Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 02 juni 1999
gepubliceerd op 10 juli 1999

Koninklijk besluit houdende de in voetbalstadions na te leven veiligheidsnormen

bron
ministerie van binnenlandse zaken
numac
1999000405
pub.
10/07/1999
prom.
02/06/1999
ELI
eli/besluit/1999/06/02/1999000405/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

2 JUNI 1999. - Koninklijk besluit houdende de in voetbalstadions na te leven veiligheidsnormen


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het koninklijk besluit dat wij de eer hebben aan de handtekening van Uwe Majesteit voor te leggen, heeft als doel het koninklijk besluit van 17 juli 1989 houdende de normen betreffende de bescherming van de toeschouwers tegen brand en paniek bij manifestaties in stadions, gewijzigd bij koninklijk besluit van 14 mei 1990 en 8 september 1997, te vervangen.

Indien bepaalde technische normen een verfijning verdienden, maakte de recente juridische evolutie een meer fundamentele herziening van de bestaande teksten noodzakelijk.

Immers, het aannemen door het Parlement van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden voert een systeem van administratieve sancties in, in hoofde van de organisatoren die gebruik maken van stadions die niet overeenstemmen met de veiligheidsnormen aangenomen door de Koning. Het is dan ook onontbeerlijk de juridische veiligheid maximaal te verzekeren voor de geviseerde instanties of personen, door een grotere nauwkeurigheid aan te brengen in de omschrijving van de verwachtingen inzake de veiligheid.

Dezelfde wet brengt ook de verplichting mee de controleprocedures op de naleving van de normen fundamenteel te herzien. De « inspecties » van adviserende aard worden voortaan vervangen door een systeem van controle en sancties, bepaald in de wet.

Tenslotte laten 10 jaar ervaring in het toepassen van de normen bepaald in het besluit van 17 juli 1989, thans toe om de normen beter te preciseren en aan te passen in functie van de reële behoeften, en tegemoet te komen aan bepaalde lacunes die vastgesteld werden tijdens de inspecties, waartoe de Ministerie van Binnenlandse Zaken op het terrein is overgegaan.

Het toepassingsgebied van het koninklijk besluit is algemeen. Immers, artikel 4 van de hoger geciteerde wet voorziet dat de organisator van elke voetbalwedstrijd slechts gebruik maakt van stadions of delen van stadions die voldoen aan de veiligheidsnormen, vastgesteld door de Koning. Deze verplichting geldt voor elke persoon die een voetbalwedstrijd in de zin van de wet organiseert.

Dit verklaart waarom het ontwerp van koninklijk besluit van toepassing is op alle voetbalstadions, zonder onderscheid van afdeling.

Het spreekt voor zich dat het koninklijk besluit een aanpassing van de normen voorziet in functie van de aard van het risico. Dit verklaart waarom enkel de maatregelen die de algemene veiligheid van de toeschouwers (bv.bescherming tegen brand, evacuatienormen) beogen, van algemene toepassing zijn.

Andere normen, meer specifiek in de strijd tegen het hooliganisme, zullen van restrictievere toepassing zijn. Het gaat onder andere om de normen betreffende de scheiding van supporters of over de noodzakelijke installaties voor de ordediensten.

Op bepaalde punten moeten deze normen aangevuld worden met voorschriften, eigen aan de plaatselijke situatie (capaciteit van het stadion, ligging van de plaatsen).

Deze aanvullende normen zullen bepaald worden in de overeenkomsten, bedoeld in artikel 5 van de wet.

Uiteindelijk, zoals dit tot nu toe het geval was, wordt aan de Minister van Binnenlandse Zaken de mogelijkheid toegekend bepaalde afwijkingen te verlenen. Dit kan onder andere noodzakelijk zijn voor de reeds bestaande infrastructuur, waarvan het mogelijk is om deze in overeenstemming te brengen met de normen zonder te moeten overgaan tot volledige heropbouw.

De algemene filosofie van dit ontwerp verschilt niet fundamenteel van de principes die golden bij de redactie van het besluit van 1989.

Zij laat zich, onder andere, inspireren door de Europese Overeenkomst inzake gewelddadigheden, gepleegd door en wangedrag van toeschouwers rond sportevenementen in en in het bijzonder rond voetbalwedstrijden, opgemaakt te Straatsburg op 19 augustus 1985 en goedgekeurd in het Belgisch recht door de wet van 18 april 1989.

Behoudens de responsabilisering van de organisator, bestaan deze principes, wat de infrastructuur betreft, in een efficiënte scheiding van rivaliserende supporters zowel bij de ingang als in het stadion zelf, alsook in het ter beschikking stellen van de installaties die de noodzakelijke garanties bieden voor de veiligheid en het comfort van het publiek.

Het is dan ook op deze grote principes dat het ontwerp van besluit is gebaseerd.

Bespreking van de artikels : Artikel 1 heeft tot doel de gebruikte noties in het koninklijk besluit te definiëren voor zover deze nog niet gedefinieerd werden in de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden Het merendeel van de gebruikte definities vereisen geen bijzondere commentaar en zijn van puur technische aard.

Het blijkt onontbeerlijk te zijn de notie uitbater van het stadion te definiëren. Immers de juridische situatie van het merendeel van de infrastructuur is complex, in die zin dat de eigendom dikwijls verdeeld is tussen verschillende partijen, en er daarenboven talrijke stadions in huur zijn gegeven.

De uitbater van het stadion zal dus over het algemeen de club zijn die er hoofdzakelijk gebruik van maakt, die er gewoonlijk zijn thuiswedstrijden speelt. Bij gebreke, zal het gaan om de fysieke of morele persoon die de bevoegdheid heeft het stadion aan een derde te verhuren of het ter beschikking te stellen onder enig andere vorm.

Het artikel 2 verwijst naar de technische normen opgesomd in de eerste bijlage bij het besluit. Zoals hoger reeds gepreciseerd, omvat deze reglementering : - een geheel van basisnormen aan de welke alle voetbalstadions moeten voldoen, wat ook de categorie van wedstrijden is die er plaatsvinden; - de specifieke normen voor stadions die gebruikt worden voor wedstrijden die een niveau van verhoogde veiligheid noodzaken, het is te zeggen de stadions waar nationale en internationale wedstrijden in de zin van de wet plaatsvinden; - overeenkomstig alinea 2, moeten deze normen vervolledigd of gepreciseerd worden op bepaalde punten, rekening houdende met de plaatselijke specificiteiten. Dit is met name het geval voor alle bepalingen die voorzien in een overeenkomst met de politie- of hulpdiensten en voor alle bepalingen die verbonden zijn aan de capaciteit van het stadion of het aantal of de oppervlakte van bepaalde plaatsen.

Het spreekt voor zichzelf dat andere conventionele bepalingen de normen van het besluit kunnen vervolledigen zonder er nochtans op eender welk punt te kunnen van afwijken.

Artikel 3 heeft tot doel de niet voor het publiek toegankelijke zones in de zin van artikel 22, al. 2, 3° van de wet te definiëren. Alzo kan de burgemeester bij voorbeeld beslissen de toegang tot een tribune te verbieden indien hij oordeelt dat deze niet of niet meer de noodzakelijke veiligheidsgaranties biedt, bij voorbeeld ten gevolge van een beschadiging of een ongeval.

Artikel 4 verduidelijkt de informatie die door de burgemeester aan de Minister van Binnenlandse Zaken moet bezorgd worden teneinde deze laatste toe te laten zijn controle-opdrachten uit te oefenen.

De gevraagde verslagen en expertises werden reeds onder de oude reglementering opgelegd. Zoals in het verleden, moeten deze elk jaar worden overgemaakt aan de voetbalcel van de Algemene Directie van de Algemene Rijkspolitie bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Artikel 5 herneemt een bepaling van het koninklijk besluit van 18 juli 1989 die toelaat aan de Minister van Binnenlandse Zaken om een afwijking toe te staan op bepaalde normen die bepaald worden in het besluit, met uitzondering van de normen met een algemene draagwijdte, zoals het ARAB. Zoals in het verleden is een dergelijke afwijking onderworpen aan het bestaan van garanties betreffende het nemen van veiligheidsnormen die een gelijkwaardig veiligheidsniveau verzekeren.

