Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 09 januari 2009
gepubliceerd op 26 februari 2009

Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de nadere regels betreffende de subsidiëring van projecten in het kader van het Rubiconfonds in het begrotingsjaar 2009

bron
vlaamse overheid
numac
2009035163
pub.
26/02/2009
prom.
09/01/2009
ELI
eli/besluit/2009/01/09/2009035163/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

9 JANUARI 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de nadere regels betreffende de subsidiëring van projecten in het kader van het Rubiconfonds in het begrotingsjaar 2009


De Vlaamse Regering, Gelet op het decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003, artikel 32;

Gelet op het begrotingsakkoord van 17 juni 2008;

Gelet op het advies nr. 45.491/1 van de Raad van State, gegeven op 11 december 2008, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° begunstigde : de ontvanger van de toegekende subsidie;2° bekkenbestuur : het bestuur van bekken zoals opgericht bij artikel 26 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid;3° bestuur : gemeenten, gemeentebedrijven, intercommunales, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, de door hen aangestelde werkmaatschappijen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2001 met betrekking tot de distributienetbeheerders voor elektriciteit of het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2002 houdende de organisatie van de aardgasmarkt, provincies, polders, wateringen en ruilverkavelingscomités;4° CIW : Coördinatiecommissie Integraal Waterbeleid, opgericht bij artikel 25 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid;5° het decreet : het decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003;6° DuLo-Waterplan : plan voor een deelbekken waarin een brongerichte aanpak met betrekking tot het remediëren en voorkomen van wateroverlast in functie van de bestemming van het gebied, waterverontreiniging, aantasting van het natuurlijk milieu van het watersysteem verdroging en erosie beschreven wordt, zoals bepaald in de samenwerkingsovereenkomst Milieu als opstap naar duurzame ontwikkeling 2002-2004 tussen het Vlaams Gewest en de gemeenten, goedgekeurd door de Vlaamse Regering op 19 december 2001. 7° kleinschalige investeringswerken : investeringswerken voor een minimumbedrag van euro 100.000 aan subsidiabele kosten en een maximumbedrag van euro 1.000.000 aan subsidiabele kosten; 8° NTMB : natuurtechnische milieubouw;9° de minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening;10° project : kleinschalige investeringswerken uitgevoerd door een bestuur of door de Vlaamse Landmaatschappij, of door de Vlaamse Landmaatschappij in samenwerking met een bestuur, voor zover er voor die kleinschalige investeringswerken geen overheidssubsidies van een andere instelling dan het Rubiconfonds worden ontvangen;11° projectsubsidie : de subsidie die voortvloeit uit het project;12° Rubiconfonds : de Vlaamse openbare instelling, opgericht bij het decreet van 27 juni 2003;13° de subsidiabele kosten : de totale projectkosten die voor een subsidie in het kader van dit besluit in aanmerking komen, voor zover die kosten door het bestuur gegund werden na 1 april van het begrotingsjaar waarin de aanvraag werd ingediend of, in het geval van grondverwerving, voor zover de aankoopakte maximaal drie jaar voor 1 april van het begrotingsjaar waarin de aanvraag werd ingediend verleden werd.De kosten voor voorbereidend studiewerk komen niet in aanmerking voor subsidie; 14° toegekende subsidie : het bedrag van de projectsubsidie dat maximaal kan worden uitbetaald als voldaan is aan alle voorwaarden van dit besluit en van de subsidiebeslissing;15° vitale openbare nutsvoorzieningen : distributie-installaties voor gas, elektriciteit, telecommunicatie, politie, brandweer en medische faciliteiten;16° Vlaamse Landmaatschappij : het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap, vermeld in het decreet van 21 december 1988 houdende oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij;17° Waterschap : het samenwerkingsverband, vermeld in artikelen 30 en 31 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid. HOOFDSTUK II. - Aanvraag

Art. 2.§ 1. De minister doet, binnen de begrotingskredieten voor het begrotingsjaar 2009, uiterlijk op 1 januari 2009 een oproep tot het indienen van aanvragen tot subsidiëring voor de projecten, vermeld in artikel 1, 10° dit besluit. Het bestuur zoals vermeld in artikel 1 kan tussen 3 februari 2009 en 25 maart 2009, een aanvraag tot subsidiëring indienen voor de projecten, vermeld in artikel 1, 10° van dit besluit. § 2. De projecten hebben betrekking op de kleinschalige investeringswerken als vermeld in artikel 30, 1° en 2° van het decreet van 27 juni 2003 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2003, voor zover zij betrekking hebben op : 1° grondverwerving die noodzakelijk is om de infrastructuurwerken te kunnen uitvoeren;2° infrastructuurwerken;3° werkzaamheden tot aanleg of aanpassing van de rechtstreekse toegang tot de infrastructuurwerken, vermeld in punt 2°;4° de bijbehorende werkzaamheden van natuurtechnische milieubouw bij infrastructuurwerken, vermeld in punt 2°. § 3. Elke aanvraag van subsidie wordt in één exemplaar ingediend bij de CIW volgens het model dat als bijlage bij het besluit is gevoegd.

