Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Franse Gemeenschapscommissie van 24 januari 2019
gepubliceerd op 15 februari 2019

24 JANUARI 2019 - Besluit 2018/1592 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de ondersteuningsdiensten voor beroepsopleiding, waarbij artikel 29 van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 17 januari 2014 betreffende de insluiting van de gehandicapte persoon ten uitvoer gelegd wordt

bron
college van de franse gemeenschapscommissie
numac
2019040277
pub.
15/02/2019
prom.
24/01/2019
ELI
eli/besluit/2019/01/24/2019040277/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

24 JANUARI 2019 - Besluit 2018/1592 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie betreffende de ondersteuningsdiensten voor beroepsopleiding, waarbij artikel 29 van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 17 januari 2014 betreffende de insluiting van de gehandicapte persoon ten uitvoer gelegd wordt


Het College van de Franse Gemeenschapscommissie, Gelet op het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 17 januari 2014 betreffende de inclusie van personen met een handicap, artikelen 21, 40, lid 3, 71, 1ste lid, 3°, 72, lid 1, 77 leden 2 en 3, 94 en 119;

Gelet op het evaluatieverslag van de impact van dit besluit op de respectieve situatie van vrouwen en mannen van donderdag 18 oktober 2018;

Gelet op het evaluatieverslag van de impact van dit besluit op de situatie van personen met een handicap van donderdag 18 oktober 2018;

Gelet op het advies van de afdeling "personen met een handicap" van de Franstalige Brusselse Adviesraad voor Bijstand aan personen en Gezondheid, gegeven op de zitting van woensdag 12 september 2018;

Gelet op het advies van het intrafranstalige Comité inzake gezondheidszorg en bijstand aan personen, gegeven op 12 september 2018;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op woensdag 18 juli 2018;

Gelet op het akkoord van het Collegelid bevoegd voor Begroting, gegeven op donderdag 18 oktober 2018;

Gelet op advies nr. 64.580/4 van de Raad van State, gegeven op woensdag 5 december 2018 in toepassing van artikel 84, § 1, 1e lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van het collegelid belast met het beleid inzake Bijstand aan personen met een handicap, Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen en definities

Artikel 1.Het besluit regelt, in toepassing van artikel 138 van de Grondwet, een aangelegenheid bedoeld in artikel 128 ervan.

Art. 2.Voor de toepassing van onderhavig besluit wordt verstaan onder: 1° het decreet: het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 17 januari 2014 betreffende de inclusie van personen met een handicap;2° de SPFB: de diensten van het College van de Franse Gemeenschapscommissie (Service Public Francophone bruxellois);3° Het Collegelid: het Lid van het College van de Franse Gemeenschapscommissie belast met het beleid inzake Bijstand aan Personen met een Handicap;4° de dienst: de ondersteuningsdienst voor beroepsopleiding, bepaald in artikel 29 van het decreet;5° de vzw: de vereniging zonder winstoogmerk, bepaald in artikel 2, 13° van het decreet, die een ondersteuningsdienst voor beroepsopleiding inricht;6° de opleiding: de prekwalificerende opleiding of de kwalificerende opleiding.De eerste opleiding bestaat uit het verwerven van de beroepsvereisten en het bijschaven van de algemene kennis die nodig is voor het uitoefenen van een beroep of voor het volgen van een kwalificerende beroepsopleiding. De tweede opleiding heeft als doel het aanleren van een vak, een beroep of een functie. 6° de opleidingsverstrekker: orgaan of instelling die opleidingen aanbiedt die niet specifiek gericht zijn op personen met een handicap;8° de stagiair: persoon met een handicap die een opleiding volgt zoals bedoeld in dit besluit;9° pedagogisch team: de professionelen van de opleidingsverstrekker die belast zijn met de opleiding en de beroepsoriëntering van de stagiaires.10° het NM-besluit: besluit van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 18 oktober 2001 betreffende de toepassing van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 12 juli 2001 tot wijziging van diverse wetten betreffende de subsidies toegekend in de welzijns-, de gezondheids- en de gehandicaptensector en de sector van de socio-professionele inschakeling; 11° het Plan Tandem: de voorziening voor de inrichting van het einde van de loopbaan die tot stand gebracht is door de Collectieve arbeidsovereenkomst van 23 april 2009 binnen het paritair subcomité 319.02. HOOFDSTUK 2. - Opdrachten

