Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Regering Van De Franse Gemeenschap van 17 juli 2009
gepubliceerd op 07 augustus 2009

Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap betreffende de Kabinetten van de Ministers van de Franse Gemeenschap

bron
ministerie van de franse gemeenschap
numac
2009029403
pub.
07/08/2009
prom.
17/07/2009
ELI
eli/besluit/2009/07/17/2009029403/staatsblad
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

17 JULI 2009. - Besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap betreffende de Kabinetten van de Ministers van de Franse Gemeenschap


De Regering van de Franse Gemeenschap, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals gewijzigd;

Gelet op het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 11 december 1995 betreffende de administratieve en begrotingscontrole;

Gelet op het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 13 oktober 2006 betreffende de Kabinetten van de Ministers van de Regering van de Franse Gemeenschap;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 17 juli 2009;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting van 17 juli 2009;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de continuïteit van de werking van de Ministeriële Kabinetten van de Regering van de Franse Gemeenschap zonder verwijl dient te worden verzekerd;

Op de voordracht van de Minister-President, Besluit : Afdeling 1. - Bevoegdheden

Artikel 1.§ 1. De bevoegdheden van de Kabinetten van de Ministers worden vastgesteld als volgt : de aangelegenheden die een invloed kunnen hebben op het algemeen beleid van de Regering of op de parlementaire werkzaamheden; de opzoekingen en studies die het persoonlijk werk van de Ministers vergemakkelijken; de voorlegging van de dossiers van de administratie; eventueel het secretariaat van de minister, de behandeling van zijn persoonlijke briefwisseling; de verzoeken tot audiëntie; het persoverzicht. § 2. Het ministerieel kabinet pleegt ononderbroken overleg met de verantwoordelijken van de administratie, van de paracommunautaire instellingen en andere openbare instellingen, over de voorbereiding en de uitvoering van het beleid. § 3. Een omzendbrief van de Regering van de Franse Gemeenschap bepaalt en harmoniseert de toe te passen richtlijnen, inzonderheid inzake beheer en werking van de ministeriële kabinetten. § 4. Een huishoudelijk reglement van toepassing op alle medewerkers van het ministerieel Kabinet bepaalt de werkingsregels. Afdeling 2. - Samenwerking met de Regering van het Waalse Gewest

Art. 2.§ 1. Met het oog op het optimaal beheer van de tot hun beschikking gestelde human resources, bepalen de ministers die gelijktijdig in de Regeringen van de Franse Gemeenschap en van het Waalse Gewest zitting houden, de organisatie en de werkplek van de personeelsleden van hun kabinetten. § 2. Met het oog op de vermindering van de werkingskosten en op schaalvergroting, bepalen ze ook de voorwaarden voor de aanwending en verdeling van de logistieke middelen waarover ze beschikken. § 3. De begrotingslast van de logistieke middelen voortvloeiend uit de uitoefening van het ambt van een personeelslid wordt aangerekend op de kredieten voor de bestaansmiddelen van het kabinet dat belast wordt met de bezoldiging van dat personeelslid. Afdeling 3. - Samenstelling

Art. 3.§ 1. Het Kabinet van een Minister kan 41 personeelsleden tellen, 55,5 voor een Vice-President en 68,25 voor de Minister-President.

Het aantal personeelsleden van de kabinetten bedoeld in het eerste lid wordt automatisch verminderd met 5 leden indien het lid van de Regering van de Franse Gemeenschap tevens lid is van de Regering van het Waalse Gewest of van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.

De personeelsleden van het Kabinet van een Minister zijn : - personeelsleden van niveau 1; - medewerkers van de niveaus 2+, 2 en 3;

Onder de personeelsleden van niveau 1, kan het kabinet van een Minister een kabinetschef, en de kabinetten van de vice-presidenten en de Minister-President, twee kabinetschefs tellen.

De ambten van adjunct-kabinetschef, kabinetssecretaris, adviseur en attaché worden door de personeelsleden van niveau 1 uitgeoefend.

De ambten van bijzonder secretaris en buitengewoon boekhouder worden door de medewerkers of personeelsleden van niveau 1 uitgeoefend.

