← Terug naar "Uittreksel uit arrest nr. 134/2004 van 22 juli 2004 Rolnummer 2784 In zake :
de prejudiciële vraag betreffende artikel 10, tweede lid, van de wet van 24 december 1996 betreffende
de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeen Het Arbitragehof, samengesteld
uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters R. Henn(...)"
Uittreksel uit arrest nr. 134/2004 van 22 juli 2004 Rolnummer 2784 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 10, tweede lid, van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeen Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters R. Henn(...) | Extrait de l'arrêt n° 134/2004 du 22 juillet 2004 Numéro du rôle : 2784 En cause : la question préjudicielle concernant l'article 10, alinéa 2, de la loi du 24 décembre 1996 relative à l'établissement et au recouvrement des taxes provinc La Cour d'arbitrage, composée des présidents M. Melchior et A. Arts, et des juges R. Henneuse, M(...) |
---|---|
ARBITRAGEHOF | COUR D'ARBITRAGE |
Uittreksel uit arrest nr. 134/2004 van 22 juli 2004 | Extrait de l'arrêt n° 134/2004 du 22 juillet 2004 |
Rolnummer 2784 | Numéro du rôle : 2784 |
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 10, tweede lid, | En cause : la question préjudicielle concernant l'article 10, alinéa |
van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de | 2, de la loi du 24 décembre 1996 relative à l'établissement et au |
invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, zoals gewijzigd | recouvrement des taxes provinciales et communales, tel qu'il a été |
bij de wet van 15 maart 1999, gesteld door het Hof van Beroep te Luik. | modifié par la loi du 15 mars 1999, posée par la Cour d'appel de Liège. |
Het Arbitragehof, | La Cour d'arbitrage, |
samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en A. Arts, en de rechters | composée des présidents M. Melchior et A. Arts, et des juges R. |
R. Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, J.-P. Moerman en J. Spreutels, | Henneuse, M. Bossuyt, E. De Groot, J.-P. Moerman et J. Spreutels, |
bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van | assistée du greffier P.-Y. Dutilleux, présidée par le président M. |
voorzitter M. Melchior, | Melchior, |
wijst na beraad het volgende arrest : | après en avoir délibéré, rend l'arrêt suivant : |
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging | I. Objet de la question préjudicielle et procédure |
Bij arrest van 12 september 2003 in zake de gemeente Dalhem tegen de | Par arrêt du 12 septembre 2003 en cause de la commune de Dalhem contre |
n.v. Belgacom Mobile, waarvan de expeditie ter griffie van het | la s.a. Belgacom Mobile, dont l'expédition est parvenue au greffe de |
Arbitragehof is ingekomen op 18 september 2003, heeft het Hof van | la Cour d'arbitrage le 18 septembre 2003, la Cour d'appel de Liège a |
Beroep te Luik de volgende prejudiciële vraag gesteld : | posé la question préjudicielle suivante : |
« Is artikel 10, tweede lid, van de wet van 24 december 1996, | « L'article 10, alinéa 2, de la loi du 24 décembre 1996, tel que |
gewijzigd bij artikel 92 van de wet van 15 maart 1999, en in die zin | modifié par l'article 92 de la loi du 15 mars 1999, et tel |
geïnterpreteerd dat het een vermoeden van gegrondheid van het | qu'interprété comme instituant une présomption de fondement de la |
aanvankelijk bezwaar instelt, indien en wanneer bij de rechtbank van | réclamation initiale si et quand le tribunal de première instance est |
eerste aanleg een fiscaal beroep aanhangig wordt gemaakt zonder dat | saisi d'un recours fiscal sans que la réclamation initiale ait été |
het initieel bezwaar beslecht is, in strijd met de artikelen 10, 11 en | tranchée, est-il contraire aux articles 10, 11 et 172 de la |
172 van de gecoördineerde Grondwet, afzonderlijk of in samenhang | Constitution coordonnée, lus séparément ou conjointement, en ce que, |
gelezen, doordat, enerzijds, dat vermoeden enkel van toepassing is op | d'une part, cette présomption ne s'applique qu'aux dispositions |
de gemeentelijke of provinciale bepalingen en niet op de | communales ou provinciales et non aux impôts d'Etat, alors que, |
rijksbelastingen, terwijl, anderzijds, het een verschil in behandeling | |
