Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 13 januari 2017
gepubliceerd op 10 februari 2017

Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels voor de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging, vermeld in artikel 4.1.4, § 2, derde lid, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid

bron
vlaamse overheid
numac
2017010481
pub.
10/02/2017
prom.
13/01/2017
ELI
eli/besluit/2017/01/13/2017010481/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

13 JANUARI 2017. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van nadere regels voor de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging, vermeld in artikel 4.1.4, § 2, derde lid, van het decreet van 27 maart 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/03/2009 pub. 15/05/2009 numac 2009035411 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het grond- en pandenbeleid sluiten betreffende het grond- en pandenbeleid


DE VLAAMSE REGERING, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;

Gelet op het decreet van 27 maart 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/03/2009 pub. 15/05/2009 numac 2009035411 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het grond- en pandenbeleid sluiten betreffende het grond- en pandenbeleid, artikel 4.1.4, § 1, gewijzigd bij de decreten van 23 december 2011, 31 mei 2013 en 14 oktober 2016, § 2, derde lid, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2010 en 14 oktober 2016, en vierde lid, gewijzigd bij het decreet van 23 december 2011Relevante gevonden documenten type decreet prom. 23/12/2011 pub. 27/01/2012 numac 2012035076 bron vlaamse overheid Decreet houdende wijziging van diverse bepalingen van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid en van diverse bepalingen van andere decreten die betrekking hebben op het grond- en pandenbeleid type decreet prom. 23/12/2011 pub. 20/07/2012 numac 2012035647 bron vlaamse overheid Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2012 type decreet prom. 23/12/2011 pub. 30/12/2011 numac 2011036079 bron vlaamse overheid Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2012 type decreet prom. 23/12/2011 pub. 28/02/2012 numac 2012035118 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen sluiten;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 17 juni 2016;

Gelet op het advies van de Vlaamse Woonraad, gegeven op 8 september 2016;

Gelet op advies 60.569/3 van de Raad van State, gegeven op 22 december 2016, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder: 1° agentschap: het agentschap Wonen-Vlaanderen van het Vlaams Ministerie van Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 16/12/2005 pub. 29/12/2005 numac 2005036645 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering houdende uitvoering van het decreet van 27 maart 1991 inzake medisch verantwoorde sportbeoefening type besluit van de vlaamse regering prom. 16/12/2005 pub. 04/04/2006 numac 2006035176 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van de criteria, de voorwaarden en de nadere regelen volgens welke subsidies worden verleend aan het VESOC-actieplan voor acties met betrekking tot de man - vrouwproblematiek sluiten;2° decreet Grond- en Pandenbeleid: het decreet van 27 maart 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 27/03/2009 pub. 15/05/2009 numac 2009035411 bron vlaamse overheid Decreet betreffende het grond- en pandenbeleid sluiten betreffende het grond- en pandenbeleid;3° minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor de huisvesting; 4° specifieke inhaalbeweging: de specifieke inhaalbeweging, vermeld in artikel 4.1.4, § 2, eerste lid, van het decreet Grond- en Pandenbeleid.

Art. 2.De minister kan een gemeente geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de specifieke inhaalbeweging onder de voorwaarden en volgens de procedure, vermeld in dit besluit. HOOFDSTUK 2. - Procedure voor de aanvraag en beoordeling van een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging

Art. 3.Een gemeente die een specifieke inhaalbeweging moet realiseren, kan met een beveiligde zending een aanvraag tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging indienen bij het agentschap.

In het eerste lid wordt verstaan onder beveiligde zending: een van de volgende betekeningswijzen: 1° een aangetekende brief;2° een afgifte tegen ontvangstbewijs;3° een elektronische aangetekende zending;4° elke andere betekeniswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld en die door de minister wordt bepaald.

Art. 4.De aanvraag tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging bevat het wetenschappelijk onderbouwde dossier, vermeld in artikel 4.1.4, § 2, derde lid, van het decreet Grond- en Pandenbeleid.

Art. 5.Binnen een termijn van een maand vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag deelt het agentschap de gemeente schriftelijk mee of de aanvraag ontvankelijk is en, in voorkomend geval, op welke wijze de aanvraag moet worden aangepast om ontvankelijk te zijn.

Nadat een aanvraag ontvankelijk is verklaard, oordeelt het agentschap of de aanvraag voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.1.4, § 2, derde lid, van het decreet Grond- en Pandenbeleid en in dit besluit. Het agentschap legt het dossier voor aan de minister.

Binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum waarop de aanvraag ontvankelijk wordt verklaard, neemt de minister een beslissing over de aanvraag tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging.

Als de minister binnen de termijn, vermeld in het derde lid, geen beslissing neemt, wordt de aanvraag geacht te zijn goedgekeurd.

Het agentschap brengt de gemeente schriftelijk op de hoogte van de beslissing over de aanvraag, vermeld in het derde lid, en van het gebrek aan een beslissing binnen de termijn, vermeld in het vierde lid. HOOFDSTUK 3. - Criteria voor de beoordeling van de aanvraag tot gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke inhaalbeweging Afdeling 1. - Gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke

inhaalbeweging conform artikel 4.1.4, § 2, derde lid, 1°, van het decreet Grond- en Pandenbeleid

Art. 6.De minister kan de gemeente die aantoont dat voldaan is aan het criterium, vermeld in artikel 4.1.4, § 2, derde lid, 1°, van het decreet Grond- en Pandenbeleid, geheel vrijstellen van de specifieke inhaalbeweging.

De minister kan de gemeente die op de wijze, vermeld in artikel 4.1.4, § 2, derde lid, 1°, van het voormelde decreet, aantoont dat de specifieke inhaalbeweging niet volledig kan worden gerealiseerd, gedeeltelijk vrijstellen van de specifieke inhaalbeweging.