Het kabinet van een Minister kan hoogstens 5 chauffeurs tellen en de kabinetten van de vice-presidenten en de Minister-President kunnen hoogstens 6 chauffeurs tellen. § 2. Elke Minister kan een of meer personeelsleden van zijn kabinet overhevelen naar het kabinet van een andere Minister, met de daaraan verbonden begrotingsmiddelen. Een afschrift van het overhevelingsbesluit wordt meegedeeld aan de Minister-President en aan het Secretariaat voor steun voor het interne beheer en het interne toezicht op de kabinetten (SePAC) bedoeld in artikel 6 van dit besluit. § 3. Wanneer het onderhoud van alle lokalen van het kabinet niet wordt toevertrouwd aan een privé-firma, kunnen daarenboven, binnen de perken van de aan het kabinet toegekende begrotingskredieten, personen belast met de schoonmaak worden aangeworven buiten de toegelaten personeelsformatie, in verhouding tot één persoon voor tien lokalen. § 4. Een personeelslid van het kabinet kan worden tewerkgesteld op de persoonlijke woonplaats van de Minister.

Art. 4.§ 1. Binnen de perken van de begrotingskredieten van elk kabinet, kan er, buiten de toegelaten personeelsformatie, hoogstens 1 voltijds equivalent/jaar zijn, verdeeld over één of meer deskundigen.

Dat aantal wordt op 1,5 voltijds equivalent/jaar, voor de vice-presidenten, en op 2 voltijdse equivalenten/jaar, voor de Minister-President, gebracht. § 2. Binnen de perken van de begrotingskredieten van elk kabinet, kunnen studenten worden aangeworven in verhouding tot hoogstens 1 voltijds equivalent/jaar gedurende de toegelaten perioden op grond van de toepasselijke regeling.

De bezoldiging van de studenten wordt vastgesteld : - op euro 13.257,38 voor de houders, bij hun indiensttreding, van het getuigschrift van het lager secundair onderwijs of een gelijkgesteld diploma; - op euro 13.668,39 voor de houders, bij hun indiensttreding, van het getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of een gelijkgesteld diploma.

Het aantal studenten die een bezoldigingsbedrag van euro 13.668,39 kunnen genieten, wordt beperkt tot hoogstens 50 % van het totaal aantal studenten die gedurende de referentiepriode kunnen worden aangeworven.

Art. 5.§ 1. De secretaris van de Regering wordt door de Regering in de rang van kabinetschef benoemd, indien het ambt niet door één van de kabinetschefs van de Minister-President wordt uitgeoefend. § 2. Bij de uitoefening van zijn opdrachten wordt hij bijgestaan door 4 personeelsleden die door de Minister-President worden aangewezen, onder wie : - 2 leden van niveau 1; - 2 medewerkers van de niveaus 2+, 2 of 3. § 3. Een akkoordprotocol bepaalt de centralisatie van de activiteiten en de samenwerkingsverbanden inzake werking en organisatie met de dienst van de Secretaris van de Regering van het Waalse Gewest.

Art. 6.§ 1. De opdrachten die alle secretariaten van de kabinetten gemeen zijn, worden naar elkaar gericht en toevertrouwd aan een specifieke cel « Secretariaat voor steun voor het interne beheer en het interne toezicht op de kabinetten » (SePAC) genoemd.

Die opdrachten worden nader bepaald in de omzendbrief bedoeld in artikel 1, § 3.

Zij is onafhankelijk van de ministeriële kabinetten en wordt onder het functionele gezag van de Minister-President geplaatst. § 2. Het SePAC is samengesteld uit 6 personeelsleden die door de Regering van de Franse Gemeenschap worden benoemd, onder wie : - 2 leden van niveau 1; - 4 medewerkers van de niveaus 2+, 2, 3.

Binnen de perken van de begrotingskredieten die aan het SePAC worden toegekend, op de voordracht van de Minister-President, kan de Regering, buiten de toegelaten personeelsformatie, hoogstens 0,5 voltijds equivalent/jaar aanwijzen, verdeeld over één of meer deskundigen voor eenmalige of specifieke opdrachten.

Een gewone boekhouder en een buitengewone boekhouder worden uit het personeel bedoeld in dit artikel aangewezen. De toelagen en vergoedingen die ze genieten zijn dezelfde als deze die worden toegekend aan de personeelsleden van de kabinetten die gelijkaardige ambten uitoefenen. § 3. Een akkoordprotocol bepaalt de centralisatie van de activiteiten in Namen en de samenwerkingsverbanden inzake werking en organisatie met de specifieke cel, « Secretariaat voor steun voor het interne beheer en het interne toezicht op de kabinetten » (SePAC) genoemd, van de Regering van het Waalse Gewest.