Art. 3.De dienst voert de psychopedagogische individuele begeleidingsopdracht zoals bedoeld in artikel 29, lid 2, 1° van het decreet uit aan de hand van de volgende acties: 1° het ondersteunen van de persoon met een handicap bij de acties die hem in staat stellen deel te nemen aan een opleiding;2° in overleg met het pedagogisch team, het opstellen van een professionele balans om een beroepsproject te bepalen dat aangepast is aan de noden, de ambities en de capaciteiten van de persoon met een handicap en het voorstellen van redelijke aanpassingen die doorgevoerd moeten worden in het kader van de opleiding;3° het opstellen van een geïndividualiseerd project in overleg met de persoon met een handicap en de uitvoering daarvan verzorgen;4° het continu beoordelen van het geïndividualiseerd project en het aanpassen ervan, desgevallend, in functie van de noden en capaciteiten van de persoon met een handicap; De dienst verzorgt deze begeleiding van bij de aanvraag tot zoeken naar een opleiding en tijdens de volledige duur van de opleiding.

Art. 4.De dienst voert de opleidings- en coördinatieopdracht bedoeld in artikel 29, lid 2, 2° van het decreet uit aan de hand van de volgende acties: 1° het coördineren van de denkoefening en de acties van het team van de dienst door regelmatig te vergaderen.2° het ontwikkelen en uitvoeren van een jaarlijks opleidingsplan dat beantwoordt aan de noden van het team van de dienst op psychopedagogisch vlak.

Art. 5.De dienst voert de informatieopdracht bedoeld in artikel 29, lid 2, 3° van het decreet uit aan de hand van de volgende acties: 1° het communiceren met het pedagogisch team van de specifieke noden en capaciteiten van de persoon met een handicap op verschillende momenten van de opleiding en samen bepalen welke redelijke aanpassingen nuttig zijn;2° het sensibiliseren, indien nodig, van de andere stagiaires binnen de opleidingsgroep.

Art. 6.Op grond van artikel 29, lid 2, 4° van het decreet wordt de bemiddelingsopdracht door de dienst uitgevoerd aan de hand van de volgende acties: 1° het bieden van een luisterend oor aan de persoon met een handicap door individuele ontmoetingen te organiseren;2° het organiseren van contacten of ontmoetingen tussen de betrokken partijen. HOOFDSTUK 3. - Erkenningsnormen Afdeling 1. - Kwaliteitsnormen

Art. 7.De dienst onderwerpt zich aan de evaluaties, bezoeken en controles die door de overheden georganiseerd worden en verstrekt hen ieder document dat vereist is voor de uitoefening van hun opdrachten.

Art. 8.In naleving van de bepalingen die in artikel 74 van het decreet bepaald zijn, vermeldt ieder document dat van de dienst afkomstig is de naam van de dienst, de naam van de vzw indien die verschillend is, het ondernemingsnummer, het adres van de activiteitenzetel, het adres van de maatschappelijke zetel indien die verschillend is, de verleende erkenning en de datum van opstelling van het document.

Art. 9.De dienst geeft de personen met een handicap toegang tot de documenten die voor hen bestemd zijn.

Art. 10.De dienst werkt mee aan de externe wetenschappelijke evaluatie betreffende de uitvoering van de beginselen van het decreet zoals bedoeld in diens artikel 103.

Art. 11.Naast de wettelijk verplichte verzekeringen sluit de vzw voor de dienst de volgende verzekeringen af: 1° burgerlijke aansprakelijkheid voor alle prestaties die onder haar verantwoordelijkheid verricht worden, met inbegrip van de externe samenkomsten, en voor de vrijwilligers die ze tewerkstelt;2° aansprakelijkheid voor de bestuurders van de vzw;3° brand en diefstal voor het gebouw en het meubilair. Afdeling 2. - Normen in verband met de infrastructuur

Art. 12.De dienst vestigt zijn activiteitenzetel op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Art. 13.De dienst beschikt over lokalen waar: 1° op de plaats van zijn activiteitenzetel de opdrachten die in de artikelen 3 tot 6 omschreven zijn en waarvoor hij erkend is, tot stand gebracht kunnen worden;2° een individueel gesprek met een persoon met een handicap verzekerd kan worden, waarbij de vertrouwelijkheid gerespecteerd kan worden.

Art. 14.De dienst verzekert de toegankelijkheid van zijn lokalen door rekening te houden met de specifieke kenmerken van de doelgroep die hij ontvangt. Afdeling 3. - Normen in verband met de organisatie

Art. 15.De dienst stelt een dienstenplan op. Dit plan verduidelijkt ten minste: 1° de waarden waarop de dienstverleningsopdrachten gebaseerd zijn;2° de opdrachten en het doelpubliek van de dienst;3° het dienstenaanbod;4° de beschrijving van de dienst en diens werkingsregels;5° de methoden voor de organisatie van het werk, met de bedoeling het levensproject van de personen met een handicap te verwezenlijken;6° de modaliteiten voor de participatie van de personen met een handicap, zoals bedoeld in artikel 71, lid 1, 3° van het decreet;6° de modaliteiten voor de participatie aan gemeenschapsacties, bedoeld in artikel 71, lid 1, 4° van het decreet;8° de modaliteiten voor het uitbouwen van een netwerk, bedoeld in artikel 71, lid 1, 5° van het decreet;9° de modaliteiten voor de beoordeling van het geïndividualiseerd project van de personen met een handicap, met inbegrip van hun participatie. Dit document wordt opgesteld en regelmatig herzien in overleg met de personeelsleden.