In het algemeen beogen de door de Minister toe te stane afwijkingen infrastructurele problemen die moeilijk op te lossen zijn zonder aan het stadion wijzigingen aan de brengen die grote reconstructiewerken met zich meebrengen. Onder bepaalde voorwaarden zal het mogelijk zijn voor bepaalde stadions of bepaalde gedeeltes van deze stadions, gedeeltelijk af te wijken van de normen betreffende de afscheiding, voor zover de veiligheid kan gegarandeerd worden door alternatieve middelen. Alvorens een dergelijke afwijking toe te staan, kan de Minister de adviezen inwinnen die hij nuttig acht, onder andere het advies van de betrokken plaatselijke autoriteiten.

Een overgangsperiode is voorzien teneinde in voorkomend geval de afwijkingen die reeds bestaan op het ogenblik van het in voege treden van het ontwerp van besluit, te heronderzoeken. Daarenboven wordt voortaan voorzien dat de toegekende afwijkingen van rechtswege zullen vervallen indien de alternatieve veiligheidsvoorwaarden die geleid hebben tot hun toekenning, niet worden nageleefd. De Minister zal daarbij niet moeten overgaan tot het intrekken van de afwijking. Het verval van de afwijking zal een sanctie tot gevolg hebben bij toepassing van een administratieve geldboete omwille van het niet naleven van de norm van dewelke normalerwijze had kunnen afgeweken worden.

Tenslotte, aangezien de inwerkingtreding van het koninklijk besluit voorzien is voor het begin van het voetbalseizoen 1999-2000, wordt een overgangsperiode voorzien teneinde aan de organisatoren en uitbaters van het stadion toe te laten zich aan te passen, daar waar het besluit voorschriften invoert die niet op korte termijn kunnen gerealiseerd worden of welke voorheen nog niet bestonden. Artikel 6 somt deze bepalingen op.

In de eerste bijlage bij het koninklijk besluit worden de technische voorschriften opgesomd.

Hoofdzakelijk worden de volgende wijzigingen aangebracht aan de sinds 1989 bestaande regels.

In punt 1 wordt het begrip « buitenomheining » ingevoerd om de grenzen van het stadion juridisch duidelijk af te bakenen en om het ongecontroleerd binnendringen van personen of voorwerpen en materialen te beletten.

In punt 2 wordt in de voorschriften m.b.t. de binnenomheining bepaald dat ieder voetbalstadion een scheiding moet bevatten die het betreden van het speelveld door de toeschouwers belet. Voor de nationale en/of internationale voetbalwedstrijden zijn daarbij specifieke voorschriften van toepassing die worden opgesomd in punt 2.2.3. Zoals eerder gezegd kunnen op verzoek van de uitbater door de Minister afwijkingen op deze normen worden toegestaan, voor zover de openbare orde gevrijwaard blijft.

In de binnenomheining moeten nooduitgangen aanwezig zijn, waarvan het sluitingssysteem van het containertype dient te zijn, hetgeen een afdoende garantie biedt voor de veiligheid bij een eventuele evacuatie en in voorkomend geval voldoende bescherming biedt aan de persoon die belast is met de opening van de deuren, wanneer deze laatste onder druk zou staan. Het is noodzakelijk dat deze persoon gedurende de manifestatie bestendig post vat in de omgeving van deze deuren.

Teneinde een aanpassing van de huidige stadioninfrastructuur mogelijk te maken, wordt hiervoor een overgangsmaatregel van 1 jaar voorzien.

Vervolgens wordt in punt 3.1, m.b.t. de circulatie en evacuatie van de toeschouwers ter hoogte van ingangen en uitgangen, uitdrukkelijk voorgeschreven dat een ingang, voorbehouden aan de toeschouwers, op eenzelfde tijdstip enkel mag gebruikt worden als ingang en dus niet tegelijkertijd als uitgang mag dienen.

Om veiligheidsredenen moeten de uitgangen principieel steeds open zijn; is dit niet het geval, dan moet er permanent een verantwoordelijke van de organisator in de onmiddellijke nabijheid van de uitgang zijn die deze ogenblikkelijk kan ontgrendelen.

Alle hindernissen ter hoogte van de uitgangen, zoals niveauveranderingen, oneffenheden in de vloer, enz... zijn volkomen uit den boze.

In punt 3.3 worden de technische vereisten omschreven m.b.t. tot de breedte van trappen, doorgangen en toegangen, die normalerwijze minstens 1,20 m dient te bedragen. In afwijking hiervan mag de minimumbreedte van de circulatiezones op de gradins 80 cm bedragen.

Onder gradins dient hier te worden verstaan galerijen en geïntegreerde trappen, dit zijn de trappen geïntegreerd in de rijen van de tribunes en bestemd voor de circulatie binnen deze tribunes of voor de onmiddellijke evacuatie ervan.

Het doorvoeren van de compartimentering, waarvan sprake in punt 4.5 moet zodanig gebeuren dat het zicht van de toeschouwers op het speelveld niet belemmerd wordt.

In punt 4.5.4 wordt uitdrukkelijk bepaald dat voor de nationale en internationale voetbalwedstrijden een onoverschrijdbare scheiding moet worden geplaatst tussen de rivaliserende supporters. Voor de voetbalwedstrijden van tweede klasse zou de Minister kunnen overwegen desgevallend een afwijking toe te kennen voor de zittribunes, voor zover de openbare orde dit mogelijk maakt.

In punt 5.1.2 wordt bepaald dat tijdelijke installaties (bv. distributie-automaten, sanitaire cabines) stevig verankerd moeten zijn in de grond. Het tijdelijk karakter van dergelijke installaties mag immers geen nadelige invloed uitoefenen t.a.v. het veiligheidsniveau van de permanente installaties, met name door hindernissen op de evacuatiewegen te vormen.

In punt 5.2 en 5.3 wordt er per compartiment van het stadion in kraampjes en sanitaire installaties voorzien. Dit moet toelaten om de supporters van beide ploegen het minimale comfort aan te bieden en hierdoor geweld uitlokkende frustraties te voorkomen.

Nieuw zijn ook de bepalingen in punt 5.5 m.b.t. het commandolokaal.

Wanneer nationale en internationale voetbalwedstrijden worden gespeeld in een stadion, moet in dit stadion een commandolokaal aanwezig zijn; in deze post nemen minstens vertegenwoordigers van rijkswacht, politie, brandweer en de veiligheidsafgevaardigde van de betrokken club plaats.

De oppervlakte van de commandopost zal variëren naargelang de specificiteit van het stadion : men dient minstens te beschikken over 3 m2 per aanwezige persoon. In de overeenkomsten bedoeld in art. 5 van de wet zal dit nader gepreciseerd worden. Vanuit deze post zullen ook de camera's waarmede deze stadions moeten uitgerust zijn, bestuurd worden. Deze camera's moeten toelaten om elk incident op te sporen en identificatie van onruststokers toe te laten. De regelgeving omtrent deze videoapparatuur maakt het voorwerp uit van het koninklijk besluit betreffende de installatie en de werking van bewakingscamera's in stadions, de oprichting van een bestand der beelden en de modaliteiten waaraan dit bestand dient te voldoen.

De verplichting het stadion te voorzien van een EHBO-lokaal bij nationale en/of internationale voetbalwedstrijden, zoals voorgeschreven in punt 5.7., is evident, rekening houdende met het aantal toeschouwers die tijdens een voetbalwedstrijd aanwezig kunnen zijn.

De aangebrachte pictogrammen moeten in overeenstemming zijn met het koninklijk besluit van 17 juni 1997 betreffende de veiligheid en gezondheidssignalering op het werk. Om te vermijden dat de aangebrachte pictogrammen en berichten aan het publiek onleesbaar zouden zijn, wat momenteel dikwijls het geval is, wordt ook hier de lettergrootte aan minimumnormen onderworpen.

Tenslotte worden minimale onderhoudsvereisten opgelegd.

De tweede bijlage omschrijft een beproevingsmethode om te bepalen of een tribunestoeltje al dan niet als brandgevaarlijk moet worden beschouwd.