Art. 7.Er mag niet van de artikelen 3, 4, 5 en 6 worden afgeweken, behoudens toelating van de Regering. Afdeling 4. - Benoemingen en werking.

Art. 8.De Kabinetschef wordt benoemd en ontslagen door de Regering.

De andere personeelsleden van het Kabinet worden door de betrokken Minister benoemd en ontslagen.

Art. 9.De Kabinetschef deelt de onderrichtingen, dienstorders en dossiers mee betreffende de Diensten van de Regering, waarvoor de Minister bevoegd is.

Met uitzondering van de Kabinetssecretaris of van de gedelegeerd ordonnateur voor de uitoefening van hun functionele bevoegdheden, kunnen de personeelsleden van het Kabinet enkel handelen met de Diensten van de Regering via de Kabinetschef of met zijn toestemming. Afdeling 5. - Toelagen en vergoedingen

Art. 10.Er wordt aan de personeelsleden van de kabinetten die geen deel uitmaken van het personeel van de Diensten van de Franse Gemeenschap, of meer in het algemeen, van elke overheidsdienst, een Kabinetstoelage toegekend die als wedde geldt.

De als wedde geldende toelage wordt vastgesteld als volgt : - voor de kabinetschefs, een bedrag tussen euro 46.910,59 en euro 66.115,99 ; - voor de leden van niveau 1, een bedrag tussen euro 21.112,38 en euro 56.517,16; - voor de medewerkers en het schoonmaakpersoneel, een bedrag tussen euro 13.257,38 en euro 39.981,53; - voor de deskundigen, een bedrag tussen euro 13.257,38 en euro 66.115,99.

Art. 11.§ 1. Er wordt aan de personeelsleden van de Diensten van de Regering, of, meer in het algemeen, van elke overheidsdienst, die in kabinetten gedetacheerd zijn, een jaarlijkse kabinetstoelage toegekend.

De jaarlijkse kabinetstoelage wordt vastgesteld als volgt : - voor de Kabinetschefs, een bedrag van 8.507,09 euro; - voor de leden van niveau 1, een bedrag tussen 3.402,84 euro en 6.465,39 euro; - voor de medewerkers, een bedrag tussen 2.381,99 euro en 4.423,69 euro.

Bij een met redenen omklede beslissing, mits toestemming van de Minister-President, binnen de perken van de aan het kabinet toegekende begrotingskredieten, kan de Minister die toelagen verhogen. § 2. De bezoldiging alsook de maaltijdcheques van de ambtenaren en de gesubsidieerde contractuelen die van de Diensten van de Regering gedetacheerd zijn, blijven ten laste van deze.

Art. 12.Bij een met redenen omklede beslissing, mits de toestemming van de Minister-President, binnen de aan de kabinetten toegekende begrotingskredieten, kan de Minister de als wedde geldende kabinetstoelagen en de kabinetstoelagen bedoeld in de artikelen 10 en 11 verhogen.

De Vice-Presidenten zullen op de hoogte worden gebracht van de toegekende afwijkingen.

Art. 13.Als personeelslid van niveau 1 in de zin van dit besluit kunnen worden beschouwd : - de houders van een diploma van het hoger onderwijs verkregen op het einde van een tweede studiecyclus; - de personen die een ervaring hebben die door de Minister als gelijkwaardig wordt beschouwd om de ambten uit te oefenen in verband met de kwaliteit van personeelslid van niveau 1 binnen het kabinet.

Art. 14.Er wordt aan de chauffeurs van de kabinetten van de ministers de volgende toelagen en vergoedingen toegekend : 1° een vaste maandtoelage van 272,22 euro; 2° een vaste vergoeding ten bedrage van 2.478,20 euro per jaar; 3° een vaste maandvergoeding voor verzorgde kleding ten bedrage van 49,58 euro. De vaste maandtoelage wordt op 476,38 euro vastgesteld voor de persoonlijke chauffeur van de minister, waarbij het supplement van 204,17 euro de bijkomende prestaties voortvloeiend uit de reizen van de minister dekt.

De vaste maandtoelage wordt op 374,30 euro gebracht voor de chauffeur van de kabinetschef, dit is een supplement van 102,08 euro.

Naargelang van de verrichte prestaties, wijzigt de minister de toekenning van die supplementen en verricht er de verdeling van over verschillende chauffeurs van het kabinet.