De aanvraag moet verder alle gegevens vermelden of toevoegen die voor de evaluatie van het project relevant zijn. Tenminste het aanvraagformulier volgens het model in bijlage en de kostenraming van het project worden tevens digitaal bezorgd aan de CIW hetzij per e-mail, hetzij op digitale drager. § 4. De CIW moet de gegevens, vermeld in § 3, die ze als relevant beschouwt voor de beoordeling van de aanvraag, maar die niet spontaan door de aanvrager werden ingediend, zelf opvragen binnen een periode van 14 kalenderdagen vanaf de ontvangst van de aanvraag. De aanvrager voldoet daaraan binnen een periode van 30 kalenderdagen vanaf de ontvangst van de aanvraag van de CIW voor bijkomende aanvullende informatie.

Naast de gegevens, vermeld in § 3, kan de CIW bovendien alle aanvullende inlichtingen vragen die zij nodig acht om de aanvraag te beoordelen. De CIW kan de aanvragers vragen om de aanvraag toe te lichten.

Art. 3.§ 1. De CIW bezorgt de ontvankelijk verklaarde aanvragen aan de minister en brengt advies uit aan de minister voor 29 juli 2009. § 2. De CIW bezorgt de minister tegelijkertijd ook een gemotiveerd overzicht van de aanvragen die de CIW niet-ontvankelijk verklaard heeft. Het advies van de CIW aan de minister omvat een gemotiveerde bespreking van de ingediende aanvragen, een opgave van de subsidiabele kosten, een geclusterd en gerangschikt voorstel van de te selecteren projecten en een voorstel van verdeling van de subsidies over de geselecteerde projecten, in acht genomen artikelen 4 tot en met 8.

De CIW kan adviseren een gedeelte van de kosten van een project dat voor subsidie in aanmerking komt, als niet subsidiabel te beschouwen.

De CIW kan adviseren voorwaarden op te leggen bij de uitvoering van het project om in aanmerking te komen voor subsidiëring De voorzitter van de CIW kan de aanvrager uitnodigen om zijn aanvraag mondeling te komen toelichten.

HOOFSTUK III. - Selectie- en toekenningscriteria Afdeling I. - Selectiecriteria

Art. 4.Projecten die in relatie staan tot of uitvoering geven aan één of meerdere van de onderstaande plannen, komen in aanmerking voor subsidiëring : 1° een door de Vlaamse Regering vastgesteld bekkenbeheerplan of deelbekkenbeheerplan;2° een goedgekeurd waterhuishoudingsplan;3° een door de gemeenteraad of provincieraad goedgekeurd DuLo-Waterplan in uitvoering van de Cluster Water van de Samenwerkingsovereenkomst « Milieu als opstap naar Duurzame Ontwikkeling ». Projecten die minder dan twee jaar voor de goedkeuring van de bekkenbeheer- en deelbekkenbeheerplannen door het bekkenbestuur opgemaakt werden en geen uitvoering geven aan één of meerdere van de plannen vermeld in het eerste lid, komen in aanmerking indien zij aan minstens één van de onderstaande voorwaarden voldoen : 1° het project is opgenomen in het Bekkenvoortgangsrapport als uit te voeren actie;2° het betrokken Waterschap heeft een gunstig advies gegeven over het project. Afdeling II. - Toekenningscriteria

Art. 5.De aanvragen worden beoordeeld op basis van drie gelijkwaardige toekenningscriteria. De beoordeling maakt het mogelijk de aanvragen te rangschikken naar volgorde van in aanmerking komend voor subsidie. Een aanvraag wordt hoger gewaardeerd naarmate het project positiever bijdraagt aan de toekenningscriteria, vermeld in artikelen 6, 7 en 8.