Dit zijn de essentiële wijzigingen vervat in het ontwerp van besluit dat de Regering de eer heeft aan Uw handtekening voor te leggen.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Binnenlandse Zaken, L. VAN DEN BOSSCHE

ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 21 april 1999 door de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "houdende de in voetbalstadions na te leven veiligheidsnormen", heeft op 26 april 1999 het volgende advies gegeven : Overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.

De motivering van het verzoek om spoedbehandeling is in de brief en in de aanhef in nagenoeg dezelfde bewoordingen gesteld.

In het onderhavige geval luidt die motivering, zoals ze is gesteld in de brief met de adviesaanvraag, als volgt : « Ces impératifs urgents sont motivés par la circonstance que le comportement violent dans les stades connaît une réelle recrudescence contre laquelle il convient d'intervenir immédiatement et au moyen de tous les instruments juridiques disponibles.

Considérant que les normes de sécurité qui sont adoptées dans le présent arrêté font partie d'un ensemble normatif pris en exécution de la loi. Que la sécurité juridique et la cohérence requièrent que cet ensemble normatif soit introduit dans l'ordre juridique belge de façon coordonnée, de telle sorte qu'il est indiqué que cet arrêté puisse être publié en même temps que les autres arrêtés portant exécution de la loi. Que le volet répressif est déjà en vigueur de telle sorte qu'il paraît également indiqué que les normes mêmes puissent entrer en vigueur le plus rapidement possible.

Considérant que chaque report entraîne le risque de porter préjudice à la crédibilité des règles et des sanctions.

Considérant que, de plus, une publication immédiate de ces normes est aussi nécessaire pour apporter les adaptations nécessaires à l'infrastructure existante.

Considérant de plus qu'il est important que ces normes puissent entrer en vigueur avant le début de la prochaine saison de football de telle sorte qu'elles puissent être testées au moins pendant une saison avant l'organisation de l'EURO 2000. » .

Overeenkomstig het genoemde artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, heeft de afdeling wetgeving zich beperkt tot de volgende opmerkingen.

Aanhef Het ontworpen besluit ontleent zijn rechtsgrond aan de artikelen 4 en 22, tweede lid, 3° van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden. Het tweede lid van de aanhef moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

Dispositief Artikel 1 In artikel 1, 13°, wordt het begrip "uitbater" omschreven als "elke persoon die gewoonlijk het stadion gebruikt om er voetbalwedstrijden te organiseren". Als er geen "gewoonlijke gebruiker" is, slaat het begrip "uitbater" op "de persoon die de juridische bevoegdheid heeft om de infrastructuur ter beschikking te stellen van een organisator van voetbalwedstrijden".

Dat begrip moet nader worden omschreven. Er zijn immers waarschijnlijk verscheidene personen die "gewoonlijk" eenzelfde stadion gebruiken. De vraag rijst dan wie de verplichtingen, vermeld in artikel 4, moet nakomen.

Artikel 2 Het eerste en het tweede lid van het onderzochte artikel zijn slecht gesteld, doordat ze verwarring kunnen doen ontstaan.

Immers, de bevoegdheid die de Koning ontleent aan artikel 4 van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden om de veiligheidsnormen te bepalen waaraan voetbalstadions moeten voldoen, beperkt zich niet uitsluitend tot de minimumnormen. Alle veiligheidsnormen moeten door Hem worden bepaald.

Het is een andere zaak sommige van die normen voor nationale en internationale voetbalwedstrijden toe te lichten in de overeenkomsten bedoeld in artikel 5 van de voornoemde wet.

Aldus behoort in het eerste lid het woord "minimale" te vervallen en behoren in het tweede lid de woorden "moeten het voorwerp uitmaken van expliciete aanvullende preciseringen" te worden vervangen door de woorden "worden geëxpliciteerd".

Artikel 3 In artikel 3, 2° moet worden verduidelijkt welke bestuurlijke overheid wordt bedoeld en krachtens welke wets- of verordeningsbepalingen ze het publiek de toegang tot sommige plaatsen kan verbieden.

Die verduidelijking is noodzakelijk, temeer omdat degene die "zich bevindt in plaatsen die voor het publiek niet toegankelijk zijn", krachtens artikel 22 van de voornoemde wet de in artikel 24 van dezelfde wet vermelde sancties kan oplopen.

Artikel 4 Volgens deze bepaling moet de burgemeester, op verzoek van de exploitant, een door de Minister van Binnenlandse Zaken goedgekeurde expert aanwijzen die ermee belast wordt op kosten van de aanvrager een verslag op te maken.

Zoals deze bepaling is gesteld, voert ze een retributie ten laste van de exploitant in die niet bij de wet is voorgeschreven.

De nagestreefde doelstelling kan wellicht net zo goed worden bereikt zonder een onwettige retributie in te stellen, namelijk door de exploitant als veiligheidsnorm ertoe te verplichten een expertise van zijn voorzieningen te laten uitvoeren door een door de minister erkende expert en dat expertiseverslag aan de burgemeester te bezorgen die het op zijn beurt, samen met een verslag van de brandweer, aan de Minister van Binnenlandse Zaken zou moeten overzenden.

Artikel 5 Wat paragraaf 3 betreft, zou het beter zijn niet te bepalen dat de afwijkingen van rechtswege vervallen, maar met het oog op de rechtszekerheid te bepalen dat de exploitant en de organisator alleen dan aanspraak kunnen maken op de door de minister toegestane afwijking als de bij de afwijking goedgekeurde alternatieve veiligheidsmaatregelen worden nageleefd.

Artikel 6 1. Het eerste lid moet vervallen.De daarin vervatte regel overlapt immers artikel 8 van het ontwerp en kan bijgevolg verwarring scheppen. 2. Het tweede lid en het derde lid moeten worden ingevoegd in artikel 8, dat betrekking heeft op de inwerkingtreding van het besluit. Artikel 7 (dat artikel 6 wordt) Bij het onderzochte artikel wordt het koninklijk besluit van 17 juli 1989 houdende de normen betreffende de bescherming van de toeschouwers tegen brand en paniek bij manifestaties in stadions opgeheven, met uitzondering van artikel 5bis van dat besluit, dat wordt opgeheven bij het ontwerp van koninklijk besluit betreffende het veiligheids- en coördinatiebeleid naar aanleiding van voetbalwedstrijden, waarover de afdeling wetgeving van de Raad van State heden advies L. 29.175/4 heeft gegeven.

Ter wille van de rechtszekerheid behoort het koninklijk besluit van 17 juli 1989 in zijn geheel te worden opgeheven bij het onderzochte artikel van het onderhavige ontwerp.

Bijlage I Volgens bijlage I, punt 5.5.2., 5e streepje, moet men in het commandolokaal "over de nodige apparatuur (beschikken) om de camera's te monitoriseren en opnames te realiseren".

Deze bepaling moet in samenhang worden gelezen met artikel 10, eerste lid 6°, van de voornoemde wet van 21 december 1998, dat de Koning ermee belast "na advies van de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer" te bepalen hoe en in welke gevallen bewakingscamera's worden geïnstalleerd. De steller van het ontwerp wordt erop attent gemaakt dat vooraf het advies van die commissie moet worden ingewonnen.

Slotopmerkingen Uit een oogpunt van correct taalgebruik zijn op verscheidene bepalingen van de Nederlandse tekst van het ontwerp aanmerkingen te maken. Bij wijze van voorbeeld en onder voorbehoud van de hiervoren gemaakte inhoudelijke opmerkingen worden hierna enige tekstvoorstellen gedaan : Aanhef Vijfde lid Zoals gebruikelijk is schrijve men "dringende noodzakelijkheid" in plaats van "hoogdringendheid".

Zesde lid Gelijk in de wetgevingstechniek gebruikelijk is, schrijve men "in dit besluit" in plaats van "in huidig besluit". Voorts schrijve men "een pakket van rechtsregels, vastgesteld" in plaats van "een normerend geheel genomen", alsook "gedeelte" in plaats van "luik".

Dispositief Artikel 1 In onderdeel 3° schrijve men "afscheidingen" in plaats van "scheidingen".