Art. 16.De dienst beschikt over: 1° voldoende tijdvensters om ondersteuning te bieden die beantwoordt aan de noden van de gehandicapte personen;2° een elektronisch adres, een antwoordapparaat, een mobiele telefoon en elk aangepast communicatiemiddel dat de personen met een handicap toelaat een boodschap achter te laten buiten de openingsuren van de dienst;3° een website die regelmatig wordt geüpdatet, die de door de dienst uitgebouwde activiteiten voorstelt en die toegankelijk is voor de doelgroep. Afdeling 4. - Normen in verband met het personeel

Art. 17.De personeelsleden van de dienst stemmen overeen met de functies en beantwoorden aan de diplomavereisten die worden bepaald door bijlage III van het NM-besluit.

Art. 18.Met uitzondering van de diensten uit categorie 1 zoals bedoeld in artikel 25 wordt het multidisciplinair karakter van het begeleidingsteam verzekerd.

Art. 19.Iedere bezoldigde functie binnen de dienst is onverenigbaar met een bestuurdersmandaat binnen de vzw.

Art. 20.Bij de eerste aanwerving van een personeelslid beschikt de dienst over een uittreksel uit het strafregister waarvan de afgiftedatum niet meer dan drie maanden aan de indiensttredingsdatum mag voorafgaan. De dienst evalueert of het personeelslid de functie waarvoor hij of zij zich kandidaat stelt mag uitoefenen en neemt daarbij de specifieke kenmerken van de begeleide personen met een handicap in aanmerking.

Art. 21.De dienst houdt een individueel dossier bij dat voor elk betrokken personeelslid toegankelijk is.

Dit dossier bevat ten minste: 1° de arbeidsovereenkomst die de dienst en de werknemer aan elkaar verbindt, met inbegrip van de latere wijzigingen hiervan;2° een kopie van de titels en diploma's die nuttig zijn voor de functie;3° de attesten die anciënniteit aantonen;4° het uittreksel uit het strafregister zoals bedoeld in artikel 20;5° de opleidingen die door de werknemer gevolgd zijn sinds zijn of haar aanwerving;6° elk document in verband met de eventuele subsidiëring van de werknemer door een andere overheid.

Art. 22.De vrijwilligers voeren hun activiteiten uit ter ondersteuning van het personeel van de dienst.

Een vrijwilligersovereenkomst regelt hun verhoudingen met de dienst conform de wet van 3 juli 2005Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/2005 pub. 29/08/2005 numac 2005022674 bron federale overheidsdienst sociale zekerheid Wet betreffende de rechten van vrijwilligers sluiten betreffende de rechten van vrijwilligers.

De dienst bewaart een afschrift van de individuele overeenkomsten.

Art. 23.De dienst staat in voor de voortgezette opleiding van de personeelsleden en de vrijwilligers in verband met de uitoefening van de opdrachten bepaald in hoofdstuk 2. Afdeling 5 . - Normen in verband met de gehandicapte personen

Art. 24.De persoon met een handicap die nog niet toegelaten voor de tussenkomsten van het decreet kan gebruik maken van de tussenkomsten van de dienst. Hij dient ten laatste binnen de 9 maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van de begeleidingsovereenkomst bedoeld in artikel 27 een toelatingsaanvraag bij de dienst PHARE in. Gedurende deze periode wordt hij in de aantallen die in artikel 25 vermeld zijn, in aanmerking genomen.

Art. 25.Elke dienst wordt erkend voor het verzorgen van de opdrachten die in artikels 3, 5 en 6 bedoeld worden, en dit ten gunste van: - minstens 10 personen met een handicap per jaar. Dan behoort deze dienst tot categorie 1; - minstens 20 personen met een handicap per jaar. Dan behoort deze dienst tot categorie 2; - minstens 30 personen met een handicap per jaar. Dan behoort deze dienst tot categorie 3; - minstens 40 personen met een handicap per jaar. Dan behoort deze dienst tot categorie 4.

Van deze personen volgt minstens 60% een opleiding tijdens het burgerlijk jaar.

