Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 14 januari 2005
gepubliceerd op 24 februari 2005

Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn

bron
ministerie van de vlaamse gemeenschap
numac
2005035166
pub.
24/02/2005
prom.
14/01/2005
ELI
eli/besluit/2005/01/14/2005035166/staatsblad
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
Document Qrcode

14 JANUARI 2005. - Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 30 april 2004 tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn


De Vlaamse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op de artikelen 20 en 87;

Gelet op het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, inzonderheid op artikel 2, eerste lid;

Gelet op het decreet van 22 februari 1995 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren, inzonderheid op artikel 2, eerste lid;

Gelet op het decreet van 30 april 2004 tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn, inzonderheid op de artikelen 5, tweede lid, 6, § 2, tweede lid, 12, eerste lid, 15, tweede lid, en 17, §§ 7 en 8, eerste lid;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 1995 betreffende de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 juli 2000, 4 juli 2003, 14 mei 2004 en 11 juni 2004;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 1995 betreffende de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren, inzonderheid op artikel 1, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 2001;

Gelet op het ministerieel besluit van 21 december 2000 betreffende de aanwijzing van de ambtenaren belast met het toezicht en de controle op diverse maatregelen inzake werkgelegenheid;

Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 9 november 2004;

Gelet op het advies 37.930/1 van de Raad van State, gegeven op 28 december 2004, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° het decreet : het decreet van 30 april 2004 tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn;2° de minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid en de beroepsomscholing en -bijscholing;3° de sociaalrechtelijke inspecteurs : de ambtenaren, bedoeld in artikel 3, 10°, van het decreet;4° de legitimatiekaart : de legitimatiekaart, bedoeld in artikel 5 van het decreet;5° de administratieve geldboete : de administratieve geldboete, bedoeld in hoofdstuk III van het decreet;6° de centrale inspectieautoriteit : het afdelingshoofd van de afdeling Inspectie Werkgelegenheid van de administratie Werkgelegenheid van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. HOOFDSTUK II. - De legitimatiekaart

Art. 2.De legitimatiekaart vertoont de volgende kenmerken : 1° de legitimatiekaart heeft een lengte van 85 mm en een breedte van 53 mm;2° de legitimatiekaart is een gele kaart, geplastificeerd en met afgeronde hoeken.

Art. 3.De legitimatiekaart bevat de volgende opschriften : 1° op de voorzijde : a) het opschrift « ministerie van de Vlaamse Gemeenschap », met daaronder de titel « legitimatiekaart » en daaronder « sociaalrechtelijk inspecteur »;b) links bovenaan een pasfoto van de titularis van de legitimatiekaart, met een minimumgrootte van 20 mm op 30 mm;c) rechts bovenaan het logo van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;d) gecentreerd de voornaam en de achternaam van de titularis;e) rechts onderaan de gedrukte tekst : « (handtekening titularis) » en een ruimte voor de handtekening van de titularis;2° op de achterzijde : a) bovenaan : « Toezichthouder op de regelgeving, bedoeld in artikel 2 van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht.»; b) daaronder : « Ter uitvoering van artikel 5 van het decreet houdende sociaalrechtelijk toezicht, zullen de aangestelde overheden de betrokkene in deze hoedanigheid erkennen en hem hulp en bescherming verlenen bij de uitoefening van zijn ambt.»; c) onderaan de vermelding « De Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid en de beroepsomscholing en -bijscholing, (voor- en achternaam + handtekening), Brussel (datum van ondertekening) ».

Art. 4.De minister wijst de beëdigde sociaalrechtelijke inspecteurs, belast met de controle en het toezicht overeenkomstig het decreet, alsook de ambtenaren, bedoeld in artikel 7, nominatim aan.

Art. 5.Als aan zijn aanwijzing een einde komt, bezorgt de sociaalrechtelijk inspecteur de legitimatiekaart onmiddellijk terug aan de centrale inspectieautoriteit of aan de vervanger van het afdelingshoofd. Daarenboven moet het verlies van de legitimatiekaart onmiddellijk gemeld worden aan hetzelfde afdelingshoofd of zijn vervanger. HOOFDSTUK III. - Bepalingen over het opleggen van administratieve geldboeten

Art. 6.Bij de administratie Werkgelegenheid van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap wordt een cel Administratieve Geldboeten opgericht.