teweegbrengt tussen de belastingheffende overheid en de | d'autre part, elle crée une différence de traitement entre l'autorité |
belastingschuldige ? » | taxatrice et le redevable de la taxe ? » |
(...) | (...) |
III. In rechte | III. En droit |
(...) | (...) |
B.1. De verwijzende rechter vraagt het Hof naar de bestaanbaarheid met | B.1. Le juge a quo interroge la Cour sur la compatibilité, avec les |
de artikelen 10 en 11, al dan niet in samenhang gelezen met artikel | articles 10 et 11, lus séparément ou conjointement avec l'article 172, |
172, van de Grondwet, van artikel 10, tweede lid, van de wet van 24 | de la Constitution, de l'article 10, alinéa 2, de la loi du 24 |
december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen, zoals gewijzigd bij artikel 92 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen. Volgens de verwijzende rechter zou de voormelde bepaling, zo geïnterpreteerd dat ze een vermoeden van gegrondheid instelt van het aanvankelijke bezwaar dat door een belastingplichtige tegen een gemeentebelasting is ingediend, wanneer het college van burgemeester en schepenen geen uitspraak heeft gedaan over dat bezwaar en bij de rechtbank een fiscaal beroep aanhanig is gemaakt, een verschil in behandeling in het leven roepen, enerzijds, tussen de gemeente en de Staat, aangezien hetzelfde vermoeden niet van toepassing is op de rijksbelastingen en, anderzijds, tussen de belastingheffende overheid en de belastingschuldige, aangezien eerstgenoemde het vermoeden ondergaat dat ten voordele van laatstgenoemde is vastgesteld. | décembre 1996 relative à l'établissement et au recouvrement des taxes provinciales et communales, modifié par l'article 92 de la loi du 15 mars 1999 relative au contentieux en matière fiscale. Selon le juge a quo, la disposition précitée, interprétée comme instituant une présomption de fondement de la réclamation initiale introduite par un contribuable contre une taxe communale, lorsque le collège des bourgmestre et échevins n'a pas statué sur cette réclamation et que le tribunal est saisi d'un recours fiscal, établirait une différence de traitement, d'une part, entre la commune et l'Etat, dès lors que la même présomption ne s'applique pas aux impôts d'Etat et, d'autre part, entre l'autorité taxatrice et le redevable de la taxe, dès lors que la première subit la présomption établie en faveur du second. |
B.2. De in het geding zijnde bepaling luidt : | B.2. La disposition en cause énonce : |
« Art. 10.La décision prise par une des autorités [le gouverneur ou |
|
« Art. 10.Tegen de beslissing genomen door de in artikel 9 bedoelde |
le collège des bourgmestre et échevins] visées à l'article 9 peut |
overheden [de gouverneur of het college van burgemeester en schepenen] | |
kan beroep ingesteld worden bij de rechtbank van eerste aanleg van het | faire l'objet d'un recours devant le tribunal de première instance |
rechtsgebied waarin de belasting gevestigd werd. | dans le ressort duquel la taxe a été établie. |
Bij ontstentenis van beslissing wordt het bezwaar geacht gegrond te | A défaut de décision, la réclamation est réputée fondée. Les articles |
zijn. De artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk | 1385decies et 1385undecies du Code judiciaire sont applicables. |
Wetboek zijn van toepassing. | |
Tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg kan verzet of | Le jugement du tribunal de première instance est susceptible |
beroep ingesteld worden. | d'opposition ou d'appel. |
Tegen het arrest van het Hof van Beroep kan voorziening in cassatie | L'arrêt de la cour d'appel peut faire l'objet d'un pourvoi en |
ingesteld worden. » | cassation. » |
De artikelen 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek bepalen : | Les articles 1385decies et 1385undecies du Code judiciaire prévoient : |
« Art. 1385decies.Tegen de belastingadministratie wordt de vordering |
« Art. 1385decies.Contre l'administration fiscale, et dans les |
inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, | contestations visées à l'article 569, alinéa 1er, 32°, la demande est |
ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak. | introduite par requête contradictoire. |
Titel Vbis van boek II van het vierde deel, met uitzondering van | Le Titre Vbis du livre II de la quatrième partie est d'application, à |
