Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 06 januari 2009
gepubliceerd op 14 januari 2009

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering

bron
vlaamse overheid
numac
2009035016
pub.
14/01/2009
prom.
06/01/2009
ELI
eli/besluit/2009/01/06/2009035016/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

6 JANUARI 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering


De Vlaamse Regering, Gelet op het bijzonder decreet van 7 juli 2006 over de Vlaamse instellingen, artikel 21 en 22;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 oktober 2004, 23 december 2005, 19 mei 2006, 30 juni 2006, 1 september 2006, 15 juni 2007, 28 juni 2007, 10 oktober 2007, 14 november 2007, 5 september 2008, 22 september 2008 en 6 januari 2009;

Op voorstel van de minister-president van de Vlaamse Regering;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.Artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 27 juli 2004 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 15 oktober 2004, 23 december 2005, 19 mei 2006, 28 juni 2007, 10 oktober 2007, 22 september 2008 en 6 januari 2009, wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 3.§ 1. De heer Kris Peeters, voorzitter van de Vlaamse Regering, draagt de titel : « minister-president van de Vlaamse Regering ».

Hij is bevoegd voor : 1° het algemeen Regeringsbeleid, met inbegrip van : a) de algemene leiding van relaties met andere overheden;b) het beleid op Regeringsniveau voor maatschappelijk gerichte beleidsinitiatieven of projecten die beleidsdomeinen overstijgen. Het betreft : 1) de publiek-private samenwerking;2) de toekomstvisie voor Vlaanderen en het project Vlaanderen in actie;3) duurzame ontwikkeling;4) globalisering;5) informatiemaatschappij;c) het beleid voor de volgende organisatiegerichte beleidsitems : 1) de werking van de Vlaamse Regering;2) de planning en de statistiek;3) het protocol;4) het gebruik van de talen in de diensten van de Vlaamse Regering en de instellingen en rechtspersonen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest;5) de uitbouw van een geografische informatie infrastructuur;2° het algemeen communicatiebeleid, zowel intern als extern, met inbegrip van het informatiemanagement;3° de interne audit van de diensten van de Vlaamse Regering en de instellingen en rechtspersonen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest;4° de coördinatie van het algemeen begrotingsbeleid in samenwerking met het lid van de Vlaamse Regering, bevoegd voor de Financiën en Begroting;5° de coördinatie van de werking van het Vlaams overheidsapparaat in samenwerking met het lid van de Vlaamse Regering, bevoegd voor de Bestuurszaken. § 2. De heer Kris Peeters, lid van de Vlaamse Regering, is bevoegd voor : 1° de staatshervorming en de institutionele aangelegenheden;2° het landbouwbeleid en de zeevisserij, vermeld in artikel 6, § 1, V, van de bijzondere wet, met inbegrip van : a) de land- en tuinbouwvorming in het kader van beroepsomscholing en -bijscholing, vermeld in artikel 4, 16°, van de bijzondere wet;b) het afzet- en uitvoerbeleid van landbouw-, tuinbouw- en visserijproducten;3° het plattelandsbeleid;4° de openbare werken vermeld in artikel 6, § 1, X, 3°, 4° en 9°, met name : a) de havens en hun aanhorigheden, met inbegrip van de Scheldeverdieping;b) de zeewering;c) de loodsdiensten en de bebakeningsdiensten van en naar de havens, alsook de reddings- en sleepdiensten op zee.5° het buitenlands beleid en de Europese aangelegenheden;6° de ontwikkelingssamenwerking;7° het algemeen beleid inzake personeel en organisatieontwikkeling in de diensten van de Vlaamse Regering en de instellingen en rechtspersonen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest;8° het algemeen beleid inzake de facilitaire dienstverlening en het vastgoedbeheer in de diensten van de Vlaamse Regering en de instellingen en rechtspersonen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest;9° het algemeen beleid inzake informatie- en communicatietechnologie in de diensten van de Vlaamse Regering en de instellingen en rechtspersonen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest;10° het reguleringsmanagement, de administratieve vereenvoudiging en het e-government;11° de gewestelijke aspecten inzake de overheidsopdrachten en de erkenning van aannemers;12° het mediabeleid, met inbegrip van de radio-omroep en de televisie en de hulp aan de geschreven pers, vermeld in artikel 4, 6° en 6°bis, van de bijzondere wet met inbegrip van de media-innovatie en het digitaal actieplan Vlaanderen;13° het toerisme, vermeld in artikel 4, 10°, van de bijzondere wet, met inbegrip van de vestigingsvoorwaarden. Uit hoofde van de hem toegewezen bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, draagt hij de titel « Vlaams minister van Institutionele Hervormingen, Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media, Toerisme, Havens, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid ». § 3. De heer Dirk Van Mechelen, viceminister-president van de Vlaamse Regering, is bevoegd voor : 1° de financiën en de begrotingen, met inbegrip van : a) het kas-, schuld- en waarborgbeheer;b) het vermogensbeheer;c) de algemene boekhouding;2° de fiscaliteit;3° de gewestelijke aspecten van het kredietbeleid, met inbegrip van de oprichting en het beheer van openbare kredietinstellingen, vermeld in artikel 6, § 1, VI, 2°, van de bijzondere wet;4° het economisch overheidsinstrumentarium;5° de ruimtelijke ordening, vermeld in artikel 6, § 1, I, 1°, 2°, 4°, 5°, 6° en 7°, van de bijzondere wet : a) de stedenbouw en de ruimtelijke ordening;b) de rooiplannen van de gemeentewegen;c) de stadsvernieuwing;d) de vernieuwing van afgedankte bedrijfsruimten;e) het grondbeleid;f) de monumenten en de landschappen, alsook het archeologisch patrimonium en het varend erfgoed. Hij oefent het budgettair, financieel en boekhoudkundig toezicht uit op de diensten, instellingen en rechtspersonen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap of het Vlaamse Gewest.