De kabinetstoelage bedoeld in artikel 11 en de vergoeding wegens verblijfskosten bedoeld in artikel 17 van dit besluit zijn niet op hen van toepassing.

Art. 15.Er wordt aan het personeelslid dat aangesteld is voor het onthaal in het kabinet een vaste maandtoelage voor verzorgde kleding ten bedrage van 49,58 euro toegekend.

Art. 16.De personeelsleden van het kabinet genieten de gezinsbijslag, de geboortetoelage, de haard- of standplaatstoelage, het vakantiegeld, de eindejaarstoelage, maaltijdcheques en elke andere toelage en vergoeding volgens de cijfers en voorwaarden bepaald voor het personeel van de Diensten van de Regering. Afdeling 6. - Diverse kosten, gebruik van de wagen

Art. 17.§ 1. Er kan een vaste jaarvergoeding wegens verblijfskosten worden toegekend aan de personeelsleden van de kabinetten, ter vervanging van de maaltijdcheques.

Het bedrag van de vergoeding wordt vastgesteld als volgt gelet op de ambten die in het kabinet werden uitgeoefend als : - kabinetschef en adjunct-kabinetschef : 1.812,45 euro; - adviseur en kabinetssecretaris : 1.585,98 euro; - attaché, bijzonder secretaris en boekhouder : 1.359,48 euro; - medewerkers : 906,33 euro.

De vergoeding is voor elke maand op vervallen termijn verschuldigd en kan aangepast worden in verhouding tot een deeltijdse prestatie.

De vergoeding wordt behouden gedurende de afwezigheden van niet meer dan dertig kalenderdagen. § 2. De personeelsleden van de overheidsdiensten die deel uitmaken van een ministerieel kabinet en die hun woonplaats en hun administratieve standplaats buiten de vestigingsplaats van het kabinet hebben, kunnen een abonnement op een gemeenschappelijk vervoermiddel genieten of, bij wijze van afwijking, van de financiële tegenwaarde ervan, mits, in dit laatste geval, een bijzondere toelating die door de betrokken Minister wordt uitgereikt en die de redenen voor de afwijking vermeldt. De duur van het abonnement wordt tot één maand beperkt en moet van maand tot maand worden verlengd. De abonnementsklasse wordt bepaald door het ambt dat de ambtenaar binnen het kabinet uitoefent. Die maatregel kan niet als gevolg hebben dat het wordt gerangschikt in een abonnementsklasse die lager is dan deze die hij geniet in de administratie waarvan hij afkomstig is. § 3. De personeelsleden van de ministeriële kabinetten kunnen, bij wijze van afwijking, een financiële tegenwaarde genieten die gelijk is aan de tegemoetkoming van de werkgever in de kosten voor het gemeenschappelijk vervoermiddel tussen de woonplaats en de werkplek, mits, in dat geval, een bijzondere toelating die door de betrokken Minister wordt uitgereikt en die de redenen voor de afwijking vermeldt.

Die financiële tegenwaarde wordt tot één maand beperkt en moet van maand tot maand worden verlengd.

Art. 18.§ 1. De Kabinetschef wordt ertoe gemachtigd zijn persoonlijke voertuig voor zijn dienstreizen te gebruiken in de voorwaarden bepaald voor de personeelsleden van de Diensten van de Regering. § 2. Binnen de perken van de begrotingskredieten, stelt de Minister het kilometercontingent vast dat individueel jaarlijks kan worden toegekend aan de andere personeelsleden van zijn kabinet die hun eigen motorvoertuig mogen gebruiken voor de dienstbehoeften in de voorwaarden bepaald voor de personeelsleden van de Diensten van de Regering. Dat contingent kan echter niet hoger zijn dan 12 000 km per jaar voor elke begunstigde.

De terugbetaling kan uitsluitend geschieden op de voordracht van een maandelijkse vergoedingsaanvraag, gestaafd door de bewijsstukken die het bewijs leveren van de reizen die voor de behoeften van de dienst worden verricht. § 3. De nadere regels voor de aanschaffing en het gebruik van de dienstwagens en de ambtswagens worden geregeld door de omzendbrief van de Regering van de Franse Gemeenschap bedoeld in artikel 1, § 3, van dit besluit.

