Etaamb.openjustice.be
Decreet van 23 december 2016
gepubliceerd op 29 december 2016

Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2017

bron
vlaamse overheid
numac
2016036695
pub.
29/12/2016
prom.
23/12/2016
ELI
eli/decreet/2016/12/23/2016036695/staatsblad
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

23 DECEMBER 2016. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2017 (1)


Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt: DECREET houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2017 HOOFDSTUK 1. - Algemeen

Artikel 1.Dit decreet regelt een gemeenschaps- en gewestaangelegenheid. HOOFDSTUK 2. - Economie, Wetenschap en Innovatie Afdeling 1. - Fonds voor het Wetenschaps- en Innovatiebeleid

Art. 2.In artikel 5 van het decreet van 22 november 1995 houdende aanpassing van de begroting 1995 worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 worden de woorden "de Programmatie van het Wetenschapsbeleid" vervangen door de woorden "het Wetenschaps- en Innovatiebeleid";2° in paragraaf 2, a), worden de woorden "Administratie Programmatie van het Wetenschapsbeleid" vervangen door de woorden "het Departement EWI";3° in paragraaf 2, b), worden tussen de woorden "wetenschappelijk onderzoek" en de woorden "alsmede van publicaties over de valorisatie van het wetenschappelijk onderzoek" de woorden "en het innovatiebeleid van bedrijven en overheid" ingevoegd;4° in paragraaf 2, c), worden de woorden "de administratie Programmatie Wetenschapsbeleid" vervangen door de woorden "het Departement EWI"; 5° aan paragraaf 2 wordt een punt e) toegevoegd, dat luidt als volgt: "e) het naar 2017 over te dragen saldo beschikbaar op 31 december 2016 op de begroting van de VRWI ad 762.000 euro."; 6° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt: " § 3.De kredieten van het Fonds voor het Wetenschaps- en Innovatiebeleid worden aangewend voor: a) al wat kan dienen in het kader van activiteiten met betrekking tot initiatieven ter bevordering van het wetenschappelijk onderzoek en de innovatie bij bedrijven en onderzoeksinstellingen en de informatie over dit onderzoek, het wetenschapsbeleid en innovatiebeleid, met uitzondering evenwel van de loon- en werkingskosten van de diensten van de Vlaamse Gemeenschap; b) studies, onderzoeksprojecten en wetenschappelijke werkgroepen in het kader van transitietrajecten Visie 2050.''. Afdeling 2. - Fonds voor de verwerving, het beheer en de vervreemding

van onroerende goederen

Art. 3.In artikel 102 van het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2010 worden de paragrafen 2 tot en met 4 opgeheven. Afdeling 3. - Fonds winstuitkering LRM

Art. 4.In artikel 35 van het decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 worden de woorden "met een maximum van 10 miljoen euro" opgeheven. HOOFDSTUK 3. - Werk en Sociale Economie Afdeling 1. - Schrapping van de bepalingen met betrekking tot

standaard doorlooptijd en financieringsvoorwaarden van het ondersteuningsorgaan voor de sociale economie

Art. 5.In artikel 9 van het decreet van 17 februari 2012 betreffende de ondersteuning van het ondernemerschap op het vlak van de sociale economie en de stimulering van het maatschappelijk verantwoord ondernemen worden paragraaf 3 en paragraaf 6 opgeheven.

Art. 6.Artikel 10 van hetzelfde decreet wordt opgeheven. HOOFDSTUK 4. - Kanselarij en Bestuur Afdeling 1. - Machtiging vervreemding domeingoederen door Vlaamse

Regering

Art. 7.In afwijking van de wet van 31 mei 1923 betreffende de vervreemding van onroerende domeingoederen, gewijzigd bij de wetten van 2 juli 1969 en 6 juli 1989 en van overeenkomstige toepassing verklaard op de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bij artikel 22 van het decreet van 20 december 1989 houdende bepalingen tot uitvoering van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, wordt de Vlaamse Regering ertoe gemachtigd onroerende domeingoederen, ongeacht de geschatte waarde ervan, uit de hand of bij wijze van ruiling te vervreemden of er zakelijke rechten op te vestigen. Die machtiging geldt enkel voor het jaar 2017 en blijft van toepassing op de beslissingen tot vervreemding van of vestiging van zakelijke rechten op onroerende domeingoederen die gedurende het jaar 2017 zijn getroffen en die op 31 december 2017 nog niet zijn uitgevoerd.

De voorwaarden tot overdracht worden bepaald door de Vlaamse Regering. HOOFDSTUK 5. - Energie Afdeling 1. - Wijzigingen aan titel XIII van het Energiedecreet van 8

mei 2009

Art. 8.In titel XIII van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wordt hoofdstuk V, opgeheven bij het decreet van 14 februari 2014, opnieuw opgenomen in de volgende lezing: "Hoofdstuk V. Administratieve sancties opgelegd door de Vlaamse Belastingdienst Art. 13.5.1. § 1. Bij niet-naleving van de door de Vlaamse Regering in toepassing van artikel 14.2.2 opgelegde eisen inzake de consistentie, volledigheid en accuraatheid van de te rapporteren gegevens, kan de Vlaamse Belastingdienst de toegangshouder een administratieve geldboete opleggen die niet lager is dan 150 euro, en niet hoger dan 20.000 euro. § 2. Bij niet-naleving van de in toepassing van artikel 14.2.2 opgelegde rapporterings- of betaaltermijn kan de Vlaamse Belastingdienst de toegangshouder een administratieve geldboete opleggen van 250 euro per kalenderdag vertraging. § 3. De betrokkene wordt van de beslissing tot het opleggen van de administratieve geldboete, vermeld in paragraaf 1 en 2, in kennis gesteld met een aangetekende brief met bericht van ontvangst. De kennisgeving vermeldt het bedrag van de administratieve geldboete. § 4. De betrokkene kan tegen het opleggen van de administratieve geldboete bezwaar indienen bij de Vlaamse Belastingdienst. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen zestig kalenderdagen na de kennisgeving van de administratieve geldboete. § 5. De administratieve geldboete moet worden betaald binnen zestig kalenderdagen na de kennisgeving ervan, of indien bezwaar is ingediend, binnen zestig kalenderdagen na de beslissing omtrent het bezwaar. § 6. De vordering tot betaling van de administratieve geldboete verjaart na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop ze is ontstaan.