Art. 6.Het eerste toekenningscriterium is de mate waarin het project aansluit op de doelstellingen, vermeld in artikel 5, eerste lid, 4°, 5°, 6°, a) tot en met d), 9° en 10°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid : Projecten die negatief scoren op een of meerdere van de doelstellingen van het integraal waterbeleid, vermeld in het eerste lid, zelfs als de score op een of meer van de andere doelstellingen, vermeld in het eerste lid, positief is, krijgen voor dit toekenningscriterium een relatief lagere score dan projecten die neutraal of positief scoren op alle doelstellingen, vermeld in het eerste lid.

Art. 7.§ 1. Het tweede toekenningscriterium is de noodzaak, snelle uitvoerbaarheid en kostenefficiëntie van het project.

De noodzaak van een project wordt afgewogen op basis van het terugdringen van de risico's op overstromingen die de veiligheid aantasten van de vergunde of vergund geachte woningen, bedrijfsgebouwen en vitale nutsvoorzieningen, gelegen buiten overstromingsgebieden.

De beveiligingsgraad wordt bepaald aan de hand van het aantal vergunde of vergund geachte woningen, bedrijfsgebouwen en vitale openbare nutsvoorzieningen dat beschermd wordt en aan de hand van de beperking van de economische schade door uitvoering van het project. De aanvrager moet dat aantonen aan de hand van twee kaarten waarin enerzijds het overstromingsrisico in de toestand zonder uitvoering van het project en anderzijds het overstromingsrisico in de toestand na uitvoering van het project worden weergegeven.

Bij de afweging van projecten wordt niet alleen het absoluut aantal vergunde of vergund geachte woningen, bedrijfsgebouwen en vitale openbare nutsvoorzieningen, gelegen buiten de natuurlijke overstromingsgebieden, dat gevrijwaard wordt van overstroming bekeken, ook de kostenefficiëntie van het project wordt in rekening gebracht.

Voor de uitvoerbaarheid van het project wordt nagegaan of in alle redelijkheid kan worden aangenomen dat het project binnen de termijn, vermeld in artikel 12, § 2, van het besluit kan worden uitgevoerd. § 2. Bij de aanvragen waarvan de subsidiabele kosten voor 50 % of meer bestaan uit riolerings- of bestratingskosten, wordt de beoordeling voor het toekenningscriterium, vermeld in § 1, gehalveerd.

Art. 8.Het derde toekenningscriterium is de mate waarin maatregelen van NTMB in het project worden geïntegreerd.

De beoordeling gebeurt op basis van de volgende criteria : 1° de integrale aanpak : dat is de combinatie van meerdere ecologische maatregelen om in één project verschillende watergerelateerde knelpunten samen op te lossen, bij voorkeur in overleg met de verschillende betrokken sectoren;2° de correcte toepassing van methoden, beschreven in het 'Vademecum Natuurtechniek : inrichting en beheer van waterlopen' van het vroegere departement Leefmilieu en Infrastructuur (Brussel, 1994) en het 'Vademecum Natuurtechniek : inrichting en beheer van wegen' van het vroegere departement Leefmilieu en Infrastructuur (Brussel, 1996).In die vademecums Natuurtechniek wordt voor de hieronder vermelde subcriteria een prioritering voorgesteld, waarbij rekening gehouden moet worden met de lokale omstandigheden. Die prioritering wordt ook gehanteerd bij de beoordeling van : a) aandacht voor gebruik van milieu- en natuurtechnische (oeverbeschermings)materialen;b) aandacht voor aanleg van gepast oeverprofiel;c) aandacht voor spontane vegetatieontwikkeling op de oevers;d) aandacht voor aangepaste wegbekleding bij de inrichting van de toegangsweg;3° het projectverloop.Ook bij dit criterium worden een aantal subcriteria afzonderlijk beoordeeld : a) aandacht voor milieu en natuur bij ontwerp;b) aandacht voor milieu en natuur bij uitvoering;c) aandacht voor natuurvriendelijk beheer;4° de aandacht voor ontsnippering;5° de mogelijkheden voor waterberging;6° de variatie in natuurtechnische milieubouwoplossingen binnen één project;7° de landschappelijke inpassing van het project;8° de aandacht voor vismigratie;9° de sensibiliserende en/of educatieve waarde. HOOFDSTUK IV. - Toekenning en voorwaarden van de subsidies