artikel 1034ter, 3°, en artikel 1034quater, is van toepassing. | l'exception des articles 1034ter, 3°, et 1034quater. |
Op straffe van nietigheid wordt bij elk exemplaar van het | Une copie de la décision contestée doit être jointe à chaque |
verzoekschrift of van de dagvaarding een afschrift van de bestreden | exemplaire de la requête ou de la citation, à peine de nullité. |
beslissing gevoegd. | |
Wanneer een voorafgaand administratief beroep wordt georganiseerd door | Lorsqu'un recours administratif préalable est organisé par ou en vertu |
of krachtens de wet en de administratieve overheid nog geen beslissing | de la loi et que l'autorité administrative n'a pas encore pris de |
heeft genomen, moet, in afwijking van het derde lid, een afschrift van | décision, une copie du recours administratif et de l'accusé de |
het administratief beroep en van de ontvangstmelding van dit beroep | réception de ce recours doivent, par dérogation à l'alinéa 3, être |
worden bijgevoegd. | joints. |
Art. 1385undecies.Tegen de belastingadministratie wordt de vordering |
Art. 1385undecies.Contre l'administration fiscale, et dans les |
inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts | contestations visées à l'article 569, alinéa 1er, 32°, l'action n'est |
toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de | admise que si le demandeur a introduit préalablement le recours |
wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld. | administratif organisé par ou en vertu de la loi. |
De vordering wordt ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum | L'action est introduite au plus tôt six mois après la date de |
van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen | réception du recours administratif au cas où ce recours n'a pas fait |
uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een | l'objet d'une décision et, à peine de déchéance, au plus tard dans un |
termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met | délai de trois mois à partir de la notification de la décision |
betrekking tot het administratief verhaal. | relative au recours administratif. |
De in het tweede lid bedoelde termijn van zes maanden wordt met drie | Le délai de six mois visé à l'alinéa 2 est prolongé de trois mois |
maanden verlengd wanneer de betwiste aanslag van ambtswege door de | lorsque l'imposition contestée a été établie d'office par |
administratie is gevestigd. » | l'administration. » |
B.3.1. Artikel 366 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, | B.3.1. L'article 366 du Code des impôts sur les revenus 1992, modifié |
zoals gewijzigd bij artikel 24 van de wet van 23 maart 1999 | par l'article 24 de la loi du 23 mars 1999 relative à l'organisation |
betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalt dat | judiciaire en matière fiscale, prévoit que le redevable peut |
de belastingschuldige tegen de op zijn naam gevestigde aanslag bezwaar | introduire auprès du directeur des contributions une réclamation |
kan indienen bij de directeur der belastingen. Er is niet voorzien in | contre la cotisation établie à son nom. Il n'est pas fixé de délai |
een bindende termijn waarbinnen de directeur zijn beslissing over het | obligatoire dans lequel le directeur doit statuer sur la réclamation |
bezwaarschrift moet nemen noch in een sanctie voor het uitblijven van | ni prévu de sanction pour l'absence d'une telle décision. L'article |
een dergelijke beslissing. Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk | 1385undecies du Code judiciaire indique toutefois que le redevable ne |
Wetboek bepaalt echter dat de belastingschuldige slechts een vordering | peut introduire une action auprès du tribunal de première instance |