De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, die bepaald zijn in artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek. § 7. Bij gebrek aan voldoening van de administratieve geldboete en toebehoren wordt een dwangschrift uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard door het bevoegde personeelslid van de Vlaamse Belastingdienst. § 8. Op basis van dat dwangschrift kan via gerechtsdeurwaardersexploot een dwangbevel betekend worden. § 9. Binnen een termijn van dertig dagen na de betekening van het dwangbevel kan de belastingschuldige bij gerechtsdeurwaardersexploot een met redenen omkleed verzet aantekenen, houdende dagvaarding van het Vlaamse Gewest, bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie die de administratieve geldboete moet innen, is gevestigd.". HOOFDSTUK 6. - Leefmilieu en Natuur Afdeling 1. - Uitbreiding uitgavenkader Vlaams Klimaatfonds

Art. 9.In artikel 14 van het decreet van 3 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012 wordt paragraaf 5 vervangen door wat volgt: " § 5. Met betrekking tot de periodes na 2012 mogen de inkomsten van het Fonds aangewend worden voor: - de uitvoering van intern Vlaams klimaatbeleid met het oog op het behalen van de Vlaamse broeikasgasemissiereductiedoelstellingen; - de uitvoering van het Vlaamse beleid inzake de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto of zoals uitgewerkt in Europese of internationale wetgeving of akkoorden; - de uitvoering van Vlaamse bijdrage(n) in het kader van de internationale steun aan ontwikkelingslanden in hun strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de beslissingen van de United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC); - de remediëring van competitiviteitsverlies bij de Vlaamse bedrijven ten gevolge van Europees of internationaal klimaatbeleid; - alle beleidskosten die verband houden met de voorbereiding, organisatie of bijdragen in het kader van klimaatveilingen.

Ter uitvoering hiervan is het voor het Fonds in afwijking van het Rekendecreet toegestaan om middelen te storten richting AGION, het GO! en andere begrotingsfondsen binnen de Vlaamse overheid, én worden deze begrotingsfondsen gemachtigd om deze middelen te ontvangen vanuit het Vlaams Klimaatfonds. De Vlaamse Regering wordt gemachtigd om hiertoe de passende begrotingsartikelen te creëren.". Afdeling 2. - Wijzigingsvoorstel onvergunde lozingen

Art. 10.Artikel 35ter, § 10, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2012, wordt vervangen door wat volgt: " § 10. In afwijking van artikel 35ter, § 1, wordt in geval van i) onvergunde lozing, ii) de lozing die niet voldoet aan de bijzondere voorwaarde vermeld in de lozings- of milieuvergunning om een contract, vermeld in artikel 32septies, § 4, af te sluiten, of iii) de lozing van afvalwater via een noodaansluiting die niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 35bis, § 9, het bedrag van de heffing voor de periode waarin vermelde lozing zich voordeed, als volgt vastgesteld: H = T x Qx x Cx + T x Nkx waarbij: H = het bedrag van de verschuldigde heffing voor waterverontreiniging;

T = het bedrag van het eenheidstarief van de heffing voor alle andere heffingsplichtigen, vermeld in het vierde lid van artikel 35ter, § 2;

Qx = het waterverbruik, waarvan de hoeveelheid gelijk is aan het totale waterverbruik Q bepaald overeenkomstig artikel 35septies, § 2, verminderd met de hoeveelheid koelwater K, vermeld in artikel 35quinquies, § 1, vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop afvalwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar. dx is de cumulatieve duur van de lozingen in het betrokken heffingsjaar, uitgedrukt in dagen. dx is niet groter dan 365 en wordt berekend als volgt: ? [(deind - dbegin) + F] waarbij: dbegin = 1° de datum van aanvang van de lozing, zoals opgenomen in de schriftelijke melding van de heffingsplichtige aan de maatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving, tenzij de maatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, op voorwaarde dat de melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de ambtenaren van de maatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving;2° de datum van vaststelling van de lozing, als vermeld in het proces-verbaal van overtreding of een vaststellingsverslag als vermeld in artikel 35decies, § 2, tenzij de maatschappij aantoont dat de lozing reeds op een vroegere datum startte, indien de lozing werd vastgesteld door de ambtenaren van de maatschappij belast met een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de heffing of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving voorafgaand aan een eventuele schriftelijke melding door de heffingsplichtige; deind = de datum waarop door de bevoegde ambtenaren van de maatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving vastgesteld werd dat de lozing stopgezet is, mits mogelijkheid voor de heffingsplichtige om een andere datum te bewijzen;

F = 1° 1 indien de lozing gemeld werd door de heffingsplichtige aan de maatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving en deze melding plaatsvond voorafgaand aan de eventuele vaststelling van de lozing door de bevoegde ambtenaren van de maatschappij of de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving;2° 30 in alle andere gevallen tenzij de heffingsplichtige de werkelijke aanvangsdatum van de lozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen.In voorkomend geval wordt F gelijkgesteld aan 1 en wordt dbegin gelijkgesteld aan de bevestigde datum van aanvang van de lozing;

Cx = de omzettingscoëfficiënt, vermeld in kolom 8 van de tabel opgenomen in bijlage bij deze wet;

Nkx = de vuilvracht veroorzaakt door de lozing van koelwater bepaald overeenkomstig artikel 35quinquies, § 1, vermenigvuldigd met dx en gedeeld door 365 of, indien hiervan het bewijs geleverd wordt, gedeeld door het reëel aantal dagen waarop koelwater geloosd wordt in het jaar voorafgaand aan het heffingsjaar.