In onderdeel 13° zou het beter zijn "exploitant" te schrijven in plaats van "uitbater", aangezien "uitbater", behoudens wanneer het om de horecasector gaat, niet algemeen als correct wordt aangezien. Deze opmerking geldt voor heel het ontwerp. Het woord "gewoonlijke", dat blijkens Van Dale, GWNT, in de vorm "gewoonlijk" alleen als bijwoord gebezigd wordt, zou vervangen moeten worden door het woord "gewone".

Artikel 3 De als een gallicisme aangemerkte en als zodanig afgekeurde constructie "Worden beschouwd als ..." zou vervangen moeten worden door de constructie "Beschouwd worden als ..." In onderdeel 1° schrijve men : "elke zone die door de organisator als zodanig is aangegeven in ... en die hij duidelijk zichtbaar gemaakt heeft door haar adequaat af te bakenen;".

Artikel 4 In de inleidende zin schrijve men "overzenden" of "bezorgen", aangezien "overmaken" in casu niet correct is.

In het eerste lid, 2°, schrijve men "afgegeven" in plaats van "afgeleverd", dat in casu niet correct is.

In het tweede lid schrijve men "bijbehorende" in plaats van "bijhorende". Voorts wordt erop gewezen dat de onvoltooid toekomende tijd niet gangbaar is in de wetgevingstechniek en vervangen behoort te worden door de onvoltooid tegenwoordige tijd. Deze opmerking geldt voor heel het ontwerp.

In het derde lid schrijve men "op verzoek en op kosten van ...".

Artikel 5 In §1, eerste lid, schrijve men "toestaan van de normen" in plaats van "op de normen".

Artikel 6 In het tweede lid schrijve men "eerst" of "pas" in plaats van "slechts".

De kamer was samengesteld uit : de heren :: R. Andersen, kamervoorzitter;

C. Wettinck, P. Lienardy, staatsraden;

P. Gothot, J. van Compernolle, assessoren van de afdeling wetgeving;

Mevr. Proost, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer L. Detroux, auditeur. De nota van het coördinatiebureau werd en toegelicht door de heer C. Nikis, adjunct-referendaris.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse teks werd nagezien onder toezicht van de heer R. Andersen.

De griffier, De voorzitter, M. Proost. R. Andersen.

2 JUNI 1999. - Koninklijk besluit houdende de in voetbalstadions na te leven veiligheidsnormen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de richtlijn 98/34/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, gewijzigd door de richtlijn 98/48/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 1998 inzonderheid op het artikel 9.7.

Gelet op de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, inzonderheid op de artikelen 2, 3, 5, 10, 4° en 6° en 22, 2., 3°.

Gelet op het gunstig advies van de inspecteur van Financiën gegeven op 12 maart 1999.

Gelet op het advies van de Hoge Raad voor beveiliging tegen brand en ontploffing, die werd opgericht met toepassing van de wet van 30 juli 1979, betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid in dergelijke gevallen.

Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat gewelddadig gedrag in voetbalstadions een ware heropflakkering kent, waartegen onmiddellijk en met alle beschikbare wettelijke instrumenten moet worden opgetreden.

Overwegende dat de veiligheidsnormen, die in dit besluit zijn opgenomen, deel uitmaken van een pakket van rechtsregels, vastgesteld ter uitvoering van de wet. Overwegende dat de juridische veiligheid en de coherentie noodzaakt om dit normerend geheel op een gecoördineerde manier in de Belgische juridische orde in te voeren en het gepast voorkomt dat dit besluit samen met de andere besluiten ter uitvoering van de wet kan gepubliceerd worden. Dat het repressieve gedeelte reeds van kracht is zodat het dan ook gepast voorkomt dat de normen zelf zo vlug mogelijk van kracht worden. Overwegende dat elk uitstel het risco inhoudt de geloofwaardigheid van de maatregelen of sancties te schaden.

Overwegende dat een onmiddellijke bekendmaking van deze normen bovendien ook noodzakelijk is om de noodzakelijke aanpassingen aan de bestaande infrastructuur aan te brengen.

Overwegende dat het daarenboven van belang is dat deze normen in werking kunnen treden voor het begin van het volgend voetbalseizoen zodat deze gedurende minstens één seizoen voor de organisatie van EURO 2000 kunnen uitgetest worden.

Gelet op het advies van de Raad van State gegeven op 26 april 1999 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vervangen door de wet van 4 augustus 1996.

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit, wordt begrepen onder : 1° de "wet" : de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden;2° "Nationale en internationale wedstrijden" : wedstrijden zoals bedoeld in artikel 2, 2° en 3° van de wet;3° "compartimenten" : onderverdeling van de tribune, begrensd door afscheidingen waardoor de doorgang van personen belet of beperkt wordt;4° "buitenomheining" : fysieke hindernis die de buitengrens vormt van het stadion ten opzichte van zijn omgeving;5° "binnenomheining" : fysieke hindernis die de grens vormt tussen de speelruimte en de andere installaties van het stadion;6° "installaties voor de toeschouwers" : de inrichtingen die de organisator specifiek bestemd heeft voor de toeschouwers;7° "evacuatieweg" : circulatieweg met een maximale helling van 10 % die toegang geeft tot de trappen, trappenhuizen, de galerijen of de uitgangen van het gebouw;8° "geïntegreerde trappen" : trappen, geïntegreerd in de rijen (gradins) van de tribunes en bestemd voor de circulatie binnen deze tribunes of voor de onmiddellijke evacuatie ervan;9° "lokalen van het stadion" : lokalen, gelegen binnen de omheining van het stadion en bestemd voor de diensten van het stadion, de spelers, de scheidsrechters en alle andere tussenkomende partijen die geen toeschouwers zijn;10° "theoretische capaciteit van het stadion" : de capaciteit berekend op basis van de werkelijke oppervlakte van de compartimenten voor de toeschouwers, rekening houdende met de toegelaten bezettingsgraad of, in voorkomend geval, het aantal zitplaatsen;11° "veiligheidscapaciteit" : de capaciteit zoals overeengekomen tussen de betrokken partijen in de overeenkomst bedoeld in artikel 5 van de wet of opgelegd krachtens de veiligheidsnormen;12° "nieuw" : een constructie wordt als nieuw beschouwd wanneer de aanvraag voor de bouwvergunning werd ingediend na de inwerkingtreding van dit besluit;13° "exploitant" : elke persoon die gewoonlijk het stadion gebruikt om er voetbalwedstrijden te organiseren.Bij gebreke aan gewone gebruiker, de persoon die de juridische bevoegdheid heeft om de infrastructuur ter beschikking te stellen van een organisator van voetbalwedstrijden; 14 ° "reglement van inwendige orde" : reglement zoals bedoeld in artikel 10, 1° van de wet.

Art. 2.Elk stadion gebruikt voor de organisatie van een voetbalwedstrijd in de zin van artikel 2, 1° van de wet moet voldoen aan de normen gedefinieerd in de eerste bijlage van dit besluit.

Volgende punten opgenomen in de eerste bijlage bij dit besluit worden uitgelegd in de overeenkomst bedoeld in artikel 5 van de wet : 1.1 wat betreft het aanleggen van toegangswegen voor politie- en hulpdiensten; 1.2 wat betreft de ligging van de stationeerzones voor politie- en hulpdiensten; 1.4 wat betreft de ligging van de parkeerruimtes voor de media; 1.6 wat betreft het aantal verkooppunten; 4.2. wat betreft de zones waar zitjes met een afwijkende rugleuning kunnen geinstalleerd worden; - 5.5.1 wat betreft de oppervlakte van de uitrusting; - 5.5.2 wat betreft de uitrusting van de commandopost; - 5.6 wat betreft het aantal, de ligging en de uitrusting van de lokalen voor voorlopige hechtenis; - 5.7 wat betreft de ligging, het aantal, de oppervlakte en de uitrusting van de EHBO lokalen, bestemd voor het publiek; - 11.6 wat betreft het aantal, de aard en de plaats van de blusmiddelen.

