Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 05 juni 2009
gepubliceerd op 19 juni 2009

Besluit van de Vlaamse Regering houdende wijziging van het besluit van 19 januari 2007 houdende het statuut van de lokale en provinciale mandataris

bron
vlaamse overheid
numac
2009035534
pub.
19/06/2009
prom.
05/06/2009
ELI
eli/besluit/2009/06/05/2009035534/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

5 JUNI 2009. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende wijziging van het besluit van 19 januari 2007 houdende het statuut van de lokale en provinciale mandataris


De Vlaamse Regering, Gelet op het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, gewijzigd bij de decreten van 2 juni 2006, 7 juli 2006, 22 december 2006, 1 februari 2008, 14 maart 2008 en 23 januari 2009, artikel 17, § 5, tweede lid, 18, § 2, 69, 70bis, § 2, en 74, tweede lid;

Gelet op het Provinciedecreet van 9 december 2005, gewijzigd bij de decreten van 2 juni 2006, 22 december 2006, 5 december 2007, 20 juni 2008 en 30 april 2009, artikel 17, § 6, tweede lid, 18, § 2, 67 en 72, tweede lid;

Gelet op het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, artikel 27, § 5, tweede lid, 28, § 2, 67, 69, § 2, 73, § 1, tweede lid, en 285, § 1, eerste lid;

Gelet op het decreet van 23 januari 2009 houdende wijziging van het Gemeentedecreet, artikel 151;

Gelet op het decreet van 30 april 2009 houdende wijziging van het Provinciedecreet en van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, artikel 137, § 2, eerste lid, 1° en 3°;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007 houdende het statuut van de lokale en provinciale mandataris;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 19 maart 2009;

Gelet op advies nummer 46.581/3 van de Raad van State, gegeven op 19 mei 2009, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.In het opschrift van titel VIII van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 2007 houdende het statuut van de lokale en provinciale mandataris worden de woorden « gemeentelijke en provinciale uitvoerende mandatarissen » vervangen door de woorden « lokale en provinciale mandatarissen ».

Art. 2.In artikel 45 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid worden tussen de woorden « vermeld in artikel 44, § 3, van het Gemeentedecreet, » en de woorden « naar aanleiding van » de woorden « , alsook op de gemeente- en districtsraadsleden, » ingevoegd;2° in het tweede lid worden na de woorden « de leden van de deputatie » de woorden « en de provincieraadsleden » toegevoegd;3° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt: « Het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn sluit een polis van dezelfde aard af als de polis, vermeld in het eerste lid, ten voordele van de voorzitter of de ondervoorzitter, alsook van de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn.»

Art. 3.In artikel 46 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen door wat volgt: « Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de gemeenteraadsleden, de provincieraadsleden, de leden van de raad voor maatschappelijk welzijn, de voorzitter en ondervoorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, alsook de leden van de deputatie. »

Art. 4.In artikel 52, eerste lid, van hetzelfde besluit worden tussen de woorden « de gemeente » en de woorden « of de provincie » de woorden « , het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn » ingevoegd.

Art. 5.In artikel 54 van hetzelfde besluit worden na de woorden « op het gemeente- of provinciebudget » de woorden « , of het budget van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn » toegevoegd.

Art. 6.In het opschrift van titel IX van hetzelfde besluit wordt het woord « raadsleden » vervangen door het woord « mandatarissen ».

Art. 7.In artikel 55 van hetzelfde besluit worden de woorden « artikel 18 en 273, § 3, van het Gemeentedecreet en artikel 18 van het Provinciedecreet wordt een raadslid dat » vervangen door de woorden « artikel 18, § 1, artikel 70bis, § 1, en artikel 273, § 3, van het Gemeentedecreet, van artikel 28, § 1, en artikel 69, § 1, van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, en van artikel 18, § 1, en artikel 68bis, § 1 van het Provinciedecreet wordt de mandataris die ».

Art. 8.In artikel 56 van hetzelfde besluit worden de woorden « het raadslid » telkens vervangen door de woorden « de mandataris ».

Art. 9.Het opschrift van Titel X van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt: « Titel X. Vaststelling van de voorwaarden en de procedure tot toekenning van eretitels aan de burgemeester, de waarnemende burgemeester, de schepen, de voorzitter van het districtscollege, het lid van het districtscollege, de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en het lid van de deputatie, en tot bepaling van hun ambtskledij en onderscheidingstekens. »

Art. 10.Titel X, hoofdstuk I, van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt: « HOOFDSTUK I. - Eretitels Afdeling I. - De toekenningsvoorwaarden

