan het jaarlijks indexeringsmechanisme beschreven in artikel 4 van huidige overeenkomst.

Deze vergoeding wordt uitbetaald per verlopen kalendermaand tot en met de maand december 2006.

De raad van beheer van het sociaal fonds wordt ermee belast de nodige maatregelen te nemen om deze vergoeding vanaf 1 januari 2005 te kunnen betalen, overeenkomstig de bovenstaande bepalingen.

Art. 11.De ondertekenende partijen van deze collectieve arbeidsovereenkomst zullen voor het einde 2006 overgaan tot een evaluatie van de weerslag van de sectorale bepalingen inzake het tijdskrediet op de activiteitsgraad in de sector. HOOFDSTUK V. - Conventioneel brugpensioen

Art. 12.De leeftijd van het conventioneel brugpensioen wordt vastgesteld op 58 jaar. Het conventioneel brugpensioen geldt enkel voor bedienden met een overeenkomst voor onbepaalde tijd.

Art. 13.De werkgever kan enkel een tegemoetkoming van het sociaal fonds verkrijgen voor de bruggepensioneerden van wie de opzegging ingaat met ingang van 1 januari 2005 en voorzover de opzegging wordt gegeven in het kader van een vertrek met brugpensioen vanaf 59 jaar.

Het recht op de tegemoetkoming geldt slechts tot de bruggepensioneerde de leeftijd van 60 jaar bereikt.

De terugbetaling van de aanvullende vergoeding wordt beperkt tot het bedrag dat bepaald is in de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 december 1974 tot invoering van een regeling van aanvullende vergoeding ten gunste van sommige bejaarde werknemers indien zij worden ontslagen. HOOFDSTUK VI. - Opleiding en tewerkstelling

Art. 14.De partijen verbinden er zich toe om in coherentie met de regionaal-communautaire initiatieven - onder meer door het sluiten van convenanten - de tewerkstelling van werkzoekenden behorende tot de risicogroepen te bevorderen via opleiding en/of trajectbegeleiding gericht op knelpuntberoepen in de sector.

Art. 15.§ 1. Ondernemingen die werkzoekenden jonger dan 26 jaar in dienst nemen, genieten een financiële begeleiding voor rekening van het sociaal fonds voor deze jongeren. Deze financiële begeleiding wordt echter niet betaald ten aanzien van de in dienst genomen jongeren voor wie de werkgever een vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ontvangt in het kader van de doelgroepvermindering voor "laaggeschoolde jongeren". § 2. Ondernemingen die oudere werkzoekenden in dienst nemen, genieten een financiële begeleiding voor rekening van het sociaal fonds voor elke bediende die op het ogenblik van de indiensttreding minstens 50 jaar is en die bij de RVA als werkzoekende wordt ingeschreven. § 3. Het bedrag van de financiële begeleiding bedraagt, voor een voltijds tewerkgestelde bediende, 133 EUR per maand per bediende. Het zal over een periode van 12 maanden worden toegekend, te rekenen vanaf de indiensttreding van de bediende.

Deze begeleiding wordt per volledige kalendermaand van tewerkstelling toegekend voorzover de bediende een ononderbroken anciënniteit van minstens 3 maanden in het bedrijf heeft.

Dit bedrag wordt per drie maanden uitbetaald en op zijn vroegst op de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de derde maand ononderbroken anciënniteit in het bedrijf.

Voor de deeltijds tewerkgestelde bedienden wordt het bedrag van de financiële begeleiding berekend in verhouding met hun prestaties.

Art. 16.Er wordt een paritaire werkgroep opgericht om bestaande sectorale vormings- en tewerkstellingsmaatregelen ten gunste van 45-plussers en jongeren te evalueren en te onderzoeken in die mate deze maatregelen moeten worden aangepast om hun doeltreffendheid te verhogen. Er zal eveneens onderzocht worden welke sectorale vormings- en tewerkstellingsinitiatieven kunnen genomen worden ten gunste van allochtone werkzoekenden.

De werkgroep zal haar werkzaamheden afronden vóór 30 november 2005. HOOFDSTUK VII. - Classificatie

Art. 17.De werkzaamheden met betrekking tot de actualisering van de voorbeeldfuncties die opgenomen zijn in de collectieve arbeidsovereenkomst van 29 mei 1989 met betrekking tot de arbeids- en beloningsvoorwaarden, worden verder gezet. HOOFDSTUK VIII. - Vervanging van een syndicale afgevaardigde

Art. 18.Artikel 21 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 9 juli 1997 met betrekking tot het statuut van de syndicale afvaardiging wordt als volgt gewijzigd : "Elke organisatie zal tijdig zorgen voor de vervanging van haar afgevaardigden die hun opdracht definitief niet meer kunnen vervullen.

Hiertoe deelt de betrokken vakorganisatie per aangetekend schrijven aan de werkgever de naam van de vervanger mee, samen met de naam van de gewone kandidaat die hij vervangt.