Art. 9.§ 1. Binnen de begrotingskredieten voor het begrotingsjaar 2009 beslist de minister uiterlijk op 1 september 2009, op voorstel van de CIW, over de aanvragen die in aanmerking komen voor een projectsubsidie, over het bedrag van de toegekende subsidie en de aan de toekenning verbonden voorwaarden voor uitvoering. § 2. Elke beslissing tot toekenning van de subsidie moet in het beschikkende gedeelte duidelijk melding maken van : 1° de begunstigde;in voorkomend geval, het samenwerkingsverband waarin de begunstigde of begunstigden actief zijn; 2° de omschrijving van het project waarvoor de projectsubsidie wordt toegekend;3° het bedrag van de toegekende subsidie, met behoud van de toepassing van artikel 10;4° de aan de toekenning verbonden voorwaarden voor de uitvoering;5° de betalingsvoorwaarden, met behoud van de toepassing van artikel 11; De minister bezorgt de beslissing aan het Rubiconfonds, dat zorgt voor de verdere financiële afhandeling, en aan de CIW. De CIW deelt de beslissing van de minister binnen 15 dagen mee aan het bestuur.

Art. 10.De subsidie bedraagt 50 % van de subsidiabele kosten van het project.

Voor projecten inzake kleinschalige investeringswerken, uitgevoerd in het kader van de ruilverkaveling, de landinrichting en de natuurinrichting, bedraagt de subsidie, in afwijking van het cumulatieverbod overeenkomstig artikel 1, 10°, 50 % van het bedrag dat overblijft nadat de totale subsidiabele kosten werden in mindering gebracht met de subsidie voor voornoemde projecten, verleend door het Vlaamse Gewest, overeenkomstig de subsidiebesluiten inzake ruilverkaveling, landinrichting en natuurinrichting.

Art. 11.§ 1. De begunstigde kan een voorschot van maximaal 80 % van de toegekende subsidie op basis van het definitief aanvaarde aanvraagdossier krijgen, bij uitvoering van 20 % van de subsidieerbare werkzaamheden. § 2. De begunstigde dient daarvoor bij de CIW in twee exemplaren een aanvraag tot conformiteitsattest in na uitvoering van 20 % van de subsidieerbare werkzaamheden.

De aanvraag moet minstens de vorderingsstaat te bevatten waaruit blijkt dat 20 % van de subsidieerbare werkzaamheden is uitgevoerd.

De CIW bezorgt, binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van de aanvraag, het conformiteitsattest aan het Rubiconfonds.

Het Rubiconfonds betaalt het voorschot binnen 45 kalenderdagen na ontvangst van het conformiteitsattest uit.

Art. 12.§ 1. Het saldo van de subsidie wordt uitbetaald op basis van de goedgekeurde eindafrekening, in die zin dat het bedrag van de subsidie niet hoger kan zijn dan de subsidie die bij definitieve aanvaarding van het aanvraagdossier werd goedgekeurd. § 2. Daarvoor moet de begunstigde binnen de drie jaar na de toekenning van de subsidie de eindafrekening in twee exemplaren aan de CIW bezorgen. De CIW kan die periode, na beoordeling van de gemotiveerde aanvraag, verlengen met maximaal 180 kalenderdagen.

De eindafrekening moet onder meer de volgende documenten en gegevens bevatten : 1° het proces-verbaal van voorlopige oplevering;2° de eindstaat;3° de eventuele verrekeningen, bijakten en bijwerken;4° de facturen van alle vorderingsstaten en alle betaalbewijzen;5° een overzicht per vorderingsstaat (met vermelding van het bedrag, de eventuele herziening, de btw, de eventuele boetes);6° het borgstellingsbewijs;7° een overzichtstabel van de gebruikte materialen en een overzicht van de afgeleverde attesten en keuringsverslagen;8° een overzicht van de uitvoeringstermijn;9° de saldoberekening. § 3. De CIW controleert de conformiteit van de uitgevoerde werkzaamheden met de gegevens van het aanvraagdossier en de beslissing van de minister tot toekenning van de subsidie, en levert binnen 60 kalenderdagen na ontvangst van het eindafrekeningsdossier een definitief advies af aan het Rubiconfonds. § 4. Het Rubiconfonds betaalt het saldo van de subsidie aan de begunstigde uit binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van het advies van de CIW. Als de kostprijs van de uitgevoerde subsidieerbare werkzaamheden lager is dan de aanvaarde raming van de kosten, dan wordt de subsidie verminderd tot 50 % van de kostprijs van de subsidieerbare werkzaamheden. In dat geval wordt de vastlegging ten laste van het Rubiconfonds verminderd. HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen

Art. 13.Dit besluit treedt in werking op 1 december 2008.

Art. 14.De Vlaamse minister, bevoegd voor de ruimtelijke ordening, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 9 januari 2009.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Viceminister-president van de Vlaamse Regering en Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, D. VAN MECHELEN Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

^