Art. 19.§ 1. De telefoon-,telekopie- en internetkosten van de Minister worden in de begroting van het kabinet opgenomen, op grond van verantwoordingsstukken. § 2. De kosten voor abonnement op het netwerk voor vaste en mobiele telefonie, telekopie en Internet alsmede de communicatiekosten van de personeelsleden van het kabinet kunnen door het kabinet worden betaald. § 3. De nadere regels voor de tegemoetkoming in de communicatiekosten voor de vaste en mobiele telefonie, telekopie- en Internetkosten worden geregeld door de omzendbrief van de Regering van de Franse Gemeenschap bedoeld in artikel 1, § 3, van dit besluit. Afdeling 7. - Algemene bepalingen betreffende de toelagen en

vergoedingen

Art. 20.De vergoedingen en toelagen bepaald in de artikelen 10, 11, 14, 15 en 17 worden maandelijks op vervallen termijn uitbetaald. De vergoeding of toelage van de maand is gelijk aan 1/12e van het jaarbedrag.

Wanneer de vergoeding of de toelage van de maand niet in haar geheel is verschuldigd, wordt ze in dertigsten uitbetaald overeenkomstig de regels bepaald voor het personeel van de Diensten van de Regering.

Art. 21.De toelagen en vergoedingen bepaald in de artikelen 10, 11, 14, 15 en 17 zijn gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen, overeenkomstig de regels bepaald bij de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. Daartoe worden ze verbonden aan het indexcijfer 138,01 van 1 januari 1990.

Art. 22.§ 1. De geldelijke toestand van de personeelsleden van het kabinet die geen deel uitmaken van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap, maar die behoren tot een Ministerie, een dienst van de Staat, een andere overheidsdienst, een overheidsbedrijf bedoeld in de wet van 21 maart 1991, een instelling van openbaar nut, een stichting van openbaar nut bedoeld in de wet van 27 juni 1921, een instelling, een groepering of een vereniging die door de Franse Gemeenschap gesubsidieerd wordt, een publiekrechtelijke rechtspersoon opgericht op grond van artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, of tot een gesubsidieerde onderwijsinrichting, wordt geregeld als volgt : 1° wanneer de werkgever aanvaardt de bezoldiging verder te blijven uitbetalen, ontvangt de betrokkene de - eventueel verhoogde - kabinetstoelage bepaald in artikel 11, of de kabinetstoelage bedoeld in artikel 14;wanneer de werkgever de bezoldiging eist, betaalt de betrokken Minister aan de dienst waarvan hij afkomstig is de bezoldiging van het personeelslid van de kabinetten, het vakantiegeld, de eindejaarstoelage en elke andere toelage en vergoeding terug die berekend worden overeenkomstig de bepalingen die op dat personeelslid toepasselijk zijn in zijn oorspronkelijke instelling, in voorkomend geval verhoogd met de werkgeverslasten; 2° wanneer de werkgever de uitbetaling van de bezoldiging schorst, ontvangt de betrokkene de als wedde geldende kabinetstoelage bedoeld in de artikelen 10 en 14. Die toelage kan echter niet hoger of lager zijn dan de bezoldiging, in de brede betekenis van het woord, vermeerderd met de - eventueel verhoogde - kabinetstoelage, die de betrokkene zou verkrijgen ingeval de onder 1° vermelde bepalingen op hem van toepassing zouden zijn. § 2. Het aantal personeelsleden van een kabinet wier bezoldiging ten laste blijft van een instelling van openbaar nut, een inrichting van openbar nut of een publiekrechtelijke rechtspersoon, opgericht op grond van artikel 9 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, die behoren tot de bevoegdheid van het Waalse Gewest, wordt beperkt tot 3 voor een Minister, 4 voor een Vice-President en 5 voor een Minister-President. Afdeling 8. - Rechtspositie en andere statutaire bepalingen

Art. 23.De rechtspositie van de personeelsleden bedoeld in dit besluit is van het statutaire type en de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten is niet van toepassing. Ze zijn echter onderworpen aan de regeling inzake sociale zekerheid van de contractuele personeelsleden van de Staat, als ze de hoedanigheid van ambtenaar niet hebben.