Enkel de personen met een handicap die genieten van begeleiding in het jaar dat beschouwd wordt in het kader van de begeleidingsovereenkomst, bedoeld in artikel 27, worden in deze aantallen meegerekend. Afdeling 6 - Normen in verband met de verhoudingen tussen de dienst en

de gehandicapte persoon

Art. 26.De dienst stelt een huishoudelijk reglement op. Dit reglement vermeldt ten minste: 1° de rechten en plichten van de dienst ten aanzien van de gehandicapte persoon;2° de rechten en plichten van de gehandicapte persoon;3° de evaluatie van het geïndividualiseerd project van de gehandicapte persoon, iedere 18 maanden;4° de modaliteiten voor het indienen van de informatieaanvragen en klachten en hun behandelingsmethode;5° de maatregelen die worden uitgevoerd wanneer een begunstigde van de ondersteuningen van de dienst de werkingsregels overtreedt of wanneer het materiaal met opzet beschadigd wordt;6° de namen van de persoon die instaat voor het dagelijkse beheer en van de voorzitter van de raad van bestuur;6° de bepalingen die ingeschreven zijn in artikels 29 en 30;8° de vermelding van de risico's die gedekt worden door de verzekeringen die de dienst heeft afgesloten;9° de gegevens van de Dienst PHARE en de inspectiedienst van de SPFB. Dit document wordt opgesteld en regelmatig herzien in overleg met de personeelsleden en met inbegrip van de participatie van de gehandicapte personen.

Art. 27.In het kader van de opdrachten omschreven in artikels 3 en 6 wordt er door de dienst en de gehandicapte persoon een geschreven begeleidingsovereenkomst afgesloten en ondertekend.

Deze overeenkomst vermeldt ten minste: 1° de identiteit van de partijen;2° de datum waarop de overeenkomst van kracht wordt en de duur ervan. Ze loopt af uiterlijk drie maanden volgend op het einde van de laatst gevolgde opleiding; 3° de doelstellingen van het geïndividualiseerd project;4° het geïndividualiseerd project;5° de modaliteiten volgens dewelke de overeenkomst gewijzigd, aangevuld of opgezegd kan worden;6° de evaluatiemodaliteiten van de uitvoering van de overeenkomst;de gehandicapte persoon neemt deel aan deze evaluatie; 6° het bedrag van de financiële bijdrage bedoeld in artikel 30 en de modaliteiten van de storting daarvan;8° de datum van ondertekening. Elke partij ontvangt een ondertekend exemplaar van de overeenkomst.

Het dienstenproject en het huishoudelijk reglement van de dienst, zoals bepaald in de artikelen 15 en 26, worden toegelicht en tegen ontvangstbevestiging en ondertekening voor akkoord aan de persoon met een handicap afgegeven.

Art. 28.In het kader van de opdrachten die in de artikelen 3, 5 en 6 omschreven worden, wordt er op naam van de gehandicapte persoon met wie een overeenkomst ondertekend is een gecentraliseerd individueel dossier geopend.

Dit dossier bevat ten minste: 1° de aanvraag en/of het rapport van het eerste gesprek met de gehandicapte persoon;2° de begeleidingsovereenkomst zoals beschreven in artikel 27;3° de ontvangstbevestigingen van het dienstenproject en het huishoudelijk reglement door de gehandicapte persoon bij ondertekening van de overeenkomst;4° de individuele gegevens van de persoon met een handicap die vereist zijn voor de uitvoering van de overeenkomst;5° de opvolging en evaluaties van de uitvoering van de overeenkomst.

Art. 29.De dienst mag zijn ondersteuning niet van een andere tegenprestatie dan die bedoeld in artikel 30 afhankelijk maken.

Art. 30.De persoon met een handicap draagt bij tot de kosten van de dienst waarmee hij of zij een overeenkomst afgesloten heeft en stort hiervoor een maandelijkse financiële bijdrage aan de dienst.

Deze bijdrage ligt tussen € 1,70 en € 5,00, in functie van de criteria die opgesteld zijn door de dienst, en houdt rekening met de bestaansmiddelen van de belanghebbende.

Art. 31.Indien de persoon met een handicap beschermd is in de zin van de wet tot hervorming van de regelingen inzake onbekwaamheid en tot instelling van een nieuwe beschermingsstatus die strookt met de menselijke waardigheid stelt de dienst zich in overeenstemming met de bepalingen uit de mandaatovereenkomst of uit het bevelschrift van de vrederechter en raadpleegt ze, indien nodig, de mandataris of de beheerder van de goederen die in deze akte zijn aangeduid.