voor de rechtbank van eerste aanleg vermag in te stellen ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dat beroep geen uitspraak is gedaan. Uit de parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepalingen blijkt dat, wat de federale belastingen betreft, de wetgever niet heeft willen opteren voor een systeem waarbij het niet-beslissen binnen een bepaalde termijn zou worden gelijkgesteld met de inwilliging van het bezwaarschrift aangezien hij vreesde dat de administratie onder druk zou kunnen worden gezet om bepaalde dossiers zo traag mogelijk te behandelen (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1341/23, p. 3). Bovendien vond hij het ondenkbaar dat een uitvoerbare | qu'au plus tôt six mois après la date de réception du recours administratif s'il n'a pas été statué sur ce recours. Il ressort des travaux préparatoires des dispositions en cause qu'en ce qui concerne les impôts fédéraux, le législateur n'a pas entendu opter pour un système dans lequel l'absence de décision dans un délai déterminé était assimilée à une acceptation de la réclamation, redoutant que des pressions puissent être exercées sur l'administration pour faire traîner certains dossiers (Doc. parl., Chambre, 1997-1998, n° 1341/23, p. 3). Il trouvait en outre inconcevable qu'un titre exécutoire de l'Etat, qui permet à celui-ci |
titel waarmee de Staat een bepaalde som kan invorderen, enkel en | de recouvrer une somme déterminée, puisse ainsi, par le seul |
alleen door het verlopen van een termijn ongedaan zou worden gemaakt | écoulement d'un délai, être annulé (Doc. parl., Chambre, 1997-1998, n° |
(Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1341/17, pp. 30-31). Op dezelfde | 1341/17, pp. 30-31). De même, le législateur n'a pas entendu assimiler |
wijze heeft de wetgever het verstrijken van de termijn niet willen | l'expiration du délai au rejet de la réclamation, de crainte que |
gelijkstellen met de verwerping van het bezwaarschrift, uit vrees dat | |
de administratie ertoe zou worden aangezet over zo weinig mogelijk | l'administration soit ainsi poussée à trancher le moins de dossiers |
dossiers een beslissing te nemen (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. | possible (Doc. parl., Chambre, 1997-1998, n° 1341/23, p. 46). Il |
1341/23, p. 46). Bovendien wenste hij aan de belastingplichtige de | souhaitait, en outre, laisser au contribuable la possibilité de |
mogelijkheid te laten om, in complexe dossiers, ook na het verstrijken | poursuivre le dialogue avec l'administration, pour des dossiers |
van de termijn van zes maanden de dialoog met de administratie voort | complexes, même après l'expiration du délai de six mois (Doc. parl., |
te zetten (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1341/23, pp. 3 en 21). | Chambre, 1997-1998, n° 1341/23, pp. 3 et 21). |
B.3.2. Inzake gemeente- en provinciebelastingen daarentegen heeft de | B.3.2. En matière d'impositions communales et provinciales, en |
wetgever het vermoeden van gegrondheid van het bezwaar gehandhaafd dat | revanche, le législateur a maintenu la présomption de fondement de la |
hij had ingevoerd bij de wet van 24 december 1996. Het ging erom de | réclamation qu'il avait instaurée par la loi du 24 décembre 1996. Il |
gemeente- en provinciebelastingen en de rijksbelastingen gelijk te | s'agissait de créer un parallélisme entre les impôts communaux et |
schakelen door een administratief beroep mogelijk te maken bij de | provinciaux, d'une part, et les impôts d'Etat, d'autre part, en |
instantie die het kohier uitvoerbaar heeft verklaard, alvorens de | instituant un recours administratif auprès de l'instance qui a rendu |
gerechtelijke procedure wordt gestart. Bovendien moest het systeem | le rôle exécutoire avant de déclencher la procédure judiciaire. Par |
bedoeld in de wet van 24 december 1996 behouden blijven, aangezien, | ailleurs, le système prévu par la loi du 24 décembre 1996 devait être |
volgens de Minister van Binnenlandse Zaken, in vergelijking met de | maintenu, les taxes communales étant, de l'avis du ministre de |
rijksbelastingen de gemeentebelastingen « technisch gezien relatief | l'Intérieur, « relativement simples voire simplistes au niveau |
tot zeer eenvoudig » zijn (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1/966/11, | technique par rapport aux impôts de l'Etat » (Doc. parl., Sénat, |
p. 206). | 1998-1999, n° 1-966/11, p. 206). |
B.3.3. Met zijn arrest nr. 114/2000, van 16 november 2000 heeft het | B.3.3. Par son arrêt n° 114/2000 du 16 novembre 2000, la Cour a |
Hof vastgesteld dat de in het geding zijnde bepaling verstoken was van | constaté que la disposition en cause était dépourvue de toute portée |
elke praktische draagwijdte, aangezien zij in geen enkele termijn | pratique dès lors qu'elle ne prévoyait aucun délai dans lequel le |