Indien de heffingsplichtige voor de periode dx het aandeel van de lozing vermeld in het eerste lid in de totale afvalwaterlozing bewijst en de toezichthouder bevoegd voor milieuhandhaving deze kan bevestigen of staven op basis van vergelijking met zijn eigen vaststellingen, wordt voor de betrokken periode dx de bepalingen in dit artikel enkel toegepast op dit aandeel.

In alle andere gevallen wordt de vuilvracht vermeld in artikel 35ter, § 1, vermenigvuldigd met (365-dx)/365.".

Art. 11.Het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaamse Milieumaatschappij past, ten aanzien van heffingsdossiers waarvoor nog een bezwaarschrift of een vordering in rechte hangende is of heffingsdossiers waarvoor een aanvraag tot ambtshalve ontheffing als vermeld in artikel 376 van het WIB 92 ingediend wordt bij en aanvaard wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij of een navordering als vermeld in artikel 35terdecies, § 2, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging gevestigd wordt, na schriftelijke aangetekende aanvraag van de heffingsplichtige gericht tot de Vlaamse Milieumaatschappij, ingediend ten laatste één jaar na publicatie van dit decreet, artikel 35ter, § 1 en § 10, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging in de versie zoals gewijzigd bij dit decreet toe op de heffingen, van de in dit artikel vermelde heffingsdossiers, gevestigd voor het heffingsjaar dat door de heffingsplichtige opgegeven werd in zijn aanvraag en voor zover voldaan wordt aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en het heffingsjaar niet voor het heffingsjaar 2004 ligt. Voor de ambtshalve ontheffingen en navorderingen moet vermelde aanvraag ten laatste zes maanden na het verzoek tot ontheffing of kennisgeving van de navordering gericht worden aan de Vlaamse Milieumaatschappij.

In dat geval kan, in afwijking van artikel 418 van het WIB 92, enkel het verschil tussen het oorspronkelijke heffingsbedrag vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging én het herrekende bedrag overeenkomstig het bij dit decreet gewijzigde artikel 35ter, § 1 en § 10, van de in het eerste lid genoemde wet vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging, terugbetaald worden aan de heffingsplichtige.

Alle kosten verbonden aan eerdere betwistingen in dit verband blijven ten laste van de heffingsplichtige.

Art. 12.Artikel 27 van het decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016, wordt vervangen door wat volgt: "

Art. 27.Het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid de Vlaamse Milieumaatschappij past, ten aanzien van heffingsdossiers waarvoor nog een bezwaarschrift of een vordering in rechte hangende is of heffingsdossiers waarvoor een aanvraag tot ambtshalve ontheffing als vermeld in artikel 376 van het federale WIB 92 ingediend wordt bij en aanvaard wordt door de Vlaamse Milieumaatschappij of een navordering als vermeld in artikel 35terdecies, § 2, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging gevestigd wordt, na schriftelijke aangetekende aanvraag van de heffingsplichtige gericht tot de Vlaamse Milieumaatschappij, ingediend ten laatste één jaar na publicatie van dit decreet, artikel 35ter, § 10bis, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging toe op de heffingen, van de in dit artikel vermelde heffingsdossiers, gevestigd voor het heffingsjaar dat door de heffingsplichtige opgegeven werd in zijn aanvraag en voor zover voldaan wordt aan de in dat artikel gestelde voorwaarden en het heffingsjaar niet voor het heffingsjaar 2004 ligt. Voor de ambtshalve ontheffingen en navorderingen moet vermelde aanvraag ten laatste zes maanden na het verzoek tot ontheffing of kennisgeving van de navordering gericht worden aan de Vlaamse Milieumaatschappij.

In dat geval kan, in afwijking van artikel 418 van het federale WIB 92, enkel het verschil tussen het oorspronkelijke heffingsbedrag vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging én het bedrag berekend overeenkomstig artikel 35ter, § 10bis, van de in het eerste lid genoemde wet, vermeerderd met de eventuele heffingsverhoging, terugbetaald worden aan de heffingsplichtige.

Alle kosten verbonden aan eerdere betwistingen in dit verband blijven ten laste van de heffingsplichtige.". Afdeling 3. - Modal shift afvaltransport

Art. 13.Aan artikel 46 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen wordt een paragraaf 7 toegevoegd, die luidt als volgt: " § 7. Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16° en 17°, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd.". HOOFDSTUK 7. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Afdeling 1. - Opschorting van de premie met betrekking tot bijzondere

beroepstitels en bijzondere beroepsbekwaamheden van verpleegkundigen tewerkgesteld in de ouderenzorg

Art. 14.In artikel 42 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging, wordt een vierde lid ingevoegd, dat luidt als volgt: "De rustoorden voor bejaarden en de rust- en verzorgingstehuizen die onder hun personeel verpleegkundigen tellen die beschikken over een bijzondere beroepstitel of bijzondere beroepsbekwaamheid van geriatrisch verpleegkundige of die beschikken over een bijzondere beroepsbekwaamheid van verpleegkundige met een bijzondere deskundigheid in de palliatieve zorg, kunnen, volgens de nadere regels vermeld in de "Overeenkomst tussen de rustoorden voor bejaarden, de rust- en verzorgingstehuizen, de centra voor dagverzorging en de verzekeringsinstellingen", het bedrag slechts aanrekenen aan de Dienst voor Geneeskundige Verzorging van het RIZIV, op voorwaarde dat de erkenning voor de bedoelde bijzondere beroepstitel en/of bijzondere beroepsbekwaamheid door de verpleegkundigen verkregen werd voor 2 september 2016.". Afdeling 2. - Niet-indexering van de gezinsbijslag in het jaar 2017