Art. 32.De deelname van de gehandicapte personen voorzien in artikel 71, 3° van het decreet vertaalt zich in een jaarlijks geïndividualiseerd raadgevend proces dat aangepast is aan de specifieke kenmerken van de gehandicapte personen en door de dienst bepaald wordt. Afdeling 7. - Normen in verband met de betrekkingen tussen de dienst

en de dienst PHARE

Art. 33.De dienst maakt tegen 30 juni van het boekjaar volgend op het betreffende boekjaar aan de dienst PHARE een activiteitenverslag over.

Dit verslag omvat ten minste: 1° globale informatie over het aantal personen met een handicap die een opleidingsproject hebben, het aantal personen met een handicap die een opleiding volgen, alsook de leeftijd, het geslacht, de handicap, de woonplaats, de doelstellingen en de resultaten;2° de evaluatie van de uitvoering van het dienstenproject bedoeld in artikel 15;3° de opmerkelijke feiten van de activiteit van de dienst;4° de modaliteiten voor de verwezenlijking van een netwerk in overeenstemming met de bepalingen van artikel 71, 5° van het decreet;5° de middelen die ingezet worden om de participatie en de inclusie van personen met een handicap te bevorderen;6° geglobaliseerde gegevens betreffende het tewerkgestelde personeel en de veranderingen die in de loop van het jaar opgetreden zijn;6° de modaliteiten en de resultaten van de interne evaluatie zoals bedoeld in artikel 102 van het decreet;8° de perspectieven wat betreft de evolutie van de dienst op het vlak van activiteiten en organisatie.

Art. 34.De dienst deelt aan de Dienst PHARE tegen 30 juni van het boekjaar dat volgt op het betrokken boekjaar het nationaal nummer, de aanvangs- en einddatum van begeleidingsovereenkomsten van gehandicapte personen met wie hij een overeenkomst, bedoeld in artikel 27, ondertekend heeft.

De dienst PHARE neemt deze informatie in de individuele dossiers van de personen met een handicap waarover hij beschikt, op.

Art. 35.De dienst brengt de Dienst PHARE binnen de vijftien dagen op de hoogte van iedere wijziging in verband met de erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden, evenals van iedere wijziging betreffende het personeel bedoeld in artikel 17.

Voor elk personeelslid bedoeld in artikel 17 maakt de dienst binnen de vijftien dagen vanaf zijn aanwerving de kopie van diens arbeidsovereenkomst, evenals ieder bewijs dat het personeelslid voldoet aan de reglementaire voorwaarden betreffende zijn functie en zijn anciënniteit aan de Dienst PHARE, over. Enkel de elementen die onmisbaar zijn voor de berekening van de subsidies worden aan de Dienst PHARE bezorgd.

Art. 36.Wat betreft het bijhouden van de rekeningen stemt het boekjaar overeen met het kalenderjaar.

De dienst maakt tegen 30 juni van het boekjaar dat volgt op het betrokken boekjaar zijn rekeningen en balans, zoals die bij de Nationale Bank van België en bij de Griffie van de Handelsrechtbank neergelegd zijn, aan dienst PHARE over. In het laatste geval wordt het bewijs van indiening bijgevoegd.

Art. 37.De dienst maakt tegen 30 juni van het boekjaar volgend op het betreffende boekjaar aan de dienst PHARE het verantwoordingsdossier voor de subsidies, bedoeld in artikel 50, over.

Art. 38.De SPFB stelt de modaliteiten voor de overdracht van de informatie bedoeld in dit hoofdstuk vast. HOOFDSTUK 4. - Subsidies Afdeling 1. - Algemene modaliteiten voor de toekenning van de

subsidies

Art. 39.De aan een erkende dienst verschuldigde subsidie is jaarlijks.

Ze wordt gestort onder de vorm van maandelijkse voorschotten, en dit ten laatste op de laatste werkdag van de maand die voorafgaat aan de maand waarvoor ze worden toegekend.

Ze wordt door de SPFB vereffend na onderzoek van het verantwoordingsdossier bedoeld in artikel 50.

Art. 40.Het maandelijks voorschot houdt rekening met de erkende categorie bedoeld in artikel 25, de evolutie van het personeel opgenomen in artikel 17 wat betreft het aantal, de functie, de anciënniteit en de prestaties binnen de grenzen vastgelegd in afdeling 2 van dit hoofdstuk.

Bij het overschrijden van de in artikel 35 vastgestelde termijn zal bij de berekening van de maandelijkse voorschotten slechts op de eerste dag van de maand volgend op de ontvangst van de documenten rekening gehouden worden met de wijziging van het personeel.

Art. 41.Wanneer de SPFB vaststelt dat de aan de dienst gestorte maandelijkse voorschotten hoger zijn dan de jaarlijks verschuldigde subsidies, dan wint hij het teveel aan ontvangen voorschotten over een periode van maximaal 12 maanden terug na overleg met de directie van de dienst via compensatie met de volgende maandelijkse voorschotten die gestort worden voor het lopende jaar.

