Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 15 oktober 2004
gepubliceerd op 10 december 2004

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2004036803
pub.
10/12/2004
prom.
15/10/2004
ELI
eli/besluit/2004/10/15/2004036803/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

15 OKTOBER 2004. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs


De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, inzonderheid op artikel 135;

Gelet op het decreet van 13 juli 2001 betreffende het onderwijs-XIII- Mozaïek, inzonderheid op artikel IX.9;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, inzonderheid op artikel 16, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 juni 1962, 30 november 1966, 15 maart 1967, 24 maart 1967, 22 januari 1970, 1 juni 1970, 20 juli 1970, 29 oktober 1971, 9 december 1971, 18 februari 1974, 15 januari 1975, 10 juni 1976, 9 juli 1976, 8 maart 1979, 14 oktober 1985 en bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991, 19 december 1991, 25 januari 1995, 7 september 2001, 19 juli 2002 en 26 september 2003;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 27 april 2004;

Gelet op protocol nr. 538 van 25 juni 2004 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in de gemeenschappelijke vergadering van Sectorcomité X en van onderafdeling Vlaamse Gemeenschap van afdeling 2 van het Comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten;

Gelet op protocol nr. 304 van 25 juni 2004 houdende de conclusies van de onderhandelingen die werden gevoerd in het overkoepelend onderhandelingscomité, bedoeld in het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van onderhandelingscomités in het vrij gesubsidieerd onderwijs;

Gelet op het advies nr. 37.578/1/V van de Raad van State, gegeven op 3 augustus 2004, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.In artikel 16, § 1, van het koninklijk besluit van 15 april 1958 houdende bezoldigingsregeling van het onderwijzend, wetenschappelijk en daarmee gelijkgesteld personeel van het Ministerie van Openbaar Onderwijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 21 juni 1962, 30 november 1966, 15 maart 1967, 24 maart 1967, 22 januari 1970, 1 juni 1970, 20 juli 1970, 29 oktober 1971, 9 december 1971, 18 februari 1974, 15 januari 1975, 10 juni 1976, 9 juli 1976, 8 maart 1979, 14 oktober 1985 en bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 juli 1991, 19 december 1991, 25 januari 1995, 7 september 2001, 19 juli 2002 en 26 september 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in A, a ), worden tussen de woorden "gelijkgestelde inrichting" en het woord ", hetzij" de woorden "en dit ongeacht de financieringsbron" ingevoegd;2° in A, f ), worden de woorden "of van opdrachtgelastigde" vervangen door de woorden ", van opdrachtgelastigde of als mandaathouder";3° aan A wordt een punt u ) toegevoegd, dat luidt als volgt : « u ) de werkelijke diensten die het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met volledige prestaties heeft verstrekt bij : 1) een Huis van het Nederlands;2) de sportfederaties : Gemeentelijk en Provinciaal Onderwijs Schoolsportfederatie, Nationaal Sportverbond van het Vrij Katholiek Onderwijs, Vlaams Sportverbond van het Vrij Katholiek Onderwijs, Rijksonderwijs Organisatie Omni-Sport en de Vlaamse Studentensportfederatie;3) de Stichting voor de Vlaamse Schoolsport;4) het Vlaams Centrum voor Onderwijsgebonden Sport;5) de organisatie die in het kader van een overeenkomst gesloten met de Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, aan de kleuters van binnenschippers onderwijs verschaft dat niet in het reguliere scholenaanbod is opgenomen.»; 4° in B, a ), worden tussen de woorden "gelijkgestelde inrichting" en het woord ", mits" de woorden "en dit ongeacht de financieringsbron" ingevoegd;5° in B, b ), worden de woorden "of van opdrachtgelastigde" vervangen door de woorden", van opdrachtgelastigde of als mandaathouder";6° aan B worden een punt j ) en k ) toegevoegd, die luiden als volgt : « j ) de werkelijke diensten die het personeelslid als titularis van een bezoldigd ambt met onvolledige prestaties heeft verstrekt bij : 1) een Huis van het Nederlands;2) de sportfederaties : Gemeentelijk en Provinciaal Onderwijs Schoolsportfederatie, Nationaal Sportverbond van het Vrij Katholiek Onderwijs, Vlaams Sportverbond van het Vrij Katholiek Onderwijs, Rijksonderwijs Organisatie Omni-Sport en de Vlaamse Studentensportfederatie;3) de Stichting voor de Vlaamse Schoolsport;4) het Vlaams Centrum voor Onderwijsgebonden Sport;5) de organisatie die in het kader van een overeenkomst, gesloten met de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, aan de kleuters van binnenschippers onderwijs verschaft dat niet in het reguliere scholenaanbod is opgenomen;k) de werkelijke diensten welke het personeelslid heeft gepresteerd : 1° in een dienst van de Staat of de diensten van Afrika;2° in een andere openbare dienst dan de diensten van de Staat of de diensten van Afrika, hetzij als burgerlijk of geestelijk titularis van een bezoldigd ambt met onvolledige prestaties, hetzij als beroepsmilitair. Voor de toepassing van de vorige alinea worden als beroepsmilitairen beschouwd : 1° de officieren van het actieve kader, de toegevoegde en hulpofficieren;2° de reserveofficieren die vrijwillige prestaties leveren met uitzondering van oefenprestaties;3° de beroepsonderofficieren, de tijdelijke en de toegevoegde onderofficieren;4° de militairen van de graad lager dan officier, die dienen op grond van een dienstverbintenis of hernieuwde dienstverbintenis;5° de aalmoezeniers van het actieve kader en de reserve-aalmoezeniers die in vredestijd in dienst worden gehouden om het tijdelijk kader van aalmoezeniers te vormen.»

Art. 2.Aan artikel 16 van hetzelfde besluit wordt een § 3 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 3. De werkelijke diensten die een personeelslid, onderdaan van een lid-Staat van de Europese Unie, heeft verstrekt of de tijd die het heeft doorgebracht in een lidstaat van de Europese Unie, met inbegrip van diensten verstrekt aan een Europese school, komen eveneens in aanmerking als die diensten of tijd kunnen worden gelijkgesteld met of onder vergelijkbare omstandigheden werden gepresteerd als de tijd of werkelijke diensten, bedoeld in de § 1 en § 2. »

Art. 3.De uitkering van wedden en weddentoelagen waarbij vóór 1 september 2004 rekening werd gehouden met diensten gepresteerd bij de Stichting Vlaamse Schoolsport of bij de sportfederaties heeft met betrekking tot de bezoldiging geen gevolgen voor de personeelsleden noch voor de inrichtende machten en is definitief verworven.

Art. 4.§ 1. Artikel 1 treedt in werking op 1 september 2004. § 2. Voor de vaststelling van de geldelijke anciënniteit van de personeelsleden, bedoeld in het decreet van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, treedt artikel 2 in werking op 1 januari 2005. Voor de onderdanen van landen die na 1 januari 2005 tot de Europese Unie toetreden, treedt artikel 2 in werking op de datum dat het land in kwestie tot de Unie toetreedt. § 3. Voor de niet in § 2 bedoelde personeelsleden heeft artikel 2 uitwerking met ingang van 1 september 1999. Voor de onderdanen van landen die na 1 september 1999 tot de Europese Unie toetreden, treedt artikel 2 in werking op de datum dat het land in kwestie tot de Unie toetreedt.

Art. 5.De Vlaamse minister, bevoegd voor het Onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 15 oktober 2004.

De minister-president van de Vlaamse Regering, Y. LETERME De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming, F. VANDENBROUCKE

^