Art. 15.De overschrijding van de spilindex die volgt op deze van mei 2016 wordt niet verrekend voor alle sociale uitkeringen met betrekking tot de gezinsbijslag binnen de begroting van het beleidsdomein Welzijn, Volksgezondheid en Gezin waar de evolutie gekoppeld is aan de schommelingen van het prijsindexcijfer dat berekend en toegepast wordt zoals bepaald in de wet van 2 augustus 1971, houdende inrichting van een stelsel waarbij wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden te worden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

Art. 16.Artikel 16, § 3, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers vindt, met betrekking tot de overschrijding van de spilindex die volgt op de overschrijding in mei 2016, geen toepassing voor de prestaties inzake de gezinsbijslag die worden toegekend door de Vlaamse Gemeenschap. HOOFDSTUK 8. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media Afdeling 1. - Aanpassing decreet betreffende de amateurkunsten van 22

december 2000 met het oog op een transparantere subsidieverstrekking

Art. 17.In artikel 14 van het decreet betreffende de amateurkunsten van 22 december 2000 wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt: " § 2. Het forum ontvangt een jaarlijkse subsidie-enveloppe. De Vlaamse Regering stelt die enveloppe per beleidsperiode vast. De subsidie-enveloppe bevat de nodige middelen voor de ondersteuning van de jaarlijkse personeels- en werkingskosten van de organisatie.". Afdeling 2. - Politieke jongerenbewegingen

Art. 18.In het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid wordt artikel 15 vervangen door wat volgt: "

Art. 15.§ 1. De Vlaamse Regering erkent politieke jongerenbewegingen.

Een politieke jongerenbeweging komt voor erkenning in aanmerking als ze de jeugd stimuleert om actief burgerschap op te nemen en de jeugd sensibiliseert en vormt met het oog op haar participatie in de politieke besluitvorming, in de werking van een welbepaalde politieke partij en in het maatschappelijk debat.

Als politieke partij wordt beschouwd: de vereniging van natuurlijke personen, al dan niet met rechtspersoonlijkheid, die aan de door de Grondwet, de wet en het decreet bepaalde verkiezingen deelneemt, die overeenkomstig de wettelijke en decretale bepalingen over de verkiezingen van het Vlaams Parlement, de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat of het Europees Parlement kandidaten voorstelt en die, binnen de grenzen van de Grondwet, de wet en het decreet de volkswil beoogt te beïnvloeden op de wijze bepaald in haar statuten of haar programma.

Een politieke jongerenbeweging telt ten minste 100 leden, jonger dan eenendertig jaar. Het lidmaatschap dient te blijken uit een uitdrukkelijke, jaarlijkse wilsverklaring van betrokkene, die hierbij toestemming geeft tot de verwerking van zijn persoonsgegevens met het oog op de controle door de administratie op de gestelde erkenningsvoorwaarden. Het lidmaatschap mag niet automatisch volgen uit het lidmaatschap van een andere vereniging.

Politieke jongerenbewegingen kunnen in het kader van dit decreet uitsluitend op basis van dit artikel worden erkend.

Per politieke partij komt slechts één politieke jongerenbeweging in aanmerking voor erkenning. § 2. De Vlaamse Regering bepaalt: 1° de nadere regels voor de indiening van de aanvraag tot erkenning als politieke jongerenbeweging;2° de wijze waarop en de termijn waarbinnen de politieke jongerenbeweging op de hoogte gebracht wordt van de beslissing van de Vlaamse Regering om die politieke jongerenbeweging te erkennen of van het voornemen van de Vlaamse Regering om die politieke jongerenbeweging niet te erkennen;3° de termijn waarin een politieke jongerenbeweging een gemotiveerd bezwaar kan indienen tegen het voornemen van de Vlaamse Regering om de door de vereniging aangevraagde erkenning te weigeren en de wijze waarop dit moet gebeuren.Als dat bezwaarschrift laattijdig of ongemotiveerd wordt ingediend, dan is het bezwaar onontvankelijk; 4° de termijn waarin de vereniging op de hoogte wordt gebracht van de onontvankelijkheid van haar bezwaarschrift;5° de termijn waarin en de wijze waarop de politieke jongerenbeweging die een ontvankelijk bezwaar heeft ingediend tegen het voornemen van de Vlaamse Regering om de door haar aangevraagde erkenning te weigeren, op de hoogte gebracht wordt van de beslissing van de Vlaamse Regering over het ingediende bezwaar.Die termijn wordt gerekend vanaf het ogenblik waarop de vereniging haar ontvankelijk bezwaar heeft ingediend.

Met behoud van de toepassing van artikel 17/2 kan de Vlaamse Regering nadere voorwaarden bepalen voor de erkenning en voor het toezicht op de naleving van de erkenningsvoorwaarden.".

Art. 19.In artikel 17, § 5, van hetzelfde decreet wordt: 1° het eerste en het tweede lid opgeheven;2° in het derde lid het woord "andere" opgeheven.

Art. 20.In hetzelfde decreet wordt een artikel 17/2 ingevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 17/2.§ 1. Een politieke jongerenbeweging wordt erkend als zij: 1° een vereniging zonder winstoogmerk;2° in haar werking de principes en de regels van de democratie aanvaardt is en ook de rechten van het kind en het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden onderschrijft en uitdraagt;3° haar zetel heeft in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad;4° ervoor zorgt dat alle gegevens die verband houden met de erkenningsvoorwaarden op de zetel voorhanden zijn in het Nederlands en die ter beschikking stelt voor onderzoek door de administratie;5° de bevoegdheden die wettelijk toekomen aan de algemene vergadering of aan de raad van bestuur, niet overdraagt aan een derde. Vanaf het ogenblik dat de politieke jongerenbeweging erkend wordt: 1° werkt zij mee aan onderzoek dat door of namens de Vlaamse Regering wordt georganiseerd met het oog op het voeren van een jeugd- en kinderrechtenbeleid; 2° dient ze jaarlijks een door de algemene vergadering van de vereniging goedgekeurd verslag in, waaruit blijkt dat zij aan de erkenningsvoorwaarden voldoet.".