Art. 3.Beschouwd worden als niet voor het publiek toegankelijke plaatsen in de zin van artikel 22 tweede lid, 3° van de wet : 1° elke zone die door de organisator als zodanig is aangegeven in het reglement van inwendige orde en die hij duidelijk zichtbaar gemaakt heeft door haar adequaat af te bakenen;2° elke zone die door de bevoegde overheid binnen het kader van haar wettelijke of reglementaire opdrachten als dusdanig werd aangeduid.

Art. 4.Voor de stadions waar nationale en/of internationale voetbalwedstrijden worden gespeeld moet de burgemeester in de loop van de maand juni van elk jaar een dossier aan de Minister van Binnenlandse Zaken overzenden, dat volgende elementen bevat : 1° een recent en gedetailleerd verslag opgesteld door de territoriaal bevoegde brandweerdienst;dit rapport vermeldt welke normen niet zijn nageleefd. 2° een recent verslag, met betrekking tot de stabiliteit van het stadion en zijn onderdelen en met de naleving van de normen inzake weerstand bedoeld in de bijlagen bij dit besluit;de exploitant moet dit verslag laten opstellen door een door de Minister van Binnenlandse Zaken voorafgaandelijk goedgekeurd expert en te gepasten tijde aan de Burgemeester sturen.

Naast een jaarlijkse visuele expertise vindt een meer grondige expertise met bijbehorende proeven plaats om de drie jaar of wanneer de visuele expertise de noodzakelijkheid ervan aantoont.

Art. 5.§ 1. Onverminderd de voorschriften van het Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming, kan de Minister van Binnenlandse Zaken op verzoek van de exploitant van het stadion, afwijkingen voor bepaalde of onbepaalde duur toestaan van de normen vastgelegd in de eerste bijlage van dit besluit.

De exploitant voegt bij zijn aanvraag een lijst met alternatieve veiligheidsmaatregelen met het oog op het bereiken van een gelijkwaardig veiligheidsniveau. § 2. Voor het toekennen van deze afwijkingen beoordeelt de Minister van Binnenlandse Zaken de door de aanvrager voorgestelde alternatieve veiligheidsmaatregelen en de weerslag ervan op de openbare orde. § 3. Indien de alternatieve veiligheidsmaatregelen niet worden nageleefd, vervallen de afwijkingen van rechtswege. § 4. Alle afwijkingen toegestaan voor de inwerkingtreding van huidig besluit blijven behouden tot 31 december 2000.

Voor het bekomen van een eventuele verlenging van de afwijking na 31 december 2000 moet de exploitant van het stadion voor 31 juli 2000 een nieuwe gemotiveerde aanvraag indienen, overeenkomstig de procedure zoals beschreven in § 1.

Art. 6.Het koninklijk besluit van 17 juli 1989 houdende de normen betreffende de bescherming van toeschouwers tegen brand en paniek bij manifestaties in openluchtinrichtingen, gewijzigd bij koninklijk besluit van 14 mei 1990 en 8 september 1997 wordt opgeheven, behoudens artikel 5bis.

Art. 7.Dit besluit treedt in werking op 1 juli 1999.

De punten 1.5 en 2.2.5 in de bijlage zijn evenwel slechts van toepassing vanaf 1 juli 2000.

De punten 4.2.2, 5.3.2, 5.5.1 en 5.7 zijn van toepassing vanaf 1 juli 2001.

Art. 8.Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 2 juni 1999.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, L. VAN DEN BOSSCHE

Bijlage 1 bij het koninklijk besluit houdende de normen aangaande de bescherming van de toeschouwers 1.1. Vanaf het openbaar wegennet en de stationeerzones voor de voertuigen van de politie- en hulpdiensten moeten toegangswegen een snelle en rechtstreekse toegang tot de installaties voor de toeschouwers, de lokalen van het stadion en de speelruimte mogelijk maken.

Deze toegangswegen zijn voorzien van een duidelijke en volledige signalisatie.

Zij zijn aangelegd in overleg met de plaatselijk bevoegde politie- en brandweerdiensten. 1.2. De stationeerzones, gereserveerd voor de politie- en hulpdiensten, worden voorzien zowel binnen als buiten de omheining van het stadion, in overleg met de betrokken diensten.

Zij moeten zo gelegen zijn dat ze de evacuatiewegen voor de toeschouwers niet belemmeren Binnen de omheining van het stadion moeten ze voorzien worden in de nabijheid van de lokalen bestemd voor deze diensten en beschikken ze over een eigen uitgang die steeds wordt vrijgehouden. 1.3. De parkeerruimten bestemd voor de toeschouwers zijn duidelijk gesignaleerd.

Zij zijn zo gelegen dat elke confrontatie tussen rivaliserende supporters wordt vermeden.

De signalisatie moet een kanalisatie naar de aangeduide ingangen toelaten, in overeenstemming met de compartimenten van het stadion. 1.4. Er worden parkeerruimten voorbehouden voor de media, op zodanige wijze dat elke interferentie met de activiteiten van de politie- en hulpdiensten wordt vermeden. 1.5. De grenzen van het stadion t.o.v. zijn omgeving worden aangegeven door een omheining die ontworpen is om elk ongecontroleerd binnendringen van personen, voorwerpen of materialen te beletten.

De omheining moet zo geplaatst worden dat er een circulatieruimte ontstaat tussen de omheining en de gebouwen van het stadion. 1.6. Indien er zich verkooppunten in de buitenomheining bevinden, moeten deze voldoende in aantal zijn om een vlotte doorstroming te garanderen. Zij verlenen uitsluitend toegang tot de overeenstemmende zones.

Ze zijn op minstens 15 m van de toegangscontroles verwijderd.

De signalisatie van de verkooppunten en de toegangscontroles moet duidelijk en ondubbelzinnig zijn. 1.7. Het reglement van inwendige orde moet, duidelijk leesbaar, aan de buitenkant van het stadion en in de onmiddellijke nabijheid van elke toegang uithangen.

Boven elke ingang zal een bord vermelden dat elke persoon die het stadion betreedt, zich verbindt tot het naleven van het reglement van inwendige orde. 1.8. De controlepunten worden zo ingericht dat men de toeschouwers kan kanaliseren, zodat een effectieve controle van de tickets en een oppervlakkige controle zoals bedoeld in artikel 13 van de wet, mogelijk worden gemaakt. 2. Binneninrichting van de stadions 2.1. De gebouwen waartoe de toeschouwers geen toegang hebben, moeten duidelijk als zodanig aangegeven zijn.

De technische uitrustingen worden beschermd tegen beklimming en vernieling door het werpen van voorwerpen. 2.2. Binnenomheining 2.2.1. Een scheiding, die het betreden van het speelveld door de toeschouwers belet, moet worden geïnstalleerd. 2.2.2. Deze scheiding kan worden gerealiseerd door elk middel dat een efficiënte scheiding garandeert. 2.2.3. Voor de nationale en internationale voetbalwedstrijden, moeten volgende voorschriften worden gerespecteerd, in functie van de gebruikte middelen : - draadomheining of transparant scherm : - hoogte van 2.40 m ten opzichte van het terrein - weerstand, gemeten op 1.20 m : H = 5kN / m ten minste - Verhoogde zittribune : 2 m 40 met inbegrip van de borstwering van 1 m10 - greppel : breedte van 1 m50 en diepte van 2 m vanaf de grond.

Daarenboven moet een borstwering van 1,10 m voorzien worden. - versperring in de breedte die een gelijkwaardige veiligheid biedt : deze versperring dient voorafgaandelijk door de Minister van Binnenlandse Zaken te worden goedgekeurd. 2.2.4. Indien de omheining bestaat uit een draadomheining of een transparant scherm hoger dan 1 m 20, zijn nooduitgangen naar het terrein toe verplicht. Er moet minstens één uitgang per compartiment en drie per zijde zijn.

Bij een capaciteit van de installaties van minder dan 2000 toeschouwers per zijde en voor zover deze niet gecompartimenteerd is, zijn 2 uitgangen per zijde voldoende.

De minimale doorgangsbreedte ervan moet 2 m zijn.