Art. 24.De verordeningsbepalingen inzake verlof en afwezigheden van de statutaire en contractuele personeelsleden van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap zijn toepasselijk op de personeelsleden van de ministeriële kabinetten van de Regering, met uitzondering van : - de uitzonderlijke verloven toegekend om een stage in een andere overheidsdienst te verrichten; - de indisponibiliteitstelling wegens persoonlijke aangelegenheden; - het verlof wegens opdracht; - het verlof wegens onderbreking van de beroepsloopbaan, met uitzondering van de verloven om een palliatieve verzorging te verlenen die kunnen worden toegekend voor een periode van één maand, eventueel voor één maand vernieuwbaar; - de vrijwillige vierdagenweek; - het vroegtijdig halftijds ontslag, die niet van toepassing zijn op de personeelsleden bedoeld in artikel 10 en op de deskundigen bedoeld in de artikelen 4 en 6. Afdeling 9. - Einde van het ambt en vertrekvergoedingen

Art. 25.§ 1. De Minister kan, volgens de hierna bepaalde voorwaarden, een vaste vertrektoelage toekennen aan de personen die een ambt in een kabinet hebben bekleed en die geen beroepsinkomen, vervangingsinkomen of rustpensioen ontvangen. Een overlevingspensioen of het bestaansminimum dat door een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn wordt toegekend, wordt niet als vervangingsinkomen beschouwd.

Voor de Kabinetschefs kan de vertrekvergoeding door de Regering worden toegekend. § 2. 1. Die vaste toelage wordt toegekend ten belope van : - één maand toelage voor een ononderbroken activiteitsperiode van drie tot en met zes maanden; - twee maanden toelage voor een ononderbroken activiteitsperiode van meer dan zes tot en met twaalf maanden; - drie maanden toelage voor een ononderbroken activiteitsperiode van meer dan twaalf tot en met achttien maanden; - vier maanden toelage voor een ononderbroken activiteitsperiode van meer dan achttien tot en met vierentwintig maanden; - hoogstens vijf maanden toelage voor een ononderbroken activiteitsperiode van meer dan vierentwintig maanden. § 2. 2. Voor de bepaling van de ononderbroken activiteitsperiode bedoeld in § 2.1 van dit artikel, komt in aanmerking, de tijd doorgebracht in een ander ministerieel kabinet dan het kabinet waaronder het personeelslid ressorteert, voor zover er geen activiteitsonderbreking plaatsvond tussen het begin en het einde van de ambtsuitoefening binnen een ministerieel kabinet. § 2. 3. De oorspronkelijke ordonnateur of zijn afgevaardigde wordt ertoe gehouden, zonder verwijl, alle gegevens aan het Secretariaat voor steun voor het interne beheer en het interne toezicht op de kabinetten (SePAC) mee te delen die noodzakelijk zijn voor de berekening van de vaste vertrektoelage voor elke begunstigde. § 3. De vertrektoelage wordt per maand uitbetaald. Onverminderd § 1, om de vertrektoelage te bekomen, dient de betrokkene maandelijks een verklaring op erewoord af te leggen, waaruit blijkt dat hij voor de bedoelde periode geen beroepsactiviteit heeft uitgeoefend, of dat hij voldoet aan één van de in § 4 bedoelde voorwaarden. § 4. In afwijking van § 1, kan de Minister een vaste vertrektoelage toekennen aan de personen die een ambt in een kabinet hebben uitgeoefend waarvan de enige inkomsten bestaan in de bezoldiging verbonden aan de uitoefening, sedert ten minste drie maanden vóór het einde van de ambtsuitoefening op het kabinet, van een mandaat van burgemeester, schepen of voorzitter van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, of die, ofwel uitsluitend titularis zijn van één of meer deelambten in de privésector of in een dienst die onder de wetgevende macht ressorteert, in een overheidsdienst of in een inrichting voor gesubsidieerd onderwijs, of van één of meer pensioenen ten laste van de Schatkist, die betrekking hebben op één of meer onvolledige loopbanen, ofwel werkloosheidsuitkeringen of wettelijke vergoedingen voor ziekte of invaliditeit of voor moederschapsrust genieten. De vertrektoelage wordt dan overeenkomstig § 2.1 vastgesteld en wordt, na weging, verminderd met de totale som die aan de betrokkene verschuldigd is voor de overeenstemmende periode voor de bezoldiging van onvolledige ambten in de openbare sector of privé-sector of als pensioen naargelang het bedrag van de vaste vertrektoelage betrekking heeft op de uitoefening van een voltijdse of deeltijdse prestatie binnen een kabinet en, in ieder geval, met de inkomsten voortvloeiend uit een werkloosheidsuitkering of wettelijke vergoeding voor ziekte-invaliditeit of voor moederschapsrust. § 5. Het bruto maandbedrag van de vaste vertrektoelage is het geïndexeerd brutomaandbedrag van de kabinetstoelage die als wedde geldt, met inbegrip van het bedrag van de vermeerdering die eventueel zou zijn toegepast en, in voorkomend geval, vermeerderd met de vaste maandtoelagen bedoeld in artikel 14, met de haard- of standplaatstoelage, betreffende de laatste activiteitswedde die de betrokken persoon heeft uitgeoefend gedurende ten minste drie maanden, gewogen op grond van de regeling voor de prestaties van de begunstigde die in aanmerking komen voor de berekening van die kabinetstoelage. § 6. Geen vertrektoelage is verschuldigd voor de personen die hun ambt vrijwillig neerleggen of die wegens dringende reden ontslagen worden.