Art. 21.In hetzelfde decreet wordt een artikel 19/7 ingevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 19/7.Politieke jongerenbewegingen die in 2016 gesubsidieerd werden op basis van artikel 15 van het decreet van 20 januari 2012 houdende een vernieuwd jeugd- en kinderrechtenbeleid worden per 1 januari 2017 erkend en blijven erkend zolang zij aan de erkenningsvoorwaarden voldoen.". Afdeling 3. - Opheffing Eigen Vermogen Frans Masereel Centrum

Art. 22.De artikelen 12 tot en met 14 van het koninklijk besluit van 13 juli 1972 houdende oprichting van het eigen vermogen van het Frans Masereel Centrum te Kasterlee, worden opgeheven. HOOFDSTUK 9. - Onderwijs en Vorming Afdeling 1. - Werkingsmiddelen basisonderwijs gemeenschapsonderwijs:

technische correcties

Art. 23.In artikel 85, § 3, 1°, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 worden de woorden "in 2017" vervangen door de woorden "vanaf 2017".

Art. 24.In artikel 86, § 3, 1°, van hetzelfde decreet worden de woorden "in 2017" vervangen door de woorden "vanaf 2017". Afdeling 2. - Bevriezen - integratietoelage basisonderwijs

Art. 25.In het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 wordt een artikel 86ter ingevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 86ter.Met het oog op het in overeenstemming brengen van de integratietoelagen toegekend in het begrotingsjaar 2017 voor de leerlingen geïntegreerd onderwijs voor het schooljaar 2015-2016 worden in het begrotingsjaar 2017 volgende afwijkingen voorzien: 1° afwijking op artikelen 85bis en 85ter van het decreet basisonderwijs: Van het werkingsbudget voor het buitengewoon onderwijs wordt in het begrotingsjaar 2017 4.259.000 euro afgehouden voor het werkingsbudget voor de integratietoelage voor GON-leerlingen, hierna BschK-GON te noemen. Dit bedrag wordt nog verhoogd met de loonkosten die jaarlijks vrijkomen door de toepassing van artikel 192, § 2; 2° afwijking op artikel 85quater, 2° en 3°, van het decreet basisonderwijs: Voor alle scholen wordt per schoolkenmerk, vermeld in artikel 85quater, 1°, apart voor het aantal leerlingen van het buitengewoon basisonderwijs en apart voor het aantal leerlingen van het geïntegreerd onderwijs, op de respectievelijke teldata, het aantal leerlingen vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht. Het B-SchK wordt gedeeld door het totale aantal te verdelen punten voor buitengewoon basisonderwijs. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken voor buitengewoon basisonderwijs, hierna GPP-SchK te noemen.

Het BschK-GON wordt gedeeld door het totale aantal te verdelen punten voor het geïntegreerd onderwijs. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken voor geïntegreerd onderwijs, hierna GPP-SchKGON te noemen; 3° afwijking op artikel 86bis, tweede lid, van het decreet basisonderwijs: De integratietoelage per school van het buitengewoon basisonderwijs is het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school zoals berekenend in het eerste lid met de GPP-SchKGON, als vermeld in punt 2°.". Afdeling 3. - Werkingsmiddelen secundair onderwijs

gemeenschapsonderwijs: technische correcties

Art. 26.In artikel 249, § 3, 1°, van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011, worden de woorden "in 2017" vervangen door de woorden "vanaf 2017".

Art. 27.In artikel 329, § 3, 1°, van dezelfde codex worden de woorden "in 2017" vervangen door de woorden "vanaf 2017". Afdeling 4. - Integratietoelage secundair onderwijs

Art. 28.In de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010, bekrachtigd bij het decreet van 27 mei 2011, wordt een artikel 330/1 ingevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 330/1.Met het oog op het in overeenstemming brengen van de integratietoelagen toegekend in het begrotingsjaar 2017 voor de leerlingen geïntegreerd onderwijs voor het schooljaar 2015-2016 worden in het begrotingsjaar 2017 volgende afwijkingen voorzien: 1° afwijking op artikelen 324 en 325 van de Codex Secundair Onderwijs: Van het werkingsbudget voor het buitengewoon onderwijs wordt in het begrotingsjaar 2017 1.432.000 euro afgehouden voor het werkingsbudget voor de integratietoelage voor GON-leerlingen, hierna BschK-GON te noemen; 2° afwijking op artikel 326, 2° en 3°, van de Codex Secundair Onderwijs: Voor alle scholen wordt per schoolkenmerk, vermeld in artikel 326, 1°, apart voor het aantal leerlingen van het buitengewoon secundair onderwijs en apart voor het aantal leerlingen van het geïntegreerd onderwijs, op de respectievelijke teldata, het aantal leerlingen vermenigvuldigd met het overeenkomstige puntengewicht. Het B-SchK wordt gedeeld door het totale aantal te verdelen punten voor buitengewoon secundair onderwijs. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken voor buitengewoon secundair onderwijs, hierna GPP-SchK te noemen.

Het BschK-GON wordt gedeeld door het totale aantal te verdelen punten voor het geïntegreerd onderwijs. Het quotiënt van die deling is de geldwaarde per punt voor schoolkenmerken voor geïntegreerd onderwijs, hierna GPP-SchKGON te noemen; 3° afwijking op artikel 330, tweede lid, van de Codex Secundair Onderwijs: De integratietoelage per school van het buitengewoon secundair onderwijs is het resultaat van de vermenigvuldiging van het totale aantal punten per school zoals berekenend in het eerste lid met de GPP-SchKGON, als vermeld in punt 2°.". Afdeling 5. - Indexeren lineaire bijstelling van de werkingsmiddelen

hoger onderwijs

Art. 29.Aan artikel III.24, § 7, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2013, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2017 geïndexeerd aan de hand van de indexformule, vermeld in artikel III.5, § 9.". Afdeling 6. - Uitbreiding toepassingsgebied fonds Hoger Onderwijs