De deuren dienen tot op het niveau van het terrein te reiken en hebben een draairichting naar het terrein toe. Eventuele niveauverschillen worden gelijkmatig uitgewerkt. De omtrekken van deze nooduitgangen zijn in een contrasterende kleur aangeduid.

Het openingssysteem moet steeds onmiddellijk bruikbaar zijn, zelfs als druk op de deuren wordt uitgeoefend. Het sluitingsmechanisme moet van het « container » type zijn, dat onmiddellijk ontgrendeld kan worden door een eenvoudig manoeuvre zonder gevaar voor degene die het uitvoert. Vergrendeling met sleutel of ketting is niet aanvaardbaar.

De omgeving van de deuren is vrij van hindernissen. De deuren mogen slechts vanuit de terreinzijde kunnen geopend worden. 2.2.5. indien de omheining bestaat uit een ander systeem, moet in elke tribune minstens één toegang tot de speelruimte voorzien worden voor de hulp- en ordediensten. 2.2.6. Met deze uitgangen wordt geen rekening gehouden bij de berekening van de totale nuttige breedte van de uitgangen van het stadion. 3. Circulatie en evacuatie van de toeschouwers 3.1. § 1. Alle aan de toeschouwers voorbehouden ingangen mogen enkel hiervoor worden gebruikt en mogen niet tegelijkertijd als uitgang dienen. § 2. Deuren, poorten en hekken, welke zich in de evacuatiewegen bevinden, draaien in de vluchtrichting of in beide richtingen zonder de nuttige breedte ervan te verminderen; in open stand mogen ze geen hindernis vormen voor een andere doorgang.

Schuifdeuren en luiken zijn verboden. § 3. Geen enkel verkooppunt mag de doorgang belemmeren in de trappen en evacuatiewegen, noch de nuttige breedte ervan verminderen.

Op de plaats van de uitgangen mag zich geen enkele hindernis bevinden. 3.2. aantal uitgangen : tribunes en tribunegedeelten met compartimenten moeten minstens over 2 afzonderlijke uitgangen beschikken die toegang geven tot een evacuatieweg buiten of onder de tribune.

Geen enkele toeschouwer mag zich bevinden op meer dan 30 m van een uitgang. 3.3. § 1. Dimensionering : de breedte van trappen, doorgangen en toegangen bedraagt minstens 1,20 m. De totale nuttige breedte van de uitgangen en de trappen dient berekend conform de bepalingen van artikel 52.5.4 van het A.R.A.B.; bovendien dient rekening gehouden met de volgende reductiefactoren : - voor de bestaande tribunes en de bestendig verluchte evacuatiewegen onder deze tribunes op het moment van de inwerkingtreding van dit koninklijk besluit : reductiefactor 5. - voor de nieuwe tribunes en de bestendig verluchte evacuatiewegen onder deze tribunes : reductiefactor 3. § 2. de trappen en hun overlopen moeten langs beide zijden voorzien zijn van een veilig aangehechte leuning of handgreep op een minimumhoogte van 0,75 m. Op elk punt waar er risico tot vallen bestaat, moet een leuning voorzien zijn van min. 1.10 m hoogte.

De trappen breder dan 2,40 m moeten door één of meerdere handgrepen in verscheidene delen gescheiden worden. De traparmen moeten recht zijn en maximum 17 treden tellen.

De leuningen en handgrepen moeten op een dergelijke manier ontworpen zijn dat zij geen scherpe hoeken, kanten of uitsteeksels vertonen. § 3. De aantrede van de treden moet minstens 25 cm bedragen; de optrede maximaal 20cm.

Voor de nieuwe installaties mag de hellingshoek maximaal 26°30' bedragen. § 4. In afwijking van § 1 kan voor de bestaande constructies de minimumbreedte van de circulatiezone op de gradins (galerijen en geïntegreerde trappen) 80 cm bedragen i.p.v. 1,20m. Zijdelings zijn geen borstweringen of leuningen vereist. § 5. Bij de berekening van de totale nuttige breedte van de evacuatiewegen mag enkel rekening worden gehouden met de uitgangen van 1,20 m breed. De uitgangen in de binnenomheining moeten buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening.

Indien de voorgeschreven evacuatienorm niet bereikt kan worden, dient de toeschouwerscapaciteit beperkt te worden voor het betrokken deel.

Indien verscheidene uitgangen op één enkel gangpad uitgeven, moet dit laatste even breed zijn als de minimale som van de evacuatienormen, voorgeschreven per uitgang die erop uitgeeft.

Indien de evacuatiewegen versmallen, tussen trappen en horizontale circulatiezones, moet de overgang over een voldoende afstand gebeuren om opstoppingen te voorkomen. 4. Tribunes en rijen (gradins) 4.1. De theoretische capaciteit van het stadion of van zijn elementen wordt afgeleid door de som te maken van het aantal toegelaten personen in de verschillende gedeelten van de inrichtingen die voor het publiek toegankelijk zijn. Het aantal toegelaten personen wordt bepaald door : - het aantal personen op de zitplaatsen; - het aantal personen op de zitbanken naar rata van 1 persoon per 0,50 m; - het aantal personen op de staantribunes naar rata van 47 personen per 10 m2; - het aantal personen op de staanplaatsen op hetzelfde horizontaal niveau naar rata van 2 personen per lopende meter met een maximum van 2 rijen.

De capaciteit van de evacuatiewegen wordt anderzijds berekend volgens de regels opgenomen in punt 3 van deze bijlage.

Het strengste van de 2 voorgaande is bepalend. 4.2. Zittribunes : 4.2.1. Het aantal zitplaatsen op één rij mag maximaal 40 bedragen tussen 2 doorgangen, of 20 wanneer er slechts aan één zijde doorgang is. 4.2.2 Alle zitjes moeten zonder of met zeer lage (= maximaal 15 cm gemeten vanop het beton) rugleuning zijn, met uitzondering van de zones die aldus worden bepaald in de overeenkomst bedoeld in artikel 5 van de wet. Zij moeten wat betreft de reactie bij brand voldoen aan de beproevingsmethode beschreven in bijlage 2 van dit besluit. Er moeten minimum drie verankeringspunten worden voorzien. 4.2.3. Het gebruik van losse stoelen of banken is niet toegelaten. 4.2.4. De afstand tussen 2 rijen zitjes moet minstens 70 cm bedragen, minstens 30 cm daarvan moeten zich bevinden tussen de zitjes. 4.3. Staantribunes : 4.3.1 De toeschouwersbewegingen naar voren worden verhinderd door een voldoende aantal en voldoende stevige drangleuningen. Een minimale doorlopende lengte van 2 m is vereist en de openingen ertussen moeten minstens 0,80 m en max. 1,80 m zijn. De hoogte van de drangleuning boven de neus van de trap die zich onmiddellijk achter de leuning bevindt, moet minimaal 1 m en maximaal 1,20 m bedragen. De drangleuningen moeten weerstaan aan een horizontale kracht die afhankelijk is van de helling van de tribune en de horizontale afstand tussen de drangleuningen, volgens de volgende tabel : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 4.3.2 Indien de bestaande drangleuningen in bestaande installaties niet kunnen weerstaan aan de kracht vereist in bovenstaande tabel dient het maximum aantal toegelaten toeschouwers in de betrokken staantribune beperkt te worden in evenredigheid met de bestaande weerstand van de drangleuningen : Max. aantal toeschouwers = max. capaciteit (art 1 § 2) xbestaande weerstand/vereiste kracht 4.3.3. Voor de nieuwe installaties moeten de gradins met staanplaatsen een diepte hebben tussen 35 en 40 cm en de hoogte van de optreden moet tussen 15 en 20 cm zijn. Deze hoogte kan men optrekken tot 25 cm voor de bovenste rijen. 4.4. Brandweerstand : - Voor bestaande constructies is geen specifieke brandweerstand vereist voor tribunes waaronder zich geen lokalen bevinden. Onder dergelijke tribunes mogen zich geen brandbare materialen bevinden. - Voor nieuwe constructies of indien lokalen of bergplaatsen zich onder de bestaande tribunes bevinden, moet een afscheiding voorzien worden met bouwelementen met een rf 1h. 4.5. Compartimentering : 4.5.1. Voor de nationale en internationale voetbalwedstrijden moet er een compartimentering worden doorgevoerd die het aantal aanwezige toeschouwers beperkt tot maximum 3000 per compartiment. De compartimenten moeten met een bepaalde referentie aangeduid worden. 4.5.2. Voor de nationale en internationale voetbalwedstrijden moet elk compartiment over sanitaire installaties en mogelijkheden tot opfrissen beschikken. Indien gemeenschappelijke installaties worden voorzien voor 2 compartimenten, mag het slechts gaan om compartimenten die enkel toegankelijk zijn voor de supporters van éénzelfde ploeg. 4.5.3. Het ontwerp van de scheidingen moet weerstaan aan een mogelijke belasting volgens NBN B 03-103. 4.5.4. Voor de nationale en internationale voetbalwedstrijden moet een onoverschrijdbare scheiding geplaatst worden tussen de rivaliserende supporters. 5. Aangrenzende lokalen 5.1. Algemeen : 5.1.1. Volgende installaties en uitrustingen moeten in aparte lokalen worden ingericht : - stookplaatsen en hun aanhorigheden - gastellers en / of gasreduceerinrichtingen - transformatieposten - opslagplaatsen voor brandbare en ontvlambare materialen - keukens en hun aanhorigheden Deze lokalen moeten afgescheiden worden van de overige lokalen, van de toeschouwersplaatsen en van de doorgangen of evacuatiewegen, door middel van wanden met Rf 1h, en zelfsluitende deuren Rf 1/2h. 5.1.2. Tijdelijke installaties moeten stevig verankerd zijn in de grond. 5.2. Kraampjes : 5.2.1. De verkooppunten zijn verboden op de tribunes, zijde gradins.