Art. 26.§ 1. Op het einde van hun aanstelling, genieten de personeelsleden van het kabinet die gedetacheerd zijn van de Diensten van de Regering of in het algemeen van elke overheidsdienst, of wier overeenkomst in hun oorspronkelijke statuut werd geschorst, die het kabinet verlaten, een verlof voor het einde van het kabinet dat wordt vastgesteld ten belope van één werkdag per maand detachering, gewijzigd in verhouding tot een deeltijdse prestatie, met een minimum van drie werkdagen en een maximum van vijftien werkdagen, toe te kennen door de functionele overheid waaronder deze ressorteren door toedoen van de Minister die hun ontslag uit hun ambt heeft toegekend. § 2. Indien zij, als gevolg van de behoeften van de dienst, niet het geheel of een deel van hun jaarlijks vakantieverlof hebben kunnen nemen vóór de definitieve ambtsneerlegging, wordt aan de deskundigen bedoeld in de artikelen 4 en 6 van dit besluit die de uitoefening van hun ambt niet cumuleren met een andere beroepsactiviteit, en aan de personeelsleden van de kabinetten bedoeld in artikel 10 die de vaste vertrektoelage bedoeld in artikel 25 niet genieten, een compenserende toelage toegekend waarvan het bedrag gelijk is aan hun laatste wedde in verband met de niet genomen verlofdagen.

Voor de toepassing van deze paragraaf is de wedde die in aanmerking te nemen is, deze die verschuldigd is voor volledige prestaties, eventueel met inbegrip van de haard- of standplaatstoelage alsook, in voorkomend geval, het bedrag van de vermeerdering van de kabinetstoelage die als wedde geldt of de vaste maandtoelagen bedoeld in artikel 14 van dit besluit. § 3. De individuele dossiers van de personeelsleden die de kabinetten verlaten, worden overgezonden naar het Secretariaat voor steun voor het interne beheer en het interne toezicht op de kabinetten (SePAC) bedoeld in artikel 6 van dit besluit, dat belast wordt met het opvolgen ervan bij de administratie.

Onder individueel dossier wordt verstaan, alle documenten met betrekking tot de akten die worden genomen ter uitvoering van het administratief en geldelijk beheer van het personeelslid van het kabinet. Afdeling 10. - Einde van het kabinet

Art. 27.§ 1. Bij het kabinet van de Minister-President wordt een cel opgericht die samengesteld uit 2 personeelsleden, onder wie één hoogstens het ambt van adviseur uitoefent, en één medewerker voor elk uittredend lid van de Regering dat geen ministerieel ambt meer uitoefent, voor een periode die ingaat op de datum van diens ontslag, berekend in verhouding tot de duur van het ministerieel mandaat dat door de betrokkene wordt uitgeoefend, waarbij ze niet korter dan één jaar en langer dan vijf jaar kan zijn. Voor de bepaling van de periode komt het ononderbroken uitoefenen van ministeriële mandaten binnen één of meer Regeringen in aanmerking. § 2. De verdeling van de ambten bepaald in § 1 kan alleen worden gewijzigd met de instemming van de Minister-President, waarbij het maximumaantal, berekend in voltijdse equivalenten, en het niveau van de personeelsleden niet kunnen worden overschreden.

De Vice-Presidenten worden op de hoogte gebracht van de toegekende afwijkingen. § 3. Als het uittredend lid van de Regering ook lid is van de Regering van het Waalse Gewest of van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, kan het maximumaantal personen waaruit de cel bestaat niet hoger zijn dan het aantal bedoeld in het eerste lid.