Art. 30.In artikel III.36 van de Codex Hoger Onderwijs worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "recuperatiefonds" vervangen door de woorden "fonds Hoger Onderwijs"; 2° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen door wat volgt: "Het fonds is een begrotingsfonds in de zin van artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof."; 3° in paragraaf 1 wordt het derde lid vervangen door wat volgt: "De middelen van het fonds worden aangewend voor: a.de betaling van de werkingsuitkeringen aan de hogescholen; b. de betaling van de investeringstoelagen aan de hogescholen en universiteiten in het kader van het Vlaams Klimaatbeleidsplan; c. de betaling van andere uitgaven ten voordele van het Vlaamse hoger onderwijs."; 4° in paragraaf 2 wordt na de zinsnede "artikel V.298 en V.299" de zinsnede ", alsook de middelen ontvangen vanuit het Vlaams Klimaatfonds zoals vermeld in artikel 14 van het decreet van 13 juli 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de tweede aanpassing van de begroting 2012" ingevoegd; 5° paragraaf 5 wordt opgeheven. Afdeling 7. - Bestendiging middelen bijkomende financiering voor de

instellingen hoger onderwijs met een vestigingsplaats in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad

Art. 31.In artikel III.41, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2013, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014 en 18 december 2015, worden in het zesde lid de woorden "In de begrotingsjaren 2015 en 2016" vervangen door de woorden "Vanaf het begrotingsjaar 2015". Afdeling 8. - Bijkomende middelen praktijkgericht wetenschappelijk

onderzoek aan de hogescholen

Art. 32.In artikel III.45, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2013, wordt in het tweede en derde lid het woord "jaarlijks" geschrapt en wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "Vanaf het begrotingsjaar 2017 wordt een bedrag van minstens 10.000.000 euro toegevoegd voor het praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit bedrag wordt vanaf het begrotingsjaar 2018 geïndexeerd aan de hand van de formule, vermeld in artikel III.5, § 9.". Afdeling 9. - Aanpassing bijdrage wettelijke en conventionele

werkgeversbijdragen universiteiten

Art. 33.Aan artikel III.58 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, bekrachtigd bij het decreet van 20 december 2013, gewijzigd bij het decreet van 17 juni 2016, wordt een paragraaf 5 toegevoegd, die luidt als volgt: " § 5. Naast de bedragen, vermeld in paragraaf 1 en 2, ontvangen vanaf het begrotingsjaar 2017 de volgende universiteiten de hierna vermelde bijkomende uitkering, uitgedrukt in euro, als bijdrage in het dekken van de kosten, vermeld in paragraaf 1 en 2: a) Katholieke Universiteit Leuven 714.551,84 b) Vrije Universiteit Brussel 236.277,78 c) Universiteit Antwerpen 40.159,42 d) Universiteit Hasselt 9.010,96 Vanaf het begrotingsjaar 2018 volgen deze bedragen de evolutie van de gezondheidsindex.". Afdeling 10. - Opheffen van het Fonds MOD Onderwijs en Vorming

Art. 34.In het decreet van 9 juli 2010 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2010 wordt afdeling VI. Fonds MOD Onderwijs en Vorming, dat bestaat uit artikel 9 opgeheven. Afdeling 11. - Inhaalbeweging in de schoolinfrastructuur

Art. 35.Aan artikel 14, § 1, van het decreet van 18 december 2009 houdende bepalingen tot begeleiding van de derde aanpassing van de begroting 2009 wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt: "Het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs is er ook toe gemachtigd om verbintenissen aan te gaan die meebrengen dat het in het eerste lid bedoelde maximum van 100 miljoen euro per jaar wordt overschreden, maar in dat geval wordt de reguliere begrotingsmachtiging van het Agentschap of het Gemeenschapsonderwijs, naargelang het geval, geblokkeerd ten belope van het bedrag van de overschrijding.". Afdeling 12. - Verlenging bijkomende middelen in kader van de

asielcrisis

Art. 36.Aan artikel 196sexies, § 1, van het decreet betreffende het volwassenenonderwijs van 15 juni 2007, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015, wordt een tweede lid toegevoegd dat luidt als volgt: "Ten laste van het begrotingsjaar 2017 worden 56.879 aanvullende leraarsuren, 831 aanvullende punten en een bedrag van 513.031,18 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor volwassenenonderwijs en 65 aanvullende vte, 1074 aanvullende punten en een bedrag van 769.546,77 euro aan werkingsmiddelen aan de centra voor basiseducatie toegekend.". Afdeling 13. - Kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in

het tweetalig hoofdstedelijk gebied Brussel

Art. 37.Aan artikel X.22. van het decreet betreffende onderwijs XIV van 14 februari 2003 wordt een tweede tot en met een zesde lid toegevoegd die luiden als volgt: "Vanaf 1 januari 2017 wordt de op 1 juni 2016 door de Vlaamse onderwijsbegroting gefinancierde personeelsformatie van 811 uren in het ambt van verpleger en 5832 uren in het ambt van kinderverzorger als vast benoemd of contractueel titularis in de peutertuinen en kinderdagverblijven van het gemeenschapsonderwijs in het tweetalig hoofdstedelijk gebied Brussel geleidelijk afgebouwd.

Telkens wanneer een vast benoemde of contractueel aangestelde titularis uit dienst treedt, vermindert het toegestane volume financierbare uren met het aantal financierbare uren dat betrokkene presteerde.

Deze afbouwregeling geldt totdat het aantal uren dat gefinancierd wordt binnen de begroting Onderwijs nog 2880 uren, voor de totaliteit van de beide ambten van verpleger en kinderverzorger, bedraagt.

Telkens een vast benoemde of contractueel aangestelde titularis voltijds of deeltijds afwezig is voor een periode en het totaal aantal gefinancierde uren niet gedaald is tot onder de 2880 uren, voor de totaliteit van de beide ambten van verpleger en kinderverzorger, kan geen vervanger worden aangesteld die een salaris ontvangt van het agentschap onderwijsdiensten.