Deze terugwinning kan uitzonderlijk en op vraag van de dienst van voorwaarden en termijnen afhankelijk gesteld worden. De SPFB stelt een aflossingsplan op.

Art. 42.Wanneer de SPFB vaststelt dat het teveel aan voorschotten die door de dienst ontvangen zijn, voortkomt uit bewust verkeerde informatie die door de dienst bezorgt werd of uit zware beheersfouten, dan krijgt de SPFB het onverschuldigde bedrag in één keer terug.

In deze veronderstelling bezorgt de SPFB aan het Collegelid een voorstel voor de opstart van de procedure tot intrekking van de vergunning. Afdeling 2. - Subsidie voor personeelskosten

Art. 43.De jaarlijkse subsidiëring van de personeelskosten bedoeld in artikel 17 en bestemd voor de in hoofdstuk 2 bedoelde opdrachten is op elk moment van het jaar beperkt tot de volgende normen: - dienst van categorie 1: 0,5 voltijds equivalent; - dienst van categorie 2: 1 voltijds equivalent; - dienst van categorie 3: 1,5 voltijds equivalenten; - dienst van categorie 4: 2 voltijds equivalenten.

Van de gesubsidieerde tewerkstellingen mag het aantal werknemers die houder zijn van een masterdiploma niet hoger zijn dan: - dienst van categorie 1: 0,10 voltijds equivalent: - dienst van categorie 2: 0,20 voltijds equivalent: - dienst van categorie 3: 0,35 voltijds equivalent: - dienst van categorie 4: 0,45 voltijds equivalent.

De norm van de voltijdsequivalent voor werknemers die houder zijn van een masterdiploma wordt verdubbeld voor een dienst die voornamelijk personen met een handicap begeleidt die een intellectuele beperking, autismespectrumstoornissen of een cerebraal letsel hebben en is niet beperkt voor een dienst die hoofdzakelijk personen met een handicap met een auditieve beperking begeleidt.

Art. 44.De subsidie dekt de gemaakte personeelskosten en is beperkt tot de berekening die gemaakt wordt op basis van de barema's die in bijlage I NM van het NM-besluit vastgesteld zijn, en bevat de werkgeverslasten en andere voordelen die in bijlage V NM van het NM-besluit vastgesteld zijn op basis van de anciënniteit die in bijlage IV NM van het NM-besluit vastgesteld is.

De baremaschalen die met iedere functie overeenstemmen, zijn vastgelegd in bijlage II NM van het NM-besluit.

Art. 45.Een subsidie die overeenstemt met maximaal één percent van de subsidie die in toepassing van artikels 43 en 44 berekend wordt, wordt toegekend om de verantwoorde kosten inzake opleiding van het personeel te dekken.

De opleidingskosten kunnen bovendien kosten voor supervisie zijn en kosten van de evaluatie voor intern gebruik, zoals bedoeld door artikel 102 van het decreet.

Art. 46.De subsidie voor personeelskosten van een werknemer die begunstigde is van het Plan Tandem, wordt toegekend op basis van hetzelfde werkvolume als het werkvolume dat hij of zij presteerde voordat hij of zij zijn of haar prestaties tot een halftijdse betrekking verminderde.

Het bezoldigde prestatievolume van de werknemer die is aangeworven ter vervanging van de werknemer die zijn of haar prestaties van een driekwart-tijds of een voltijdse betrekking tot een halftijdse betrekking verminderde, wordt niet in aanmerking genomen.

De volgende kosten en bijdragen worden beschouwd als toelaatbare uitgaven van de subsidie voor personeelskosten van een werknemer die begunstigde van het Plan Tandem is: 1° de bezoldigingskosten, werkgeverslasten en andere voordelen die verband houden met de werknemer die begunstigde van het Plan Tandem is, zoals bepaald in bijlage V van het NM-besluit;2° de bezoldigingskosten, werkgeverslasten en andere voordelen die verband houden met de werknemer die is aangeworven ter vervanging van de werknemer die zijn of haar prestaties tot een halftijdse betrekking verminderde in het kader van het Plan Tandem, zoals bepaald in bijlage V van het NM-besluit;3° de bijdrage die in toepassing van het Plan Tandem gestort wordt aan het Sociaal Fonds "Old Timer". Afdeling 3. - Subsidie voor algemene kosten

Art. 47.De jaarlijkse subsidie voor de algemene kosten is beperkt tot de volgende bedragen: - dienst van categorie 1: 2 000,00 euro; - dienst van categorie 2: 6 000,00 euro; - dienst van categorie 3: 10 000,00 euro; -dienst van categorie 4: 14 000,00 euro.