voorzag binnen welke het college van burgemeester en schepenen of de | collège des bourgmestre et échevins ou le gouverneur doivent statuer. |
gouverneur uitspraak moeten doen. Het Hof heeft tevens geoordeeld dat | La Cour a également jugé que ce délai ne pouvait non plus se déduire |
die termijn evenmin kon worden afgeleid uit de verwijzing naar artikel | du renvoi à l'article 1385undecies du Code judiciaire, puisque le |
1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, vermits de in die bepaling | délai que cette disposition fixe concerne uniquement l'intentement de |
vastgestelde termijn uitsluitend betrekking heeft op het instellen van | l'action auprès du tribunal compétent. |
de vordering bij de bevoegde rechtbank. | B.4.1. Selon le juge a quo, l'absence de portée pratique de la |
B.4.1. Volgens de verwijzende rechter zou de door het Hof in zijn | disposition, constatée par la Cour dans son arrêt, se limiterait à la |
arrest vastgestelde ontstentenis van praktische draagwijdte van de bepaling zich beperken tot de administratieve fase van de procedure, zodat in de gerechtelijke fase de rechtbank elke beoordelingsbevoegdheid zou verliezen om reden van het vermoeden van gegrondheid van het bezwaar, terwijl zulks niet het geval is wanneer bij de rechtbank een vordering in verband met een rijksbelasting aanhangig wordt gemaakt. Het Hof dient de in het geding zijnde bepaling te onderzoeken in de interpretatie die daaraan door de verwijzende rechter is gegeven. B.5.1. Te dezen ziet het Hof niet in wat zou kunnen verantwoorden dat de wetgever in de jurisdictionele fase van de fiscale procedure opteert voor een vermoeden van gegrondheid van het bezwaar wat de gemeentebelastingen betreft, terwijl hij zich blijkbaar heeft verzet tegen een identieke maatregel voor de federale belastingen en een dergelijke maatregel zelfs aanmerkt als ondenkbaar. Aldus zou het gemeentebestuur, op dezelfde wijze als het federale bestuur, voor sommige dossiers onder druk kunnen worden gezet. Ten aanzien van het feit dat het verstrijken van een termijn de gemeente een uitvoerbare titel doet verliezen waarover zij beschikte om de haar verschuldigde som in te vorderen, kan een dergelijke maatregel in de ogen van de wetgever niet aanvaardbaar worden gemaakt door de enkele omstandigheid dat de lokale belastingen vanuit technisch oogpunt een eenvoudig karakter zouden hebben. Een dergelijke maatregel doet bovendien op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van de gemeenten, waaraan ongeacht de redenen van de ontstentenis van beslissing in de administratieve fase van de procedure, elke mogelijkheid wordt ontzegd om hun verweermiddelen te doen gelden voor de rechter, aangezien laatstgenoemde zich ertoe moet beperken die ontstentenis van beslissing vast te stellen, zonder rekening te houden met de grond van de zaak. B.5.2. Aangezien het gemaakte verschil in behandeling tussen de | phase administrative de la procédure, de sorte que, dans la phase judiciaire, le tribunal perdrait tout pouvoir d'appréciation en raison de la présomption de fondement de la réclamation, tandis que tel n'est pas le cas lorsque le tribunal est saisi d'une action relative à un impôt d'Etat. La Cour est tenue d'examiner la disposition en cause dans l'interprétation que lui confère le juge a quo. B.5.1. En l'espèce, la Cour n'aperçoit pas ce qui permettrait de justifier que le législateur opte, dans la phase juridictionnelle de la procédure fiscale, pour une présomption de fondement de la réclamation en ce qui concerne les impôts communaux, alors qu'il s'est opposé à une mesure identique pour les impôts fédéraux, au point de qualifier pareille mesure d'inconcevable. Ainsi l'administration communale pourrait, de la même manière que l'administration fédérale, subir des pressions à l'égard de certains dossiers. Quant au fait que l'écoulement d'un délai fasse perdre à la commune un titre exécutoire dont elle disposait pour recouvrer la somme qui lui est due, une telle mesure ne pourrait être rendue admissible aux yeux du législateur par la seule circonstance que les impôts locaux revêtiraient un caractère simple d'un point de vue technique. Une telle mesure porte en outre atteinte, de manière disproportionnée, aux droits des communes qui se voient privées, quelles que soient les raisons de l'absence de décision dans la phase administrative de la procédure, de toute possibilité de faire valoir leurs moyens de défense devant le juge, dès lors que ce dernier doit se borner à constater cette absence de décision, sans avoir égard au fond de l'affaire. B.5.2. Dès lors que la différence de traitement établie entre les |