Art. 28.§ 1. Naar aanleiding van een verandering van legislatuur of van de vervanging van één of meer Minister(s), met het oog op een harmonieuze machtsoverdracht, kan een cel samengesteld als volgt blijven werken in elk van de ministeriële kabinetten totdat de inventaris wordt opgemaakt en de rekeningen worden afgelegd : - de kabinetssecretaris of de afgevaardigde ordonnateur; - de buitengewoon boekhouder; - de informatica-correspondent of een medewerker; - een chauffeur. § 2. De nadere regels voor de declassering en de terugname-teruggave, te bepalen onder de ministeriële kabinetten op het einde van een legislatuur, of bij de vervanging van één of meer Minister(s), worden vastgesteld via een omzendbrief van de Regering van de Franse Gemeenschap bedoeld in artikel 1, § 3, van dit besluit. § 3. De Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap worden belast met het opstellen, als technisch adviseur, van de plaatsbeschrijving, en met de controle op de werken die uitgevoerd moeten worden in de lokalen bezet door de ministeriële kabinetten. Afdeling 11. - Globaal maximumbedrag van de bestaansmiddelen

Art. 29.§ 1. Het globaal maximumbedrag van de bestaansmiddelen in verband met de bezoldigingen van het personeel van het kabinet en andere kosten verbonden aan de werking en de investeringen van het kabinet wordt vastgesteld op 58.140 euro per jaar (index 1,4859) per personeelslid van de kabinetten bedoeld bij de artikelen 3 en 5 van dit besluit. Dat maximumbedrag is gekoppeld aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen en kan aangepast worden in functie van de evolutie van de barema's van het kabinetspersoneel. § 2. De aankoop van meubelen alsook de inventaris van de kunstwerken worden geregeld via de omzendbrief van de Regering van de Franse Gemeenschap bedoeld in artikel 1 § 3 van dit besluit. § 3. Voor elke aankoop boven 16.000 euro (BTW niet inbegrepen), wordt het advies van de Inspecteur van Financiën geaccrediteerd bij de Minister-President voorafgaandelijk vereist. § 4. Het advies van de Inspecteur van Financiën geaccrediteerd bij de Minister-President wordt voorafgaandelijk vereist vóór elke inschrijving op een leasing, met uitoefening van de koopoptie. Afdeling 12. - Toezicht

Art. 30.§ 1. Vóór de finalisering van alle wervingen en detacheringen of vóór alle latere administratieve of geldelijke wijzigingen, zenden de kabinetten een afschrift van de ontwerpen van besluiten aan het Secretariaat voor steun voor het interne beheer en het interne toezicht op de kabinetten (SePAC), dat ermee belast wordt, binnen de drie werkdagen, de overeenstemming van de tekst met de bepalingen van dit besluit na te kijken en zich ervan te vergewissen dat de begrotingsmiddelen die beschikbaar zijn op de basisallocaties die voor de wedden en vergoedingen van het kabinet bestemd zijn, voldoende zijn om de tenlasteneming van de uitgaven in verband daarmee mogelijk te maken. § 2. De betrokken kabinetten zenden vervolgens een voor eensluidend verklaard afschrift van elk behoorlijk gedateerd besluit aan het Secretariaat voor steun voor het interne beheer en het interne toezicht op de kabinetten (SePAC), dat het visum zal aanvragen van de secretaris van de Regering belast met het toezicht op de samenstelling van de ministeriële kabinetten. Deze zal de besluiten viseren en afstempelen en zal die naar het SePAC terugzenden, dat, pas na ontvangst van de geviseerde besluiten, de bezoldigingen door de administratie zal kunnen laten uitbetalen. Afdeling 13. - Slotbepalingen

Art. 31.Het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 13 oktober 2006 betreffende de kabinetten van de Ministers van de Regering van de Franse Gemeenschap, zoals gewijzigd, wordt opgeheven.

Art. 32.Dit besluit treedt in werking op 16 juli 2009.

Art. 33.De Ministers worden, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Namen, 17 juli 2009.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Vice-President en Minister van Kind, Onderzoek en Ambtenarenzaken, J.-M. NOLLET De Vice-President en Minister van Begroting, Financiën en Sport, A. ANTOINE De Minister van Hoger Onderwijs, J.-C. MARCOURT De Minister van Jeugd, Mevr. E. HUYTEBROECK De Minister van Cultuur, Audiovisuele Sector, Gezondheid en Gelijke Kansen, Mevr. F. LAANAN De Minister van Leerplichtonderwijs en van Onderwijs voor Sociale Promotie, Mevr. M.-D. SIMONET

^