In afwijking van het eerste en het tweede lid kan de minister een gemeente niet geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de specifieke inhaalbeweging als de gemeente geen actieprogramma als vermeld in artikel 4.1.7 van het voormelde decreet, heeft vastgesteld. Afdeling 2. - Gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de specifieke

inhaalbeweging conform artikel 4.1.4, § 2, derde lid, 2°, van het decreet Grond- en Pandenbeleid

Art. 7.De minister kan de gemeente die aantoont dat voldaan is aan het criterium, vermeld in artikel 4.1.4, § 2, derde lid, 2°, van het decreet Grond- en Pandenbeleid, geheel vrijstellen van de specifieke inhaalbeweging. Afdeling 3. - Vermindering van de specifieke inhaalbeweging conform

artikel 4.1.4, § 2, derde lid, 3°, van het decreet Grond- en Pandenbeleid Onderafdeling 1. - Woningen en voorzieningen die bestemd zijn voor het begeleid wonen van jongeren, en opvangtehuizen voor daklozen, ex-gedetineerden en ex-psychiatrische patiënten

Art. 8.De minister kan de gemeente die aantoont dat op haar grondgebied woningen of voorzieningen als vermeld in artikel 4.1.4, § 2, derde lid, 3°, a), van het decreet Grond- en Pandenbeleid aanwezig zijn, overeenkomstig artikel 4.1.4, § 2, vierde lid, van het voormelde decreet een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met maximaal de helft verlenen.

Die vermindering bedraagt één te verwezenlijken sociale huurwoning per vijftien woningen, vermeld in het eerste lid, of per vijftien opvangplaatsen in voorzieningen, vermeld in het eerste lid.

Onderafdeling 2. - Open en gesloten asielcentra

Art. 9.§ 1. De minister kan de gemeente die aantoont dat op haar grondgebied een open asielcentrum aanwezig is, overeenkomstig artikel 4.1.4, § 2, vierde lid, van het decreet Grond- en Pandenbeleid een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met maximaal de helft verlenen.

Die vermindering bedraagt één te verwezenlijken sociale huurwoning per vijftien opvangplaatsen in het open asielcentrum, vermeld in het eerste lid.

In afwijking van het eerste lid kan de minister de gemeente die aantoont dat op haar grondgebied een open asielcentrum met ten minste tweehonderd opvangplaatsen aanwezig is, overeenkomstig artikel 4.1.4, § 2, vierde lid, van het decreet Grond- en Pandenbeleid een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met meer dan de helft verlenen. § 2. De minister kan de gemeente die aantoont dat op haar grondgebied een gesloten asielcentrum aanwezig is, een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met maximaal een vierde verlenen.

Die vermindering bedraagt één te verwezenlijken sociale huurwoning per vijftien opvangplaatsen in het gesloten asielcentrum, vermeld in het eerste lid.

Onderafdeling 3. - Doortrekkersterreinen en residentiële terreinen voor woonwagenbewoners

Art. 10.In dit artikel wordt verstaan onder: 1° doortrekkersterrein : een terrein als vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 28 maart 2014Relevante gevonden documenten type decreet prom. 28/03/2014 pub. 19/06/2014 numac 2014202522 bron vlaamse overheid Decreet houdende een subsidie voor investeringen in residentiële woonwagenterreinen en doortrekkersterreinen voor woonwagenbewoners sluiten houdende een subsidie voor investeringen in residentiële woonwagenterreinen en doortrekkersterreinen voor woonwagenbewoners;2° residentieel woonwagenterrein: een terrein als vermeld in artikel 2, 3°, van het voormelde decreet. De minister kan de gemeente die aantoont dat op haar grondgebied een of meer doortrekkersterreinen of residentiële woonwagenterreinen aanwezig zijn, overeenkomstig artikel 4.1.4, § 2, vierde lid, van het decreet Grond- en Pandenbeleid een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met maximaal de helft verlenen.

De vermindering bedraagt één te verwezenlijken sociale huurwoning per tien standplaatsen op het doortrekkersterrein.

De vermindering bedraagt één te verwezenlijken sociale huurwoning per standplaats op het residentiële woonwagenterrein. Afdeling 4. - Vermindering van de specifieke inhaalbeweging conform

artikel 4.1.4, § 2, derde lid, 4°, van het decreet Grond- en Pandenbeleid

Art. 11.De minister kan de gemeente die aantoont dat op haar grondgebied een of meer huurwoningen als vermeld in artikel 4.1.4, § 2, derde lid, 4°, a), van het decreet Grond- en Pandenbeleid, aanwezig zijn, overeenkomstig artikel 4.1.4, § 2, vierde lid, van het voormelde decreet een vermindering van de specifieke inhaalbeweging met maximaal de helft verlenen.

Die vermindering bedraagt één te verwezenlijken sociale huurwoning per huurwoning, vermeld in het eerste lid.

Een huurwoning als vermeld in het eerste lid, die leidt tot een vermindering van de specifieke inhaalbeweging van de gemeente waar de woning ligt, telt niet mee voor het bindend sociaal objectief van de gemeente in kwestie, ook al wordt de woning later overgedragen of in beheer gegeven aan een andere sociale woonorganisatie of aan een ander openbaar bestuur dat actief is in de gemeente. HOOFDSTUK 4. - Slotbepaling

Art. 12.De Vlaamse minister, bevoegd voor de huisvesting, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 13 januari 2017.

De minister-president van de Vlaamse Regering, Geert BOURGEOIS De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke kansen en Armoedebestrijding Liesbeth HOMANS

^