Art. 48.De subsidie dekt de gemaakte toelaatbare kosten die in bijlage van dit besluit opgenomen zijn en met de in hoofdstuk 2 bedoelde opdrachten te maken hebben.

Art. 49.Deze subsidie kan de meerkosten dekken van de lonen van personeelsleden die de in artikel 43 vastgestelde functies overschrijden en gedeeltelijk door een andere overheid ten laste worden genomen. Afdeling 4; - Verantwoordingsdossier voor de subsidies

Art. 50.Het verantwoordingsdossier bevat volgende stukken: 1° wat betreft de personeelskosten: - de individuele rekeningen van de werknemers; - het attest C 450 bis van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid; - het attest van de FOD Financiën dat de betaling van de bedrijfsvoorheffing bewijst; - de eindafrekening van de wetsverzekering; - de definitieve eindafrekening van de arbeidsgeneeskunde; - een samenvattende tabel met de personeelskosten, met vermelding van het betrokken personeel, de aard van de gevolgde opleidingen en hun kostprijs. 2° wat betreft de algemene kosten (met inbegrip van de meerkosten met betrekking tot het loon, die op grond van artikel 49, subsidieerbaar zijn): - de algemene balans; - de tabellen met afschrijvingen van de vaste activa en van de giften en subsidies in kapitaal; - het grootboek of de historiek van de algemene rekeningen.

De SPFB kan de lijst aanvullen met gevraagde stukken en kan met name alle verantwoordingsstukken die de boekhoudkundige documenten verantwoorden opvragen.

Art. 51.De SPFB controleert het verantwoordingsdossier. Hij stelt het verschil tussen de som van de gestorte voorschotten en het bedrag van de verschuldigde subsidie vast.

Hij legt binnen de zes maanden na de ontvangst van het dossier met verantwoordingsstukken een voorstel van beslissing voor aan de dienst, op voorwaarde dat het dossier volledig en voldoende is. Vanaf de datum van ontvangst van dit voorstel beschikt de dienst over een termijn van zes weken om zijn opmerkingen mee te delen. Bij gebrek aan antwoord binnen deze termijn wordt het voorstel van de SPFB als aanvaard beschouwd.

Binnen een termijn van zes weken volgend op de datum van ontvangst van deze opmerkingen maakt de SPFB de definitieve afrekening van de subsidie over.

Art. 52.De financiële bijdragen bedoeld in artikel 30 worden niet van de subsidie afgetrokken. HOOFDSTUK 5. - Uitvoering van de ondersteuningsopdrachten voor beroepsopleiding door een begeleidingsdienst

Art. 53.In toepassing van artikel 40 van het decreet kan een erkende begeleidingsdienst de in hoofdstuk 2 bepaalde opdrachten in het kader van een overeenkomst van vijf jaar, afgesloten met het College, uitvoeren, en dit middels naleving van de bepalingen van hoofdstuk 3 en volgens de volgende modaliteiten: 1° zijn dienstproject en huishoudelijk reglement aanvullen op basis van artikelen 15 en 26;2° zijn jaarlijks activiteitenverslag aanvullen op basis van artikel 33;3° in het kader van zijn analytische boekhouding de geconventioneerde opdracht onderscheiden.

Art. 54.De subsidies worden toegekend op grond van de bepalingen uit hoofdstuk 4.

Art. 55.Het verantwoordingsdossier van de subsidies maakt een onderscheid tussen de ondersteuningsopdrachten voor beroepsopleiding en de opdrachten met betrekking tot de begeleidingsdienst.

Art. 56.De met het College afgesloten overeenkomst bevat: 1° de bepalingen uit de artikels 53 tot 55;2° de doelstellingen van de begeleidingsdienst die de modaliteiten voor de uitvoering van de ondersteuningsopdrachten voor beroepsopleiding preciseren;3° de vermelding van de erkenningscategorie zoals die in artikel 25 omschreven is. Ze wordt aan het voorafgaand advies van de Adviesraad onderworpen.

Art. 57.Een vrijstelling van de in artikel 30 bedoelde financiële bijdrage is voorzien wanneer de persoon met een handicap voor dezelfde periode met de begeleidingsdienst reeds een begeleidingsovereenkomst ondertekend heeft. HOOFDSTUK 6. - Wijzigingsbepalingen

Art. 58.In het besluit 2017/892 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 1 maart 2018 betreffende de diensten voor inclusieve vrijetijdsbesteding dat uitvoering geeft aan afdeling 7 van hoofdstuk 4 van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 17 januari 2014 met betrekking tot de insluiting van de gehandicapte persoon wordt de volgende wijziging aangebracht: In art. 33 wordt het cijfer "33" vervangen door het cijfer "31".