Art. 57.§ 1. Een aftredende burgemeester, die zijn ambt gedurende een legislatuur of ten minste zes jaar in dezelfde gemeente heeft uitgeoefend, kan de Vlaamse Regering verzoeken hem de eretitel van zijn ambt te verlenen. § 2. Een aftredende waarnemend burgemeester, die zijn ambt gedurende een legislatuur of ten minste zes jaar in dezelfde gemeente heeft uitgeoefend, kan de Vlaamse Regering verzoeken hem de eretitel van zijn ambt te verlenen. § 3. Een aftredende schepen, die zijn mandaat gedurende een legislatuur of ten minste zes jaar in dezelfde gemeente heeft uitgeoefend, kan de Vlaamse Regering verzoeken hem de eretitel van zijn mandaat te verlenen. § 4. Een aftredende voorzitter van het districtscollege, die zijn mandaat gedurende een legislatuur of ten minste zes jaar in hetzelfde district heeft uitgeoefend, kan de Vlaamse Regering verzoeken hem de eretitel van zijn mandaat te verlenen. § 5. Een aftredend lid van het districtscollege, dat zijn mandaat gedurende een legislatuur of ten minste zes jaar in hetzelfde district heeft uitgeoefend, kan de Vlaamse Regering verzoeken hem de eretitel van zijn mandaat te verlenen. § 6. Een aftredende voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn, die zijn mandaat gedurende een legislatuur of ten minste zes jaar in dezelfde gemeente heeft uitgeoefend, kan de Vlaamse Regering verzoeken hem de eretitel van zijn mandaat te verlenen. § 7. Een aftredend lid van de deputatie, dat zijn mandaat gedurende een legislatuur of ten minste zes jaar in dezelfde provincie heeft uitgeoefend, kan de Vlaamse Regering verzoeken hem de eretitel van zijn mandaat te verlenen.

Art. 58.Om de termijn, vermeld in artikel 57, te berekenen wordt rekening gehouden met de periode waarin de deputatie de gemeenteraads- of districtsraadsverkiezingen ofwel heeft vernietigd met toepassing van artikel 75 van de Gemeentekieswet van 4 augustus 1932, ingeval de Raad van State die beslissing heeft tenietgedaan, ofwel heeft opgeschort met toepassing van de wettelijke bepalingen die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van de wet van 7 juli 1994 die de Gemeentekieswet van 4 augustus 1932 wijzigt, of ingeval de Raad voor Verkiezingsbetwistingen of de Controlecommissie voor Verkiezingsuitgaven de gemeenteraads- of districtsraadsverkiezingen heeft vernietigd, als de Raad van State die beslissing heeft tenietgedaan. Ook met de periode waarin de installatie niet kon plaats vinden omwille van een ongegrond gebleken klacht wordt rekening gehouden voor de berekening van de termijn, vermeld in artikel 57.

Art. 59.§ 1. De uitoefening van een ambt of mandaat in een gemeente die later samengevoegd wordt met andere gemeenten of eraan wordt gehecht, wordt beschouwd als een ambt of mandaat, uitgeoefend in de gemeente die de samengevoegde of de gehechte gemeenten bevat. § 2. De jaren als voorzitter van de Commissie van Openbare Onderstand worden meegerekend bij de vaststelling van de anciënniteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 57, § 6, voor de toekenning van de eretitel van voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn. § 3. De jaren als gedeputeerde van de provincie Brabant worden meegerekend bij de vaststelling van de anciënniteitsvoorwaarden, vermeld in artikel 57, § 7, voor de toekenning van de eretitel van gedeputeerde van de provincie Vlaams Brabant. Afdeling II. - De procedure

Art. 60.§ 1. Het verzoek tot verlening van een eretitel, vermeld in artikel 57, wordt door de betrokkene schriftelijk ingediend bij de provinciegouverneur. § 2. Met instemming van de betrokkene kan het verzoek ook worden ingediend door de gemeenteraad, de districtsraad, de raad voor maatschappelijk welzijn of de provincieraad. § 3. Als de betrokkene overleden is, kan het verzoek worden ingediend door de rechtsopvolgers van de betrokkene of door de raad, met instemming van de rechtsopvolgers.

Art. 61.Behalve in geval van toepassing van artikel 60, § 3, wordt bij het verzoek een verklaring op eer gevoegd waarbij de betrokkene verklaart dat hij voldoet aan de toekenningsvoorwaarden, vermeld in titel X, afdeling I.

Art. 62.§ 1. De eretitel van het ambt van burgemeester of waarnemend burgemeester, van het mandaat van schepen, voorzitter van het districtscollege, lid van het districtscollege, voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn en lid van de deputatie mag niet worden gevoerd: 1° gedurende de periode dat een van die mandaten werkelijk wordt uitgeoefend;2° door een door een provincie, gemeente of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bezoldigde persoon. § 2. Behalve in geval van toepassing van artikel 60, § 3 wordt in de akte tot verlening van een eretitel de tekst van § 1 overgenomen.

Art. 63.De Vlaamse Regering kan de eretitel intrekken. Zij zal dit alleszins doen als na de toekenning van de eretitel de betrokkene niet blijkt te voldoen aan de toekenningsvoorwaarden, vermeld in titel X, afdeling I. »

Art. 11.De volgende artikelen van het decreet van 19 december 2008 betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn treden in werking op 1 juli 2009: 1° artikel 27, § 5;2° artikel 73;3° artikel 276, 43°, wat betreft de opheffing van artikel 38, vijfde lid, eerste en tweede zin.

Art. 12.De volgende artikelen van het decreet van 23 januari 2009 tot wijziging van het Gemeentedecreet treden in werking op 1 juli 2009: 1° artikel 13, 2°, wat betreft § 5, eerste en tweede lid;2° artikel 45.

Art. 13.De volgende artikelen van het decreet van 30 april 2009 tot wijziging van het Provinciedecreet en van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking treden in werking op 1 juli 2009: 1° artikel 13, 2°, wat betreft artikel 17, § 6, eerste en tweede lid;2° artikel 41.

Art. 14.Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2009.

Art. 15.De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de binnenlandse aangelegenheden, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 5 juni 2009.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering, M. KEULEN De Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin, Mevr. V. HEEREN

^