federale belastingen en de gemeentebelastingen verstoken is van een | impôts fédéraux et les impôts communaux est dépourvue de justification |
redelijke verantwoording en op onevenredige wijze afbreuk doet aan de | raisonnable et porte atteinte de manière disproportionnée aux droits |
rechten van de gemeenten, is artikel 10, tweede lid, van de wet van 24 | des communes, l'article 10, alinéa 2, de la loi du 24 décembre 1996 |
december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de | relative à l'établissement et au recouvrement des taxes provinciales |
provincie- en gemeentebelastingen, zoals gewijzigd bij artikel 92 van | et communales, modifié par l'article 92 de la loi du 15 mars 1999 |
de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale | relative au contentieux en matière fiscale, dans l'interprétation que |
geschillen, in de interpretatie die daaraan door de verwijzende | lui a donnée le juge a quo, n'est pas compatible avec les articles 10 |
rechter is gegeven, niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de | et 11 de la Constitution. |
Grondwet. B.6.1. Het Hof merkt echter op dat het voormelde artikel 10, tweede | B.6.1. La Cour relève toutefois que l'article 10, alinéa 2, précité |
lid, een andere interpretatie kan krijgen, waardoor het bestaanbaar | peut recevoir une autre interprétation, qui le rendrait compatible |
wordt met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. | avec le principe d'égalité et de non-discrimination. |
Uit de parlementaire voorbereiding van de betwiste bepaling blijkt | Il ressort, en effet, des travaux préparatoires de la disposition |
immers dat de bedoeling van de wetgever erin bestond, op het vlak van | incriminée que l'intention du législateur était de créer, en matière |
de jurisdictionele beroepen, een parallellisme in het leven te roepen | de recours juridictionnel, un parallélisme entre les règles |
tussen de regels die toepasselijk zijn op de rijksbeslastingen en die | applicables aux impôts d'Etat et celles qui concernent les taxes |
welke van toepassing zijn op de provincie- en gemeentebelastingen | provinciales et communales (Doc. parl., Sénat, 1998-1999, n° 1-966/11, |
(Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-966/11, pp. 198 en 199). Aangezien werd gevreesd dat het college van burgemeester en schepenen weinig geneigd zou zijn om een administratief beroep te behandelen, heeft de wetgever het college verantwoordelijk willen stellen, wanneer het in gebreke bleef uitspraak te doen over het bezwaar dat door een belastingplichtige ten aanzien van een gemeentebelasting was ingediend. Dat is de reden waarom hij opnieuw het vermoeden van gegrondheid van het bezwaar heeft ingediend bij ontstentenis van beslissing van het college van burgemeester en schepenen. B.6.2. Aangezien de wetgever het optreden van het college van burgemeester en schepenen doeltreffend heeft willen maken door de druk die op het college kon wegen indien het naliet uitspraak te doen over een bezwaar, dient te worden aangenomen dat de wetgever enkel de administratieve fase van de procedure heeft willen beogen, in het | pp. 198 et 199). Vu la crainte que le collège des bourgmestre et échevins soit peu enclin à traiter un recours administratif, le législateur a entendu engager la responsabilité de ce dernier dès lors qu'il restait en défaut de statuer sur la réclamation introduite par un contribuable à l'égard d'un impôt communal. C'est la raison pour laquelle il a réintroduit la présomption de fondement de la réclamation en l'absence de décision du collège des bourgmestre et échevins. B.6.2. Dès lors que le législateur a entendu rendre efficace l'action du collège des bourgmestre et échevins par la contrainte qui pouvait peser sur lui s'il se dispensait de statuer sur une réclamation, il doit être considéré que le législateur n'a entendu viser que la phase |