Onder de tribunes zijn verkooppunten zonder warmtebron toegelaten.

Verkoopunten met warmtebron zijn onder tribunes enkel toegelaten indien zij afgescheiden worden met bouwelementen met Rf 1h en zelfsluitende deuren met een Rf 1/2h. 5.2.2. De verplaatsbare verkooppunten met warmtebron of met motorvoertuig moeten zich in openlucht en op minstens 8 meter van de tribunes en andere installaties van het stadion bevinden. 5.3. Sanitaire installaties : 5.3.1. Voor elk compartiment van het stadion waar nationale en internationale voetbalwedstrijden worden gespeeld, moeten sanitaire installaties voor dames en heren worden voorzien; deze moeten makkelijk toegankelijk en duidelijk aangeduid zijn. 5.3.2. Per 1000 toeschouwers moet men voorzien : Heren : - 2 WC dames : - 3 WC - 6 urinoirs - 1 lavabo - 1 lavabo De installaties moeten eenvoudig, stevig en makkelijk te onderhouden zijn, en mogen geen enkel makkelijk te demonteren element bevatten. 5.4. Kantines, Buffetten en loges : - Voor de stadions waar nationale en/ of internationale voetbalwedstrijden worden gespeeld mogen de nieuwe kantines of cafetaria's geen rechtstreeks zicht bieden op het speelveld, behalve wanneer het om loges of privé-salons gaat. - Voor de nieuwe constructies moeten de loges of privé-salons zo worden ingericht dat de toeschouwers op de tribunes er niet rechtstreeks kunnen binnenkijken. 5.5. Commandolokaal : 5.5.1. Voor de nationale en internationale voetbalwedstrijden moeten de stadions beschikken over een commandolokaal.

De oppervlakte van dit lokaal bedraagt minimaal 3 m2 per persoon die zich tijdens de voetbalwedstrijd in dit lokaal moet bevinden, zoals bepaald in de overeenkomst bedoeld in artikel 5 van de wet. 5.5.2. Dit lokaal moet beantwoorden aan volgende vereisten : - het lokaal moet over voldoende verwarmings- en ventilatiemogelijkheden beschikken; de nodige telefoonlijnen moeten aanwezig zijn; - de toegang en de evacuatie zijn gegarandeerd; - het lokaal moet de observatie van de toeschouwers mogelijk maken.

Het moet afgesloten kunnen worden en bestand zijn tegen agressie van buitenaf. De ruiten moeten onbreekbaar zijn; - het lokaal beschikt over de nodige apparatuur om de camera's te monitoriseren en opnames te realiseren.

Er dient een prioritaire en rechtstreekse toegang tot de omroepinstallaties en het scorebord voorzien te worden, om berichten en richtlijnen aan de toeschouwers te kunnen verspreiden.

Radiocommunicatie tussen de politiediensten, het personeel van het stadion, de organisatoren en de veiligheidsafgevaardigde moet mogelijk zijn.

De inrichting en de voorziene communicatiemiddelen zullen worden vastgelegd in de overeenkomst bedoeld in artikel 5 van de wet. 5.6 Lokaal voor voorlopige hechtenis : 5.6.1. Indien men gebruik maakt van lokalen voor voorlopige hechtenis, moet hier ook het principe van de scheiding van rivaliserende supporters toegepast worden.

Het tijdelijk gebruik van niet-specifieke lokalen wordt toegelaten. 5.7. E.H.B.O.-lokaal : 5.7.1. Voor de nationale en internationale voetbalwedstrijden moeten de stadions minstens beschikken over een E.H.B.O.-lokaal, afzonderlijk van het lokaal bestemd voor de spelers.

Dit lokaal moet duidelijk aangewezen zijn.

Het lokaal moet toegankelijk zijn voor gehandicapten en zich bevinden buiten de evacuatiewegen voor het publiek. 5.7.2. De oppervlakte wordt bepaald in verhouding tot de veiligheidscapaciteit van het publiek. 5.7.3. De E.H.B.O.-lokalen bestemd voor het publiek moeten minstens beantwoorden aan volgende vereisten : - aanwezigheid van telefoonlijnen, water en elektriciteit; - zich op het gelijkvloers bevinden; - voldoende brede ingang om vervoer per brancard toe te laten en onderscheiden van de uitgang; - voor een snelle evacuatie : stationeerzone in de buurt voor de ambulances; - op voldoende wijze verlicht zijn. 5.8. Installaties voor de media : De installaties bestemd voor gebruik door de media mogen in geen enkel geval afwijken van de veiligheidsvoorwaarden die voor de algemene installaties gelden. Ze mogen in geen geval een belemmering vormen voor de acties van de veiligheids- en de ordediensten. 5.9. Collectieve keukens : Collectieve keukens moeten van de andere delen van het gebouw worden gescheiden d.m.v. wanden met Rf 1 h. en door zelfsluitende deuren met Rf 1/2h. 5.10. Stookplaatsen : De stookplaatsen mogen enkel voor dit doel gebruikt worden. Ze moeten voorzien zijn van een voldoende verluchting. De schoorstenen en rookkanalen moeten geconstrueerd zijn met niet-brandbare materialen en moeten behoorlijk onderhouden zijn. 5.11. Technische uitrustingen : De exploitant dient erop toe te zien dat de technische apparatuur steeds in goede staat verkeert. Onverminderd de voorgeschreven reglementaire controles moet het materiaal bestemd voor brandbestrijding, waarschuwing en alarm, de schoorstenen en de rookkanalen, de afzuigkanalen voor verbrandingsgassen en keukendampen, de elektrische installaties, de gas-en de verwarmingsinstallaties minstens éénmaal per jaar gecontroleerd worden. De data van deze controles en de vaststellingen die in de loop van deze controles worden gedaan, worden ingeschreven in een notitieboekje dat ter beschikking wordt gehouden van de burgemeester. 6. Signalisatie 6.1. Op goed gekozen strategische plaatsen, binnen en buiten het stadion, moeten op duidelijke wijze plannen, verstaanbaar ongeacht de taal van de toeschouwer, worden aangebracht, die de onmiddellijke omgeving, de parkings en de diverse onderverdelingen van het stadion weergeven. 6.2. In het stadion dienen de nodige aanduidingen en pictogrammen te worden aangebracht om de toeschouwers te leiden. 6.3. De verschillende installatiedelen en compartimenten van het stadion worden aangeduid met namen of bepaalde referenties. De bewegwijzering naar deze installatiedelen gebeurt d.m.v. deze namen of referenties. 6.4. De grootte van de pictogrammen, letters en cijfers wordt berekend overeenkomstig volgende formule : H =L/200 waarbij H de hoogte van het teken is en L de grootste afstand vanwaar het teken moet kunnen gelezen worden H mag in geen geval kleiner zijn dan - 0,2 m voor geisoleerde tekens; - 0,1m voor woorden; - 0,005 m voor de woorden in de tekst van het reglement waarvan sprake in punt 1.7, eerste lid; - 0,05 m voor de woorden in de tekst waarvan sprake in punt 1.7, tweede lid. 6.5. De signalisatie moet in perfecte overeenstemming zijn met de aanduidingen gegeven op het toegangsbewijs. 7. Berichten bestemd voor het publiek 7.1. Voor de nationale en internationale voetbalwedstrijden moet er een geluidsinstallatie worden geïnstalleerd, die de berichten overal duidelijk hoorbaar kan verspreiden, zelfs wanneer het publiek bijzonder luidruchtig is, met inbegrip van de onmiddellijke omgeving van de in-en uitgangen en met de mogelijkheid per zone om te roepen. 8. Electrische installaties 8.1. Onverminderd de voorschriften van het Algemeen Reglement voor Elektrische Installaties, moeten de elektrische uitrustingen en installaties voldoen aan de geldende voorschriften, normen en regels.