De middelen die jaarlijks vrijkomen door toepassing van het derde en het vijfde lid worden geherinvesteerd in de onderwijsbegroting.".

Art. 38.Artikel X.25 van hetzelfde decreet wordt opgeheven. Afdeling 14. - Middelenfonds

Art. 39.In artikel 55, § 1, van het decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016 worden tussen de woorden "salaristoelage" en "van" de woorden "en andere ontvangsten" toegevoegd.

Art. 40.Aan artikel 55, § 3, van hetzelfde decreet wordt de zinsnede "en andere onderwijsgerelateerde ontvangsten." toegevoegd. HOOFDSTUK 1 0. - Financiën en Begroting Afdeling 1. - Vermindering van de onroerende voorheffing wat de

ingrijpende energetische renovatie betreft

Art. 41.In artikel 2.1.5.0.1, § 2, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2014 en 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden punt 4° en 5° vervangen door wat volgt: "4° 50% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend na 31 december 2012 en die op 1 januari van het aanslagjaar ten hoogste een E-peil hebben volgens de volgende tabel:

datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning

E-peil nieuwbouw

E-peil ingrijpende energetische renovatie

vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013

E50

/

vanaf 1 januari 2014 tot en met 31 december 2015

E40

/

Vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016

E30

/

vanaf 1 oktober 2016

E30

E90


5° 100% van de onroerende voorheffing gedurende vijf jaar voor gebouwde onroerende goederen waarvoor de aanvraag van een stedenbouwkundige vergunning is ingediend na 31 december 2012 en die op 1 januari van het aanslagjaar een E-peil hebben volgens de volgende tabel:

datum aanvraag stedenbouwkundigevergunning

E-peil nieuwbouw

E-peil ingrijpende energetische renovatie

datum aanvraag stedenbouwkundige vergunning

E-peil nieuwbouw

E-peil ingrijpendeenergetische renovatie

vanaf 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014

E30

/

Vanaf 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015

E30

/

Vanaf 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016

E20

/

vanaf 1 oktober 2016

E20

E60


."; 2° het zesde lid, tweede zin, wordt vervangen door wat volgt: "De verminderingen worden alleen toegekend als het gaat om renovatie of nieuwbouw als vermeld in artikel 1.1.1, § 2, 50° en 110°, van het Energiebesluit van 19 november 2010.". Afdeling 2. - Wijziging aan bepaalde vrijstellingsregelingen wat de

onroerende voorheffing betreft

Art. 42.In artikel 2.1.6.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gewijzigd bij het decreet van 20 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid, 9°, eerste zin, wordt het jaartal "2017" vervangen door het jaartal "2020"; 2° aan het tweede lid wordt een zin toegevoegd, die luidt als volgt: "Bij de beoordeling van de voorwaarde dat de goederen op zichzelf niets mogen opbrengen wordt geen rekening gehouden met het feit dat deze onroerende goederen worden gebruikt voor het installeren van hernieuwbare energietechnologieën zoals vermeld in het Energiedecreet van 8 mei 2009, zelfs indien de belastingschuldige daarvoor een vergoeding krijgt van een derde partij.". Afdeling 3. - Verlaging van de belastingverhoging inzake de

registratiebelasting bij laattijdige registratie

Art. 43.Aan artikel 3.18.0.0.11 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij decreet van 19 december 2014, en gewijzigd bij de decreten van 3 juli 2015 en 17 juli 2015, wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "In afwijking van het eerste lid, 1°, bedraagt de belastingverhoging 1% van de registratiebelasting als de persoon de voorgeschreven termijnen met hoogstens dertig kalenderdagen heeft overschreden, zonder dat deze belastingverhoging lager mag zijn dan 100 euro.". Afdeling 4. - Fonds met betrekking tot de audits in kader van de

Europese structuurfondsen

Art. 44.§ 1. Er wordt een fonds met betrekking tot audits Europese Structuurfondsen opgericht conform artikel 12 van het decreet van 8 juli 2011 houdende regeling van de begroting, de boekhouding, de toekenning van subsidies en de controle op de aanwending ervan, en de controle door het Rekenhof. § 2. Aan het fonds met betrekking tot audits Europese Structuurfondsen worden de ontvangsten van technische bijstand in het kader van de auditwerkzaamheden door de Vlaamse Auditautoriteit toegewezen (in het kader van de programma's welke door de Vlaamse Regering aan de Vlaamse Auditautoriteit worden toebedeeld) alsook mogelijke andere ontvangsten die dienen als tegemoetkoming voor het uitvoeren van audits ten behoeve van de Europese structuurfondsen. § 3. De middelen van het fonds met betrekking tot audits Europese Structuurfondsen dienen aangewend te worden voor het uitvoeren van audits in het kader van de Europese structuurfondsen. Deze audits kunnen zowel extern als intern uitgevoerd worden. Afdeling 5. - Winwinlening

Art. 45.In artikel 2, 5°, van het decreet van 19 mei 2006 betreffende de Winwinlening, gewijzigd bij het decreet van 10 december 2010, worden tussen het woord "micro-onderneming" en de woorden "als gedefinieerd in" de woorden ", met inbegrip van de coöperatieve vennootschap, vermeld in artikel 350 tot en met artikel 436 van het wetboek van 7 mei 1999 van vennootschappen," ingevoegd. Afdeling 6. - Belastingvermindering voor dakisolatie

Art. 46.Aan artikel 14547, eerste lid, van het Wetboek van 10 april 1992 van de Inkomstenbelastingen, ingevoegd bij de wet van 8 mei 2014, worden de woorden "voor zover de uitgaven uiterlijk op 31 december 2017 werkelijk zijn betaald en betrekking hebben op werken die worden verricht in het kader van een overeenkomst die uiterlijk 31 december 2016 werd gesloten en waarvoor uiterlijk 31 december 2016 een voorschot werd betaald." toegevoegd. Afdeling 7. - Bevriezing index subsidies

Art. 47.§ 1. Voor alle subsidies binnen de begroting van de Vlaamse Gemeenschap waarvan de evolutie gekoppeld is aan de schommelingen van een prijsindexcijfer, wordt, voor het gedeelte van de niet-looncomponent van de subsidie, de indexaanpassing niet verrekend in het begrotingsjaar 2017, 2018 en 2019.