kader waarvan het Hof overigens de ontstentenis van praktische | administrative de la procédure, à l'égard de laquelle la Cour a |
draagwijdte van artikel 10, tweede lid, heeft vastgesteld (arrest nr. | d'ailleurs constaté l'absence de portée pratique de l'article 10, |
114/2000, B.27). Integendeel, door met verwijzing naar de bepalingen | alinéa 2 (arrêt n° 114/2000, B.27). En revanche, en organisant les |
van het Gerechtelijk Wetboek te voorzien in de voorwaarden voor een | conditions d'un recours auprès du tribunal de première instance par le |
beroep bij de rechtbank van eerste aanleg, heeft de wetgever niet | renvoi aux dispositions du Code judiciaire, le législateur n'a pas |
gewild aan de rechter diens beoordelingsbevoegdheid te ontzeggen door | voulu priver le juge de son pouvoir d'appréciation en lui imposant le |
seul entérinement d'une présomption que le législateur aurait lui-même | |
hem de enkele bekrachtiging op te leggen van een vermoeden dat de | préalablement fixée. La possibilité de faire opposition, d'interjeter |
wetgever zelf voorafgaandelijk zou hebben vastgesteld. De mogelijkheid | appel ou de se pourvoir en cassation, prévue à l'article 10, alinéas 3 |
om verzet aan te tekenen, in hoger beroep te gaan of voorziening in | et 4, de la loi du 24 décembre 1996 renforce ce constat. Il en résulte |
cassatie in te stellen, bedoeld in artikel 10, derde en vierde lid, | que sauf à enlever tout sens à l'existence d'un recours |
van de wet van 24 december 1996, zet die vaststelling kracht bij. Daaruit blijkt dat, op gevaar af iedere zin aan het bestaan van de jurisdictionele beroepen te ontnemen, artikel 10, tweede lid, van de wet van 26 december 1996, gewijzigd bij artikel 92 van de wet van 15 maart 1999, zo moet worden geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op de gerechtelijke fase van de rechtspleging inzake gemeentebelastingen. B.7. Aldus geïnterpreteerd stelt in het geding zijnde bepaling geen enkel verschil in behandeling in. B.8. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Om die redenen, het Hof | juridictionnel, l'article 10, alinéa 2, de la loi du 24 décembre 1996, modifié par l'article 92 de la loi du 15 mars 1999, doit être interprété comme ne s'appliquant pas à la phase judiciaire de la procédure en matière d'impôts communaux. B.7. Ainsi interprétée, la disposition en cause n'établit aucune différence de traitement. B.8. La question préjudicielle appelle une réponse négative. Par ces motifs, la Cour |
zegt voor recht : | dit pour droit : |
- Artikel 10, tweede lid, van de wet van 24 december 1996 betreffende | -L'article 10, alinéa 2, de la loi du 24 décembre 1996 relative à |
de vestiging en de invordering van de provincie- en | l'établissement et au recouvrement de taxes provinciales et |
gemeentebelastingen, zoals gewijzigd bij artikel 92 van de wet van 15 | communales, modifié par l'article 92 de la loi du 15 mars 1999 |
maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, schendt | relative au contentieux en matière fiscale, viole les articles 10 et |
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de interpretatie volgens | 11 de la Constitution dans l'interprétation selon laquelle cette |
welke die bepaling van toepassing is op de gerechtelijke fase van de | disposition s'applique à la phase judiciaire de la procédure en |
rechtspleging inzake gemeentebelastingen. | matière d'impôts communaux. |
- Geïnterpreteerd als zijnde niet van toepassing op de gerechtelijke | - La même disposition, interprétée comme ne s'appliquant pas à la |
fase van de rechtspleging inzake gemeentebelastingen schendt dezelfde | phase judiciaire de la procédure en matière d'impôts communaux, ne |
bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. | viole pas les articles 10 et 11 de la Constitution. |
Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig | Ainsi prononcé en langue française et en langue néerlandaise, |
artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het | conformément à l'article 65 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur |
Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 22 juli 2004. | la Cour d'arbitrage, à l'audience publique du 22 juillet 2004. |
De griffier, | Le greffier, |
P.-Y. Dutilleux | P.-Y. Dutilleux |
De voorzitter, | Le président, |
M. Melchior | M. Melchior |