Uit hoofde van de hem toegewezen bevoegdheden, vermeld in het eerste en tweede lid, draagt hij de titel « Vlaams minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening ». § 4. De heer Frank Vandenbroucke, viceminister-president van de Vlaamse Regering, is bevoegd voor : 1° het tewerkstellingsbeleid, vermeld in artikel 6, § 1, IX, van de bijzondere wet, met inbegrip van het tewerkstellingsbeleid van mindervaliden maar met uitzondering van de beschutte werkplaatsen;2° de beroepsomscholing en -bijscholing, zoals vermeld in artikel 4, 16°, van de bijzondere wet, met uitzondering van de land- en tuinbouwvorming, alsook de beroepsopleiding, de omscholing en de herscholing van mindervaliden, vermeld in artikel 5, § 1, II, 4°, van de bijzondere wet;3° het onderwijs, vermeld in artikel 127, § 1, eerste lid, 2°, van de Grondwet;4° het Bijzonder Onderzoeksfonds en het projectmatig wetenschappelijk onderzoek door de hogescholen, met dien verstande dat deze bevoegdheid wordt gedeeld met het lid van de Vlaamse Regering dat bevoegd is voor het wetenschappelijk onderzoek;5° de voorschoolse vorming in de peutertuinen, vermeld in artikel 4, 11°, van de bijzondere wet;6° de post- en parascolaire vorming, vermeld in artikel 4, 12°, van de bijzondere wet;7° de sociale promotie, vermeld in artikel 4, 15°, van de bijzondere wet;8° de basiseducatie voor laaggeschoolde volwassenen;9° het volwassenenonderwijs;10° de studiefinanciering;11° de leerlingenbegeleiding;12° het medisch schooltoezicht;13° het gebruik van de talen voor : a) de sociale betrekkingen tussen de werkgevers en hun personeel, alsmede de door de wet en de verordeningen voorgeschreven akten en bescheiden van ondernemingen, vermeld in artikel 129, § 1, 3°, van de Grondwet;b) het onderwijs in de door de overheid opgerichte, gesubsidieerde of erkende instellingen, vermeld in artikel 129, § 1, 2°, van de Grondwet;14° de coördinatie van het beleid met betrekking tot de Vlaamse Rand rond Brussel. Uit hoofde van de hem toegewezen bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, draagt hij de titel « Vlaams minister van Werk, Onderwijs en Vorming ». § 5. De heer Bert Anciaux, lid van de Vlaamse Regering, is bevoegd voor : 1° de culturele aangelegenheden, vermeld in artikel 4, 1°, 3°, 4°, 5°, 7°, 8°, 10°, 13° en 14°, van de bijzondere wet : a) de bescherming en de luister van de taal;b) de schone kunsten;c) het cultureel patrimonium, de musea en de andere wetenschappelijk-culturele instellingen, met uitzondering van de monumenten en landschappen en met uitzondering van het archeologisch patrimonium en het varend erfgoed;d) de bibliotheken, discotheken en soortgelijke diensten;e) het jeugdbeleid, alsook de filmkeuring;f) de permanente opvoeding en de culturele animatie;g) de vrijetijdsbesteding, met uitzondering van het toerisme;h) de artistieke vorming;i) de intellectuele, morele en sociale vorming;2° het filmbeleid;3° de lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven, vermeld in artikel 4, 9°, van de bijzondere wet, alsook de medisch verantwoorde sportbeoefening;4° de coördinatie van het kinderrechtenbeleid;5° de coördinatie van het beleid met betrekking tot Brussel-Hoofdstad. Hij wordt aangewezen om als Brussels lid van de Vlaamse Regering de vergaderingen van het college van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en van het Verenigd College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie met raadgevende stem bij te wonen, zoals bedoeld in artikel 76 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen.