Art. 59.In het besluit 2017/891 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 1 maart 2018 betreffende de ondersteuningsdiensten voor activiteiten van maatschappelijk belang, waarbij afdeling 5 van hoofdstuk 4 van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 17 januari 2014 betreffende de insluiting van de gehandicapte persoon ten uitvoer gelegd wordt, wordt de volgende wijziging aangebracht: In art. 38, lid 1 wordt het cijfer "18" vervangen door het cijfer "16".

Art. 60.In het 2017/1388 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 1 maart 2018 betreffende de ondersteuningsdiensten voor dovencommunicatie en -vertolking, waarbij artikel 27 van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 17 januari 2014 betreffende de insluiting van de gehandicapte persoon ten uitvoer gelegd wordt, wordt de volgende wijziging aangebracht: In art. 55 wordt het cijfer "54" vervangen door het cijfer "53".

Art. 61.In het besluit 2017/626 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 1 maart 2018 houdende de vaststelling van de wijzen en procedures voor de erkenning van centra, diensten, woningen of ondernemingen bedoeld in artikel 70 van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 17 januari 2014 betreffende de insluiting van de gehandicapte persoon worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in art.5, lid 3 wordt het cijfer "4, 14° " vervangen door het cijfer "4, 13° "; 2° in art.6, lid 2 wordt het cijfer "4, 14° " vervangen door het cijfer "4, 13° "; 3° in art.13 wordt het cijfer "4, 1° tot 14° " vervangen door het cijfer "4, 1° tot 13° ". 4° in art.21, 2° wordt het cijfer "4, 1° tot 14° " vervangen door het cijfer "4, 1° tot 13° ".

Art. 62.In het besluit 2017/1481 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 1 maart 2018 betreffende de diensten voor gezinsopvang dat uitvoering geeft aan afdeling 3 van hoofdstuk 6 van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 17 januari 2014 met betrekking tot de insluiting van de gehandicapte persoon wordt de volgende wijziging aangebracht: In art. 39, lid 1 wordt het cijfer "25" vervangen door het cijfer "23".

Art. 63.In het besluit 2017/1127 van het College van de Franse Gemeenschapscommissie van 1 maart 2018 betreffende de begeleidingsdiensten, waarbij afdeling 4 van hoofdstuk 4 van het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van 17 januari 2014 betreffende de insluiting van de gehandicapte persoon ten uitvoer gelegd wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in art.66, 2de lid worden de woorden "ondersteuningen" vervangen door de woorden "opvangperiodes": 2° in art.67 worden de cijfers "32,1° ", "32,2° " en "32,3° " vervangen door respectievelijk de cijfers "30,1° ", "30,2° " en "30,3° "; 3° in art.68 worden de cijfers "33,1° ", "33,2° " en "33,3° " vervangen door respectievelijk de cijfers "31,1° ", "31,2° " en "31,3° "; 4° in art.69 worden de cijfers "34,1° " en "34,2° " vervangen door respectievelijk de cijfers "32,1° " en "32,2° " ; en in het laatste lid moeten de woorden "het uren" vervangen worden door de woorden "de activiteitenperiodes"; 5° in art.71 moeten de cijfers "36,1° ", "36,2° " en "36,3° " vervangen worden door respectievelijk de cijfers "34,1° ", "34,2° " en "34,3° "; 6° bijlage 2 wordt vervangen door bijlage 2, die bijgevoegd is. HOOFDSTUK 7. - Slotbepalingen

Art. 64.De in dit besluit opgenomen bedragen zijn gekoppeld aan de referentiegezondheidsindex van december 2018.

Vanaf 1 januari 2020 worden ze jaarlijks aangepast op 1 januari rekening houdend met het indexcijfer van de consumptieprijzen bedoeld in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen, hierna de gezondheidsindex genaamd, volgens de formule: basisbedrag x gezondheidsindex van december van het vorige jaar gezondheidsindex van december 2018

Art. 65.Treden in werking op 1 januari 2019: 1° artikel 29 van het decreet;2° artikel 81 van het decreet;3° voor de diensten bedoeld in artikel 29 van het decreet: artikels 21, 70, 71, 72, 74, 75, 77, 94, 95 en 102 van het decreet 4° dit besluit.

Art. 66.Het Collegelid wordt belast met de uitvoering van onderhavig besluit.

Brussel, 24 januari 2019.

Voor het College : F. LAANAN, Minister-President van het College C. FREMAULT, Minister, Collegelid, belast met het Beleid inzake Bijstand aan Personen met een Handicap

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

^