Het eerste lid is niet van toepassing op: 1° de studiefinanciering, vermeld in artikel 46 van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap;2° de betaalde vergoedingen, vermeld in artikel 16 van het decreet van 29 juni 2012 houdende de organisatie van pleegzorg;3° artikel 65, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 22 november 2013 houdende de subsidies en de eraan gekoppelde voorwaarden voor de realisatie van specifieke dienstverlening door gezinsopvang en groepsopvang van baby's en peuters;4° artikel 55 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 november 2012 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de centra voor kinderzorg en gezinsondersteuning;5° de tarieven voor zakgeld, vermeld in bijlage 4 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 1994 inzake de erkenningsvoorwaarden en de subsidienormen voor de voorzieningen van de bijzondere jeugdbijstand;6° de zakgelden die worden toegekend voor minderjarigen met een handicap op basis van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2008 tot bepaling van het bedrag, de voorwaarden voor de toekenning en de wijze van vereffening van een vrij besteedbaar bedrag voor minderjarigen aan wie residentiële jeugdhulpverlening wordt geboden in voorzieningen die erkend zijn en gesubsidieerd worden door het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;7° rustoorden voor bejaarden, vermeld in artikel 34, eerste lid, 12°, van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen;8° centra voor kortverblijf, vermeld in artikel 34, eerste lid, 12°, van dezelfde wet;9° rust- en verzorgingstehuizen, vermeld in artikel 34, eerste lid, 11° en 12°, van dezelfde wet;10° dagverzorgingscentra, vermeld in artikel 34, eerste lid, 11°, van dezelfde wet;11° psychiatrische verzorgingstehuizen, vermeld in artikel 34, eerste lid, 11°, van dezelfde wet;12° revalidatieovereenkomsten, vermeld in artikel 23, § 3, van dezelfde wet;13° beschut wonen, vermeld in artikel 34, eerste lid, 18°, van dezelfde wet;14° geïntegreerde diensten voor thuisverpleging, vermeld in artikel 34, eerste lid, 13°, van dezelfde wet;15° multidisciplinaire begeleidingsequipes voor palliatieve verzorging, vermeld in artikel 23, § 3bis, van dezelfde wet;16° overeenkomsten in uitvoering van artikel 56, § 2, eerste lid, 3°, van dezelfde wet, gesloten met geïntegreerde diensten voor thuisverpleging en een initiatief beschut wonen;17° geïsoleerde G-diensten en Sp-diensten, vermeld in artikel 5, § 1, I, 1°, d), 3° en 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;18° de subsidies verleend in het kader van artikel 2, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 1996 houdende de subsidieregeling van het loon en van de sociale lasten van de werknemers in de beschutte werkplaatsen die erkend zijn door het Departement voor Werk en Sociale Economie;19° de premie verleend op basis van artikel 94, § 1, van de Programmawet van 30 december 1988, hoofdstuk II.Opzetting van een stelsel van gesubsidieerde contractuelen bij sommige openbare besturen.

De toepassing van het eerste lid mag niet leiden tot een nominale vermindering van de subsidies, vermeld in het eerste lid. § 2. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, is de niet-verrekening van de index-aanpassing ook van toepassing op de looncomponent van de werkingsmiddelen van het gewoon en het buitengewoon basisonderwijs en het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs in het begrotingsjaar 2017.

In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, is de niet-verrekening van de index-aanpassing niet van toepassing op de werkingsmiddelen van het gewoon en het buitengewoon basisonderwijs in het begrotingsjaar 2018 en 2019. § 3. De bepalingen van paragraaf 1 en 2 zijn eveneens van toepassing op de werkingsmiddelen die bestemd zijn voor de scholen van het gefinancierd gemeenschapsonderwijs. HOOFDSTUK 1 1. - Inwerkingtreding

Art. 48.Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2017, met uitzondering van: 1° artikel 8, 22 en 45 die in werking treden 10 dagen na bekendmaking in het Belgisch Staatsblad;2° artikel 41 en 42, 2°, die in werking treden vanaf aanslagjaar 2017;3° artikel 46 dat in werking treedt vanaf aanslagjaar 2018;4° artikel 14 dat uitwerking heeft vanaf 2 september 2016. Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 23 december 2016.

De minister-president van de Vlaamse Regering en Vlaams minister van Buitenlands Beleid en Onroerend Erfgoed, Geert BOURGEOIS De Vlaamse minister van Onderwijs, Hilde CREVITS De Vlaamse minister van Begroting, Financiën en Energie, Bart TOMMELEIN De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, Liesbeth HOMANS De Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Vlaamse Rand, Toerisme en Dierenwelzijn, Ben WEYTS De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Jo VANDEURZEN De Vlaamse minister van Werk, Economie, Innovatie en Sport, Philippe MUYTERS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, Joke SCHAUVLIEGE De Vlaamse minister van Cultuur, Media, Jeugd en Brussel, Sven GATZ _______ Nota's (1) Zitting 2016-2017 Documenten - Ontwerp van decreet : 944 - Nr.1+Addenda - Amendementen : 944 - Nrs. 2 t.e.m. 6 - Verslagen : 944 - Nrs. 7 t.e.m. 13 - Tekst aangenomen door de commissies : 944 - Nr. 14 - Amendement na indiening verslag : 944 - Nr. 15 - Tekst aangenomen door de plenaire vergadering : 944 - Nr. 16 Handelingen - Bespreking en aanneming: Vergaderingen van 21 en 22 december 2016.

^