Uit hoofde van de hem toegewezen bevoegdheden, vermeld in het eerste en het tweede lid, draagt hij de titel « Vlaams minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel ». § 6. De heer Marino Keulen, lid van de Vlaamse Regering, is bevoegd voor : 1° de huisvesting, vermeld in artikel 6, § 1, IV, van de bijzondere wet;2° de binnenlandse aangelegenheden, vermeld in artikel 6, § 1, VIII, en artikel 7 van de bijzondere wet, met inbegrip van het stedenbeleid, alsook de bestuurlijke organisatie van en het administratief toezicht op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en het gebruik van de talen in de lokale besturen;3° het inburgeringsbeleid. Uit hoofde van de hem toegewezen bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, draagt hij de titel « Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering ». § 7. Mevr. Kathleen Van Brempt, lid van de Vlaamse Regering, is bevoegd voor : 1° het mobiliteitsbeleid, met inbegrip van het gemeenschappelijke stads- en streekvervoer zoals vermeld in artikel 6, § 1, X, 8°, van de bijzondere wet;2° de sociale economie, met inbegrip van de beschutte werkplaatsen;3° de coördinatie van het gelijkekansenbeleid;4° de genderproblematiek, de holebi's en het thema toegankelijkheid. Uit hoofde van de haar toegewezen bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, draagt zij de titel « Vlaams minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen ». § 8. Mevr. Hilde Crevits, lid van de Vlaamse Regering, is bevoegd voor : 1° de openbare werken vermeld in artikel 6, § 1, X, 1°, 2°, 2°bis, 5°, 6° en 7°, van de bijzondere wet, met name : a) de wegen en hun aanhorigheden;b) de waterwegen en hun aanhorigheden;c) het juridische stelsel van de land- en waterwegenis;d) de dijken;e) de veerdiensten;f) de uitrusting en de uitbating van de luchthavens en de openbare vliegvelden;2° het leefmilieu en het waterbeleid, vermeld in artikel 6, § 1, II, van de bijzondere wet, met inbegrip van het innen en invorderen van milieuheffingen : a) de bescherming van het leefmilieu, onder meer die van de bodem, de ondergrond, het water en de lucht tegen verontreiniging en aantasting, alsmede de strijd tegen de geluidshinder;b) het afvalstoffenbeleid;c) de politie van de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven;d) de waterproductie en watervoorziening, met inbegrip van de technische reglementering inzake de kwaliteit van het drinkwater, de zuivering van het afvalwater en de riolering; alsook de coördinatie en de organisatie van de planning van het integraal waterbeleid; 3° de landinrichting en het natuurbehoud, vermeld in artikel 6, § 1, III, van de bijzondere wet : a) de ruilverkaveling van landeigendommen en de landinrichting;b) de natuurbescherming en het natuurbehoud;c) de groengebieden, parkgebieden en groene ruimten;d) de bossen;e) de jacht en de vogelvangst;f) de visvangst;g) de visteelt;h) de landbouwhydraulica en de onbevaarbare waterlopen, met inbegrip van hun bermen;i) de ontwatering;j) de polders en wateringen;4° het energiebeleid, vermeld in artikel 6, § 1, VII, van de bijzondere wet en de natuurlijke rijkdommen, vermeld in artikel 6, § 1, VI, 5°, van de bijzondere wet. Uit hoofde van de haar toegewezen bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, draagt zij de titel « Vlaams minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur ». § 9. Mevr. Patricia Ceysens, lid van de Vlaamse Regering, is bevoegd voor : 1° het wetenschappelijk onderzoek, met inbegrip van het onderzoek ter uitvoering van internationale of supranationale overeenkomsten of akten, vermeld in artikel 6bis, § 1, van de bijzondere wet;2° het Bijzonder Onderzoeksfonds en het projectmatig wetenschappelijk onderzoek door de hogescholen, met dien verstande dat deze bevoegdheid wordt gedeeld met het lid van de Vlaamse Regering dat bevoegd is voor het onderwijs;3° de aanmoediging van de vorming van navorsers, vermeld in artikel 4, 2°, van de bijzondere wet;4° het technologisch innovatiebeleid;5° het economisch beleid, vermeld in artikel 6, § 1, VI, 1°, van de bijzondere wet, met inbegrip van de begeleiding en advisering van economische actoren maar met uitzondering van de sociale economie, het economisch overheidsinstrumentarium en de gewestelijke aspecten inzake de overheidsopdrachten en de erkenning van aannemers;6° de verkrijging, aanleg en uitrusting van gronden voor industrie, ambachtswezen en diensten, of van andere onthaalinfrastructuren voor investeerders, zoals vermeld in artikel 6, § 1, I, 3°, van de bijzondere wet;7° het afzet- en uitvoerbeleid, vermeld in artikel 6, § 1, VI, 3°, van de bijzondere wet, met uitzondering van het afzet- en uitvoerbeleid van landbouw-, tuinbouw- en visserijproducten;8° de in-, uit- en doorvoer van wapens, vermeld in artikel 6, § 1, VI, 4°, van de bijzondere wet;9° het aantrekken van buitenlandse investeringen. Uit hoofde van de haar toegewezen bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, draagt zij de titel « Vlaams minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel ». § 10. Mevr. Veerle Heeren, lid van de Vlaamse Regering, is bevoegd voor : 1° de bijstand aan personen, vermeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet : a) het gezinsbeleid, met inbegrip van alle vormen van hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen;b) het beleid inzake maatschappelijk welzijn, met inbegrip van : 1.de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, met uitzondering van de bestuurlijke organisatie van en het administratief toezicht op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn; 2. het algemeen welzijnswerk;3. de samenlevingsopbouw.c) het doelgroepenbeleid : 1.het beleid inzake mindervaliden, met uitzondering van de beroepsopleiding, de omscholing, de herscholing en het tewerkstellingsbeleid van mindervaliden; 2. de sociale hulpverlening aan gedetineerden met het oog op hun sociale reïntegratie;3. de zorgverzekering;4. het beleid inzake kansarmoede.d) het bejaardenbeleid;e) de jeugdbescherming, met inbegrip van de sociale bescherming en de gerechtelijke bescherming, maar met uitzondering van de filmkeuring;2° het gezondheidsbeleid, vermeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet : a) het beleid betreffende de zorgverstrekking in en buiten de verplegingsinrichtingen, met inbegrip van de psychiatrische hulpverlening;b) de gezondheidsopvoeding, alsook de activiteiten en diensten op het vlak van de preventieve gezondheidszorg, met uitzondering van het medisch schooltoezicht en de medisch verantwoorde sportbeoefening. Uit hoofde van de haar toegewezen bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, draagt zij de titel « Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin ».