De gelijkvormigheid dient het voorwerp uit te maken van een keuringsattest afgeleverd door een erkend organisme. De data en de controles van deze attesten worden ingeschreven in een notitieboekje dat ter beschikking wordt gehouden van de plaatselijke brandweerdiensten. 8.2. Een kunstmatige verlichting moet aangebracht worden in de gedeelten toegankelijk voor het publiek waar de natuurlijke verlichting onvoldoende is voor normale doorgang en voor evacuatie.

Indien avondmanifestaties plaatshebben, dient er voldoende verlichting in en rond het stadion, in de tribunes, alsook in de trappen, doorgangen en evacuatiewegen aanwezig te zijn. De verlichting moet voldoende zijn om de identificatie van de aanwezigen, op eender welke plaats, mogelijk te maken. 8.3. Een veiligheidsverlichting moet aangebracht worden in alle gedeelten voorzien van een kunstmatige verlichting. Zodra de normale elektrische voeding van de kunstmatige verlichting en van de elektrische veiligheidsuitrustingen uitvalt, moet een hulpbron, met een autonomie van minstens één uur, automatisch en onmiddellijk in werking gesteld worden. 8.4. De elektrische netten voor de waarschuwing en het alarm moeten verschillend zijn. 9. Gasinstallaties 9.1. De opslag in vaste, niet gekoelde houders, van vloeibaar gemaakte propaan-of butaangassen of hun mengsels, de installaties voor verbrandingsgassen moeten voldoen aan de geldende voorschriften. Hun gelijkvormigheid dient het voorwerp uit te maken van een keuringsattest afgeleverd door een erkend organisme. De controledata en de attesten worden ingeschreven in een notitieboekje dat ter beschikking van de plaatselijke brandweerdiensten wordt gehouden.

Speciale aandacht zal besteed worden aan de aanvoer van verse lucht en de afvoer van verbrandingsgassen. 9.2. De aanwezigheid of het gebruik van verplaatsbare recipiënten van gas en petroleum is verboden onder en nabij de tribunes. De verplaatsbare recipiënten van gas moeten opgeslagen worden in plaatsen die speciaal daartoe bestemd zijn. 9.3. De totale inhoud van de recipiënten van gas wordt beperkt tot 100 l per verkooppunt. De leidingen moeten uit metaal zijn en alle apparatuur dient zich steeds in goede staat te bevinden. De dichtheid van de installatie wordt jaarlijks nagekeken. 10. Algemeen onderhoud van het stadion 10.1. Het algemeen onderhoud van het stadion omvat minstens : 1° het verwijderen, voor en na de wedstrijd, van alle soorten afval, van bruikbare projectielen en van alle gevaarlijke voorwerpen binnen het bereik van de toeschouwers.2° een grondige schoonmaak van de tribunes en van de staanplaatsen en de vervanging van alle beschadigde voorwerpen en materieel.De voor de vervanging gebruikte materialen zijn van klasse A2 (NBN S -21-203). 3° een regelmatige herschildering van de metalen geraamten en structuren en het ijzerwerk.4° de gaten, voegen en openingen in de treden of onder de zitplaatsen moeten gedicht worden. 11. Brandpreventie 11.1. De exploitant van een stadion neemt de nodige maatregelen om brand te voorkomen en elk begin van brand doeltreffend te bestrijden.

In geval van brand zal hij waarschuwen en eventueel alarm slaan, verzekert hij de veiligheid van de personen en indien nodig hun evacuatie. 11.2. - Onder waarschuwing moet verstaan worden : de inlichting gegeven aan bepaalde personen (verantwoordelijke van de club, de veiligheidsafgevaardigde, politie-en hulpdiensten) van het bestaan van een begin van brand of van een gevaar. - Onder alarm moet verstaan worden de verwittiging gegeven aan het geheel van de personen, die op een bepaalde plaats verblijven, om deze plaats te ontruimen. 11.3. De waarschuwings- en alarmposten moeten voldoende in aantal zijn, gemakkelijk bereikbaar, in goede staat van werking en onderhoud verkeren, oordeelkundig verdeeld en doeltreffend aangeduid. 11.4. De waarschuwings- en alarmsignalen mogen geen verwarring kunnen stichten met elkaar of met andere signalen. De alarmsignalen moeten door de belanghebbenden kunnen waargenomen worden. De elektrische netten voor de waarschuwing en het alarm moeten verschillend zijn. 11.5. De bevoegde brandweerdienst moet worden gewaarschuwd telkens er een begin van brand is. Indien deze waarschuwing gebeurt door een gezichts- of geluidsignaal, wordt ze per telefoon bevestigd. 11.6. Het aantal, de aard en de plaats van de blusmiddelen worden bepaald in overleg met de territoriaal bevoegde brandweerdienst, rekening houdend met de grootte en het brandgevaar van de gebouwen en installaties.

Bijlage 2 bij het koninklijk besluit houdende de normen aangaande de bescherming van de toeschouwers : beproevingsmethode om te bepalen of een tribunestoeltje al dan niet als brandgevaarlijk moet worden beschouwd. 1. De beproevingsmethode is van toepassing op zogenaamde vaste kuipstoeltjes zoals gebruikt in toeschouwersaccomodaties in stadions. De methode is aangepast aan de te verwachten situaties op voetbaltribunes. Ze bestaat uit een drietal proeven waarbij de volgende uitgangspunten gelden : a. een stoeltje mag niet in brand geraken door een achteloos weggeworpen brandende lucifer of nog smeulende sigaret of andere rokerswaar. b. een stoeltje mag bij een opzettelijke poging tot in brand steken met kleine warmtebronnen (lucifers, aanstekers, edm.) niet in brand te steken zijn. c. als een of meer stoeltjes om wat voor reden dan toch in brand zijn geraakt, mogen de naast gelegen stoeltjes niet mee gaan branden. De stoeltjes moeten op een zelfde manier op een ondersteuningsconstructie worden bevestigd als in de praktijk. Bij plaatsing van meerdere stoeltjes op een rij en in meerdere rijen achter elkaar dienen de in de praktijk te hanteren onderlinge afstanden te worden aangehouden.

Als ontstekingsbronnen kunnen gebruikt worden - een smeulende sigaret - een butaanbrander - houtkrib Een stoel wordt als niet brandgevaarlijk gekwalificeerd wanneer : a. geen smeulen of branden buiten het contactvlak met de sigaret wordt geconstateerd en b.de stoel niet verder smeult of brandt na het verwijderen van de butaanbrander en c. de naast gelegen stoelen niet gaan smeulen of branden binnen een uur na het ontsteken van de houtkribben In alle andere gevallen moet een stoel als brandgevaarlijk worden gekwalificeerd. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 2 juni 1999.

ALBERT Van Koningswege : L. VAN DEN BOSSCHE

^