Uiterlijk 15 dagen na deze mededeling, neemt de plaatsvervangende afgevaardigde zijn effectief mandaat op. Deze termijn wordt geschorst in geval van betwisting." Overeenkomstig artikel 22 van collectieve arbeidsovereenkomst van 9 juli 1997 met betrekking tot het statuut van de syndicale afvaardiging, kan de werkgever zich altijd om ernstige redenen tegen de aanduiding van een afgevaardigde verzetten. Desgevallend laat de werkgever aan de betrokken vakvereniging voor bedienden weten waarom hij zich verzet, en dit binnen de 14 werkdagen na voorlegging van de kandidatuur van de vervanger. HOOFDSTUK IX. - Onderzoek tweede pijler

Art. 19.De ondertekenende partijen zullen tijdens de duurtijd van deze overeenkomst een studie maken over de opportuniteit van een tweede pensioenpijler binnen het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden. HOOFDSTUK X. - Financiering

Art. 20.In artikel 4 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 11 juni 1997, gesloten in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden, tot oprichting van een fonds voor bestaanszekerheid en tot vaststelling van zijn statuten, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 10 augustus 1998, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 oktober 1998, worden de punten 9° en 10° gewijzigd als volgt : "9° het vergoeden van de bijkomende inspanningen lastens de werkgever ter invulling van de bepalingen van artikelen 5, 6, 7, 8, 11, 13, 14 en 15 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 16 juni 2005; 10° het vergoeden van de bijkomende inspanningen lastens de werkgever ter invulling van de bepalingen van artikel 10 van de collectieve arbeidsovereenkomst van 16 juni 2005."

Art. 21.In de voormelde collectieve arbeidsovereenkomst van 11 juni 1997 wordt artikel 12bis vervangen als volgt : "

Art. 12bis.De bijdrage van de werkgevers aan het sociaal fonds, nodig voor zijn werking, wordt voor het 1ste kwartaal 2005 tot en met het 4de kwartaal 2006 bepaald op 0,20 pct. van de brutolonen van de bedienden van de ondernemingen.

De bijdragen bestemd voor de risicogroepen worden aan het sociaal fonds betaald, overeenkomstig de bepalingen van de programmawet van juni 2005." HOOFDSTUK XI. - Sociale vrede

Art. 22.De vakorganisaties die vertegenwoordigd zijn in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden verbinden zich ertoe om, tijdens de hele toepassingsduur van deze collectieve arbeidsovereenkomst, in het paritair comité en in de ondernemingen geen bijkomende eisen met betrekking tot de in deze overeenkomst opgenomen materies te stellen.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 2 mei 2006.

De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN

Bijlage 1 bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 16 juni 2005, gesloten in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden, betreffende het sectoraal akkoord voor de jaren 2005-2006 Schaal I Dit barema is van toepassing vanaf 1 januari 2005. Het staat tegenover de spilindex 113,23 - stabilisatieschijf 111,01 tot 115,49 (basis 1996 = 100). Lonen tegen 100 pct.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Schaal II voor de bedienden die sinds 3 jaar in dezelfde onderneming in dezelfde A.N.P.C.B.-categorie werkzaam zijn Het staat tegenover de spilindex 113,23 - stabilisatieschijf 111,01 tot 115,49 (basis 1996 = 100). Lonen aan 100 pct.

Dit barema is van toepassing vanaf 1 januari 2005.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 2 mei 2006.

De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN

Bijlage 2 bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 16 juni 2005, gesloten in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden, betreffende het sectoraal akkoord voor de jaren 2005-2006 Schaal I Dit barema is van toepassing vanaf 1 juni 2005. Het staat tegenover de spilindex 115,49 - stabilisatieschijf 113,23 tot 117,80 (basis 1996 = 100). Lonen aan 102 pct.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Schaal II voor de bedienden die sinds 3 jaar in dezelfde onderneming in dezelfde A.N.P.C.B.-categorie werkzaam zijn Het staat tegenover de spilindex 115,49 - stabilisatieschijf 113,23 tot 117,80 (basis 1996 = 100). Lonen aan 102 pct.

Dit barema is van toepassing vanaf 1 juni 2005.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 2 mei 2006.

De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN

Bijlage 3 bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 16 juni 2005, gesloten in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden, betreffende het sectoraal akkoord voor de jaren 2005-2006 REGISTRATIEFORMULIER Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 2 mei 2006.

De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN

Bijlage 4 bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 16 juni 2005, gesloten in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden, betreffende het sectoraal akkoord voor de jaren 2005-2006 REGISTRATIEFORMULIER Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 2 mei 2006.

De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN

SUPPLETIEF OPLEIDINGSPLAN Naam van de onderneming : ..............................

Functiegroepen Periode Aankruisen Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Handtekening van de werkgever : Datum : Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 2 mei 2006.

De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN

Bijlage 5 bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 16 juni 2005, gesloten in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden, betreffende het sectoraal akkoord voor de jaren 2005-2006 REGISTRATIEFORMULIER Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 2 mei 2006.

De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN

Bijlage 6 bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 16 juni 2005, gesloten in het Aanvullend Nationaal Paritair Comité voor de bedienden, betreffende het sectoraal akkoord voor de jaren 2005-2006 REGISTRATIEFORMULIER Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 2 mei 2006.

De Minister van Werk, P. VANVELTHOVEN

^