Art. 2.Artikel 4 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 december 2005, 28 juni 2007, 10 oktober 2007, 14 november 2007, 5 september 2008, 22 september 2008 en 6 januari 2009, wordt vervangen door wat volgt : «

Art. 4.Het bestuur van of het toezicht op de hieronder vermelde diensten, instellingen of rechtspersonen wordt als volgt verdeeld : 1° de minister-president van de Vlaamse Regering is bevoegd voor : a) Studiedienst van de Vlaamse Regering;b) Interne Audit van de Vlaamse Administratie;c) Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen;d) Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen.2° de Vlaamse minister van Institutionele Hervormingen, Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media, Toerisme, Havens, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid is bevoegd voor : a) Agentschap voor Overheidspersoneel;b) Agentschap voor Facilitair Management;c) Vlaams Agentschap voor Rekrutering en Selectie;d) Vlaams Agentschap voor Internationale Samenwerking;e) Vlaams Landbouwinvesteringsfonds;f) Financieringsinstrument voor Vlaamse visserij- en aquicultuursector;g) Eigen Vermogen van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek;h) Toerisme Vlaanderen;i) Vlaamse Regulator voor de Media;j) Vlaamse Radio- en Televisieomroep;k) Agentschap voor Landbouw en Visserij;l) Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek;m) VZW Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing;n) Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust.3° de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening is bevoegd voor : a) Vlaamse Belastingdienst;b) Centrale Accounting;c) NV Participatiemaatschappij Vlaanderen;d) NV Limburgse Reconversiemaatschappij;e) NV Vlaamse Participatiemaatschappij;f) het Vlaams Fonds voor de Lastendelging;g) het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven;h) Gimvindus;i) Het Rubiconfonds;j) RO-Vlaanderen;k) Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed;l) Inspectie RWO, met dien verstande dat deze bevoegdheid wordt gedeeld met de Vlaamse minister bevoegd voor de Huisvesting;m) Vlaams Toekomstfonds;n) Eigen Vermogen van het Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed.4° de Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming is bevoegd voor : a) Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie, met dien verstande dat die bevoegdheid wordt gedeeld met de Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie;b) Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding;c) Vlaams Agentschap voor Ondernemersvorming - Syntra Vlaanderen;d) Agentschap voor Onderwijscommunicatie;e) Agentschap voor Onderwijsdiensten;f) Agentschap Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs en Studietoelagen;g) Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs; h) v.z.w. de Rand; i) het Gemeenschapsonderwijs;j) Universitair Ziekenhuis Gent;k) ESF-agentschap, met dien verstande dat die bevoegdheid wordt gedeeld met de Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie;l) Herplaatsingsfonds.5° de Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel is bevoegd voor : a) Kunsten en Erfgoed;b) Sociaal-Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen;c) BLOSO;d) Vlaamse Opera;e) Fonds culturele infrastructuur;f) Vlaams Fonds voor de Letteren;g) Topstukkenfonds;h) Vlaams-Brusselfonds;i) Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen.6° de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering is bevoegd voor : a) Agentschap voor Binnenlands Bestuur;b) Wonen-Vlaanderen;c) Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen;d) Inspectie RWO, met dien verstande dat deze bevoegdheid wordt gedeeld met de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening;e) Investeringsfonds voor grond- en woonbeleid voor Vlaams-Brabant;f) Garantiefonds voor Huisvesting;7° de Vlaamse minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen is bevoegd voor : a) Vlaamse Vervoermaatschappij - De Lijn;b) Vlaams Subsidieagentschap voor Werk en Sociale Economie, met dien verstande dat die bevoegdheid wordt gedeeld met de Vlaamse minister, bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, de beroepsomscholing en -bijscholing en de sociale promotie;c) NV met sociaal oogmerk Werkholding;d) Fonds Stationsomgevingen;e) ESF-agentschap, met dien verstande dat die bevoegdheid wordt gedeeld met de Vlaamse minister bevoegd voor het tewerkstellingsbeleid, de beroepsomscholing en -bijscholing en de sociale promotie;f) Pendelfonds.8° de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur is bevoegd voor : a) Vlaams Energieagentschap;b) Agentschap voor Natuur en Bos;c) Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek;d) Vlaamse Milieumaatschappij;e) Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;f) Vlaamse Landmaatschappij;g) Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt;h) Agentschap Wegen en Verkeer;i) De Scheepvaart;j) Waterwegen en Zeekanaal;k) Vlaamse Milieuholding;l) Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening;m) het Grindfonds;n) Reguleringsinstantie met betrekking tot water bestemd voor menselijke aanwending;o) Ondersteunend Centrum van het Agentschap voor Natuur en Bos;p) Eigen Vermogen van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek;q) Eigen Vermogen Flanders Hydraulics;r) Luchthavenontwikkelingsmaatschappij Oostende-Brugge;s) Luchthavenontwikkelingsmaatschappij Kortrijk-Wevelgem.9° de Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel is bevoegd voor : a) Vlaams Agentschap voor Internationaal Ondernemen;b) Agentschap Economie;c) Vlaams Agentschap Ondernemen;d) het Hermesfonds;e) Instituut voor de aanmoediging van Innovatie door Wetenschap en Technologie in Vlaanderen, of zijn rechtopvolger;f) Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek;g) Fonds Wetenschappelijk Onderzoek;h) Herculesstichting.10° de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin is bevoegd voor : a) Zorg en Gezondheid;b) Jongerenwelzijn;c) Inspectie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin;d) Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Geel;e) Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum Rekem;f) Kind en Gezin;g) Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;h) Vlaams Zorgfonds;i) Fonds Jongerenwelzijn;j) Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden.»

Art. 3.Dit besluit treedt in werking op 6 januari 2009.

Art. 4.De leden van de Vlaamse Regering zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 6 januari 2009.

De minister-president van de Vlaamse Regering, Vlaams minister van Institutionele Hervormingen, Bestuurszaken, Buitenlands Beleid, Media, Toerisme, Havens, Landbouw, Zeevisserij en Plattelandsbeleid, K. PEETERS De Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, D. VAN MECHELEN De Vlaamse minister van Werk, Onderwijs en Vorming, F. VANDENBROUCKE De Vlaamse minister van Cultuur, Jeugd, Sport en Brussel, B. ANCIAUX De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, M. KEULEN De Vlaamse minister van Mobiliteit, Sociale Economie en Gelijke Kansen, K. VAN BREMPT De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur, H. CREVITS De Vlaamse minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel, P. CEYSENS De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, V. HEEREN

^