Art. 7.§ 1. Het hoofd van de cel Administratieve Geldboeten, minstens bekleed met de graad A2, is bevoegd voor het opleggen van een administratieve geldboete. Deze ambtenaar neemt tevens een exemplaar in ontvangst van de processen-verbaal, bedoeld in artikel 6, § 2, van het decreet. § 2. Als de ambtenaar, bedoeld in § 1, is verhinderd, zal hij worden vervangen door een ambtenaar die titularis is van een graad van ten minste rang A1. Deze ambtenaar heeft dezelfde prerogatieven als de ambtenaar, bedoeld in § 1.

Art. 8.De ambtenaren van de cel Administratieve Geldboeten, bedoeld in artikel 6, zorgen voor de kennisgeving, bedoeld in artikel 16, derde lid, van het decreet, alsook voor de mededeling, bedoeld in artikel 17, § 8, tweede lid, van het decreet.

Art. 9.De administratieve geldboete wordt betaald binnen een termijn van twee maanden na kennisgeving van de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.

Art. 10.De administratieve geldboete wordt voldaan door overschrijving op de centrale ontvangstrekening van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap door middel van het overschrijvingsformulier dat gevoegd is bij de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.

Het overschrijvingsformulier vermeldt het rekeningnummer en het adres van de centrale ontvangstrekening van het departement Economie, Werkgelegenheid, Binnenlandse Aangelegenheden en Landbouw van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de voor- en achternaam en het adres van de overtreder, het te betalen bedrag en een verwijzing naar het proces-verbaal. De cel Administratieve Geldboeten kent aan elk overschrijvingsformulier een uniek refertenummer toe.

Art. 11.Als de persoon, bedoeld in artikel 13 van het decreet, of het bureau, bedoeld in artikel 21 van het decreet, in gebreke blijft de administratieve geldboete te betalen binnen de in artikel 9 bedoelde termijn of na daartoe te zijn veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing van het arbeidsgerecht, zal ze worden ingevorderd door middel van een dwangbevel, betekend bij exploot van een gerechtsdeurwaarder. HOOFDSTUK IV. - Rapporteringen

Art. 12.De plaatselijke inspectiebureaus, bedoeld in artikel 12 van het decreet, rapporteren halfjaarlijks aan de centrale inspectieautoriteit hetzij op papier, hetzij op elektronische wijze.

Art. 13.Het verslag, bedoeld in artikel 35 van het decreet, bevat minstens de volgende onderwerpen : 1° de bezettingsgraad van de afdeling Inspectie Werkgelegenheid;2° het aantal uitgevoerde controles, met vermelding van het aantal bezochte werkgevers en opleidingscentra en de hierbij gecontroleerde werknemers of cursisten;3° het aantal opgestelde processen-verbaal en het aantal voorgestelde en getroffen maatregelen;4° de ingevorderde administratieve geldboeten;5° de nog te innen administratieve geldboeten;6° een rapportering en evaluatie, inclusief een voorstel met betrekking tot de wijze van optreden, de bevoegdheden en de samenwerking en uitwisseling van informatie met andere instanties. HOOFDSTUK V. - Wijzigings- en slotbepalingen

Art. 14.Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 1995 betreffende de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor het Vlaamse Gewest en de instellingen die eronder ressorteren, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 juli 2000, 4 juli 2003, 14 mei 2004 en 11 juni 2004, wordt een punt 7° toegevoegd, dat luidt als volgt : « 7° de werkgelegenheid. »

Art. 15.Artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 1995 betreffende de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen voor de Vlaamse Gemeenschap en de instellingen die eronder ressorteren, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 2001, wordt vervangen door wat volgt : «

Artikel 1.De onbetwiste en opeisbare niet-fiscale schuldvorderingen inzake salarissen, toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, alsook de administratieve geldboeten, opgenomen in artikel 116septies, § 1, 4°, van de gecoördineerde decreten van 25 januari 1995 betreffende de radio-omroep en de televisie, alsook de administratieve geldboeten met de eventuele invorderingskosten, opgenomen in hoofdstuk III van het decreet van 30 april 2004 tot uniformisering van de toezichts-, sanctie- en strafbepalingen die zijn opgenomen in de regelgeving van de sociaalrechtelijke aangelegenheden, waarvoor de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest bevoegd zijn, worden ingevorderd door ambtenaren van de administratie Budgettering, Accounting en Financieel Management van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. »

Art. 16.Het ministerieel besluit van 21 december 2000 betreffende de aanwijzing van de ambtenaren belast met het toezicht en de controle op diverse maatregelen inzake werkgelegenheid, wordt opgeheven.

Art. 17.Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Brussel, 14 januari 2005.

De minister-president van de Vlaamse Regering, Y. LETERME De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming, F. VANDENBROUCKE

^